Executiegeschil over al of niet gemaild domeinnaamverhuisformulier

15 juli 2010, 8:32 | Domeinnamen, Contracten | 18 reacties

Executiegeschillen. Het klinkt pijnlijker dan het is, hoewel je er als rechter liever niet te veel mee te maken krijgt. Dit zijn geschillen over de tenuitvoerligging of executie van een eerder vonnis. Oftewel: doet hij wel op tijd wat hij moest, en zo niet heb ik dan recht op dwangsommen? Afhankelijk van hoe het vonnis is geformuleerd en hoe hard Murphy toesloeg bij de uitvoering, kan dat tot heel complexe situaties leiden. Maar soms doen partijen zelf ook nodeloos moeilijk, zoals ik tussen de regels opmaak in dit vonnis over de overdracht van een domeinnaam.

In de eerdere zaak (zo te zien niet gepubliceerd - grom) was de eigenaar van een domeinnaam veroordeeld om de domeinnaam naar de andere partij over te dragen. Of, beter gezegd: “binnen 24 uur na betekening van dit arrest al datgene te doen wat nodig is om [nieuwe eigenaar] bij SIDN als enige rechthebbende geregistreerd te laten zijn”. Het arrest was van 9 maart, en op 10 maart stuurde de domeinnaamhouder een mail naar de andere partij met het door hem ingevulde SIDN-formulier voor de houderwijziging. Even tekenen en dan kon dat door naar SIDN. Alleen: daar kwam geen reactie op. Op 16 maart werd nagebeld, en de mail bleek niet te zijn aangekomen.

Vervolgens ontstond er enige discussie over of dat formulier nog wel gebruikt kon worden, want er stond immers 10 maart onder de handtekening en dat zou 16 maart moeten zijn. (”Antedateren” schijnt iets heel stouts te zijn maar in deze context zie ik het probleem niet - en de rechter ook niet trouwens: “Voor zover [nieuwe eigenaar] vreesde zich schuldig te maken aan antedatering, had zij dit immers eenvoudig kunnen oplossen door op het formulier bij haar ondertekening de datum 16 maart 2010 te noteren.”)

Uiteindelijk loste de domeinnaamhouder het zelf op met een ‘truc’: hij deed zich zich via een derde-provider voor als de verkrijger van de domeinnaam en autoriseerde zo de overdracht. Niet netjes maar de domeinnaam was nu wel over. Opgelost dus, zou je zeggen. Maar dit is een executiegeschil, en dus ging de andere partij moeilijk doen: dit duurde allemaal te lang dus graag de dwangsommen uitgekeerd.

Daarbij krijgen beide partijen ongelijk. Allereerst oordeelt de rechter dat de domeinnaamhouder genoeg gedaan heeft door dat formulier in te vullen en op te sturen. Andere manieren, met name die truc, kunnen dan niet geëist worden:

Gegeven het feit dat SIDN een speciaal formulier hanteert voor het doorgeven van een wijziging in de domeinnaamhouder, lag het immers zozeer voor de hand de overdracht langs die weg te bewerkstelligen dat van [de domeinnaamhouder] redelijkerwijs niet kon worden verlangd dat hij (daarnaast ook) andere wegen zou bewandelen.

Vervolgens gaat de domeinnaamhouder toch nog onderuit, want op 10 maart mailen en pas op 16 maart nabellen was in deze context veel te traag. Hij was verplicht “alles” te doen om te zorgen dat die domeinnaam over ging, en daaronder valt dan ook dat je er bovenop zit en reageert als er niet meteen een reactie komt:

Onder die omstandigheden kon [domeinnaamhouder] er niet mee volstaan het formulier per e-mail aan [nieuwe eigenaar] toe te sturen zonder rekening te houden met de mogelijkheid dat het bericht door wat voor oorzaak ook niet was aangekomen of in het ongerede was geraakt. [domeinnaamhouder] had zich tijdig ervan moeten vergewissen dat het formulier in goede orde door [nieuwe eigenaar] was ontvangen en van de inhoud kennis was genomen. Nu hij dit heeft nagelaten en [nieuwe eigenaar] stelt dat zij het mailbericht van 10 maart 2010 niet heeft ontvangen en het SIDN formulier pas op 16 maart 2010 in haar bezit heeft gekregen, kan niet worden gezegd dat [domeinnaamhouder] reeds op 10 maart 2010 aan de veroordeling van het gerechtshof – om al datgene te doen wat nodig is – heeft voldaan.

De domeinnaamhouder mocht dan ook 12.000 euro aan dwangsommen overmaken. En ja, dat is een consequentie van mail gebruiken: als de wederpartij zegt niks gehad te hebben, heb je een levensgroot bewijsprobleem.

Overigens perfect getimed: op 10 maart meldde de SIDN de formulieren afgeschaft te hebben.

Arnoud

of lees de 18 reacties

Opruiende twitteraar krijgt werkstraf

14 juli 2010, 8:09 | Meningsuiting | 29 reacties

Een 18-jarige Hagenaar die zondag werd opgepakt omdat hij op 6 juli via Twitter opruiende berichten had verspreid, moet een werkstraf van 100 uur uitvoeren, meldde Nu.nl gisteren. Hij had mensen opgeroepen om te gaan “relle” op het Jonckbloetplein (via Tweakers), en de politie nam dat kennelijk erg serieus.

Op zich is het inderdaad strafbaar (artikel 131 Strafrecht) om “tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag” op te ruien, maar dat is niet hetzelfde als roepen “laten we gaan rellen”. Daarvoor moet je de context van de uiting bekijken: had deze persoon ook werkelijk de intentie dat er geweld gepleegd moest gaan worden? Ook mag worden gekeken naar eerdere, vergelijkbare situaties: als het gaat over een plek waar vaker gereld wordt, zal eerder sprake zijn van opruiing.

Hier was de zaak kennelijk zo duidelijk dat men supersnelrecht kon toepassen. Dat kan alleen als de zaak zo helder is als maar kan, en er dus geen rare vragen uit het dossier ontstaan. Ik neem aan dat daaronder ook valt dat de verdachte bekende dit gezegd te hebben en de bedoeling had om ook daadwerkelijk rellen uit te lokken.

Is dit alleen nieuws vanwege dat ‘via Twitter’? Waarschijnlijk wel. Maar op zich wel een interessante vraag: je moet namelijk wel een publiek bereikt hebben om van opruiing te kunnen spreken. Een beetje in je huiskamer gaan oproepen tot rellen, is niet strafbaar. Kennelijk is Twitter dus hetzelfde als aan de openbare weg gaan roepen?

Arnoud

of lees de 29 reacties

Adverteren bij Google voor tweedehands merkproducten mag

13 juli 2010, 8:56 | Merken, Zoekmachines | 14 reacties

portakabin-primakabin-adwords.pngAdverteren bij Google voor tweedehands merkproducten mag, zolang je advertentie maar duidelijk is over jouw relatie tot de merkhouder. Dat blijkt uit het Europese arrest C‑558/08 in de Portakabin/Primakabin-zaak (via) waarover onze eigen Hoge Raad vragen had gesteld. Het Hof van Justitie komt nu met nadere regels over wanneer de uitzonderingen op het merkrecht opgaan bij advertenties gekoppeld aan de merknaam als zoekwoord.

Na het onlangs gewezen arrest Google/Vuitton doet het Europese Hof nu ook uitspraak over de Portakabin/Primakabin-zaak. Hier stonden de advertenties van het bedrijf Primakabin centraal. Zij adverteerde voor “gebruikte portakabins”, wat na een sommatie van Portakabin veranderd werd in “gebruikte Portakabin units”. Tot aan de Hoge Raad werd doorgeprocedeerd of dit wel mocht, en die verwees de zaak door naar het Europese Hof omdat merkenrecht nu eenmaal Europees geregeld is.

Het Europese merkrecht kent grofweg twee redenen om een merk te gebruiken: om te verwijzen naar de soort, kwaliteit, bestemming etcetera van het eigen product en om te adverteren met een legitiem op de markt gebracht product. Bij ’soort, bestemming etcetera’ moet je denken aan een vermelding “Past in de Philips THX1138 stofzuiger”.

In het arrest wordt de regel bevestigd uit het Google/Vuitton-arrest: advertenties met merknamen erin (of gekoppeld aan merknamen) zijn gewoon keihard merkinbreuk als “de normaal geïnformeerde en redelijk oplettende internetgebruiker” niet meer kan zien of er een band is tussen de adverteerder en de merkhouder.

Daarna besluit het Hof dat die verwijzings-uitzondering in principe niet kan opgaan bij advertenties bij zoekmachines. Er is normaal geen reden om te verwijzen naar andermans product - tenzij je dus stofzuigerzakken voor de Philips THX1138 stofzuiger wilt verkopen. De rechter moet dit van geval tot geval onderzoeken, maar moet daarbij voorop stellen dat het gebruik niet toegestaan.

Een verkoper kan wél adverteren met merknamen als hij gewoon legaal verkregen merkproducten wil doorverkopen. Dit is al decennia vaste rechtspraak: het merkrecht is ‘uitgeput’ wanneer de merkhouder zelf het product in Europa op de markt brengt. Anderen mogen dat dan doorverkopen, en mogen ook reclame maken met de merknaam in hun advertenties over dat doorverkopen. (Je zou zeggen dat dat logisch is maar er is vele malen tot aan dit Europese Hof over geprocedeerd, want volgens merkhouders is tweedehands doorverkoop toch wel een schandalig stukje piraterij en merkmisbruik.)

Als je die vaste rechtspraak doortrekt naar advertenties, dan wordt de hoofdregel

dat de houder van een merk een adverteerder niet kan verbieden om, op basis van een zoekwoord dat gelijk is aan of overeenstemt met dat merk en dat deze adverteerder zonder toestemming van die houder heeft geselecteerd in het kader van een zoekmachineadvertentiedienst op internet, reclame te maken voor de wederverkoop van tweedehands waren die oorspronkelijk door de merkhouder of met zijn toestemming onder dit merk in de EER in de handel zijn gebracht

Natuurlijk zijn daar uitzonderingen op. Als de merkhouder een “gegronde reden” heeft, dan mag hij nog steeds bezwaar maken.

Het Hof noemt een aantal voorbeelden van wanneer er zo’n gegronde reden is:

  • als de advertentie de reputatie van het merk ernstig schaadt;
  • als de adverteerder de indruk wekt dat er een economische band bestaat tussen hem en de merkhouder, bijvoorbeeld door te suggereren dat hij tot het distributienet van de merkhouder behoort (geautoriseerd dealer is);
  • als de adverteerder de merkproducten van hun merkaanduiding ontdoet (”debranding”) en er zijn eigen merkje opplakt.

Daar staat tegenover dat er níet meteen al sprake is van een gegronde reden als

  • je de merknaam combineert met het woord “gebruikt” of “tweedehands”
  • de reclame jouw imago versterkt (”sjonge, hij verkoopt Dior, nou dan zal het wel een goeie zijn”)
  • je ook andere (tweedehands of nieuwe) producten verkoopt, tenzij die andere producten “het imago dat de houder voor zijn merk heeft weten te creëren” ernstig zou kunnen schaden (dus geen Dior parfum tussen de vuilniszakken)

Ik zou dus zeggen dat hieruit volgt dat je mag adverteren met merkproducten die je tweedehands verkoopt, als

  1. je die producten legaal in Europa ingekocht hebt,
  2. je er netjes bij meldt dat ze tweedehands of gebruikt zijn als dat zo is,
  3. je je eigen bedrijfsnaam noemt in de advertentie,
  4. geen bijdehante of dubbelzinnige opmerkingen opneemt die suggereren dat je toestemming hebt van de merkhouder, en
  5. je de merknamen en logo’s op het product niet gaat overplakken.

In het kader van de giecheltoets: “wettelijk geautoriseerd dealer” noemen en dan zeggen “van de wet ben ik geautoriseerd om te dealen in tweedehands producten” mag dus niet.

Heel verrassend is dit arrest niet, maar het is goed om het zo op een rijtje te hebben staan want zoals gezegd willen merkhouders nog wel eens over de rooie gaan omdat iemand hun merkproducten durft door te verkopen en dat nog waagt te adverteren ook.

Arnoud

of lees de 14 reacties

Nieuwe regels over elektronische documenten en voorwaarden

12 juli 2010, 8:34 | Contracten | 28 reacties

Excuses voor de vertraging, maar ik moest het even nazoeken. Zoals donderdag beloofd: wat is er per 1 juli gewijzigd over algemene voorwaarden en de rechtsgeldigheid van elektronische documenten?

De regels over algemene voorwaarden (art. 6:234 BW) zijn veranderd. Het wetsartikel is herschreven, met name om de leesbaarheid te vergroten (voor zover haalbaar, het is en blijft een draak van een artikel).

Een belangrijke wijziging is dat je nu ook bij “gewone” (niet-elektronische) contracten de algemene voorwaarden elektronisch mag aanleveren. Je mag dus een papieren contract tekenen (of een mondelinge overeenkomst sluiten) waarbij je de voorwaarden als PDF mailt. Wel vereist dit “uitdrukkelijke instemming van de wederpartij”. Het is dus niet toegestaan om in de algemene voorwaarden te zetten “Wederpartij verleent hierbij uitdrukkelijke instemming voor elektronische aanlevering van deze voorwaarden”. Niet dat dat veel mensen ervan zal weerhouden om het toch te doen (t-shirt voor de spotter van het eerste voorkomen hiervan.)

Een grotere wijziging is artikel 156a Rechtsvordering over elektronische akten - ondertekende geschriften die als bewijs dienen. Zo’n document mag nu ook elektronisch, mits (pas op, juridische mond vol):

het degene ten behoeve van wie de akte bewijs oplevert, in staat stelt om de inhoud van de akte op te slaan op een wijze die deze inhoud toegankelijk maakt voor toekomstig gebruik gedurende een periode die is afgestemd op het doel waarvoor de akte bestemd is te dienen, en die een ongewijzigde reproductie van de inhoud van de akte mogelijk maakt.

Ik kan daar niet veel meer van maken dan “je moet kunnen nalezen wat er getekend is” maar ongetwijfeld zitten hier heel veel nuances aan. Een PDF met elektronische handtekening voldoet aan deze eis.

Deze regels zijn ingevoerd op grond van het wetsvoorstel over elektronische aktes, dat met name bedoeld was om elektronische verzekeringspolissen mogelijk te maken. Logischerwijs is er dan ook een wetsartikel ingevoerd (art. 7:932 BW) dat zegt dat verzekeringspolissen nu elektronisch mogen. En dat gaat vrij eenvoudig met de bovengenoemde wijzigingen: die polis is een akte en moet dus voldoen aan de hierboven genoemde eis voor aktes, en de polisvoorwaarden zijn algemene voorwaarden en moeten dus voldoen aan de eisen van opslaanbaarheid. Plus, je mag bij een ‘gewone’ papieren polis nu met de verzekeringnemer afspreken dat de voorwaarden worden gemaild of te downloaden zijn.

Wel is er een extra eis aan de elektronische handtekening: die moet een “geavanceerdegekwalificeerde elektronische handtekening” zijn, en de mensen die weten wat dat betekent mogen nu de paracetamol grijpen. Inderdaad, dat is zo’n ding waarbij er geavanceerde wiskunde wordt gebruikt, een smartcard moet worden ingezet, een digitaal certificaat moet zijn verkregen en minstens 200 uren aan dure consultants moet zijn besteed voor het implementatietraject. Ik ben dan ook zeer benieuwd wanneer de eerste elektronische polissen daadwerkelijk aangeboden worden - en of ze ook echt gaan voldoen aan die voorwaarden.

Arnoud

of lees de 28 reacties

Blizzard gaat echte namen weergeven in gamesfora

9 juli 2010, 8:16 | Privacy | 20 reacties

blizzard-real-id-real-name-echte-naam.jpgGamesaanbieder Blizzard (o.a. World of Warcraft, Diablo en StarCraft) gaat op haar online forums een wijziging doorvoeren waardoor alle posters verplicht met hun echte voor- en achternaam moeten posten, las ik bij Tweakers. Het doel van deze actie is kort gezegd de boel gezellig houden: door de anonieme nicknames die men nu graag gebruikt, loopt het getrol, geklier en geflame nogal de spuigaten uit. Blizzard is dat nu zat en voert daarom deze maatregel in.

Niet iedereen is daar blij mee, en lang niet alleen maar omdat ze dan niet meer kunnen trollen. Voor veel mensen is het een vervelend idee dat hun echte naam - en daarmee hun echte identiteit - ineens wereldwijd te zien is. Je kunt erop aangesproken worden op het werk (”haha, jij speelt World of Warcraft”) en mocht je iemand anders boos maken, dan weet hij nu hoe je heet en met enig googelen misschien ook waar je huis woont. Zeker als - zoals hier en daar wordt gemeld - Blizzard vervolgens je account koppelt aan je Facebook-account.

Nu is Blizzard een Amerikaans bedrijf, en de Amerikaanse privacywet kan worden samengevat als “zodra je met de buitenwereld interacteert, heb je geen privacy meer”, dus heel veel zal er niet aan te doen zijn. Maar hoe zou dat volgens de Europese privacyregels uitpakken?

Hoofdregel van de privacywet is hier dat je toestemming nodig hebt van de betrokkene, in dit geval dus de persoon die op het forum gaat posten. De richtsnoeren van het CBP vermelden hierbij:

Als het gaat om een openbaar toegankelijk discussieforum of gastenboek op internet, hoeft de verantwoordelijke echter niet expliciet toestemming te vragen voor publicatie van een reactie; hij mag er redelijkerwijs van uitgaan dat de betrokkene begrijpt dat de reactie op internet verschijnt.

Daarbij wordt echter vooral gedacht aan de situatie dat mensen zelf kíezen om hun naam (of andere dingen over zichzelf) in te vullen. Omdat de identiteit hier door het systeem van Blizzard wordt ingevuld, weet ik niet of die regel zonder meer opgaat.

Ik dénk dat het uiteindelijke wel mag, omdat Blizzard vooraf duidelijk genoeg meldt dat het gaat gebeuren. Niemand is verplicht de forums te gebruiken (ze staan los van de spellen). En de forums zijn niet dusdanig van levensbelang dat iemand per se anoniem moet kunnen posten daar.

Wanneer een site zó groot wordt dat het gebruik daarvan vrijwel onvermijdelijk is (zeg Hyves), dan zou dit wel eens anders kunnen liggen. Als zo’n site de regel invoegt dat iedereen met echte voor- en achternaam bekend moet zijn, dan word je namelijk wél gedwongen je identiteit te onthullen bij alles wat je online doet. Nu heeft World of Warcraft meer spelers dan Hyves leden, maar ik denk niet dat iemand kan zeggen dat het spelen van WoW (laat staan discussiëren op hun forum) onvermijdelijk is.

Update (12 juli) Blizzard ziet er vanaf naar aanleiding van massale protesten, pardon ‘feedback uit de gemeenschap’.

Arnoud

of lees de 20 reacties

Hoe bied ik algemene voorwaarden ‘op te slaan’ aan?

8 juli 2010, 8:14 | Contracten | 62 reacties

Een lezer vroeg me:

Op grond van art. 6:234 lid 1 sub c BW wordt de gebruiker bij een elektronische overeenkomst verplicht om de Algemene Voorwaarden aan de wederpartij ter beschikking te stellen, en de mogelijkheid te bieden de AV ‘op te slaan’ en voor ‘latere kennisneming toegankelijk te maken’. Ik vraag me af wat men anno 2010 verstaat onder ‘opslaan’ en ‘latere kennisneming toegankelijk te nemen’. Wordt onder dit laatste alleen printen verstaan?

Allereerst: per 1 juli is artikel 6:234 op de schop gegaan. Het is nu gewoon “lid 2 BW” voor elektronische terhandstelling. Dit naar aanleiding van een wetswijziging die ook elektronische aktes mogelijk maakt. Maar daar kom ik morgen op terug.

De inhoud van dit wetsartikel is ongewijzigd gebleven: de voorwaarden moeten “kunnen worden opgeslagen en voor [de wederpartij] toegankelijk zijn ten behoeve van latere kennisneming”. Er staat nergens wat dit inhoudt. Er zijn wel wat rechtszaken geweest over elektronisch ter hand stellen, maar die gingen over de vraag of je mag volstaan met een hyperlink in plaats van een document meesturen (meestal niet).

Veel meer dan “de mogelijkheid moet redelijk zijn” (zie ook art. 6:2 en 6:248 BW) kan ik dan ook niet verzinnen. Ik vul dan ook altijd zelf maar in wat mij redelijk lijkt, en dat is in het algemeen een PDF omdat iedereen die wel kan openen, printen en opslaan. Een Word-document is irritant en wat mij betreft niet redelijk. Een aparte webpagina (mét gewoon alle knopjes, dus geen floepvenster) lijkt me ook wel in orde, hoewel ik een PDF zou aanbevelen omdat het opslaan van webpagina’s een wat moeizame gebeurtenis lijkt bij veel gebruikers. Een iframe (een stuk tekst met scrolbalken in een webpagina) lijkt me echt niet goed, lang niet iedereen weet hoe hij daar de tekst uit kan krijgen en kan bewaren.

Vuistregel: als de rechtermuisknop eraan te pas moet komen, dan is het niet redelijk.

Arnoud

of lees de 62 reacties

Wanneer mag je nou op straat filmen (en dat op Youtube zetten)?

7 juli 2010, 8:11 | Privacy, Meningsuiting | 56 reacties

camera-foto-filmen-straat-openbare-weg.pngNaar aanleiding van GeenStijl’s berichtje van gisteren kreeg ik een hoop vragen over wat er nou wel en niet mag met filmen van mensen op de openbare weg. Ik geef dan ook maar even een samenvatting.

Hoofdregel is dat filmen en fotograferen op de openbare weg mag, omdat dat valt onder de vrijheid van informatiegaring (onderdeel van de vrije meningsuiting, artikel 10 EVRM). Gebruik je een aangebrachte camera, dan moet je mensen daarvoor waarschuwen voordat ze in beeld zijn. Bij een met de hand vastgehouden camera hoeft dat niet.

Mensen hebben portretrecht. Dat wil zeggen dat als er een “redelijk belang tegen publicatie” is, je het filmpje (of de foto) niet zomaar mag publiceren. Het wil niet zeggen dat ze het filmen of fotograferen zelf al mogen verbieden. Voor gewone mensen op straat lijkt het portretrecht niet zo sterk, hoewel daar de nodige juridische discussie over is. Voor politieagenten die gewoon aan het werk zijn, ben ik er vrij zeker van dat je ze gewoon mag filmen. Zolang je hem maar niet nodeloos hindert bij zijn werk, dus niet voor de voeten gaan lopen of een afgezet gebied betreden.

Zet je zo’n filmpje of foto online, dan kan het zijn dat je de agent onherkenbaar moet maken, zoals bleek in een rechtszaak over foto’s van flitsende agenten:

Niet alleen kan [appellant] in het kader van het kritisch volgen van het handelen van overheidsinstanties een (journalistiek) belang hebben bij de mogelijkheid op genoemde internetsite verslag te doen van de wijze waarop deze instanties een geval als het onderhavige behandelen. In hoeverre de foto’s aan dat verslag kunnen bijdragen, is een journalistieke beslissing waarin de rechter in beginsel niet dient te treden.

Film je heel intieme situaties, dan kán sprake zijn van een privacyschending. In ieder geval zul je zulke filmpjes niet zomaar kunnen publiceren.

In het filmpje waar het GeenStijl-bericht over gaat, lijkt een gesprek gefilmd te worden. Dat maakt het enigszins discutabel. Het heimelijk met een technisch hulpmiddel opnemen van een gesprek is namelijk strafbaar. Van een afstandje onopvallend filmen (met een goeie microfoon erbij) zou daaronder kunnen vallen.

Arnoud

of lees de 56 reacties

De giecheltoets als uitleg van recht

6 juli 2010, 8:51 | Internetrecht, Grappig | 31 reacties

giggle-test-giecheltoets.jpgDe laatste tijd gebruik ik ‘m steeds vaker in presentaties en workshops: de giecheltoets. De giecheltoets is mijn vuistregel voor juridische argumenten: als je het argument niet kunt uitleggen zonder in lachen uit te barsten, of als je publiek het niet kan aanhoren zonder te gaan lachen, dan is het argument niet geldig.

Het gebeurt namelijk vaak dat mensen (opvallend vaak IT-ers) die een juridische regel horen, deze meteen tot het extreme gaan oprekken. Nou is stresstesten een goede zaak bij software, maar juridische regels zijn niet zo ontworpen. Die gaan uit van een redelijke en billijke omgeving, en regels tot in het extreme oprekken is gewoon niet de bedoeling. De consequentie van dat toch doen, is dat je een absurde uitkomst krijgt, en daar moeten mensen om lachen. Vandaar de giecheltoets.

In de VS bestaat de giggle test al, maar in Nederland heb ik hem nog niet aangehaald zien worden. Jullie wel? Of andere handige vuistregels?

Arnoud

of lees de 31 reacties

Mag ik een bot voor een online spel maken?

5 juli 2010, 8:42 | Hacken | 13 reacties

botcraft-wow-spel-online-mmo.jpgEen lezer vroeg me:

Voor een massive multiplayer online strategy game heb ik een nieuwe userinterface ontwikkeld die inlogt (met je normale naam en wachtwoord) op de officiele servers en bepaalde taken in het spel automatiseert. Ik heb deze gemaakt door het netwerkverkeer te observeren, en heb geen code uit de officiële client gebruikt. Nu zie ik dat in de EULA van deze game staat dat je geen bots mag gebruiken, maar is het ook verboden voor mij om bots te verspreiden?

Ik denk niet dat het strafbaar is in de zin dat de politie je arresteert en je de cel in gaat. Wel zou het kunnen zijn dat de dienstaanbieder zegt dat je hen schade berokkent en dat jij die moet vergoeden.

Op zich is het niet verboden software te maken die samenwerkt met andermans software, zolang je geen code overneemt (copypaste of door reverse engineering). Je mag een protocol reverse engineeren en daar dan je eigen client of server voor schrijven, maar niet de client reverse engineeren en klonen. (In de Amerikaanse Glider-zaak ging het erom dat de bot de clientsoftware aanpaste als die in RAM geladen was. Ik vind dat hoogst dubieus als juridisch argument, maar goed dat geldt voor wel meer Amerikaanse zaken.)

Als je software beveiligingsmaatregelen omzeilt, met name als mensen gratis iets kunnen doen dat normaal geld kost, dan ben je mogelijk wel strafbaar. Er zijn regels in de Auteurswet over het omzeilen van kopieerbeveiligingen en ook strafwetten over het omzeilen van een beveiliging voor een betaaldienst.

De aanbieder zou kunnen zeggen dat jouw UI in feite een bot is waarmee mensen valsspelen. Dan kunnen ze je bot bannen. Als dat moeilijk blijkt (omdat jij cloakingtechnieken gaat inbouwen) dan zouden ze kunnen zeggen dat ze nu op kosten gejaagd worden om jouw bot te blokkeren en dat ze die op jou verhalen. Dat kan onrechtmatig zijn immers.

In de praktijk denk ik dat het in Nederland wel meevalt; men blokkeert de bot en gaat over tot de orde van de dag.

Arnoud

of lees de 13 reacties

Ik wil niet op uw nieuwsbrief!

2 juli 2010, 8:33 | Internetrecht | 12 reacties

Een lezer vroeg me:

Regelmatig heb ik wel eens mail-contact met bedrijven (vaak MKB-bedrijven). Nu merk ik dat het de laatste tijd steeds vaker voorkomt dat ik meteen nadat ik mailcontact heb gehad, op hun nieuwsbrief geabonneerd bent. Mag dat eigenlijk wel?

Hoofdregel bij commerciële mail is dat je toestemming nodig hebt van de ontvanger voordat je deze mag sturen. De Telecommunicatiewet is streng en biedt maar weinig uitzonderingen op deze regel. Er zijn er grofweg twee:

  1. Contactgegevens die een bedrijf zelf publiceert voor dat doel.
  2. Contactgegevens die zijn verkregen in het kader van de verkoop van een product of dienst.

Bij de eerste uitzondering (die niet geldt voor contactgegevens van consumenten) moet je denken aan e-mailadressen als acquisitie@bedrijfsnaam.example, persberichten@nieuwssite.example of opensollicitaties@bedrijfsnaam.example. Bij zulke adressen is het duidelijk wat daarheen mag, en daar is dus geen nadere opt-in voor nodig.

De nieuwsbrief van de vraagsteller valt daar niet onder, al was het maar omdat een mailtje sturen naar een bedrijf niet is voor het doel “op iemands nieuwsbrief komen”. Bovendien overkomt dit ook vaak particulieren, en die uitzondering geldt daar dus niet voor.

De tweede uitzondering zegt kortweg dat je je klanten mag spammen met reclame, mits je ze maar bij elke mail een opt-out biedt. Dat begrip ‘klant’ wordt hier dus opgerekt tot “iemand die ons mailde”. Dat gaat me nogal ver. De wet spreekt duidelijk van “in het kader van de verkoop”. Ik kan me nog vinden in een interpretatie dat toeleveranciers (die aan het bedrijf verkopen) zomaar gespamd mogen worden, maar zomaar iemand die een vraag mailde? Nee.

Je zou natuurlijk nog kunnen zeggen dat nieuwsbrieven geen “commerciële” mail zijn maar informatieve. In theorie kan dat, maar de nieuwsbrieven van de meeste bedrijven zijn niet meer dan verkapte reclamefolders.

Arnoud

of lees de 12 reacties
« Vorige PaginaVolgende Pagina »
De wet op internet Koop het boek Software: Deskundig en praktisch juridisch advies
Of een van de andere boeken over internetrecht!

Auteur: Arnoud Engelfriet - Licentie: Creative Commons BY-SA 2.5 - Disclaimer - Powered by WordPress