Als Marco het zegt, dan is dat zo. Verplicht leesvoer dus, die afstudeerscriptie van Maarten Brinkerink (MA, Utrecht, Nieuwe media en digitale cultuur). Ik las ‘m in één ruk uit en dat zou u ook moeten doen.
De titel CyberIndie: Digitale muziekcultuur en de veranderende muziekindustrie belooft al veel goeds. Deze keer geen doorwrochte analyse over de toepasselijkheid van artikel 12 auteurswet op embedded players of de vraag of een torrentbestand onrechtmatig is, maar de veel belangrijker en veel fundamentelere vraag: “Hoe beïnvloedt de opkomst van digitale technologie de distributie en exploitatie van muziek?”
In het eerste hoofdstuk bespreekt Brinkerink de opkomst van de digitale muziekcultuur. Digitale muziek is fundamenteel anders: elke kopie is identiek aan het origineel. Is er dan nog wel een origineel? Ook de productie en distributie van muziek zijn fundamenteel veranderd door de digitale mogelijkheden. Met name de voorheen passieve consument wordt veel actiever: hij deelt muziek en maakt (of mixt) die ook zelf.
Wat dit betekent voor de gevestigde muziekindustrie, blijkt in hoofdstuk twee. Haar exclusiviteit in productie en distributie staat onder grote druk door deze nieuwe digitale cultuur. Je kunt dan wel met auteurswetten gaan zwaaien, maar werkt dat nog wel? Brinkerink betoogt overtuigend van niet. De klassieke businessmodellen voor muziek, en daarmee ook de auteurswet, zijn gebaseerd op schaarste en exclusiviteit, precies de twee zaken die volstrekt afwezig zijn bij digitale muziek.
Deze traditionele exploitanten van muziek trachten via wetgeving en rechtszaken de “bedreigende innovatie” binnen de digitale muziekcultuur via de auteursrechtelijke weg in de illegaliteit te plaatsen en zo onschadelijk te maken. Tel daar DRM bij op en je kunt je afvragen of de balans tussen informatievrijheid en recht op geestelijke prestaties (inderdaad, ius mentis!) nog wel juist is.
Hoe moet je daarmee omgaan? Brinkerink verwijt de industrie maar ook de wetgevers een gebrek aan visie:
Niet alleen ontkennen zij de
fundamentele en onstuitbare aard van de opkomst van de digitale muziekcultuur, maar
daarnaast slagen zij er niet in om adequaat aan te sluiten op zowel de maatschappelijke als de politiek-economische mogelijkheden die deze ontwikkeling met zich meebrengt.
Op zoek naar een antwoord belandt Brinkerink in hoofdstuk drie bij de open cultuur. Het model van open source software (vrij delen van broncode en voortbouwen op elkaars ideeën) is dankzij initiatieven als Creative Commons overgeslagen naar andere culturele uitingen: open content.
Open content licenties bieden artiesten -niet de industrie- de flexibiliteit die zij nodig hebben om optimaal gebruik te kunnen maken van de digitale mogelijkheden. Hierdoor, aldus Brinkerink, kan een gemêleerd muzikaal landschap ontstaan, waarin muzikanten niet
langer genoodzaakt zijn om artistieke concessies te doen en subculturele vormen van
muziek een groter bestaansrecht krijgen.
Hoofdstuk vier brengt alles bij elkaar.
Eerst schetst Brinkerink de opkomst van de “culturele industrie”, met de verrassende conclusie dat
mensen de culturele producten van de massa-industrie niet [consumeren] vanwege een
oprecht individueel verlangen, maar vanwege de prominente aanwezigheid van deze
producten binnen de massamedia.
Vervolgens analyseert hij de ‘ondergrondse’ muziekstromingen, de indies (independents) en hoe deze langzaam maar zeker ‘mainstream’ werd. Dit was onvermijdelijk omdat zonder het “machtsmonopolie van de gevestigde muziekindustrie” het publiek nauwelijks te bereiken was. Maar dat ligt nu anders. Nu hebben onafhankelijke muzikanten en bands de mogelijkheid om zelfstandig, via digitale technieken, zichzelf aan een wereldwijd publiek te presenteren: de cyberindies
waren.
Uit de conclusie:
CyberIndie stelt muzikanten
middels een open exploitatiemodel tegelijkertijd in staat om (indirect) geld te verdienen
met hun muziek. Nieuwe (internet)platformen voor muziek zijn van cruciaal belang
voor de ontwikkeling van CyberIndie, als promotiekanalen en innovatieplatformen om
de positie van deze nieuwe muzikale subcultuur binnen de muziekindustrie positief te
beïnvloeden. Momenteel pionieren online muziekgemeenschappen met wat het
toekomstig primaire consumptie- en distributiekanaal van muziek zal worden, door
muziekliefhebbers de mogelijkheid te bieden om hun weg te vinden in een gemêleerd
muzikaal landschap, met een omvangrijker en diverser muzikaal aanbod dan voorheen
het geval was. Netlabels en andere nieuwe internetplatformen experimenten met steeds
succesvollere open exploitatiemodellen voor muziek en tonen daarmee de meerwaarde
van open distributie voor muzikanten aan.
Deze zeventig pagina’s tellende scriptie is zeer, zeer de moeite van het lezen waard.
Arnoud