Persvrijheid versus Wet bescherming persoonsgegevens

Tweet
16 februari 2011, 8:26 | Privacy, Meningsuiting | 27 reacties

kleintje-muurkrant.pngHa, een juridische opsteker. De persvrijheid kan het wel degelijk winnen van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Dat blijkt uit een recent arrest over de zaak-Kleintje Muurkrant. Hoewel de Wbp zeker door journalisten kan worden overtreden, maakt zo’n overtreding niet per se automatisch de publicatie onrechtmatig. Daarmee wordt het vonnis uit 2008 ongedaan gemaakt waarin de site Kleintje Muurkrant niet journalistiek genoeg geacht werd.

De website Kleintje Muurkrant had in een bericht de naam van een zakenman genoemd en in herinnering gebracht dat hij ooit gehoord was in een strafrechtelijk onderzoek naar Johan de V. alias ‘de Hakkelaar’. Deze man begon een procedure met als insteek de Wet bescherming persoonsgegevens: het noemen van zijn naam op een website was een verwerking van persoonsgegevens, en daarvoor was geen toestemming gegeven.

Het is me al geruime tijd een doorn in het oog dat de kaartenbakwet ingezet zou kunnen worden tegen journalistieke publicaties. Ja, de Wbp is breed bedoeld en ja ook een artikel op een website (zeker in een doorzoekbaar archief) valt onder de definitie van “verwerking” maar ik kan me werkelijk niet voorstellen dat het de bedoeling was om nieuwsvoorziening op dezelfde manier te behandelen als een klantenbestand.

Hoe dan ook, het Hof kiest hier een mooie middenweg: de Wbp kan wel gelden bij een journalistieke uiting, maar de vraag of deze wordt overtreden is niet altijd doorslaggevend. Een overtreding van de Wbp in een journalistieke context dient

te worden meegewogen bij beantwoording van de vraag of degene die verantwoordelijk is voor (handhaving van) publicatie van de beweringen hierdoor onrechtmatig handelt.

Het Hof maakt vervolgens eerst een algemene afweging en concludeert daaruit dat er geen onrechtmatige publicatie is geweest. Daarna wordt dat nog eens dunnetjes overgedaan vanuit het perspectief van de Wbp. In plaats van te spreken van “voldoende basis in de feiten” wordt. nu bijvoorbeeld gezegd dat er een aantoonbare noodzaak tot publicatie was die zwaarder weegt dan de privacy van de eiser (artikel 8 sub f Wbp).

Het beroep op de persexceptie (artikel 3 Wbp) wordt genegeerd. Dat doet er immers niet doe, merkt het Hof terecht op: de persexceptie zegt in feite alleen dat het College Bescherming Persoonsgegevens niets mag doen met klachten over privacyschendingen (art. 47 en 65 Wbp, lees maar na).

Op basis van zowel de Wbp als het algemene recht concludeert het Hof dat de artikelen niet onrechtmatig zijn. En datzelfde geldt dan ook voor het archief, waarover men nog opmerkt:

Bij de belangenafweging stelt het hof voorop dat een publicatie over een persoon op Internet waarvan de onrechtmatigheid niet aannemelijk is geworden of is komen vast te staan, in beginsel op Internet mag worden gearchiveerd. Degene die het artikel archiveert dient hierbij echter wel behoorlijk en zorgvuldig om te gaan met de belangen van de desbetreffende persoon, bijvoorbeeld door af te wegen voor welke doelgroep hij het archief openstelt en gedurende welke termijn.

Dat is dus in lijn met de vaste rechtspraak over archieven die zich de afgelopen jaren heeft ontwikkeld.

Een mooie uitspraak: de Wbp is géén apart kanaal om verwijdering te eisen als dat via de gewone regels van smaad en andere onrechtmatige publicaties niet lukt.

Arnoud

of lees de 27 reacties

Mag ik klanten weigeren?

Tweet
15 februari 2011, 8:08 | Contracten, Webwinkels | 26 reacties

Een lezer vroeg me:

Ik heb een kleine webwinkel met relatief dure producten. Mijn ervaring is dat er nogal wat oplichters en handige jongens onder mijn klanten zitten. Ik heb daar nu wat heuristieken voor ontwikkeld zodat ik die mensen in het besteltraject eruit kan vissen, of ze via mijn algemene voorwaarden levering kan weigeren tenzij ze een aanbetaling doen of een andere aanvullende voorwaarde vervullen. Maar nu vroeg ik me af, mag ik eigenlijk wel mensen weigeren?

Nee, je hebt als ondernemer geen plicht om mensen als klant aan te nemen. Weigeren van potentiële klanten mag dus, hoewel je daarbij wel aan twee voorwaarden moet voldoen:

  1. vooraf melden bij welke criteria men niet geaccepteerd wordt
  2. de criteria mogen niet discriminatie op een verboden grond opleveren (bv. geen vrouwen of Marokkanen weigeren)

Item b spreekt voor zich, dergelijke discriminatie is verboden. Criterium a is belangrijk omdat iemand weigeren nádat je de overeenkomst hebt gesloten juridisch erg moeilijk ligt. Als je een aanbod doet en iemand aanvaardt dat, dan zit je er allebei aan vast. Door de voorwaarde expliciet te koppelen aan het aanbod, kun je de persoon die aanvaardt zonder aan de voorwaarde voldoet eenvoudiger weigeren.

Naast webwinkeliers krijg ik deze vraag ook regelmatig bij hostingbedrijven (ADV: koop ons boek!). Ook daar moet dit geen probleem zijn, mits je het maar duidelijk genoeg vooraf adverteert. Zo zijn er genoeg hosters die adultsites (porno) weigeren, vanwege dataverkeer, overlast en gedoe. Het weren van gamingclans is ook veel voorkomend, want dan heb je de hele dag ddos-aanvalletjes en irritante pubers in de mail.

Lastig is vaak wel dat die heuristieken indirect toch discriminatie op een verboden kunnen opleveren. Denk aan het niet willen bezorgen in Amsterdam Zuid-Oost of het checken van namen tegen een lijst met “buitenlandse” achternamen en dan de bestelling afwijzen.

Arnoud

of lees de 26 reacties

Valt andermans kopie van een verboden filmpje ook onder dat verbod?

Tweet
14 februari 2011, 8:07 | Meningsuiting | 12 reacties

dit-is-niet-mijn-praeses-majesteit.jpgRechtenstudente mag Geenstijl niet stalken, kopte Nu.nl afgelopen donderdag. Een beetje rare kop: er was geen sprake van stelselmatige schending van de privacy van de shockbloggers, maar het ging juist om de privacyschendingen die deze studente leed door het nog steeds op internet staan van het “gênante en beschamende” Majesteitfilmpje waarin zij dronken lallend in beeld was.

De rechter had in 2009 GeenStijl verboden dit filmpje nog te tonen, en inderdaad is het in de Dumpert niet meer te vinden. Maar elders nog wel, en de studente claimde dan ook diverse dwangsommen van 5000 euro voor elke kopie elders. Een lastige vraag: kan GeenStijl aansprakelijk gehouden worden voor screencaps of mirrors van anderen? Moet zij actief die sites benaderen en eisen dat het daar weggehaald wordt, of is dat uiteindelijk bij elke site de taak van de geportretteerde?

In het executiegeschil (via) blijkt dat het met name ging om geenstijl.prevvy.com, een onofficiële (en inmiddels verwijderde) iPhone app voor GeenStijl. Er was ooit discussie geweest over het al of niet officieel erkennen van die app, maar dat is niet doorgegaan hoewel er ook nooit expliciet was verboden deze mirror/proxy offline te halen. De rechter vindt dat daarmee onvoldoende vaststaat dat GS aansprakelijk is voor de publicatie via die app.

Belangrijker is echter de vervolgoverweging van de rechtbank over de algemene vraag of GeenStijl aansprakelijk kán zijn voor kopieën elders. In theorie wel:

Ook als beelden op een website nog te zien zijn zonder dat daarvoor een actief handelen van GS Media is vereist, kan dat onder omstandigheden worden aangemerkt als ‘openbaarmaking, verveelvoudiging of verspreiding’.

Wel moet dan vaststaan dat de gewone internetter de beelden nog kan vinden. En dat was hier niet zo: alleen door het intypen van de directe URL waren de beelden nog op te roepen. GS-moderator JorisEen door GS ingehuurde externe deskundige had daarbij ook nog eens aannemelijk weten te maken dat er wellicht alleen naar gecachte kopieën was gekeken, zodat niet vaststond dat de gegevens daadwerkelijk bij de bron (servers van GS Media) zouden zijn opgevraagd.

Als enkele afbeeldingen na een zeer gerichte zoekactie op basis van specifieke niet voor het publiek toegankelijke gegevens, daarna toch nog ergens op een plek op internet te vinden zijn, mogelijkerwijs via gegevens afkomstig van een aan GS Media gelieerde server, kan het niet verwijderd hebben daarvan, onder de hiervoor geschetste omstandigheden, in redelijkheid niet als een overtreding van het vonnis worden aangemerkt.

GeenStijl moet doen wat “redelijkerwijs van haar verwacht konden worden”, en dat heeft ze gedaan. Dit doet denken aan een zaak uit april, waarbij de gedaagden te horen kregen dat de verboden artikelen “op geen enkele wijze meer via welke zoekopdracht dan ook op het internet zijn terug te vinden”. Ook dat werd vertaald naar “al hetgeen redelijkerwijs mogelijk” was - waarbij men onderuit ging omdat de Google cache redelijk eenvoudig te legen was en dat niet was aangevraagd.

De algemene vraag wat je moet doen tegen willekeurige mensen die je filmpjes overnemen is hiermee niet beantwoord, maar het lijkt me dat je redelijkerwijs niet verder kunt gaan dan deze mensen een hele boze brief sturen. Een procedure tegen ze aanspannen is onmogelijk, want je hebt de auteursrechten niet en je kunt dus formeel niets eisen.

Arnoud

of lees de 12 reacties

Onrechtmatig verkregen bewijs

Tweet
11 februari 2011, 8:42 | Internetrecht | 16 reacties

bewijs.pngVorige week las ik een interessante blog van ICT-advocaat Menno Weij over onrechtmatig verkregen bewijs in het normale Nederlandse recht. Wie wel eens Amerikaanse rechtbankseries heeft gekeken, kent de uitdrukking “fruit of the poisonous tree”. Daarmee doelt men op een Amerikaansrechtelijk concept waarbij bewijs van tafel geveegd wordt omdat het uit een illegale bron afkomstig is. Zo kan een geluidsopname uitgesloten worden van het bewijs omdat deze zonder de wettelijk verplichte toestemming is gemaakt, of een drugspartij omdat de politie zonder warrant is binnengevallen in een woonhuis.

Bij ons gelden dergelijke regels ook - in het strafrecht. In het gewone civiele recht (waarbij burgers of bedrijven elkaar aanklagen) gelden zulke regels niet. De rechter weegt wat de partijen aandragen en beslist zelf hoe veel waarde hij ergens aan verbindt. Er is volgens de wet geen mogelijkheid om iets op voorhand buiten de rechtszaal te houden met het enkele argument dat de bron ‘besmet’ of illegaal is (of dat elektronisch bewijs niet bruikbaar is). Het kan meewegen dat iets illegaal verkregen is, maar doorslaggevend is dat niet. Voorop staat de waarheidsvinding.

Maar geen regel in het recht of er is wel een uitzondering op. Weij vond een recent vonnis dat voortborduurt op een arrest van de Hoge Raad uit 1987 (Hoge Raad 16 juni 1987, NJ 1988, 850). In die uitspraak oordeelde de HR dat een inbreuk op de privacy op zich geen reden is om bewijs uit te sluiten. Daarvoor moet de inbreuk “rechtens ontoelaatbaar” zijn, en daarvan is pas sprake als er méér is dan alleen een schending op zich.

In deze zaak vindt de rechter dat er geen sprake is van een dergelijke zware inbreuk, zodat de stiekem gemaakte gespreksopname gewoon gebruikt mag worden als bewijs. Het ging over gesprekken tussen een werkgever en werknemer die bij deze rechter stonden toen de werknemer ontslagen werd.

De gesprekken met [werknemer] heeft [naam 1] gevoerd in zijn hoedanigheid als directeur van NAM, als werkgever van [verweerder], waarbij deze gesprekken in overwegende mate een zakelijk karaker hadden. Het enkele feit dat [naam 1] er niet bedacht op hoefde te zijn dat zijn gesprekken met [werknemer] zouden worden opgenomen - zeker niet nadat hij [werknemer] daarnaar had gevraagd en deze dit ontkende - leidt niet tot de conclusie dat sprake is van een rechtens ontoelaatbare inbreuk op de privacy. Wel acht de kantonrechter dit een omstandigheid die bij de beoordeling van het goed werknemerschap in het kader van toepassing van de kantonrechtersformule aan de orde kan komen.

Het gesprek mag dus worden gebruikt, maar indirect heeft het stiekeme opnemen wel consequenties. De werknemer die de opnames maakte, kan hierdoor mogelijk als ’slecht werknemer’ gezien worden en daarmee een lagere ontslagvergoeding krijgen.

In 2008 oordeelde de Maastrichtse kantonrechter dat bij een commercieel gesprek met een consument wél alleen mag worden opgenomen met aparte toestemming, omdat het anders niet als bewijs gebruikt kan worden. De opname moest vervolgens ook samengevat worden in de opdrachtbevestiging die de consument moet ontvangen. Best slim: daarmee creëer je op voorhand een mogelijkheid om het bewijs aan te vechten, kort nadat de opname is gemaakt.

Maar dat is dus een bijzondere situatie. Hoofdregel is en blijft: opnemen mag, ook zonder toestemming.

Wel ben ik nu benieuwd naar de “bijkomende omstandigheden” waarmee je wél een opname van tafel zou kunnen vegen. Wanneer is het stiekem opnemen van een gesprek zó erg dat we er niet eens naar willen luisteren, ongeacht wat de opname zou kunnen bewijzen?

Arnoud

of lees de 16 reacties

FTD moet discussies over downloaden sluiten

Tweet
10 februari 2011, 8:13 | Auteursrecht, Aansprakelijkheid | 142 reacties

you-wouldnt-upload-a-car-ftd-brein.pngHmpf. Op al je punten gelijk krijgen en toch verliezen. Dat was mijn gevoel bij het lezen van het FTD-vonnis van gisteren. Downloaden uit illegale bron is écht legaal, het faciliteren daarvan ook, maar toch moet FTD stoppen met het laten spotten van werk: een deel van de spotters zijn ook uploaders en daarmee wordt het het illegaal uploaden gefaciliteerd en gestimuleerd. En vanwege die uploaders moeten nu alle spots verwijderd worden.

De rechtbank wijst net als het Gerechtshof de stelling af dat FTD zelf werk zou publiceren (openbaar maken). Daarvan is pas sprake als FTD een “signaal” zou doorgeven op een of andere manier, oftewel dat je door FTD een werk zou ontvangen. FTD is hooguit behulpzaam bij dat ontvangen maar geen essentiële schakel. “Wat FTD doet, is het enkele verwijzen door middel van spots naar bestanden”, aldus de rechtbank. En dat is geen (her)publicatie van die bestanden.

De afwezigheid van een downloadknop (of NZB-knop) zorgt er ook voor dat geen sprake is van “mede-openbaarmaken”. FTD is niet betrokken bij het downloaden. Dat doen mensen zelf via hun Usenetprovider. En er is geen samenwerking tussen FTD en Usenet.

Uitgemaakte zaak, zou je zeggen. Maar nee: de rechtbank kijkt vervolgens naar het uploaden, dat “FTD niet kan voorkomen”. Dat uploaden is illegaal en levert schade op - waar de thuiskopieheffing geen vergoeding voor levert. Het excuus dat downloaden gelegaliseerd is vanwege die vergoeding, gaat hier niet op. En ook het argument dat de schade door de uploader veroorzaakt is en niet door FTD wordt afgewezen:

Anders dan FTD is de rechtbank van oordeel dat die schade wel degelijk in verband staat met de handelwijze van FTD. Ook al gebeurt het up- en downloaden op Usenet, het feit dat FTD bijdraagt aan de vindbaarheid van de bestanden, betekent dat zij (mede)veroorzaker van de schade is. Aangenomen moet immers worden dat degene die een geupload bestand downloadt over het algemeen geen auteursrechtelijk beschermd werk meer tegen vergoeding zal aanschaffen.

De redenering is dus: dankzij FTD worden bestanden beter vindbaar, dat stimuleert uploaders om meer te gaan uploaden, en daarom handelt FTD onrechtmatig. De zaak levert daarmee een nieuw criterium op waarmee Brein websites, forums en tijdschriften kan gaan slaan: het “structureel en stelselmatig een internetforum exploiteren dat het illegaal uploaden faciliteert en stimuleert en waarmee zij zelf inkomsten verwerft”. Het hebben van directe downloadlinks is dus niet meer relevant. Ook een tekstuele uitleg of een faciliteit die alleen indirect werkt of een zeer beperkte stimulans biedt (kudo’s!) kan genoeg zijn.

Wat die faciliteiten waren bij FTD:

  • Spots plaatsen en vinden is heel eenvoudig (maar dat was daarnet nog legaal verklaard omdat het over downloaden ging).
  • Er is een ‘watchlist’ om een seintje te krijgen bij toekomstige spots op bepaalde keywords (wat m.i. niets met uploaders te maken heeft).
  • Spots worden op kwaliteit gefilterd door de moderatoren (zie item 1, dat gaat over downloadkwaliteit).
  • Kudo’s zijn een daadwerkelijke aanmoediging voor uploaders (mensen plegen graag misdrijven voor een opgestoken duim).
  • Mensen kunnen verzoeken plaatsen voor bepaalde content (hoewel dat eigenlijk altijd gaat over of iemand een spot weet en niet of iemand een film wil uploaden).

Alles bij elkaar voelt het een beetje als een “dit moest niet mogen dus hoe verklaren we het illegaal”-argument. Het was op zijn zachtst gezegd niet de core business van FTD om uploaders een veilige haven te bieden, de gemeenschap bestond vrijwel volledig uit downloaders. En ik ga mezelf nu nog heel lang kwalijk nemen dat ik niet nóg harder alle verwijzingen naar uploaden en uploaders heb laten verwijderen.

Arnoud

of lees de 142 reacties

Waarom hebben licenties altijd zulk moeilijk taalgebruik?

Tweet
9 februari 2011, 8:30 | Open source | 17 reacties

wtf-stempel.jpgEen lezer vroeg me:

Omdat ik gezeur met softwarelicenties vrij zat ben, ben ik van plan m’n eigen code te publiceren onder de WTFPL (Do What The Fuck You Want To Public License). Ik vraag me alleen af hoe serieus een rechter een licentie als deze zou nemen. Er staan immers geen juridische frases in, en bovendien is er sprake van grof taalgebruik. Loop ik dan een risico als ik die licentie gebruik?

Er is geen regel in de wet die zegt dat een licentiecontract moet voldoen aan welke taaleis dan ook. Zo ongeveer de enige eis is dat de partijen bij het contract kunnen bepalen wat hun rechten en plichten zijn. En je hebt ook niet per se een advocaat, notaris of jurist nodig om een licentiecontract “rechtsgeldig” te krijgen, behalve in een paar héél bijzondere gevallen zoals de koop van een huis.

Er is dus op zich niets tegen een licentie in gewone taal. Ik heb zelf ooit een standaardreglement voor forums gemaakt waar volgens mij ook nauwelijks jargon in staat. Als je echter ál te ludiek bent in je teksten, zou een rechter in theorie kunnen oordelen dat je licentie niet als serieus aanbod bedoeld was.

De Do What The Fuck You Want To Public License (WTFPL) komt neer op:

You just DO WHAT THE FUCK YOU WANT TO.

En inderdaad is dat wel erg kort - hoewel heel veel meer strikt gesproken niet nodig is. Misschien nog een “Don’t FUCKING SUE ME FOR ANYTHING” als disclaimer, maar verder lijkt me intentie en strekking vrij duidelijk: ga je gang met die software en ik wil er niets over horen.

Waarom dan toch vaak dat moeilijke taalgebruik? Tsja, dat is een goeie. Voor een deel is het vaak een kwestie van onbewust jargon gebruiken. In de wandelgangen met collega’s spreek je als jurist eerder van “exoneratie” dan van “beperking van aansprakelijkheid”, en als je niet uitkijkt komt dat ook in de documenten voor je klanten terecht.

Ook speelt mee dat je graag 100% correct wilt formuleren. Als je zegt “ik ga niet programmeren als jij me onbruikbare input geeft”, dan krijg je wellicht discussie over wat “onbruikbaar” is en hoe je dat meet. En wat is “input”? Elke onbegrijpelijke mail? De specificaties? Ook zou je je nu kunnen afvragen of dat niet-aan-de-slag-gaan een verplichting is of alleen maar een recht van de ontwikkelaar. Als je daar als jurist een correcte en dichtgetimmerde formulering van wilt maken, dan krijg je zoiets (artikel 2.3 van de ICT~Office voorwaarden, module Ontwikkeling van programmatuur):

Leverancier is gerechtigd, doch niet verplicht, de juistheid, volledigheid en consistentie van de aan hem ter beschikking gestelde gegevens, specificaties of ontwerpen te onderzoeken en bij constatering van eventuele onvolkomenheden de overeengekomen werkzaamheden op te schorten totdat cliënt de betreffende onvolkomenheden heeft weggenomen.

Ik geef toe, het is minder leesbaar dan “ik ga niet programmeren als jij me onbruikbare input geeft” maar het is wel minder vatbaar voor discussie.

Soms is het helaas meer een kwestie van niet duidelijk kunnen formuleren of niet genoeg weten van de business van de klant om een toegesneden clausule te maken. En dan copypasten we maar het vorige contract want dat zal dan wel goed genoeg zijn.

Arnoud
Foto: mjaysplanet, Flickr.com CC-BY 2.0

of lees de 17 reacties

OM niet ontvankelijk na weigering dagvaarding te mailen

Tweet
8 februari 2011, 8:04 | Internetrecht | 26 reacties

library-bibliotheek-openbare-computers.pngWie verdacht is in een strafzaak, krijgt normaal alle stukken op zijn woonadres. Daar kun je van afwijken als je dat tijdig opgeeft; je zou het adres van je advocaat of wellicht een postbus kunnen opgeven. Maar in een recent vonnis bepaalde de rechtbank Maastricht (via) dat je ook een e-mailadres mag opgeven - en dan krijg je dus alle stukken elektronisch.

In deze zaak was een verdachte in september 2009 verhoord. Hij had daarbij gemeld geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland te hebben. Wel had hij een e-mailadres dat hij regelmatig controleerde, en hij gaf aan dat alle stukken (inclusief de dagvaarding) daarheen gemaild konden worden. Dat was niet gebeurd, ook niet na herhaalde opdracht van de rechtbank en de man werd bij verstek veroordeeld.

Op zich kun je (artikel 588a Strafvordering) eisen dat “mededelingen over de strafzaak” waar je verdachte in bent, je worden toegezonden op “een adres in Nederland” mits je dat maar bij het eerste verhoor of aan het begin van het onderzoek op de terechtzitting aangeeft (of bij het in beroep gaan). Wordt daar dan geen gehoor aan gegeven, dan kan dat tot niet-ontvankelijkheid voor het OM leiden.

Valt onder “adres” nu ook een e-mailadres? Ja, zegt de rechtbank. De wetgever had bij invoering van dit wetsartikel gemeld dat onder “adres” niet per se alleen een woonadres hoefde te verstaan. In januari 2010 had de Hoge Raad bepaald dat een postbusnummer ook onder “adres” valt. En als je niet in op dat adres hoeft te wonen, dan zou je net zo goed een e-mailadres kunnen gebruiken aldus de rechtbank.

De rechtbank gaat daarbij wel een beetje snel: ik zie wel verschil tussen “stuur het maar naar mijn werk/mijn postbus/mijn ouders” en “ik wil graag alles als PDF”. Bovendien, er staat “een adres in Nederland” en wanneer is een e-mailadres in Nederland? Moet het dan een .nl-extensie hebben? Een mailserver in Nederland zijn? Een mailserver geëxploiteerd door een Nederlands bedrijf? Maar toegegeven, dat is juridische fijnslijperij. Ik ben allang blij dat je nu als verdachte kunt eisen alles digitaal te krijgen.

Arnoud

of lees de 26 reacties

Is een iPhone een telefoon?

Tweet
7 februari 2011, 8:35 | Aansprakelijkheid | 64 reacties

iphone-tomtom-navigatie.jpgEen lezer vroeg me:

Vorige week werd ik op de snelweg aangehouden omdat ik zou hebben zitten bellen achter het stuur. Dat was niet zo: ik was de navigatie op mijn iPhone opnieuw aan het instellen. Dat mocht echter niet baten volgens de agenten. Een iPhone is een telefoon, en het maakt niet uit of je aan het bellen bent of iets anders. Maar je navigatie-apparaat instellen is toch heel wat anders dan zitten te bellen?

Op het gevaar nu écht als Koos Spee te klinken: artikel 61a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) verbiedt bestuurders van een motorvoertuig tijdens het rijden een mobiele telefoon vast te houden. Het is expliciet niet nodig dat je daadwerkelijk telefoneert. Dit is zo vastgelegd om te voorkomen dat de politie moet bewijzen dat je een gesprek aan het voeren was, wat vaak erg onpraktisch is.

Natuurlijk kun je met een iPhone meer dan alleen bellen, maar dat maakt hier niet uit. De wetgever bedoelt met “mobiele telefoon”

een apparaat dat bestemd is voor het gebruik van mobiele openbare telecommunicatiediensten

en het lijkt me evident dat een iPhone daar ook onder valt. Een iPod touch met navigatie kan niet bellen en valt buiten het verbod.

In april 2010 werd een man vrijgesproken omdat het bedienen van zijn TomTom niet onder dit wetsartikel viel. Dat de afstandsbediening via Bluetooth werkte, deed daar niet aan af. Hoewel Bluetooth een draadloze elektronische communicatiedienst is, is het geen “openbare telecommunicatiedienst”. Daarmee is de afstandsbediening nog geen mobiele telefoon. Ook niet trouwens als deze een daadwerkelijke telefoon bedient.

Verder was bij de invoering van deze regeling het oorspronkelijke voorstel geschrapt om naast een telefoon ook het vasthouden van “een op een mobiele telefoon gelijkend voorwerp” te verbieden. Zo’n breed verbod zou zijn doel voorbij schieten, aldus het ministerie destijds. Dan kan men niet nu alsnog optreden tegen afstandsbedieningen en navigatie-apparatuur natuurlijk.

Ik vraag me nog wel af hoe het zou zitten met een iPhone waarbij de telefonie-functie is uitgeschakeld en/of de simkaart is verwijderd. (Werkt een iPhone nog zonder simkaart?) Het toestel is dan niet meer geschikt om mee te bellen, hoewel het natuurlijk nog wél bestemd is om mee te bellen. Omgekeerd zou mijn laptop (met HSDPA-stick) ook een “telefoon” zijn omdat deze de openbare telecommunicatiedienst “3G internet” gebruikt.

Met dergelijke redeneringen komen we wel een heel eind in giecheltoets-land. En er ís me een partij onzinnige argumenten aangevoerd tegen boetes voor overtredingen van dit verbod. Zo werd het dronken-aardbei-argument dat dit artikel ongeldig is omdat de keuze voor mobieltjes willekeurig is en het vasthouden van eten, drinken of andere voorwerpen ook gevaarlijk is, gelukkig wel verworpen. Net als “ik hield hem niet vast, hij zat met een bandje om mijn pols / geklemd onder mijn hoofddoek“.

Tentamenvraag: mag een rijinstructeur tijdens de rijles een telefoon vasthouden terwijl de leerling aan het rijden is?

Arnoud

of lees de 64 reacties

Mag Hyves ranken op Facebook?

Tweet
4 februari 2011, 8:49 | Merken | 122 reacties

maffe-hyves-facebook-vergelijking.pngVia Twitter werd ik gewezen op een wel héél merkwaardig zoekresultaat: zoeken op “jacob de wit school facebook” levert niet alleen resultaten van Facebook op, maar ook een pagina van die school op Hyves, met de merknaam Facebook in de URL. Het lijkt erop dat Hyves die naam zelf toevoegt, zodat de Hyvespagina van de school hoger scoort in Google. Mag dat?

Update (12:17) Hyves meldt hieronder dat zij deze url zeker al 5 jaar gebruikt sinds die (almanak) feature er is. Hyves: “Dat is ver voordat Facebook uberhaupt open en internationaal was, de suggesties hierboven zijn dan ook echt verkeerd.”

Om zeker te weten dat dit niet een toevallige eenmalige gebeurtenis is, heb ik zelf even gezocht met de top 5 scholen die Hyves zelf noemt op haar almanak met scholen - en ja die is bereikbaar op de URL www.hyves.nl/facebook/. Van alle vijf blijkt inderdaad zo’n speciaal geprepareerde URL beschikbaar te zijn (zie screenshot hiernaast). En ook van diverse andere scholen blijkt standaard zo’n URL beschikbaar: probeert u het eens zelf met uw eigen scholen en meld de resultaten hieronder!

Het doet me denken aan het Google/Vuitton-arrest waarbij geoordeeld werd dat sprake is van merkinbreuk als je advertenties laat tonen bij andermans merk. In dat arrest staat deze overweging:

Indien advertentielinks naar sites met waren of diensten van concurrenten van de merkhouder naast of boven de natuurlijke resultaten van de zoekactie verschijnen, kan de internetgebruiker deze dus zien als een alternatief voor de waren of diensten van de merkhouder, voor zover hij ze niet meteen als irrelevant afdoet en ze niet verwart met die van de merkhouder.

Nu zijn dit strikt gesproken geen advertentielinks (”gesponsorde koppelingen”) maar het komt wel héél dicht in de buurt. En het lijkt me ook duidelijk dat Hyves met deze linkconstructie de indruk wil wekken dat ze een alternatief heeft voor de Facebookpagina van de betreffende school.

In het Tempur-vonnis van eind december werd op dit arrest voorgeborduurd en werden Adwords-advertenties als vergelijkende reclame aangemerkt:

Onder vergelijkende reclame in de zin van die bepaling valt elke vorm van reclame waarbij een concurrent of de door een concurrent aangeboden producten uitdrukkelijk of impliciet worden genoemd. In dit verband is het van weinig belang of de producten van de adverteerder worden vergeleken met die van de concurrent (…)

Je zou deze URL als vergelijkende reclame kunnen zien, als je zegt dat Hyves reclame maakt voor haar schoolpagina’s door zo’n speciaal geconstrueerde URL door Google in de organische zoekresultaten te laten opnemen. Het gaat me wat ver, ik kan een scholenhyve moeilijk een advertentie voor Hyves noemen. Maar dat ze heel dicht tegen de grenzen aanschurken is wel duidelijk.

Als dit vergelijkende reclame is, dan is het wel een verboden vorm: op de Hyvespagina achter de hyperlink is geen enkele opmerking over Facebook opgenomen, laat staan een of andere vorm van vergelijking tussen Facebook-schoolpagina’s en Hyves-schoolboekpagina’s. En dat is toch echt verplicht bij vergelijkende reclame.

Hyves neemt hier dus een groot juridisch risico. Hoewel ik daar persoonlijk wel blij mee ben, meer jurisprudentie over wat wel en niet mag in URL’s is dringend gewenst. Dus joehoe legal@Facebook.com, wanneer komt de dagvaarding? :)

Arnoud

of lees de 122 reacties

Wanneer is een aangetekende brief ontvangen?

Tweet
3 februari 2011, 8:04 | Contracten | 50 reacties

aanbesteding-tender-hahaha.pngIk wilde toch nog even terugkomen op de discussie van vorige week over de vraag of een mail in de spambox ontvangen is, en wie welke bewijslast heeft. Een lezer wees me namelijk op een arrest van Gerechtshof Leeuwarden over aangetekende post. Vanaf welk moment zou het al dan niet ontvangen daarvan voor rekening van de ontvanger hebben moeten komen?

In die zaak ging het om de vraag of een brief waarin een verjaringstermijn werd gestuit nu wel of niet was ontvangen. De brief was via gewone én aangetekende post verzonden, maar nooit afgehaald door de ontvanger. Het Hof neemt terecht als uitgangspunt artikel 3:37 lid 3 BW, dat bepaalt dat het toch jouw verantwoordelijkheid wordt als het niet bereiken van de post het gevolg is van je eigen handeling, van handelingen van personen voor wie jij aansprakelijk bent of van “andere omstandigheden die jou betreffen en rechtvaardigen dat jij het nadeel draagt”.

De post was volgens de stempels van (toen nog) TPG Post op 27 december 2003 verzonden en op 30 december 2003 en 4 februari 2004 aangeboden, maar zonder gehoor bij de ontvanger. In de weken daarna is de brief ook nooit afgehaald op het postkantoor. De geadresseerde had gesteld nooit een briefje van TPG Post te hebben gehad dat er een aangetekende brief op het postkantoor lag. Dus wiens verantwoordelijkheid was het nu?

Voor de gewone brief is het Hof snel klaar. Hoofdregel uit de wet is dat je moet bewijzen dat de post aangekomen is (art. 3:37 lid 3 BW). En bij gewone post is dat vrijwel onmogelijk (tenzij de ontvanger op een of andere manier een bevestiging aan je geeft). Bij aangetekende post lijkt dit iets makkelijker: de postbode heeft immers genoteerd wanneer hij aan de deur was. Maar dat is niet genoeg:

[Er] blijkt uit de stickers op de envelop niet meer dan dat de postbode tot tweemaal toe “geen gehoor” kreeg toen hij de brief ten huize van [ontvanger] wilde aanbieden en dat de brief vervolgens niet door [ontvanger] van het postkantoor is afgehaald en aan [afzender] is geretourneerd. Anders dan [afzender] heeft gesteld, volgt uit die feiten nog niet (het vermoeden) dat de brief (tijdig) aan [ontvanger] is aangeboden op de wijze die daartoe ter plaatse van de bestemming is voorgeschreven (vergelijk HR, 8 september 1995, NJ 1996, 567 en HR 4 juni 2004, NJ 2004, 411). Daartoe is vereist dat aannemelijk is dat de postbode, nadat hij “geen gehoor” kreeg, een schriftelijk bericht van aankomst heeft achtergelaten.

En bij dat laatste gaat het dus fout: de afzender kon niet bewijzen dat dat ook werkelijk gebeurd. Hoewel het normaal is dat de postbode dat doet, is dat onvoldoende om te mogen concluderen dat het in deze zaak ook écht is gebeurd.

De bewijslast ligt dus hoog, je mag niet vertrouwen op de normale gang van zaken maar je moet echt expliciet bewijs hebben dat het déze keer ook echt goed verlopen is. Daarom lijkt het me verstandig om bij e-mail gewoon een ontvangstbevestiging te vragen én na te bellen als je die niet krijgt binnen een redelijke termijn.

Mijn ervaring is dat posts als deze vaak reacties aantrekken van leveranciers van gegarandeerde-e-mailbezorgsystemen. Prima, maar dan wel graag met inhoudelijke uitleg waarom je systeem ook bewijst dat de ontvanger daadwerkelijk de mail heeft gehad zoals het Hof hierboven bedoelt. ;)

Arnoud

of lees de 50 reacties
« Vorige PaginaVolgende Pagina »
De wet op internet Koop het boek Software: Deskundig en praktisch juridisch advies
Of een van de andere boeken over internetrecht!

Auteur: Arnoud Engelfriet - Licentie: Creative Commons BY-SA 2.5 - Disclaimer - Powered by WordPress