Laster of smaad tegen een nickname

Tweet
18 januari 2010, 8:26 | Meningsuiting | 10 reacties

anoniem-pseudoniem-nickname-bijnaam-naam.pngEen lezer vroeg me:

Mensen gebruiken bij het schrijven van berichten op internetfora en weblogs veelal schuilnamen (nicknames) om hun privacy te beschermen. Echter zij bouwen onder deze nicknames wel een reputatie op op internet en zijn niet alleen door hergebruik van deze nickname op bijvoorbeeld een ander forum of weblog, maar anders gauw door hun schrijfstijl en inhoud, herkenbaar voor anderen. Als nu een ander een smadelijke of lasterlijke uiting tegen deze nicknaam publiceert, is dat dan strafbaar?

Smaad is “opzettelijk iemands eer of goede naam aanranden door telastlegging van een bepaald feit”, oftewel van iets concreet beschuldigen. Ook als de beschuldiging waar is, kan het smaad zijn. Als je weet dat de beschuldiging niet waar is, dan pleeg je laster.

Smaad en laster kunnen ook op websites en forums worden gepleegd, zelfs als ze relatief besloten zijn. Formeel heet het dan “smaadschrift”, omdat een webpagina een geschrift is in de ogen van de wet, en daarmee verdubbelt de maximale straf (een jaar in plaats van zes maanden cel).

Het wetsartikel eist niet letterlijk dat je de besmade persoon bij naam noemt. Maar wel moet uit de uiting duidelijk zijn om wie het gaat. “Er zit een oplichter op dit forum” is geen smaad, maar “de topicstarter in deze draad is zelf een oplichter” is dat wel. Het lijkt me dan ook niet dat het uitmaakt of die topicstarter bekend is als “Henk de Vries” of “henkiepenkie78″ dan wel “Dark Avenger”. Zolang mensen weten wie ermee wordt bedoeld, is sprake van een “iemand” in de zin van de wet, en als die iemand zijn eer of goede naam wordt aangerand, kan sprake zijn van smaad.

Een lastig punt voor de praktijk is wat je kunt doen als besmade forumdeelnemer als je alleen onder zo’n nickname bekend zijn. Je kunt natuurlijk aangifte doen of zelf een rechtszaak beginnen, maar dan ben je wel je anonimiteit kwijt. En het is nog maar zeer de vraag of zo’n aangifte daadwerkelijk tot vervolging leidt of dat een eigen rechtszaak het geld en de moeite waard zijn.

Een klacht bij de forumbeheerder kan natuurlijk altijd. Lastig is alleen dat die moeilijk kan bepalen of een klacht terecht is. Een nare opmerking is lang niet altijd smaad, en zelfs als de uiting duidelijk iemands goede naam door het slijk haalt, hoeft nog geen sprake te zijn van smaad. Als namelijk “het algemeen belang de telastlegging eiste” en de poster oprecht meende dat de uiting waar was, dan kan geen sprake zijn van smaad. Maar hoe bepaal je dat in vredesnaam als forumbeheerder?

Een tussenvorm zou kunnen zijn dat je het e-mail- of IP-adres vordert van de beheerder, zodat jij zelf achter de plaatser aan kunt. Maar ook daar zit de forumbeheerder met het probleem van die afweging.

Kortom: ja, het kan smaad zijn maar praktisch gezien zie ik niet zo goed wat je kunt doen.

Arnoud

of lees de 10 reacties

“Internetrechtbank” e-court: goed idee, maar hm die uitwerking

Tweet
16 januari 2010, 8:09 | Internetrecht | 46 reacties

e-court-logo-rechtspraak.pngNederlands eerste online rechtbank, moet de procesgang versnellen en daarmee ook goedkoper maken, las ik bij Emerce. De stichting E-Court wil rechtspraak weer betaalbaar maken door een snelle en efficiënte online procedure te bieden waar men binnen 8 weken voor 375 euro (of 1000 euro met zitting) tot een uitspraak kan komen. Een goed idee want je recht halen bij de offline rechtbank duurt lang en is vele malen duurder - al komt dat ook door de tarieven van de advocaten die je meeneemt. Maar ondanks het loffelijk streven van de stichting krijg ik de kriebels van de manier waarop E-Court haar concept presenteert (”Zijn jullie een rechtbank?” “Ja, e-Court is een private rechtbank.”).

E-court biedt in feite arbitrage aan, een op zich legale constructie (art. 1020 Rechtsvordering, en ik snap niet waarom e-Court zegt dat ze geen arbitrage zijn.).E-court biedt bindend advies voor geschillen, met de unieke constructie van een door de notaris op te maken proces-verbaal. Dit proces-verbaal levert een executoriale titel op, zodat het ‘vonnis’ meteen ten uitvoer kan worden gelegd. (Lees ook de commentaren hieronder, waaronder die van E-court zelf.

Hierbij moeten beide partijen het er wel mee eens zijn dat e-court de zaak mag beslechten. Je kunt in je contracten een standaardzin opnemen waarin je beslechting via stichting e-court afspreekt, en als de wederpartij daarmee akkoord gaat dan kun je hem dwingen naar e-court te gaan bij een geschil. Dit is een bestaande en geaccepteerde constructie (hoewel je als consument altijd deze afspraak opzij mag zetten als je liever naar de echte rechter gaat.

Maar e-court presenteert zich wel erg nadrukkelijk als “rechtbank”. Je moet echt je best doen om het woord “arbitrage”de uitleg te vinden op die site. En het schermen met zaken als notariële akte waar “in naam der koningin boven staat” of “rechtsgeldig” geeft me geen goed gevoel. Dit wekt bij de lezende leek de indruk dat dit een echt vonnis is van een overheidsrechtbank (waar immers diezelfde tekst boven staat). Alleen, zo’n akte is niet meer dan een stuk papier waarin een notaris vertelt wie voor hem verscheen en wat die persoon tegen hem zei.

De kritiek van de Raad voor de Rechtspraak lijkt me dan ook niet meer dan terecht. Hoewel ik dan wel weer de bal terug wil kaatsen naar de Raad waarom ze zelf niet zoiets op kunnen tuigen.

Update (17 oktober 2011) een probleempje bij de tenuitvoerlegging: Rechters weigeren tenuitvoerlegging vonnissen e-Court. De bedrijven die e-Court hadden ingeschakeld, blijken niet duidelijk met hun klanten te hebben afgesproken dat zij met arbitrage via e-Court werken. Niet e-Courts fout, maar wel pijnlijk.

Arnoud

of lees de 46 reacties

De waarde van registratie van een idee

Tweet
15 januari 2010, 8:44 | Auteursrecht, Innovatie | 18 reacties

Regelmatig krijg ik vragen van lezers die hun idee willen vastleggen en zich afvragen of ze dan “beschermd” zijn.

Ja en nee.

Er zijn vele diensten waar je een idee, tekst, afbeelding of ander werk kunt vastleggen. In Nederland hebben we het i-Depot van het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom, en ook commerciële diensten als File-Reg of CCProof zijn in Nederland beschikbaar. De Belastingdienst zet datumstempels op alles dat je op de afdeling Registratie & Successie op de balie legt. Daarmee kun je bewijzen dat het werk op die datum bestond.

Dat is handig, want als iemand anders claimt dat hij het werk gemaakt heeft, kun je die registratie laten zien - en alleen de auteur kon dat werk al zo vroeg gedateerd hebben, dus dan moet je de auteur wel zijn. Maar dat is dan ook het enige.

Wat zo’n registratie je niet geeft, is dwingend bewijs dat je de auteur bent of een rechtsmiddel waarmee je anderen die hetzelfde gaat doen, kunt tegenhouden. Registratie heeft dus geen juridisch voordeel, behalve als je bang bent voor ruzies over wanneer het werk gemaakt is of over hoe het eruit zag op een bepaalde datum.

Ik kan me dan ook geweldig ergeren aan opmerkingen als

File-Reg kan gezien worden als een ‘internet depot’, ook wel ‘i-depot’, voor het vastleggen van uw intellectueel eigendom. Copyright vastleggen via File-Reg is rechtsgeldig en kan als bewijs in gerechtelijke procedures worden toegelaten.

En nee, niet vanwege de flauwe poging om te scoren op de zoekterm “i-depot” van het BBIE. Met deze tekst wordt de indruk gewekt dat je een recht vestigt, of dat het nodig is om auteursrecht (copyright) te registreren. Wat betekent “is rechtsgeldig” immers anders dan “dit levert u een juridisch afdwingbaar recht op bij de rechter”?

(Spitsvondige juristen zullen nu zeggen “rechtsgeldig betekent alleen dat de rechter het niet meteen van tafel veegt”, maar in die betekenis zal de leek het niet opvatten. En de informatiewaarde van de opmerking is in die betekenis nul, net als “uw commentaar onder deze blog is rechtsgeldig.”)

Juridische bescherming van een idee krijg je op twee manieren: 1. Een geheimhoudingsovereenkomst (NDA) afsluiten waarin staat dat de wederpartij het idee niet mag doorvertellen. 2. Het idee uitwerken tot een handboek of draaiboek en daarmee een auteursrechtelijk beschermd werk maken. Wie dan op basis van het handboek het idee hergebruikt, pleegt inbreuk op auteursrechten. Maar je moet dan wel bewijzen dat ze je handboek hebben gebruikt als basis, want zonder toegang tot het origineel kan er per definitie niet uit gekopieerd zijn.

Hierbij kan een depot handig zijn, omdat dan vaststaat welke aspecten van het idee bij de bedenker bekend waren. Maar meer dan dat kan ik niet bedenken.

Arnoud

of lees de 18 reacties

Embedden nu toch openbaar maken?

Tweet
14 januari 2010, 8:29 | Auteursrecht | 18 reacties

Weet u nog, die site MyP2P waar je handige hyperlinks naar illegaal doorgegeven televisieprogramma’s kon vinden? Eerst ex part verboden en toen in de echte rechtszaak wegens overmatige complexiteit niet veroordeeld. In hoger beroep heeft het Hof Den Bosch er minder moeite mee (PDF; en is dat een typemachine?). Hoewel MyP2P er niet voor wordt veroordeelt, laat het Hof zich wel ontvallen dat embedded links nieuwe openbaarmakingen zijn.

Een juridisch omgwtfbbq-momentje? Ik weet het niet. De enige onderbouwing die men geeft is

In de rechtspraak en juridische literatuur wordt betrekkelijk eensgezind aangenomen dat een embedded link wel een openbaarmaking inhoudt. Immers, het materiaal is dan te bekijken of beluisteren binnen de context van de website van degene die de link heeft geplaatst, waardoor diegene die de vertoning van het achterliggende werk zozeer “voor zijn rekening neemt” dat dit niet meer als een enkele verwijzing is te beschouwen.

maar welke rechtspraak of literatuur wordt gebruikt, blijft in het midden. Toevallig verscheen zeer onlangs in tijdschrift Mediaforum (2010, 1) een artikel van auteursrechtenadvocaat Dirk Visser over embedden van Youtube-filmpjes. Hij tussenconcludeert:

Het is dus mogelijk om ‘embedden’, evenals hyperlinken, niet als auteursrechtelijk relevant openbaar maken aan te merken. Het is ook mogelijk, bijvoorbeeld via een bepaalde invulling van het begrip ‘nieuw publiek’, ‘embedden’ wél als (secundaire) openbaarmaking aan te merken, waarbij men uit moet gaan van een functionele benadering van het openbaar- makingsrecht, waarbij vermoedelijk de indruk van het publiek over wie openbaar maakt van belang is. Het Hof van Justitie der EG zal hierover uiteindelijk moeten beslissen.

Visser lijkt er niet aan te willen dat iedere embedding een nieuwe openbaarmaking is, maar houdt voor commerciële sites zoals MyP2P diverse slagen om de arm (de cynische lezer zou zeggen om zijn broodheer BREIN niet in gevaar te brengen) in zijn conclusie. Zijn onderscheid tussen commerciële en private partijen is op zich sympathiek maar verhoudt zich maar moeizaam met de strenge Auteurswet, die dit onderscheidt niet kent. Iets is openbaarmaking of niet, en de al dan niet bedrijfsmatige status van de openbaarmaker is daarbij niet relevant. Pas bij diverse verweren (openbaarmaking in private kring bijvoorbeeld) of bij regelingen van bv. Buma/Stemra wordt dat belangrijk. Maar de vraag of iets openbaarmaking is, moet zonder aanzien des persoons worden bepaald.

Ik heb even zitten zoeken, maar afgezien van de Nieuw Rechts- en Voeljeniksvan-zaken ken ik er geen waar embedden of inline linken als openbaarmaken werd gezien. En die twee zaken vind ik wat te mager om te zeggen dat “betrekkelijk eensgezind aangenomen” wordt dat dit het geval is.

Oh kijk, de advocaat van MyP2P kwam zelf met deze stelling:

In de rechtspraak en juridische literatuur wordt betrekkelijk eensgezind aangenomen dat een embedded link wel een openbaarmaking inhoudt. Immers, het materiaal is dan te bekijken of beluisteren binnen de context van de website van degene die de link heeft geplaatst en door de plaatsing wordt over het algemeen een nieuw publiek bereikt.

Ik neem aan dat hij het dan ook in het verweer zo heeft geformuleerd en dat het Hof dit via copy&paste heeft overgenomen.

Omdat “niet is gebleken” dat MyP2P embedded links aanbiedt, worden ze hiervoor niet veroordeeld. Waarom erover beginnen, denk je dan. Wel is het onrechtmatig om structureel links aan te bieden naar illegaal aangeboden streams met televisieprogramma’s, geen verrassing gezien de Mininova- en Pirate bay-uitspraken.

Arnoud

of lees de 18 reacties

Geen handelsnaaminbreuk, wel domeinnaaminbreuk

Tweet
13 januari 2010, 8:15 | Domeinnamen | 10 reacties

pintaxi-ede.pngHoewel er geen sprake is van handelsnaaminbreuk op de naam van PIN Taxi Eindhoven moet het bedrijf Pintaxi Ede haar domeinnaam www.pintaxi-ede.nl toch afgeven aan de Eindhovense bijna-naamgenoot. Deze opmerkelijke conclusie trekt de kantonrechter Arnhem in zijn vonnis van begin december. Het taxizoekende publiek op internet is groter dan het taxizoekende publiek in de plaatsen waar de twee bedrijven werken, en daarmee kan alsnog verwarring ontstaan.

Handelsnaamrecht (het recht op een bedrijfsnaam) is geografisch beperkt. Twee bedrijven in dezelfde geografische locatie en branche mogen niet dezelfde naam hanteren, en ook geen namen die verwarrend veel op elkaar lijken. Liggen de doelgroepen van de bedrijven echter voldoende ver uit elkaar, dan mogen ze wel dezelfde (of sterk lijkende) namen gebruiken. Bakker Jansen uit Amsterdam kan niets doen tegen Bakker Jansen in Eindhoven (of andersom). Maar komt er een bakker Janssen in Amsterdam bij, dan zal deze zijn handelsnaam moeten aanpassen.

De bedrijfsnamen lijken voor een groot deel op elkaar (”Pintaxi”) en het gebruik van de plaatsaanduidingen is op zich niet genoeg om dat anders te maken. Sterker nog, daardoor wek je juist de indruk dat de bedrijven gelieerd zijn: afdeling Eindhoven en Ede van hetzelfde bedrijf. In deze zaak stond echter vast dat beide bedrijven alleen in Eindhoven respectievelijk Ede opereerden. Daarmee was dus sprake van voldoende geografische scheiding, zodat er geen sprake was van handelsnaaminbreuk door het voeren van de bedrijfsnaam “Pintaxi Ede”. Maar:

Waar in de omgeving van Ede en Eindhoven naar het oordeel van de kantonrechter in beginsel geen verwarring zal bestaan, kan voor de bezoeker van het web de schijn bestaan dat de bedrijven aan elkaar gelieerd zijn, waardoor daar wel verwarring kan bestaan. Als [verweerder] de domeinnaam wijzigt, zal die verwarring op het web niet meer te duchten zijn.

Volgens mij wordt hierbij buiten beschouwing gelaten dat van ‘verwarring’ alleen sprake kan zijn “in verband met de aard der beide ondernemingen en de plaats, waar zij gevestigd zijn” zoals artikel 5 Handelsnaamwet zegt. De verwarring waar het hier over gaat, betreft alleen de zoekresultaten in Google - en volgens mij is de plaats waar je in de Google resultaten staat niet een “plaats” zoals de Handelsnaamwet dat bedoelt.

Ook heeft meegewogen dat Pintaxi Ede nog andere domeinnamen had en kennelijk bereid was om daarop over te stappen (ze heten nu www.12taxi.nl). Ik vermoed dus dat de kantonrechter hier een gemakkelijke pragmatische oplossing zag.

Arnoud

of lees de 10 reacties

Kroniek van het internetrecht, editie 2009

Tweet
12 januari 2010, 8:12 | Iusmentis, Internetrecht | 1 reactie

2009 was weer een druk jaar. In mijn kroniek van dit jaar -die nu officieel een traditie is- hebben we dan ook weer aardig wat trends en opvallende gebeurtenissen. Lees nu alles over de veranderde Telecomwet, waarom trois-strikes er in Frankrijk doorkwam, waar moeders van Hyvende K3-fans zich zorgen over moeten maken, hoe vaak GeenStijl juridisch onderuit ging en wat de rijdende kantonrechter dit jaar voor opmerkelijks vonniste.

Kroniek van het internetrecht, editie 2009.

Arnoud

of lees de eerste reactie

IViR symposium “Open content and academic publishing” met Lawrence Lessig

Tweet
11 januari 2010, 8:11 | Presenteren, Internetrecht | 26 reacties

Ter gelegenheid van zijn eredoctoraat aan de UvA gaf professor Lawrence Lessig afgelopen zaterdag een lezing over zijn favoriete onderwerp: auteursrecht in de digitale omgeving. Ik was erbij en wil jullie graag laten delen in zijn keynote (slides + voice):

Kort gezegd is auteursrecht het grote probleem waar niemand echt over wil discussiëren (de “elephant in the room”). En dat is een probleem, omdat in de digitale wereld de kopie centraal staat en daarmee bijna elke handeling rond een werk auteursrechtelijk relevant is. Lezen van een e-boek vereist bijvoorbeeld het maken van kopieën, al was het maar het zichtbaar maken van de tekens op basis van de PDF. Het verkopen van een boek valt in de analoge wereld onder uitputting, maar in de digitale wereld is dat piraterij.

De auteursrechtelijke situatie is daarmee uit balans en enkel en alleen omdat de technologie veranderd is, niet omdat de wetgever dat zo wilde. Deze balans moet terug. Auteursrecht moet niet worden afgeschaft - bepaalde handelingen moeten voorbehouden zijn, aldus Lessig, om de prikkel te bewaren om werken te maken. Via fair use wordt er een balans bewaard voor twijfelgevallen.

Hoe is deze onbalans ontstaan? Dit komt volgens Lessig door een te eenzijdige focus op wat hij de “paradigm cases” noemt: de schoolvoorbeelden van waar het huidige systeem voor ontworpen is. Dat zijn de professionals die auteursrecht gebruiken om hun dagelijks brood te verdienen, zeg maar Britney Spears in de muziekwereld en Steven Spielberg in de film. Het idee is dat als deze mensen niet genoeg meer verdienen, ze geen nieuwe werken meer zullen maken. Maar niet alle makers hebben dit businessmodel, en dat is iets wat de auteurswet negeert. Veel makers maken werken omdat ze dat leuk vinden, en niet meteen omdat ze er geld mee verdienen. Of ze hebben andere modellen dan afrekenen per kopie.

lessig-uva.pngDeze “amateurs” (niet in de betekenis van “amateuristisch”) bouwen voort op cultuur van anderen. Meer algemeen, culturele uitingen vinden plaats binnen een ecologie. En daar zit het probleem, want de schoolvoorbeelden negeren deze ecologie. En dat is een probleem, omdat alles dat de amateurs zou kunnen helpen ten nadele gaat van de positie van de professionals. Die zullen zich daar dus met hand en tand tegen verzetten (hoi Tim). Met name wanneer het gaat om hergebruik. Juridische obstakels bij het hergebruik van zelfs maar een klein stukje werk zijn zo groot dat zulk hergebruik nauwelijks te regelen is in de overgrote meerderheid van de gevallen. Mede daarom zullen veel werken niet voor de toekomst beschikbaar zijn.

De ecologie van creativiteit moet niet draaien om de incentives zoals de professionals die traditioneel claimden. De “exclusive rights” als uitgangspunt nemen is niet langer praktisch, sterker nog is zelfs schadelijk voor de ecologie. We moeten “stop believing” in het oude verhaal dat exclusieve rechten “gewoon nodig” zijn om creatieve werken te krijgen. Via een mooi certificaat hebben we nu toestemming gekregen van Lessig om officieel dit verhaal in twijfel te trekken.

Bij de vraag hoe het dan wel moet, focuste Lessig alleen op wetenschap omdat dit nu eenmaal het onderwerp van de lezing was. Wetenschap moet kunnen delen. Maar, hoe helpt dat paradigma van exclusieve rechten daarbij? Ze zadelen de wetenschap op met significante kosten maar onduidelijk is hoe ze de wetenschap stimuleren. We moeten altijd blijven kijken naar hoe we de noodzaak daarvoor kunnen beperken waar mogelijk.

Lessig’s voorbeeld hier is Google Book Search, een project waarbij het advertentiebedrijf 18 miljoen boeken inscande en daarbij merkte dat de overgrote meerderheid van de boeken onder auteursrecht valt (slechts 16% publiek domein) maar, afgezien van een kleine 9% van het totaal, de rechthebbenden niet te traceren zijn. Het is dus niet realistisch om hierbij steeds toestemming te vragen - maar om nu 75% van alle ingescande boeken onzichtbaar te maken, is vanuit wetenschappelijk of cultureel oogpunt zeer ongewenst. Na een rechtszaak van de Amerikaanse Authors Guild kwam schikking waarbij 20% van de inhoud van zulke boeken beschikbaar mag komen via Google. De gebruiker kan betalen om de rest van het boek via Google in te zien, bv. via een bibliotheek of bestelling bij een internetboekhandel.

Mooi, zou je denken. Maar dat is het alleen voor de korte termijn (wat Lessig de “static case” noemt). Op de lange termijn is dit zeer vervelend, want bibliotheken (en boekhandels) drijven op volledige toegang, en die is er nog steeds niet. Op de lange termijn moeten we af van die “obsessive permission culture”, die obsessie met permissie zal ik maar zeggen.

Maar hoe? De wet veranderen lijkt hopeloos, gezien alle verdragen en regels en gevestigde belangen waarin deze verankerd zit. We kunnen ons maar beter richten op het invoeren van nieuwe normen, zoals aangegeven in Creative Commons. Dit project dat Lessig ooit bedacht heeft, lijkt al aardig mainstream: de licentieconstructie wordt o.a. overgenomen door Al Jazeera, het Witte Huis en Wikipedia (eindelijk). Een gigantische groei, nu meer dan 350 miljoen objecten onder CC zijn. Een nieuw initiatief binnen CC is de science commons, dat aansluit bij de open access-beweging, waarbij wetenschappelijk werk onder CC gelicentieerd wordt én eenvoudig vindbaar beschikbaar komt.

Met een parallel naar de instorting van de Sovjet-Unie vraagt Lessig zich ter afsluiting af op welk moment (en hoe) we de juristen gaan vertellen dat het huidige auteursrechtenmodel aan het instorten is. Want die blijven hameren op de schoolvoorbeelden en “same rules apply on the Internet” (”wat offline geldt, moet ook online gelden” bij ons). De internetters zouden fout zitten door zomaar rechten te gaan schenden en niet netjes toestemming te vragen. Maar nee, het zijn juist de juristen die niet snappen hoe het zit. Zowel het ophouden van user-generated content als de afschaffing van het auteursrecht (de stroman van de pro-auteursrechtenlobby) is niet acceptabel.

Technologie is niet te stoppen. Hooguit kan deze worden gecriminaliseerd. Het enige effect is dan dat iedereen crimineel wordt en de technologie ondergronds gaat. Maar stoppen? Vergeet het maar.

Arnoud
Foto: Christiaan Alberdingk Thijm.

of lees de 26 reacties

Welke licentie zit er op jullie reacties?

Tweet
9 januari 2010, 8:05 | Iusmentis, Contracten | 203 reacties

In een recente discussie wees iemand me erop dat sommige teksten van mijn blog, inclusief reacties, werden geherpubliceerd op een forum. Nu heb ik daar geen bezwaar tegen, want mijn blogposts zijn Creative Commons. Maar hoe zit het eigenlijk met jullie reacties? In die discussie reageerde Alex namelijk:

De reacties van anderen vallen niet onder CC.

en ik kan me voorstellen dat meer mensen hier zo over denken.

Nu kan ik een en ander gaan dichttimmeren met een expliciete licentievoorwaarden bij het reactieformulier, maar dat wil ik niet zomaar eenzijdig besluiten. Vandaar:

  1. Wat was tot nu toe volgens jou als commenter de licentie die je op je bijdragen had geplaatst?
  2. Wat zou je ervan vinden als vanaf nu alle reacties expliciet onder de Creative Commons-Naamsvermelding-Gelijkdelen licentie dienen te worden geplaatst?

Arnoud

of lees de 203 reacties

Het Weens Koopverdrag is uitdrukkelijk uitgesloten

Tweet
8 januari 2010, 8:46 | Contracten | 6 reacties

weens-koopverdrag-boek.jpgVrijwel iedere meelezende jurist zet het standaard in allerlei contracten: “De toepasselijkheid van het Weens Koopverdrag is uitdrukkelijk uitgesloten.” Maar hoe veel weten waarom, en hoe veel doen het puur omdat het in de modeltekst staat en het artikel 18 (”Overige bepalingen”) er wat substantiëler laat uitzien?

Het Weens Koopverdrag, formeel het Verdrag inzake internationale koopovereenkomsten van roerende zaken van 1980 (in het Engels CISG) was een doorbraak in het internationaal privaatrecht van die tijd: voor het eerst wist je waar je aan toe was als je met een Franse wijnboer of Braziliaanse koffieleverancier zaken deed. Want daar ging het om: internationale koopovereenkomsten, contracten tussen bedrijven voor aanschaf van een fysieke zaak. Voor de bij Amazon.com kopende boekenlezer is dit verdrag dus niet van groot belang; voor de in Spanje wijninkopende webslijter des te meer. Ook als hij via internet de bestelling plaatst.

Uitsluiting van het Weens Koopverdrag lijkt vaak puur een gewoontekwestie, het stond in het template dus laat ik het hier ook maar opnemen. Of misschien een stukje indekken: dan hoef je niet op te zoeken hoe het in dat verdrag werkt maar kun je gewoon ouderwets Nederlandsch recht toepassen.

Heel veel met internetrecht heeft dit niet te maken, hoewel het in veel softwarecontracten ook wordt uitgesloten om te voorkomen dat een overactieve rechter software als een ‘zaak’ en daarmee de licentie als een koop gaat uitleggen. Want stel je voor dat software ineens aan dezelfde kwaliteitseisen als andere producten gehouden gaat worden.

Arnoud
Afbeelding: Bertrams & Kruisinga 2007.

of lees de 6 reacties

Hoe laat ik minderjarigen lid worden van mijn site?

Tweet
7 januari 2010, 8:28 | Contracten | 27 reacties

Een lezer vroeg me:

Ik heb een website met daarop een spel, waarbij je je moet registreren voordat je mee kunt doen. Is het verplicht dat mensen onder een bepaalde leeftijd toestemming van hun ouders vragen om akkoord te gaan met deze voorwaarden? En als dat verplicht is, is het dan voldoende om de (toekomstige) gebruikers bij registratie te laten verklaren dat ze toestemming hebben?

Toestemming is niet altijd nodig, maar als die nodig is dan is het waarschijnlijk niet genoeg om zo’n verklaring op te nemen in het registratieformulier.

Als je onder de 18(!) bent, heb je toestemming nodig van je ouders voor elke juridische handeling, zoals het sluiten van een contract of het lid worden van een website of spel. Doe je dit zonder toestemming, dan kunnen de ouders op elk moment en zonder overleg die handeling terugdraaien. De wederpartij heeft dan pech.

Er is een uitzondering: als het normaal is voor mensen van die leeftijd om die soort juridische handeling te verrichten, dan wordt de toestemming geacht te zijn gegeven. Een twaalfjarige mag dus snoep kopen bij Jamin, en de ouders kunnen dat niet terugdraaien. Koopt die twaalfjarige een bromfiets, dan kunnen de ouders dat wel terugdraaien (zelfs als er al op gereden is en zelfs als de twaalfjarige een vervalst identiteitsbewijs liet zien).

Het is dus de vraag of het normaal is voor jongeren van de leeftijdscategorie bij deze site om dit soort spellen te spelen en zich daarvoor in te schrijven op de site. Bij een Habbo- of Runescape-achtig spel kun je denk ik wel zeggen dat het normaal is voor twaalfplussers om mee te doen. Ze doen het in ieder geval massaal. (Habbo lijkt er vanuit te gaan dat je onder de zestien niet zelfstandig kan/mag beslissen.)

Als je niet op die “normaal voor de leeftijd” criteria wilt vertrouwen, of denkt dat jouw deelnemers wel eens te jong kunnen zijn, dan moet je toestemming vragen. Dat gebeurt vaak met zo’n vakje “Ik ben onder de zestien en verklaar toestemming te hebben van mijn ouders”, maar ik betwijfel ten zeerste of dat genoeg is. Zo’n kruisje is snel gezet, en het bewijst m.i. absoluut niet dat er ook werkelijk toestemming is. Als wederpartij kun je daarop dan ook niet vertrouwen.

Je hebt dus een probleem als website-exploitant. Want webhosters kunnen een identiteitsbewijs opvragen en zo identiteit controleren en de ouders nabellen, maar voor een site-eigenaar is dat volstrekt onpraktisch, zeker bij een gratis dienst.

In de praktijk lijkt dit nooit te spelen (zeker bij gratis sites) maar dat is meer omdat niemand zich er druk om maakt dan omdat het juridisch in orde is.

Arnoud

of lees de 27 reacties
« Vorige PaginaVolgende Pagina »
De wet op internet Koop het boek Software: Deskundig en praktisch juridisch advies
Of een van de andere boeken over internetrecht!

Auteur: Arnoud Engelfriet - Licentie: Creative Commons BY-SA 2.5 - Disclaimer - Powered by WordPress