ACTA als pallatieve zorg

27 februari 2010, 8:48 | Grappig | 1 reactie

Donderdag bij 3 Voor 12 mocht ik even losgaan over het geheime ACTA-verdrag:

De vrees is dat men uitkomt op de natte droom van de contentindustrie. Het is alvast geen goed teken dat vertegenwoordigers van de contentindustrie wel bij de gesprekken betrokken lijken, en bijvoorbeeld consumentenbonden niet. Hooguit zijn er principiële politici die de andere kant van het verhaal aankaarten. Nu lijkt het vooral een poging om het falende businessmodel van een industrie te beschermen. De terminale patiënt ligt al een tijdje in het ziekenhuis, en om hem in leven te houden zetten we steeds zwaardere apparatuur in.

Update (10:12): Lees ook Brenno’s uitstekende artikel over ACTA bij Webwereld.

Die discussie mag ik trouwens 13 maart gaan voeren met onder andere de opvallend liberaal met auteursrecht omgaande Fred Teeven.

Arnoud

of lees de eerste reactie

Een website kun je niet oplichten

26 februari 2010, 8:24 | Webwinkels | 14 reacties

Intrigerend arrest dat ik vond via de RSS-dienst van Jure.nl:

Verdachte wordt ter zake van poging tot oplichting vrijgesproken, nu Lenen.nl niet kan worden aangemerkt als “iemand” als bedoeld in artikel 326 van het Wetboek van het Strafrecht.

De verdachte stond terecht voor oplichting (inderdaad, art. 326 Strafrecht). Hij had namelijk op die site (opgezet door DSB Bank) een aanvraagformulier voor een lening ingevuld met daarbij de naam- en adresgegevens plus sofinummer van zijn huisgenoot maar wel zijn eigen bankrekeningnummer. (Team Identiteitsdiefstal kom er maar in). Toen men nabelde voor een afspraak, haakte hij af. Kennelijk rook men toch toen zodanig veel lont dat er aangifte werd gedaan, maar de politierechter sprak hem vrij, waarop het OM in hoger beroep ging.

Punt was echter dat in de tenlastelegging werd gezegd dat hij had geprobeerd “Lenen.nl” te bewegen tot afgifte van een geldbedrag. Dat is onmogelijk: “Lenen.nl” is geen persoon en ook geen bedrijf, maar alleen een website. Er had dus moeten staan dat hij had geprobeerd “DSB Bank NV, handelend onder de naam lenen.nl althans enige handelsnaam” op te lichten. Tsja.

Ook nog opmerkelijk: het Hof heeft in Wikipedia gekeken wie er achter lenen.nl zat als ik het goed lees.

Uit een openbare bron (www.wikipedia.nl) blijkt bovendien dat [naam].nl slechts één van de vele handelsnamen van [bedrijf] is.

Ik zou persoonlijk bij het handelsregister kijken, maar goed het is mooi dat rechters wat meer op internet kijken. Alleen volgende keer graag wel http://nl.wikipedia.org/ hanteren.

Arnoud

of lees de 14 reacties

Het beperkte belang van de wet oneerlijke handelspraktijken (gastpost)

25 februari 2010, 8:51 | Contracten | 18 reacties

Vandaag een gastpost van Remko S. over het beperkte belang van de Wet Oneerlijke Handelspraktijken voor misleide consumenten.

Van de wet oneerlijke handelspraktijken (WOHP), de implementatie van richtlijn 2005/29/EG, wordt vaak ten onrechte verondersteld dat het een machtig wapen is in de handen van de consument tegen de handelaar die hem een oor heeft aangenaaid. Een oppervlakkige blik wekt inderdaad deze suggestie:

Een handelspraktijk is misleidend indien informatie wordt verstrekt die feitelijk onjuist is of die de gemiddelde consument misleidt of kan misleiden, al dan niet door de algemene presentatie van de informatie … (6:193c BW)

Een handelspraktijk is bovendien misleidend indien er sprake is van een misleidende omissie, [dat wil zeggen dat er] essentiële informatie welke de gemiddelde consument nodig heeft om een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen, wordt weggelaten … (6:193d BW)

Een handelspraktijk is in haar feitelijke context, al haar kenmerken en omstandigheden in aanmerking genomen, agressief indien door intimidatie, dwang, waaronder het gebruik van lichamelijk geweld, of ongepaste beïnvloeding, de keuzevrijheid of de vrijheid van handelen van de gemiddelde consument met betrekking tot het product aanzienlijk wordt beperkt of kan worden beperkt … (6:193h lid 1 BW)

… waardoor de gemiddelde consument een besluit over een overeenkomst neemt of kan nemen, dat hij anders niet had genomen.

De wet bevat twee lijsten met voorbeelden die in alle gevallen oneerlijk (193g) of agressief (193i) zijn. De richtlijn staat niet toe (considerans 17) dat deze lijsten in nationale wetten worden uitgebreid.

De eerste fout die meestal wordt gemaakt is dat er de verkeerde consequenties verondersteld worden: het bedrijven van een oneerlijke handelspraktijk levert een onrechtmatige daad op (6:193b lid 1), welke plicht geeft tot schadevergoeding (6:193j lid 2), niet ontbinding, vernietiging of beëindiging anderszins van de gesloten overeenkomst. Hierdoor is de slagkracht van de consument beperkt: hij zal de achteraf ongewenste overeenkomst moeten respecteren.

De tweede fout die snel gemaakt wordt is dat men veronderstelt dat de condities waaronder er sprake is van bedrog, dwaling of bedreiging dezelfde zijn als misleiding en agressiviteit in de zin van de WOHP. Dit is niet het geval. Hoewel het mogelijk is dat die twee samenvallen zijn ze niet gerelateerd.

De eisen die aan wilsgebreken worden gesteld zijn hoger dan aan oneerlijke handelspraktijken. Voor misleiding moet er sprake zijn van een onjuiste mededeling of verzwijging, bedrog en dwaling voegen daar nog aan toe dat de overeenkomst niet zonder deze mededeling of verzwijging tot stand zou zijn gekomen. ‘Omissie’ moet ook niet worden verward met ‘verzwijgen’ of ‘nalaten in te lichten’, vereist is slechts dat de informatie beschikbaar is en de informatie waarover men volgens de verkeersopvattingen de klant behoort in te lichten is slechts een beperkt deel daarvan. Ook moet een ‘uitnodiging tot koop’ niet worden verward met ‘aanbod’. Niet alle informatie genoemd in 6:193e BW hoeft in het aanbod voor te komen. Het is voldoende dat het op de website of in een bijgeleverd foldertje te vinden is.

Een eenvoudig voorbeeld: een platenzaak biedt haar CD’s aan met de aanprijzing dat je hiervan een kopie mag maken. Nu is dat gewoon een wettelijk recht, dus zij begaat een onrechtmatige daad (193g sub j). Maar het is geen bedrog en de klant dwaalt niet: hij wil een CD waarvan hij een kopie mag maken en hij krijgt een CD waarvan hij een kopie mag maken.

Ander voorbeeld (met dank aan het zeer lezenswaardige artikel van professor Van Boom): Een consument koopt een printer waarbij niet wordt vermeld dat de vervangingskosten van de inktcartridges, per keer, even hoog zijn als de aanschafkosten van de printer. Dit is een misleidende omissie in de zin van de WOHP, maar geeft geen dwaling.

Nog enkele oneerlijke handelspraktijken waarbij er geen onjuiste informatie over het product wordt gegeven (wat meestal een voorwaarde is voor bedrog en dwaling) zijn:

  • bedrieglijk beweren dat het product slechts zeer korte tijd beschikbaar zal zijn (193g sub g);
  • niet als zodanig herkenbare advertorials als reclame gebruiken (193g sub k);
  • beweren dat de handelaar op het punt staat zijn zaak te beëindigen, indien dit niet het geval is (193g sub o);
  • onjuiste informatie verstrekken over marktomstandigheden of de mogelijkheid het product te bemachtigen (193g sub r);
  • de indruk wekken dat de handelaar niet optreedt ten behoeve van zijn beroep (193g sub v).

Bedreiging is aanwezig wanneer iemand tot het sluiten van een overeenkomst wordt bewogen door deze of een derde met enig nadeel in persoon of goed te bedreigen. Daarvoor is meer nodig dan ‘ongepaste beïnvloeding’. Zo wordt een redelijk oordelend mens niet bedreigd omdat zijn kinderen hem proberen over te halen producten voor hen te kopen (193i sub e) of omdat de bestaansmiddelen van de handelaar in het geding zijn (193i sub g), maar dit zijn wel onder alle omstandigheden agressieve handelspraktijken.

Dat er een onvoordeligere overeenkomst is gesloten dan wanneer er geen oneerlijke handelspraktijk was bedreven, kan als schade worden gezien: het negatief contractsbelang. Daartoe dient men de werkelijke situatie te vergelijken met de hypothetische situatie dat de consument wel juist was geïnformeerd.

Daarbij zal de consument oplopen tegen de bewijslastverdeling: hij is het die de toerekenbaarheid, het causaal verband en de schade moet bewijzen. En aangezien niet te verwachten valt dat de handelaar erg toegeeflijk zal zijn om de schade te erkennen en te betalen zal de consument de gang naar de rechter moeten maken. Hoevelen zullen om een paar tientjes de poot stijf houden? Maar goed, nemen we eens aan dat de klanten uit de voorbeelden hierboven van die zeldzaam principiële types zijn die het op een rechtszaak laten aankomen.

In het geval van de CD zou de klant kunnen stellen dat (1) hij de CD kocht bij de misleider omdat deze adverteerde met het recht om een kopie te maken en dat (2) hij deze anders verderop in de straat voor een paar euro minder zou hebben gekocht. Hoe gaat hij voldoende aannemelijk maken dat (1) het mogen maken van een kopie de reden was dat hij de CD bij de misleider kocht en dat (2) hij wist dat dezelfde CD verderop in de straat goedkoper werd aangeboden?

In het geval van de printer is de vraag wat de schade eigenlijk is die de koper lijdt. Niet het maanden later kopen van de cartridges - dat volgt niet rechtstreeks uit de oneerlijke handelspraktijk. Alleen het kopen van de printer zelf volgt daaruit. Zou hij hebben geweten dat die cartridges zo duur zijn, dan zou hij waarschijnlijk een duurdere printer met goedkopere cartridges hebben gekocht. Hij heeft geen schade maar voordeel!

De minister, door de Eerste Kamer gevraagd of er aan het overtreden van de WOHP ook niet vernietigbaarheid van de overeenkomst zou moeten worden gekoppeld, antwoordde:

Indien een overeenkomst tot stand is gekomen als gevolg van een misleidende of een agressieve handelspraktijk als bedoeld in de artikelen 193g en 193i, zal vrijwel altijd ook sprake zijn van bedrog of dwaling. In de artikelen 3:44 en 6:228 BW is bepaald dat de consument in dat geval bevoegd is de desbetreffende overeenkomst te vernietigen. De consument beschikt dus over een vernietigingsbevoegdheid ter zake van de overeenkomst.

Deze conclusie is te kort door de bocht: er is een overlap, maar lang niet alle oneerlijke handelspraktijken resulteren in een wilsgebrek. Er zal waarschijnlijk doorwerking naar dwaling plaatsvinden doordat de gewoontes in het maatschappelijk verkeer veranderen. Daardoor zal over de enkeling die hierin achterblijft worden geoordeeld dat hij behoorde te weten dat hij de klant had behoren in te lichten. Een verschuiving van onderzoeksplicht naar mededelingsplicht dus. Maar dat is iets wat in de loop van een decennium gebeurt, niet in de nacht van dinsdag 14 op woensdag 15 oktober 2008.

Het Duitse equivalent van de WOHP (de UWG) richt zich primair op mededinging. Daarom kent zij alleen benadeelde concurrenten een schadevergoeding toe (§9). Consumenten zullen zich moeten beroepen op § 823 Abs. 2 BGB, wat betekent dat zij wel schuld moeten bewijzen. De implementatie in het Verenigd Koninkrijk (de CPRs) kent geen ontbinding (par. 29) en ook geen compensatie voor benadeelde consumenten. In België (de WHPC) is een door oneerlijke handelspraktijk gesloten overeenkomst nietig (94/5 § 1 WHPC jo. 1133 BW jo. 1131 BW). De consument kan in België bij overtreding van wat in Nederland 6:193g sub l, p, q en 6:193i, sub a, b, h zijn, het aankoopbedrag terugvorderen zonder dat hij het geleverde product of de afgenomen dienst hoeft terug te geven (94/14 § 2). Onze minister heeft aan beide Kamers toegezegd in 2010 de ervaringen in België te evalueren.

Het belang van de WOHP is vooral publiekrechtelijk. In de Wet handhaving consumentenbescherming krijgt de Consumentenautoriteit de mogelijkheid een dwangsom of bestuurlijke boete op te leggen (2.9 Whc) wegens overtreding van de WOHP (8.8 Whc). Maar gezien vanuit het gezichtspunt van de reeds misleidde consumenten is dat een geval van ‘als het kalf verdronken is, dempt men de put’.

Resumerend, het privaatrechtelijke belang van de wet oneerlijke handelspraktijken is beperkt omdat:

  1. het bedrijven van een oneerlijke handelspraktijk de plicht geeft tot schadevergoeding, niet het recht op ongedaanmaking van de overeenkomst;
  2. wanneer er sprake is van een oneerlijke handelspraktijk er niet noodzakelijkerwijs ook sprake is van een wilsgebrek;
  3. de moeilijk te bepalen schade in rechte moet worden verhaald.
of lees de 18 reacties

“Rechter vindt archief belangrijker dan privacy”

24 februari 2010, 8:50 | Privacy, Meningsuiting | 20 reacties

Het Eindhovens Dagblad mag een artikel over een ontslagen vrouw gewoon online laten staan, meldde Webwereld gisteren. Dit omdat (zoals Henk Blanken het formuleert) het geheugen van kranten, hun digitale archief, belangrijker is dan de privacy van personen. De rechter vindt de publicatie niet onrechtmatig, en vindt dat de schadelijke gevolgen voor de vrouw dan ook voor haar eigen rekening moeten komen.

De persoon om wie het ging, was op non-actief gesteld met de cryptische mededeling “vanwege een gevoelige personele kwestie” in het gewraakte krantenartikel. Zo’n tekst, plus de mededeling dat men niet nader op de zaak in wilde gaan, suggereert dat er wel iets goed mis met de betrokkene zal zijn. De vrouw had dan ook aardig last van deze publicatie, zeker nadat het Eindhovens Dagblad haar zoekfunctie had verbeterden je eindelijk iets kon vindenen Google het artikel in haar archief opnam.

De eis tot weghalen dan wel afschermen van het archief was gebaseerd op de stelling dat sprake zou zijn van onzorgvuldige journalistiek: geen hoor en wederhoor, een schadelijke wijze van weergeven van de zaak en het na elf maanden nog steeds via Google toegankelijk houden. Daarbij werd geschermd met het Zwartepoorte-vonnis, waarin de site-eigenaar informatie moest afschermen omdat Google deze verkeerd samenvatte. Het argument daar was dat de aanpassing een kleine moeite zou zijn en de overlast groot, precies wat ook hier het geval was.

De rechter gaat hier niet in mee. Het artikel is niet onrechtmatig, en de overlast vanwege de Googleresultaten op mevrouws naam is dan ook geen reden om het artikel te moeten blokkeren. En bovendien werd meer geëist dan alleen een kleine pagina-aanpassing: het artikel moest onvindbaar worden. (Er werd geen anonimisering geëist voor zover ik kan zien in het vonnis.) Dat is onaanvaardbaar. Mevrouw had een aanvulling of rectificatie bij het artikel moeten vragen, dat had meer kans gehad.

Jammer genoeg kwam de advocaat niet met de Wet Bescherming Persoonsgegevens aanzetten, afgezien van een tussenneusenlippendoorvermelding dat de verwerking “op juiste en nauwkeurige wijze [had] dienen plaats te vinden”. Als hij had betoogd dat vermelding van de naam van mevrouw geen toestemming en aantoonbare noodzaak had, hadden we eindelijk eens een principiële uitspraak gehad over de WBP versus de uitingsvrijheid. Anders gezegd: dan hadden we geweten of het blijven noemen van iemands naam in een gearchiveerd nieuwsbericht mag (persvrijheid) of niet (privacy).

Volgens de richtsnoeren van het CBP had het archief trouwens gewoon op slot gemoeten, precies vanwege deze problemen. En de WBP geldt ook voor krantenarchieven.

Arnoud

of lees de 20 reacties

Three strikes via de ACTA-deur

23 februari 2010, 8:48 | Auteursrecht, Netneutraliteit | 10 reacties

Gisteren op Tweakers:

Uit een gelekt concept-artikel van het Acta-verdrag, waarover in het geheim wordt onderhandeld, blijkt dat isp’s moeten optreden tegen klanten die auteursrechten schenden. Ook wordt het omzeilen van kopieerbeveiligingen strafbaar.

Over het ACTA-verdrag is veel te doen, met name vanwege de geheimhouding er omheen maar natuurlijk ook de vele draconische verbodsmaatregelen die worden voorgesteld. Overigens valt het voor Nederland wel “mee” wat dat betreft, 80% van wat in ACTA staat is stiekem allang wet hier: online distributie moet onder het auteursrecht, providers worden beperkt aansprakelijk, technische kopieerbeveiligingen mogen niet worden doorbroken en rechteninformatie mag niet worden verwijderd. Tweakers dacht in eerste instantie dat dit nieuw was, maar in een update met quotes van ict-jurist (sic) Christiaan Alberdingk Thijm wordt duidelijk dat daar het venijn niet zit.

Nee, dat zit verstopt in voetnoot 6 uit het vermoedelijke hoofdstuk over digitale maatregelen. In dat hoofdstuk staat een artikel over de beperkte aansprakelijkheid van internetproviders. Die regeling lijkt sterk op wat we sinds 2000 hebben: geen aansprakelijkheid mits men een effectieve notice-en-takedownprocedure implementeert.

Ik haal de tekst en voetnoot even aan:

an online service provider adopting and reasonably implementing a policy to address the unauthorized storage or transmission of materials protected by copyright or related rights

An example of such a policy is providing for the termination in appropriate circumstances of subscriptions and accounts in the service provider’s system or network of repeat infringers.

“Termination of repeat infringers” is natuurlijk precies waar het bij three strikes over gaat. De voetnoot maakt duidelijk dat dit een voorbeeld is, zodat je in theorie ook andere opties kunt aanwijzen als wetgever (boze brieven, blokkeren van P2P of een Brein-hotline) maar het ligt voor de hand dat deze optie het zal worden.

Kan dat zomaar in Europa? Goeie vraag. Eerder deze maand verklaarde de Europese Commissie:

ACTA should not contain measures restricting end-users’ access to the Internet that would not be appropriate, proportionate and necessary within a democratic society and without a prior, fair and impartial procedure

wat op zich hartstikke mooi klinkt maar niet uitsluit dat er wel degelijk restricties kunnen worden ingevoerd. Het is nog wat vroeg om te zeggen hoe ver dat precies kan gaan, maar zorgelijk is het wel.

Arnoud

of lees de 10 reacties

Hoe algemeen mogen onze voorwaarden zijn?

22 februari 2010, 8:09 | Internetrecht | 39 reacties

Een lezer mailde me:

Ik beheer een forum. De sfeer is over het algemeen goed, maar soms zijn er toch vervelende akkefietjes. Wij beroepen ons dan op onze huisregels, waar de regel in staat “De moderators mogen op elk moment ieder bericht aanpassen om elke reden. Evenzo mogen zij mensen bannen zonder opgaaf van reden”. Deze huisregels worden gemeld bij het registreren. Maar nu zegt er iemand dat deze huisregel veel te algemeen is en daarom niet rechtsgeldig. We zouden alleen bij overtredingen van de wet mogen ingrijpen. Klopt dat?

Nee dat klopt niet, maar de huisregel is wel erg algemeen dus daar zou ik toch wel wat aan doen.

Op zich mag je je huisregels formuleren zoals je wilt (daar zijn het huisregels voor). Het is dus niet zo dat je alleen mag verbieden wat in strijd is met de wet. Wil je geen politieke discussie, moeten gebruikersnamen met een A beginnen of is een bepaald woord verboden, dan schrijf je dat op en dan mag het niet.

Daaruit volgt alleen niet dat je ook maar te allen tijde zonder reden alles kunt doen als beheerder. Huisregels zijn algemene voorwaarden, en mogen dus niet ‘onredelijk bezwarend’ zijn voor je gebruikers. Dat betekent dat er wel iets van een grond moet zijn om die huisregel te hanteren - al was het maar “bewaren van onze unieke sfeer”. Een ban uitdelen aan een willekeurige gebruiker omdat je hoofdpijn hebt, zou m.i. niet moeten kunnen hoe generiek je huisregels ook zijn.

Ik zou dus op zijn minst die regel wat uitbreiden met een motivatie over doel en strekking van de regel. Wil je misbruik tegengaan, een bepaalde sfeer bewaren of alleen optreden bij smaad, laster en dergelijke?

Arnoud

of lees de 39 reacties

Slijters filmen klanten voor leeftijdscheck, nou en?

20 februari 2010, 8:53 | Privacy | 28 reacties

Ik zal wel iets missen, maar wat is nu precies het privacyprobleem met die leeftijdscheck die slijters willen gaan invoeren?

Als ik Nu.nl goed lees, dan moet je je gezicht voor een camera houden waarna iemand in een controlecentrum in Breda kijkt of je er uitziet als jonger dan 21. Zo ja, dan moet de winkelier je om legitimatie vragen zodat vaststaat dat je zestien jaar of ouder bent en dus drank mag kopen. Volgens de Levensmiddelenkrant kan de ID ook gescand worden.

Gluren, noemt De Pers dat. Hoezo? Dit is toch precies hetzelfde als een winkelier die zelf kijkt of je er uitziet als 21 of jonger en bij twijfel naar een identiteitsbewijs vraagt? Goed, als ze de beelden zouden opslaan om je later een passende aanbieding voor een autorijcursus te doen dan zou ik er wel wat vraagtekens bij zetten. Maar dat lijkt absoluut niet het geval.

Arnoud

of lees de 28 reacties

Blaffende uitgeversgroep gemuilkorfd

19 februari 2010, 8:09 | Meningsuiting | 16 reacties

blue-to-blond-uitgeverij.pngZeggen dat een bedrijf frauduleus handelt, is bij lange na niet genoeg voor dat bedrijf om te eisen dat je blogbericht offline gaat. Ook niet als je goed bent in SEO waardoor jouw berichten over dat bedrijf goed te vinden zijn. Dat bepaalde de kortgedingrechter in Assen gisteren in een zaak tussen De Uitgeversgroep en website Blue 2 Blond. Op deze site werd verslag gedaan van een telefonische acquisitie waarbij de beller meldde dat er “eerder gemaakte afspraken” bevestigd moesten worden. Daar wist site-eigenaar Hofman niets vanaf, en hij schreef zijn frustraties van zich af (een goede gewoonte) in een blogpost.

De Uitgeversgroep liet vervolgens een advocaat los, die begon te blaffen maar weinig concreet werd over wat er nu onrechtmatig was aan de berichten. Dan kun je natuurlijk weinig doen als blogger: gewoon berichten weghalen omdat iemand dat eist, zonder nadere onderbouwing, kan niet zomaar geëist worden. Ook na aandringen hoorde Hofman niets. Hij anonimiseerde voor de zekerheid de berichten, hoewel de gecachte versies bij o.a. Google nog wel gekoppeld bleven aan de bedrijfsnaam.

Daarop stapte het bedrijf naar de rechter, die in een kort vonnis echter gehakt maakt van de stellingen van De Uitgeversgroep.

zonder nadere toelichting die De Uitgeversgroep niet geeft, [is] niet te begrijpen wat onrechtmatig is aan de door De Uitgeversgroep in de inleidende dagvaarding aan [gedaagde] verweten gedragingen.

Met andere woorden: waar gáát dit over.

Ook het argument dat de gedaagde “een zodanig genie zou zijn dat hij in staat is met allerlei –zegmaar- onderhuidse toevoegingen een zoekmachine als Google te manipuleren”, wat overigens niet meer betekent dan “ze staan op pagina 1 als je onze naam intikt”, gaat niet op:

het optimaliseren van een website op een zodanige manier dat iemand die de naam De Uitgeversgroep in Google als zoekterm invult, wordt verwezen naar teksten van [gedaagde], op zichzelf genomen evenmin onrechtmatig is. Dat zou alleen anders kunnen zijn als die optimalisatie heeft plaatsgevonden met het doel het daarheen te leiden dat derden kennis nemen van uitlatingen op een website die op zichzelf genomen onrechtmatig zijn.

Dat laatste was bijvoorbeeld het geval bij de boze blogs van Frontaal Naakt over een Vodafone-medewerkster, die met naam en toenaam werd genoemd met als zelfverklaard doel dat zij zo negatief in Google zou komen dat niemand haar meer in dienst zou willen nemen.

Arnoud

of lees de 16 reacties

Discussiemiddag: Is een persbericht eigenlijk spam?

18 februari 2010, 8:43 | Privacy, Meningsuiting, Netneutraliteit | 51 reacties

pers-middag.pngGisteren was ik bij een door De Perslijst georganiseerde discussie tussen de OPTA, journalistiek en advocatuur over het zakelijke spamverbod en wat dat betekent voor de pers. Met vertegenwoordigers van de OPTA, Logeion (de beroepsvereniging voor communicatie), de hoofdredacteur van journalistenvakblad Villamedia en telecomadvocaat Gerrit-Jan Zwenne beloofde dat wat.

Vorig jaar oktober is het spamverbod uitgebreid: ook ongevraagde commerciële, charitatieve of ideële mail naar zakelijke ontvangers was verboden. Dat gaf aardig wat paniek in de tent, maar nog steeds is er veel onduidelijkheid. Mag je bijvoorbeeld persberichten rondsturen naar iedereen die eruit ziet als een journalist? Of is dat ook spam? Hangt het er vanaf of het persbericht echt nieuws is of alleen maar een commercieel verhaal? En is “Mercedes lanceert nieuw model S300″ dan echt nieuws?

Het panel opende met de mooie constatering dat “wat mag er nu” een simpele vraag is met een heel wat moeilijker antwoord. De veelgestelde vragen op de site van de OPTA vermelden bijvoorbeeld “Het is mogelijk dat een persbericht onder het spamverbod valt.” Wat moet je daarmee als ondernemer? Betekent dit “het kan, in theorie” of “dit is 99% zeker”? De OPTA kan dan wel geruststellend zeggen dat men niet handhavend optreedt tenzij er schade en overlast van komt, maar dat is natuurlijk geen juridische zekerheid.

En dat was waar de zaal toch naar op zoek was. De consensus leek te zijn: moeten we nu werkelijk zo moeilijk doen over persberichten in de spamwet, want welke journalist gaat dit als spam zien? Journalisten hebben meningen van belanghebbenden nodig en moeten dus veel mail krijgen met persberichten. Communicatiebureaus zullen echt niet zomaar iedereen hun persbericht sturen, want iemand een persbericht opdringen werkt alleen maar contraproductief. En mocht een journalist toch eens van werkgebied veranderen, dan kan hij via de contactgegevens bij het persbericht zich afmelden. Journalisten klikken liever drie keer iets weg dan de kans te lopen nieuws te missen.

De OPTA ziet het toch anders: wat nu als een politieke partij of Goed Doel besluit elk Nederlands bedrijf een mail te sturen omdat er NU actie voor Haïti nodig is. Daarop werd gereageerd met verwijzing naar een radiospotje van Wakker Dier, dat in het spotje mensen oproept om zich op de nieuwsbrief te abonneren. Een extreme vorm van opt-in. De zaal keurt af dat dit nodig is, maar ik zie werkelijk niet waarom. Het alternatief is dat iedere ontvanger zich maar moet gaan afmelden en dat lijkt mij ook niet werkbaar.

Dan komen we op de Hyveskrabbelzaak, waarin een berichtje op een socialenetwerkpagina ook als spam gezien werd. (Er is bezwaar gemaakt tegen de boete, dus misschien krijgen we nog wel een beroep bij de rechtbank ook.) Zwenne had zich goed ingelezen en vroeg zich af waarom Google-advertenties dan niet onder het spamverbod zouden vallen. De reactie van OPTA was opmerkelijk: inderdaad, behavioral targeting verdient aandacht en daar gaan we volgend jaar samen met Consumentenautoriteit en CBP naar kijken.

Er werden nog diverse pogingen gedaan om het met definities op te lossen. Als we bijvoorbeeld kunnen vastleggen wat ‘journalistiek’ is, dan kunnen we zeggen dat je journalisten mag spammen met persberichten. Of we definiëren “persbericht” en zeggen dat die altijd mogen. Maar het nadeel van die route is dat er dan direct misbruik gemaakt gaat worden van de definitie. Want dan heten morgen alle Viagramails ineens “PERSBERICHT”.

Als uitsmijter nog een doordenkertje: als je een dienstverlener bent die als dienst het aanleveren van nieuws en commerciële berichten heeft, moet je dan per mailing toch opt-out hebben?

Arnoud

of lees de 51 reacties

Ik wil niet worden gerecenseerd!

17 februari 2010, 8:26 | Privacy, Meningsuiting | 9 reacties

briefpapier-recensie-notitie.jpgNou ja, ik wel, maar een lezer niet, want die schreef:

Ik ben zelfstandig ondernemer in de klussenbranche. Nu zie ik dat er op allerlei sites over mijn bedrijf geschreven wordt, helaas niet altijd positief hoewel ik altijd kwaliteit aflever. Ik weet dat er veel beunhazen in dit vak zitten, maar ik ben absoluut geen beunhaas en heb totaal geen behoefte aan al die recensies. Want ik moet er dan maar steeds op reageren anders denken mensen dat het waar is. Hoe kan ik afdwingen dat ik niet wordt genoemd op die sites, of in ieder geval dat ik niet word gerecenseerd?

Het is toegestaan recensies over bedrijven/ondernemers te verzamelen of te (laten) plaatsen, ongeacht het soort dienstverlening. Of je nu zzp’er bent of een BV met 800 medewerkers, men mag over je praten. Ik zie dan ook niet hoe je kunt afdwingen dat je niet wordt gerecenseerd.

Zolang die recensies maar voldoende basis in de feiten hebben, kun je niet optreden tegen recensies. De strekking van de recensie moet juist zijn, en meningen mogen niet nodeloos grievend zijn. Een boze klant mag dus zijn hart luchten en misschien zelfs wat dingen overdrijven om zijn punt te maken, maar liegen over wezenlijke feiten mag niet.

Bij een zelfstandig ondernemer wordt vaak ook de naam van die ondernemer genoemd. Je zou dan in theorie op grond van je privacy kunnen optreden, maar ik denk dat dat niet snel zou lukken. Je bent als persoon immers onlosmakelijk verbonden met je onderneming, en het is dan onvermijdelijk dat mensen je naam noemen als ze praten over je bedrijf. Als men nu over jou als persoon ging schrijven (”hij mag wel wat meer deo gebruiken”), dan wordt het twijfelachtiger want dan is het privacybelang groter - en de nieuwswaarde kleiner, zou ik zeggen.

Wat ik me nu afvraag: hoe zou dat gaan met prostituees? Daar spelen heel wat meer privacyaspecten dan alleen een naam. Maar die zaken zijn tegelijkertijd de kern van hun werk. Mag je die recenseren of is dat per definitie een privacyschending?

Arnoud

of lees de 9 reacties
Volgende Pagina »
De wet op internet Koop het shirt You wouldnt download a car bij Shirtshop
Arnoud's boek!
Internetrecht in gewone taal

Auteur: Arnoud Engelfriet - Licentie: Creative Commons BY-SA 2.5 - Disclaimer - Powered by WordPress