Verweer tegen gebruikelijke excuses van de winkeliers (gastpost)

29 februari 2008, 8:58 - Geplaatst onder: Contracten - 2 reacties

“U heeft geen recht op herstel of vervanging, want u heeft het product niet goed gebruikt!” Het gebruikelijke excuus waar een willekeurige winkelier mee aankomt, als je met een defect product bij hem aanklopt. Toch heeft de winkelier het hierbij lang niet altijd bij het juiste eind, zelfs als hij kan aantonen dat het product geen productiefouten bevat!

De wet zegt namelijk dat een gekocht product niet aan de overeenkomst beantwoordt als het niet die eigenschappen bezit die je op grond van de overeenkomst mocht verwachten. Dit heet het conformiteitsbeginsel en dat is geregeld in artikel 7:17 BW. Daarbij geldt dat je mag aannemen dat het product die eigenschappen bezit die voor normaal gebruik nodig zijn, tenzij het om een eigenschap gaat waar je aan behoorde te twijfelen. Je moet twijfelen als de verkoper expliciet meld dat het product een bepaalde eigenschappen mist of niet geschikt is voor een bepaald gebruik of situatie. Daarnaast moeten die eigenschappen aanwezig zijn die voor afgesproken bijzonder gebruik nodig zijn. Maar wat wil dat nu concreet zeggen?

Het eerste en belangrijkste kenmerk is dus dat het product vermoed wordt geschikt te zijn voor normaal gebruik. In de rechtszaak LJN AY8747, waar een consumentengeschil over een parketvloer centraal stond, oordeelde de rechter als volgt:

Op een vloer in een woning wordt nu eenmaal met schoenen gelopen, met stoelen geschoven en door kinderen met speelgoed gespeeld. Anders dan het schuiven met een kast vormt dit een normaal gebruik. [appellant] mocht dan ook bij deze vloer krasbestendigheid verwachten bij normaal gebruik.

Normaal gebruik is dus dat gebruik dat het doorsnee individu uit de doelgroep pleegt. Voor een vloer in een woning geldt dus dat het schuiven met stoelen onder normaal gebruik valt. En krasbestendigheid is de eigenschap die benodigd is voor dit gebruik. Een verkoper kan het dus maar beter melden als een vloer niet krasbestendig is.

“Er is spraken van waterschade, dus het defect is uw eigen schuld” is een andere mededeling waar je tegenaan kunt lopen bij een defect product, met name bij elektronica. Zelfs als deze zijn gemaakt om overal mee naar toe te nemen. Marije Hulshof, directeur van de Consumentenautoriteit stelt in haar column, ‘niet meer bellen in de regen?’ , over mobiele telefoons: “die moet u mee kunnen nemen in uw tas of binnenzak om te gebruiken op kantoor, in de kroeg of op het terras. Ook als het miezert. Normaal gebruik, noemen we dat.” Voor een mobieltje is normaal gebruik dus kunnen bellen in de regen, en de eigenschap die daarbij hoort is waterwerendheid. Aan de aanwezigheid van deze eigenschap moet je twijfelen als gemeld is dat het mobieltje niet tegen regen kan.

Het derde voorbeeld gaat over bijzonder gebruik. Stel een winkel verkoopt servers en werkstations aan ondernemers. Nu wil een lokaal radiostation een server voor in haar studio. Dit vereist dat de computer (zeer) stil is zodat deze niet op de opname te horen is. Het bijzondere gebruik is dan dat op een meter afstand professionele opnames te maken moeten zijn en de gewenste bijzondere eigenschap van de computer is stilheid. Het radiostation moet dan laten weten dat ze de computer op deze manier willen gebruiken.

Het conformiteitsbeginsel regelt dus wie van de partijen wat moet melden. Eigenschappen die ontbreken aan een product moeten gemeld worden door de verkoper, als deze nodig zijn voor normaal gebruik. De overige gewenste eigenschappen hoeft het verkochte product alleen te bezitten, indien de koper daar om heeft gevraagd. Het is redelijk om te verlangen van de verkoper dat hij de markt globaal kent, want hij verdient er zijn brood mee. Daarentegen is het weer onredelijk te verwachten dat de verkoper de specifieke wensen van de koper kent, want hij kan natuurlijk geen gedachten lezen.

Als het product niet aan het conformiteitsbeginsel voldoet dan heb je recht op herstel of vervanging (7:21 BW), schadevergoeding van gevolgschade (7:24 BW) en in sommige gevallen ook op ontbinding of prijsvermindering (7:22 BW) als er sprake is van non-conformiteit. Echter, de consument moet in beginsel wel bewijzen dat daarvan sprake is (150 Rv). Gelukkig heeft de wetgever het je iets makkelijker gemaakt gedurende de eerste zes maanden na aankoop. Volgens artikel 7:18 lid 2 BW moet de verkoper dan bewijzen dat het product aan het conformiteitsbeginsel voldeed. Als het product binnen de garantie valt, dan ligt de bewijslast ook bij hem.

Een eenvoudige bewering is niet voldoende. Als koper kun je bijvoorbeeld aan deze bewijslast voldoen door te wijzen op de problematische geschiedenis of een productie fout in een bepaalde serie. En als koper hoef je eveneens geen genoegen te nemen met alleen een bewering van de verkoper.

Alex de Kruijff
Alex is een ingenieur die elektronica en informatica heeft gestudeerd en juridische interesse heeft. Op zijn website kun je o.a. artikels over het besturingssysteem FreeBSD vinden, die je helpen bij het configureren ervan.

Is ontslag nemen per e-mail rechtsgeldig?

28 februari 2008, 8:34 - Geplaatst onder: Internetrecht, Contracten - 4 reacties

Een lezer wilde per e-mail ontslag nemen, maar diens werkgever weigerde dat te accepteren omdat “e-mail geen rechtsgeldig medium is”. Oh?

Opzeggen mag in principe op elke manier, ook mondeling of per e-mail. Het kan zijn dat er bij CAO of in de arbeidsovereenkomst andere afspraken zijn gemaakt. Dan moet opzegging volgens die afspraken gebeuren.

Vaak staat er in een CAO dat opzegging “schriftelijk” moet. Je kunt je afvragen of met een e-mail daaraan voldaan is. Onlangs werd e-mail als “schriftelijk” gezien bij een ingebrekestelling. De redenering daarbij zou ook op kunnen gaan voor opzegging van arbeidsovereenkomsten, maar persoonlijk zou ik het daar niet op willen laten aankomen.

Het probleem bij opzeggen per e-mail is dat de opzegger moet bewijzen dat de e-mail is aangekomen, en de wederpartij alleen maar hoeft te ontkennen deze gehad te hebben. Het is dus niet verstandig om op te zeggen per mail. Net zo goed als mondeling ontslag nemen niet verstandig is.

Bij een bedrijfsnetwerk is er vaak een (redelijk) betrouwbare optie om een ontvangstbevestiging te vragen. Dat zou kunnen helpen als bewijs. Maar vaak toont zo’n ontvangstbevestiging niet aan wat de inhoud van de mail was.

Op Flexmarkt het volgende advies:

De opzegging is pas geldig als het bericht van opzegging de andere partij heeft bereikt. De werkgever moet bij geschillen de bezorgdatum en het adres van de brief kunnen aantonen. Bewaar een kopie van de opzegbrief. Er is geen opzegging als blijkt dat de brief op het verkeerde adres is bezorgd. Daarom is een aangetekende brief het aangewezen middel. Want zelfs als de aangetekende brief niet wordt afgehaald bij het postkantoor, is de opzegging geldig. De geadresseerde draagt in dat geval het risico dat de brief hem of haar niet heeft bereikt. Dat geldt ook als de werknemer is verhuisd en geen adreswijziging heeft doorgegeven aan de werkgever. Vaak bevat een cao nadere regels.

Zie ook Arbeidsrechter.nl dat ook sterk afraadt om per e-mail ontslag te nemen.

Arnoud

SEO op andermans merknaam (bij Netters)

27 februari 2008, 8:13 - Geplaatst onder: Merken, Zoekmachines - Geen reacties

Bij webbouwergemeenschap Netters schreef ik een column over search engine optimization met behulp van andermans merknamen:

Merknamen zijn geliefd voer voor SEO campagnes. Iedereen kent die namen, ze worden veel ingetypt dus als je daar wat traffic van mee kunt nemen, is dat altijd leuk. Zeker als je ook nog eens gerelateerde producten verkoopt.

Merkhouders stellen het alleen, zacht gezegd, niet op prijs als andere mensen van de reputatie van hun merk profiteren. Ze hebben soms miljoenen geïnvesteerd om die reputatie op te bouwen, en ze willen daar graag controle over houden. Over merkinbreuk bij online reclame en SEO wordt dan ook regelmatig geprocedeerd.

Lees verder in SEO op andermans merknaam bij Netters.nl.

UPDATE (12:43) Of lees de recentie bij Marketingfacts!

Arnoud

Plugins voor Joomla: verplicht GPL of toch niet?

26 februari 2008, 8:28 - Geplaatst onder: Open source - 3 reacties

Een lezer had een plugin voor het open source content management system Joomla! gemaakt, en vroeg zich af of hij die mocht verkopen zonder de broncode open source te maken. Joomla! is beschikbaar onder de GPL. Een afgeleid werk, dat wil zeggen een aanpassing of uitbreiding, mag je dus alleen ook weer onder de GPL verspreiden. Je mag er best geld voor vragen, maar je moet de broncode meeleveren. Geld vragen heeft niet zo veel zin, want iedereen mag de software weer verspreiden, zelfs gratis.

Maar hoe zit dat met een plugin? De FSF, auteurs van de GPL, vinden niet verrassend dat elke plugin GPL moet worden. De tekst van GPL (v2) zegt echter:

If identifiable sections of [the modified] work are not derived from the Program, and can be reasonably considered independent and separate works in themselves, then this License, and its terms, do not apply to those sections when you distribute them as separate works.

Een plugin die uitsluitend gebruik maakt van de gewone plugin API zou ik beschouwen als een apart werk. Er zitten geen auteursrechtelijk beschermde stukjes van Joomla zelf in zo’n plugin. Het aanroepen van API calls is technisch noodzakelijk en daarom niet auteursrechtelijk relevant. En in die situatie mag je de plugin los van Joomla! verspreiden op elke manier en onder elke licentie die je goeddunkt.

Wat niet mag, is Joomla! in combinatie met de plugin verspreiden. Maar dat komt niet zo vaak voor, omdat Joomla! een webapplicatie is. Plugins worden eigenlijk altijd los gedownload door mensen die Joomla! al geïnstalleerd hebben. Joomla! zelf heeft hierover nagedacht en concludeert dat :

We’ve also decided that we do not have the authority to publish Joomla! under a version of the GPL that gives exceptions for proprietary extensions. It’s difficult to relicense a GPL’d project, and there is no indication that OSM currently has that ability. Our current understanding is that extensions that aren’t released under the GPL or compatible licenses are non-compliant, and that view is based on the guidance of both the Free Software Foundation and the Software Freedom Law Center.

Op zijn minst zul je dus enige weerstand vanuit de Joomla!-gemeenschap ondervinden als je plugins uitbrengt onder een andere licentie dan de GPL. Echter, gezien het feit dat er heel veel plugins onder een “commercial license” bij Joomla! zelf te vinden zijn, zou ik me daar geen al te grote zorgen over maken.

Zie ook de recente discussie bij Joomla! zelf.

Arnoud

Veroordeling voor publicatie naaktfoto’s ex-partner op internet

25 februari 2008, 8:45 - Geplaatst onder: Privacy - 5 reacties

Afgelopen vrijdag is een man tot 6.000 euro schadevergoeding veroordeeld voor het verspreiden van naaktfoto’s van zijn exvriendin via internet (Emule en MSN), las ik op Nu.nl. De foto’s bleken via Emule, een filesharing netwerk, aangeboden te worden. Ook had de verdachte deze foto’s via MSN gedeeld met allerlei mensen. Gauw het vonnis erbij gepakt, want zo’n hoge boete had ik nog niet eerder gezien. Waarom is dat nu strafbaar?

De grondslag blijkt smaadschrift: aantasting van de eer en goede naam van de vrouw in kwestie door het verspreiden van geschriften. Logisch. Door het publiceren van pornografische foto’s kun je iemands goede naam behoorlijk schaden. Zelfs als de foto’s, zoals hier, met toestemming waren gemaakt. En digitale foto’s zijn prima te zien als geschriften.

Met het verweer dat het wellicht iemand anders was geweest, maakt de politierechter korte metten:

Naar eigen zeggen is verdachte de enige persoon die gebruik maakt van zijn computer, is zijn Windows gebruikersnaam [usernaam] en zijn e-mailadres [e-mailadres]. Bij de hierboven aangehaalde via MSN Messenger gevoerde gesprekken, waarbij de genoemde bestanden werden verzonden, werd gebruik gemaakt van het genoemde e-mailadres, terwijl er was ingelogd onder de genoemde gebruikersnaam. Hiermee staat voldoende vast dat verdachte de genoemde MSN Messenger gesprekken heeft gevoerd en ook de genoemde bestanden heeft verzonden.

Hetzelfde gaat op voor het delen via het P2P programma Emule: de verdachte had zelf gezegd dat hij verstand had van computers, en daarom vond de rechter het onwaarschijnlijk dat de foto’s per ongeluk in een gedeelde map terecht waren gekomen. Wat ook meewoog, is dat alle foto’s hernoemd waren van de bekende nietszeggende naam (DSC00007.JPG) naar “Ex-vriendin [bestandsnaam], uit [plaatsnaam]”. Dat kan alleen iemand gedaan hebben die weet hoe de ex-vriendin heette en waar deze woont. Een willekeurige grapjas die de foto’s toevallig had gevonden, had ze waarschijnlijk niet hernoemd, of in ieder geval niet naar die specifieke namen.

De gevolgen voor de ex waren zeer ernstig:

Bij de uitoefening van haar beroep en in haar woongenot heeft zij zodanig problemen ondervonden dat zij klanten verloor en is verhuisd.

De verdachte kreeg dan ook een boete van 1500 euro opgelegd, plus een schadevergoeding voor het slachtoffer van 5860,50 euro.

Arnoud

De waarde van gratis

24 februari 2008, 11:10 - Geplaatst onder: Innovatie - 2 reacties

Foto: Henk-Jan WinkeldermaatGratis is niet hetzelfde als waardeloos. Maar hoe kom je rond als auteur als je je werk gratis weggeeft in plaats van royalties per doosje, per exemplaar te rekenen? Met die insteek organiseerde Erno Mijland de bijeenkomst Survival of the fittest content makers. Daar ontmoette ik (voor het eerst!) in persoon Marco Raaphorst, Henk-Jan Winkeldermaat, Laura Babeliowsky, Huub Koch, Erno Hannink, Sanne Roemen en natuurlijk Erno Mijland zelf (hoewel ik die al eens eerder had ontmoet). Wat een leuke kennismaking met iedereen!

Erno schreef al een uitgebreid verslag van de bijeenkomst. Het gaat om waarde creëren met je content, en waarde vertaalt zich weer in een beloning voor de auteur. Maar wat is waarde, en waar ligt die? Erno omschrijft het zo:

Een interessant punt in de bijeenkomst was de vraag of content eigenlijk wel intrinsieke waarde heeft, of dat die waarde pas ontstaat op een bepaald moment in een bepaalde context? Zoals de krant van gisteren niets waard is, de krant van vandaag een euro waard is en de krant van morgen een vermogen. Waarde wordt dan bijvoorbeeld gecreëerd door gemak: een nummer in iTunes kan 0,99 euro kosten omdat het direct beschikbaar is op het moment dat de eindgebruiker er behoefte aan heeft. Anderen bewijzen het door teksten gratis voor iedereen beschikbaar te maken op het internet en toch te verdienen aan de boeken waarin deze teksten verzameld zijn (de beleving van de drager).

Zoals Marco Raaphorst het zegt:

Heel simpel: als je weblog waarde heeft, als de lezers er iets aan hebben, dan vertegenwoordigt het waarde. En die waarde valt uit te drukken in geld. Niet alleen kan een weblogger aan advertenties verdienen, een weblog vormt ook vooral een laagdrempelige manier om nieuwe klanten te verwerven. Bewust of onbewust. Hoe meer je van jezelf laat zien, des te groter is de kans dat mensen jouw ding, jouw content of jouw visie willen inhuren.

Zo zie ik het ook. In december schreef ik waarom ik al mijn werk gratis weggeef. Hergebruik mijn werk gerust, schreef ik toen, dat is goede promotie voor mij (zolang je mijn naam maar goed spelt, een niet-triviaal aspect in mijn geval). Die promotie vertaalt zich in niet-materiële waarde. Ik verdien geen cent meer door deze blog, maar krijg wel veel aandacht en exposure. Ook dat heeft waarde.

Erno publiceerde ook een zeer leesbaar artikel over economische modellen voor content op internet.

(Foto door Henk-Jan WinkeldermaatHuub Koch, Creative Commons BY-NC-SA 2.0)

Arnoud

Nieuwe richtlijnen software-octrooien bij Europees Octrooibureau

23 februari 2008, 11:19 - Geplaatst onder: Octrooien - 2 reacties

Wanneer is software octrooieerbaar? Met deze vraag worstelt het Europees Octrooibureau (EOB) al jaren. Het probleem is namelijk dat het Europees Octrooiverdrag zegt dat op “software als zodanig” geen octrooi verleend mag worden, maar wat is dan “software als zodanig” - en belangrijker, bestaat er dan zoiets als “software niet als zodanig”?

In 1998 oordeelde het EOB dat een technische uitvinding die met software gebouwd werd, geen “software als zodanig was”. Het verbod op software als zodanig zou bedoeld zijn om niet-technische zaken te weren, maar niet om een uitvinding van octrooi uit te sluiten enkel omdat je bepaalde stukken met software kon implementeren. Vanaf toen verschoof de discussie van “wat is software als zodanig” naar “wat is technisch”.

En dat is een hele goede vraag. Het EOB is er nog steeds niet uit, ook niet in haar nieuwe richtlijnen die eind november in het Official Journal verschenen. Weliswaar komt men nu met concrete voorbeelden van zaken die het wel of niet gehaald hebben, maar een algemene regel ontbreekt nog steeds. En dat is jammer, want zo blijft de onduidelijkheid bestaan.

Wat moet je bijvoorbeeld als arme octrooigemachtigde hiermee:

It is notable that although the requirement for technical character is satisfied if technical considerations are required to carry out an invention (T 769/92, OJ EPO 1995, 525), such technical considerations must be reflected in the claimed subject-matter. The involvement of technical considerations, however, is not sufficient for a method which may exclusively be carried out mentally to have technical character (T 914/02).

Iets is technisch als men technische aspecten (overwegingen) meeneemt in de uitvinding, maar de technische aspecten moeten wel deel uitmaken van de uitvinding anders is deze niet technisch. Als u dit snapt, weet ik nog een leuke baan voor u.

Het artikel zet wel de nieuwe, strenge aanpak over business method octrooien goed op een rijtje. Zoals ik al in mijn artikel Taking care of business methods schreef, de nieuwe manier van het EOB om dit soort vindingen te beoordelen is zo streng dat er zelden of nooit meer een business method octrooi verleend wordt in Europa.

Arnoud

Reactie op reactie op: “ja, een licentie is een contract!”

22 februari 2008, 9:00 - Geplaatst onder: Auteursrecht, Contracten - 8 reacties

Soms moet je mensen even porren om ze weer aan het bloggen te krijgen, en klaarblijkelijk is me dat bij Menno Weij gelukt.:) Hij reageerde gisteren op een opmerking in mijn blogpost over licenties en contracten waarin ik stelde dat wie software legaal downloadt, geen EULA hoeft te aanvaarden om deze te mogen gebruiken.

Menno zegt daarover:

Dit is naar mijn stellige overtuiging onjuist. Immers, je kunt er donder op zeggen dat de EULA overeenkomst bepaalt dat de software niet gebruikt mag worden indien men de EULA overeenkomst niet wenst te accepteren.

Ik geef toe dat mijn opmerking niet bepaald een mainstream uitleg van de Auteurswet is, maar deze redenering gaat me ook weer wat te snel. Als ik de EULA niet aanvaard, dan heb ik verder niets te maken met wat er in de EULA staat. Dus of daar nou staat dat ik de software niet mag gebruiken, is voor mij dan irrelevant. De auteursrechthebbende zal op grond van zijn auteursrecht tegen mij in actie komen, maar de inhoud van de EULA is daarbij volstrekt irrelevant.

Maar als ik de EULA niet aanvaard, mag ik de software dan gebruiken op grond van art. 45j? Menno vindt van niet:

Indien [de EULA niet aanvaard is], dan mag de software niet gebruikt althans gedownload worden. Immers, voor dat gebruik is alsdan geen toestemming verkregen van de auteursrechthebbende op die software. Je kunt dus ook niet teruggevallen op de wettelijke gebruiksrechten voor software in de Auteurswet, want je bent geen rechtsgeldig gebruiker.

Dat lijkt mij dan weer volstrekt onjuist. Het downloaden van software gebeurt voordat ik de EULA zelfs maar te zien krijg. Het is niet mogelijk om mijn downloadhandeling bij nader inzien alsnog te onderwerpen aan voorwaarden die ik pas na de download te horen krijg.

Natuurlijk zou de rechthebbende de EULA voorafgaande aan de download kunnen tonen, en zelfs expliciet een akkoordklik kunnen eisen voordat de download in gang gezet wordt. In dat geval is de download wel onderworpen aan de EULA. Maar dat is op internet de uitzondering en niet de regel.

Gebruikelijk is: je vindt een leuk stukje software, je downloadt het en dubbelklikt op het Installeren-icoon (hopelijk na een viruscontrole) en dan krijg je het bekende scherm met de EULA voor je neus. Of de EULA staat ergens in een tekstbestandje bij de andere programmabestanden.

Mijn stelling is dus dat ik in die gebruikelijke situatie (EULA na download pas aan mij getoond) een rechtmatig verkrijger in de zin van art. 45j Aw ben. Ik mag dan de software gebruiken binnen de grenzen van datzelfde art. 45j.

Spoor/Verkade/Visser lijken het hier op p. 597 met mij eens te zijn:

Rechtmatig verkrijger is iemand aan wie de rechthebbende of zijn (daartoe bevoegde) licentienemer het programma ter beschikking heeft gesteld. De wijze waarop dit is geschied doet niet ter zake: het kan zijn door verkoop, uitlenen of verhuur van een exemplaar, maar ook on-line.

Bovendien zegt dit artikel 45j “tenzij anders is overeengekomen”. Als een verkrijger pas rechtmatige verkrijger is nadat hij de EULA heeft aanvaard, zou deze bijzin geen betekenis meer hebben. Er moeten dus situaties zijn waarin men de licentieovereenkomst niet heeft aanvaard maar toch rechtmatige verkrijger is.

Arnoud
De foto van de CD uit de envelop is gemaakt door Wellington Grey en is beschikbaar onder de Creative Commons 3.0 BY-SA licentie.

Waar liggen de grenzen van het beeldcitaatrecht?

21 februari 2008, 8:20 - Geplaatst onder: Auteursrecht - 1 reactie

Ik schijn wat streng in de leer te zijn wat de grenzen van het beeldcitaatrecht. Je mag een afbeelding, foto of ander plaatje gebruiken in het kader van een citaat, maar niet zomaar:

Dat wil niet zeggen dat elk hergebruik van een plaatje een toegestaan citaat is. Het beeld moet echt worden overgenomen omdat het nodig is bij de bespreking, kritiek of wat dan ook van dat beeld. Bij een film is een still van een relevante scene bijvoorbeeld toegestaan in de context van een filmkritiek. Bij een artikel over molens een willekeurige afbeelding van een molen tonen is geen beeldcitaat.

Artikel 15a van de Auteurswet heeft het immers over “het citeren uit een werk”, dus het leek mij logisch dat het beeld dat je gebruikt, moet komen uit het werk waar je het over hebt.

Toch blijk ik daarin nog wat strenger te zijn dan wellicht nodig is. In het standaardwerk Auteursrecht door Spoor/Verkade/Visser staat namelijk op pagina 240:

Het opnemen van een toepasselijke foto kan o.i. gelden als ‘ citeren’ , ook al gaat het in de context niet om het werk van deze fotograaf, doch om het onderwerp van de foto.

De juridische basis is het Damave/Trouw-arrest (HR 26 juni 1992, NJ 1993, 205). Hierin werden tekeningen van Damave getoond bij een boekbespreking. Hoewel de tekeningen uit het boek kwamen, werden ze op zich niet besproken in de boekbespreking. Toch was dit toegestaan, omdat de afbeelding samen met de tekst ertoe strekte om aan de lezer een indruk van het betreffende boek te geven.

Pas als op de afbeelding een zodanige nadruk komt te liggen dat zij in overwegende mate de functie van versiering verkrijgt, ga je de grenzen van het beeldcitaatrecht te buiten.

Een willekeurige maar kleine portretfoto van de auteur van een boek zou dus toegestaan zijn bij een boekbespreking. Ook die portretfoto draagt bij aan de boekbespreking; een indruk van de persoon van de auteur kan verhelderend of informatief zijn.

Hoe dan ook denk ik wel dat er een duidelijke relatie tussen het werk en de foto moet zijn. Bij een foto van de auteur is dat duidelijk het geval, maar bij zomaar een foto van een windmolen bij een boek over molens door de eeuwen heen is dat al heel wat minder duidelijk. Ik zou dan toch echt proberen een foto uit het boek zelf te gebruiken, in plaats van een heel andere molenfoto zomaar ergens van internet.

Wat zou nog meer een toegestaan beeldcitaat kunnen zijn als je deze vuistregel hanteert?

Arnoud

Reparatiekosten bij een consumentenkoop

20 februari 2008, 9:04 - Geplaatst onder: Contracten - 12 reacties

Winkeliers brengen vaak kosten in rekening voor reparatie of vervanging van een gekocht product. Maar mag dat eigenlijk wel?

Wie een product zoals een wasmachine koopt, mag verwachten dat dit product werkt gedurende een bepaalde tijd, de economische levensduur. En als dat niet blijkt te kloppen, dan heb je als consument recht op vervanging of herstel (7:21 BW) van het product. Tenzij dat onmogelijk is of van de verkoper niet gevergd kan worden.

Bij die keuze geldt verder nog de beperking dat je niet mag kiezen voor iets waarvan de kosten in geen verhouding staan tot de kosten van uitoefening van een ander recht (7:21 lid 5). Dus bij een reparatie van 10 euro (afzuigen van stof in de ventilator van een laptop) mag je geen vervanging van een laptop van 1000 euro eisen.

Het venijn zit hem in de kosten. Reparaties kosten vaak geld, en vervanging natuurlijk helemaal. Maar de consument mag geen kosten in rekening worden gebracht voor de kosten voor het (weer) conform maken van het product (7:21 lid 2 BW). In principe heb je dus gedurende die economische levensduur recht op gratis herstel of vervanging. In principe, want natuurlijk (het is en blijft recht) zitten hier uitzonderingen aan. Reparaties die nodig zijn vanwege gewone slijtage, vallen bijvoorbeeld niet onder deze “wettelijke garantie”.

En het kan nog lastiger. Sommige reparaties zullen leiden tot een verlengde economische levensduur. Als na 6 jaar het verwarmingselement (een zwak onderdeel van wasmachines) wordt vervangen door een nieuw, zal de wasmachine langer meegaan dan de 10 jaar levensduur die je mocht verwachten.

De vuistregel is dat je bij een reparatie of vervanging na 4 van de 10 jaar 4/10e van het reparatiebedrag betaalt. Je krijgt er daardoor immers 4 jaar ‘bij’. En voor die ‘extra’ levensduur mag de winkelier dan een vergoeding vragen, zo schrijven o.a. de Consuwijzer, de Consumentenbond en de Ombudsman. De juridische rechtvaardiging hiervoor is dat je door de reparatie meer ‘genot’ van je product hebt dan je mocht verwachten. En als je meer krijgt, dan zul je moeten bijbetalen.

Dit lijkt een beetje op wat juristen “ongerechtvaardigde verrijking” noemen. Je wordt door de reparatie in zekere zin rijker, want je hebt nu een product dat 14 jaar meegaat in plaats van 10. En wie zichzelf verrijkt ten koste van een ander, moet die ander daarvoor een redelijke vergoeding betalen. Vandaar de betaling van 4/10e van de reparatiekosten. Professor Marco Loos schreef dit al in 2004 in zijn boek Consumentenrecht.

Het probleem is wel, deze redenering gaat in tegen de letterlijke tekst van de wet: “De kosten van nakoming van de [reparatie- of vervangings]verplichtingen kunnen niet aan de koper in rekening worden gebracht.”

Dus wat nu? Dan vragen we het aan het Europese Hof van Justitie, zo bedacht laatst een Duitse rechter. Deze regels komen immers uit een Europese richtlijn (1999/44/EG), en dan mag je vragen over de uitleg voorleggen aan het Europese Hof. We wachten nog op antwoord, maar de analyse van de advocaat-generaal lijkt te suggereren dat reparatiekosten niet mogen.

Doel van de richtlijn was immers de consument zo veel mogelijk beschermen. Alles dat deze bescherming omlaag haalt, of de consument terughoudender maakt om zijn recht te halen, is dan al snel verdacht. De winkelier moet een correct werkend product leveren, en als deze dat niet doet, heeft de consument recht op kosteloze reparatie of kosteloze vervanging. Elke bijdrage in de kosten zal de consument doen aarzelen om dit recht uit te oefenen, en daarom zou reparatie gedurende de gehele economische levensduur gratis moeten zijn. Ook als deze leidt tot een verlengde levensduur van het product.

Het zou dan ook onaanvaardbaar zijn dat de consument, die zijn contractuele verplichting correct is nagekomen, de verkoper, die zijn verplichting niet correct is nagekomen, een vergoeding zou moeten betalen voor het gebruik van het gebrekkige goed. Met het nieuwe goed ontvangt de consument enkel datgene waarop hij recht heeft, dat wil zeggen een goed dat in overeenstemming is met wat is overeengekomen. Er kan in casu dan ook totaal geen sprake zijn van een onrechtmatige verrijking van de consument.

De bovenstaande redenering over verrijking gaat dus niet op. Het is de schuld van de verkoper dat hij nu deze kosten moet maken, en die kosten mag hij niet verhalen op de consument. Ook niet als die al vier jaar van het product heeft mogen genieten. De ‘extra’ jaren zijn daarmee een mazzeltje voor de consument.

Afwachten dus wat het arrest zal zeggen! UPDATE (26 april): het arrest zegt dat het verboden is.

Is het iemand van jullie trouwens wel eens gelukt om een aanspraak op deze “wettelijke garantie” er door te krijgen? En zo ja, welk deel van de kosten moest je zelf betalen?

Arnoud

Volgende Pagina »

Copyright Arnoud Engelfriet - Some rights reserved - Powered by WordPress