Moet je nou toch verplicht in heel Europa leveren?

30 september 2011, 8:17 | Webwinkels | 11 reacties

grenscontrole-marechaussee-foto-haagedoorn.jpgEen lezer wees me op een opmerking die ik in mei maakte:

@Ward: niemand is verplicht om te leveren aan iemand. Wehkamp kan dus prima weigeren aan niet-Nederlanders te verkopen. (Uitzondering, misschien, als bedrijf een economische machtspositie heeft.) En ook mag je de voorwaarden aanpassen op grond van het woonland van je klant - zolang je dus maar geen dwingend recht uit dat land doorkruist.

Deze uitspraak blijkt niet helemaal (ahem) te kloppen, zo ontdekte de lezer. Want op de site van de Europese Commissie wordt gemeld dat het illegaal is om kopers uit andere EU-landen te weigeren. Ook mag je bezoekersniet te mogen redirecten naar de lokale versie van een webwinkel in een ander EU-land, zelfs niet hun eigen land. Je mag bijvoorbeeld Duitsers dus niet automatisch doorverwijzen naar de Duitse versie van je webwinkel.

De EC is inderdaad nogal stellig:

Internetwinkels in de EU mogen niet weigeren te verkopen aan klanten in een ander EU-land.

Als ik dan even doorklik, dan blijkt dit gebaseerd te zijn op de Dienstenrichtlijn. Deze vermeldt in de overwegingen een uitleg hierover:

Het discriminatieverbod op de interne markt houdt in dat een afnemer, en met name een consument, de toegang tot een aan het publiek aangeboden dienst niet op grond van zijn nationaliteit of verblijfplaats mag worden ontzegd of beperkt, wanneer dat als criterium is opgenomen in de voor het publiek toegankelijke algemene voorwaarden.

In artikel 20 staat dan ook een regel dat voor een afnemer geen discriminerende eisen op grond van zijn nationaliteit of verblijfplaats mag gelden. Een leverancier van zo’n dienst mag die dus niet stellen. Als er objectieve criteria zijn (bijvoorbeeld te hoge leverkosten of technische beperkingen waardoor levering zo goed als onmogelijk is), dan mag leveringsweigering wel. Ook mag men dan hogere prijzen hanteren.

Wat me dan weer wel verbaast, is dat dit een diensten-richtlijn is terwijl de hierboven geciteerde tekst over ‘winkels’, oftewel leveranciers van producten en niet diensten gaat. Ik kan niet vinden waar ook productleveranciers verplicht zijn tot levering binnen de gehele EU. Het zou goed kunnen, het discriminatieverbod is een generiek verbod en op zich dus niet tot dienstverlening beperkt. Maar ik had altijd gedacht dat dit verbod richting de overheid gold, zodat deze niet mogen verbieden dat bedrijven leveren buiten hun eigen land.

Wél echt fout op die pagina is de verwijzing naar “muziek”, want de dienstenrichtlijn sluit expliciet audiovisuele diensten uit. En levering van streaming of downloadable muziek lijkt me toch echt een audiovisuele dienst. Oftewel, Youtube’s irritante “Niet beschikbaar in uw land” is legaal maar TomTom mag niet weigeren haar digitale fileupdatedienst te leveren aan Italiaanse automobilisten.

Arnoud
Foto: Fotoalbum van F.W. Haagedoorn.

of lees de 11 reacties

Registreren is gratis, maar reageren kost geld

29 september 2011, 8:05 | Contracten | 7 reacties

studentenkamer.jpgEen lezer vroeg me:

Als student ben ik druk op zoek naar een kamer. Ik kwam de site Kamer.nl tegen die me duizenden mogelijke kamers beloofde. Vanwege de tekst “Meld je gratis aan” heb ik me geregistreerd. Dan kun je zoeken, maar als je wilt reageren op een kamer moet je eerst betalen (minstens 10 euro per maand). Ik zie dat nergens op het open gedeelte van de site staat. Dus is dit wel een eerlijke manier van zakendoen?

Zolang je na registratie krijgt wat er voor registratie is beloofd, is geen sprake van misleiding. Zaken die niet expliciet benoemd zijn, moet je dan invullen conform de verwachting.

De vraag is dus: mag je verwachten dat je na registratie bij deze site kunt reageren op geadverteerde kamers?

Op het publieke deel kan ik alleen dit soort omschrijvingen vinden:

Als je je aanmeldt bij Kamer.nl kun je kamers aanbieden en e-mail alerts met nieuwe kamers ontvangen. Daarnaast heb je een profielpagina waarop je jezelf kan presenteren aan verhuurders.

Hier wordt net niets gezegd over het reageren op aangeboden kamers. Ook de FAQ vermeldt niets over het reageren op aangeboden kamers. Het enige is deze zin in het item over “Hoe werkt de site?”:

Heb je een kamer gezien waarin je geïnteresseerd bent dan kun je reageren door op de kamerpagina op de ‘Reageren’ knop te klikken.

Maar dat kan allemaal dus pas nadat je én geregistreerd bent én betaald hebt. De tekst in deze FAQ zou ik alleen moeilijk als “belofte” kunnen kwalificeren, het is bepaald niet een wervende of lokkende tekst te noemen.

Je zou kunnen terugvallen op wat gebruikelijk is in de branche. Dat bepaalt immers ook de verwachtingen die je bij deze site moet hebben. Maar, wat is dan de branche? Internetdiensten algemeen? Daar is gratis de norm en zijn premiumdiensten slechts het toefje slagroom op de taart. Bemiddelingsdiensten? Vaak is het contact daar gratis, omdat men verdient aan het aanbrengen van de klant. Denk aan Funda en makelaarsites. Of specifiek contactdiensten, zoals datingsites? Daar moet je per bericht betalen. Maar ja, om nou een kamerzoeksite gelijk te stellen aan een datingsite…

Arnoud

of lees de 7 reacties

Hoe kan ik sommig commercieel gebruik toestaan bij Creative-Commonslicenties?

28 september 2011, 8:22 | Open source, Auteursrecht | 10 reacties

Een lezer vroeg me:

Ik ben fotograaf en maak portretfoto’s. Nu had ik het idee om een dienst aan te bieden waarbij je gratis een portretfoto kunt maken, onder de Creative-Commonslicentie Naamsvermelding-NietCommercieel-GeenAfgeleideWerken (BY-NC-ND). Zo kunnen mensen als privépersoon een mooie foto publiceren op hun Facebookpagina en krijg ik naamsbekendheid. Willen mensen die foto commercieel gebruiken, dan moeten ze apart komen betalen.

Nu liep ik tegen één probleem aan: wat nu als mensen die foto op een bedrijfswebsite zetten of aan hun Linkedin- of Plaxo-profiel koppelen? Dat zijn immers zakelijke netwerken. Is dan sprake van ‘commercieel gebruik’? Hoe kan ik aangeven dat dat wel mag (met mijn naamsvermelding natuurlijk) zonder meteen ál het commercieel gebruik toe te staan?

Creative Commons is een set standaardlicenties waarmee je kunt aangeven dat mensen je werk mogen gebruiken, behoudens enkele uitzonderingen Auteursrecht zoals het zou moeten werken dus. Omdat het standaardlicenties zijn, zijn de regels zwartwit en is het niet mogelijk om eigen uitzonderingen toe te voegen.

Speciaal voor commercieel gebruik betekent dat dat je alleen mag kiezen of dat wél of niet mag, maar niet welke vormen van commercieel wel of niet mogen. Je mag bijvoorbeeld niet zeggen dat een goed doel je foto wél mag gebruiken voor een wervingscampagne maar een bedrijf niet in zijn advertentiecampagnes. Beide campagnes zijn gericht op “financieel gewin” en dat is de definitie van “commercieel”. Dus of beiden mogen, of geen van beiden.

Een oplossing die soms werkt, is toelichten hoe je een bepaald twijfelgeval interpreteert. Zo’n toelichting is formeel geen deel van de licentie, maar hij kan wel tegen je worden gebruikt want hij bewijst hoe jij het licentiecontract interpreteerde. En daar mag de wederpartij je dan aan houden.

Je zou dus kunnen zeggen “Ik vind het gebruik van een portretfoto op een profielpagina geen ‘gebruik voor direct of indirect geldelijk gewin’ zolang geen geld wordt gevraagd voor het bekijken, publiceren of kopiëren van de foto.” Dit is een verduidelijking van het verbod, en deze gaat niet in tegen de tekst van het verbod zelf. Dat is dus prima.

Natuurlijk zitten hier grenzen. Een uitzondering als “ik vind het maximaal 50 euro vragen voor een kopie geen commercieel gebruik” gaat natuurlijk niet werken, want die tekst spreekt de definitie van ‘commercieel’ tegen. Geld vragen voor een kopie is zó evident commercieel dat je dat niet met een uitzondering opzij kunt zetten.

Arnoud

of lees de 10 reacties

Waarom mag ik geen contactgegevens van klanten doormailen?

27 september 2011, 8:19 | Privacy, Beveiliging | 10 reacties

naam-adres-persoonsgegeven-klant-relatie.pngEen lezer vroeg me:

Binnen onze organisatie is het onlangs verboden om gegevens van relaties te bewaren in mailboxen of naar elkaar te mailen. Wij mogen deze alleen opvragen in het centrale systeem als ze nodig zijn. Dit is buitengewoon onhandig, als ik een keer een telefoonnummer nodig heb dan moet ik apart inloggen. Waarom stelt men deze eis?

Deze organisatie neemt de privacywet wel érg serieus. De Wet bescherming persoonsgegevens eist dat je “adequate beveiliging” toepast bij ieder gebruik of verzending van persoonsgegevens.

Er zijn geen harde technische eisen die altijd gelden. Zo wordt bij contactformulieren vaak SSL gehanteerd, maar dat is een gebruik (of eis van een brancheorganisatie) en geen wettelijke plicht. Je moet dus per geval kijken wat je voor beveiliging hebt en of dat ‘adequaat’ is gezien de omstandigheden.

Bij e-mail is er het risico dat de mail naar een verkeerd persoon gaat. In dat beveiligde systeem speelt dat risico niet, omdat alleen de juiste ontvanger het wachtwoord zou moeten hebben. Maar verzenden met versleutelde e-mail zou op zich ook in orde moeten zijn.

Aan de andere kant, de meeste relaties sturen zelf elke keer per mail hun hele reeks contactgegevens mee in hun handtekening. Je kunt je dus afvragen of je als ontvanger dan nog wel zo streng moet zijn.

Arnoud

of lees de 10 reacties

Ook Electronic Arts neemt “niet-aanklagen” clausule op

26 september 2011, 8:16 | Contracten | 29 reacties

groep-claim-geld.jpgIn navolging van Sony heeft ook gamesuitgever Electronic Arts een ‘niet aanklagen’-clausule opgenomen in de algemene voorwaarden, meldde Nu.nl zaterdag. Beide bedrijven verplichten gamespelers via arbitrage hun geschillen op te lossen. Dit heeft met name tot gevolg dat deze bedrijven geen class action suits oftewel massaclaims meer hoeven te vrezen, want het Amerikaanse Hooggerechtshof bepaalde in april dat mensen die akkoord zijn met arbitrage, niet meer mogen procederen.

Dit arrest was voor Amerikaanse bedrijven een opsteker, omdat ze hiermee massaclaims kunnen voorkomen. Een massaclaim kan immers alleen worden gebracht als men massaal naar de rechter stapt, en wie niet naar de rechter mag, kan dat natuurlijk niet. Voor Sony is de angst voor massaclaims reëel, zie het debacle rond de PSN hack en eerder de Other OS-removal die beiden tot class actions leidden.

Met deze voorwaarden hoopt Sony toekomstige massaclaims te kunnen blokkeren. Naar Amerikaans recht zou dit goed mogelijk kunnen zijn, gezien de uitspraak van de Supreme Court.

Naar Nederlands recht ligt dat anders: een verplichte geschilbeslechting door een derdearbitrage staat op de zwarte lijst van algemene voorwaarden die altijd verboden zijn. Men moet een consument te allen tijde een maand of meer geven om te beslissen alsnog naar de rechter te willen. En die maand loopt vanaf het moment dat er een concreet geschil is en het bedrijf roept dat dit naar de arbitragegeschilbeslechter moet. Niet, zoals in de Sony- en EA-voorwaarden staat, een maand vanaf het accepteren van de voorwaarden. Specifiek voor arbitrage (waar extra wettelijke waarborgen voor zijn) ligt het iets genuanceerder.

Natuurlijk, Sony en EA zullen stellen dat hun voorwaarden Amerikaans (Californisch) recht van toepassing verklaren, maar dat zal ze in Nederland niet helpen. Onze wet bepaalt namelijk dat een Nederlandse consument zich altijd kan beroepen op de bescherming uit de wet (artikel 6:247 BW). Men kan dus bij de Nederlandse rechter de clausule vernietigen en dan schadevergoeding vorderen. Ik ben benieuwd of iemand dat nu ook eens een keer werkelijk gaat doen.

En ja, deze blog lijkt sterk op wat ik eerder schreef op onze bedrijfsblog maar kennelijk leest niemand die ;)

Arnoud

of lees de 29 reacties

Mogen kinderen betalen in sociale games?

23 september 2011, 8:08 | Contracten | 37 reacties

farmville-credits.pngVia internetspellen als Farmville en Happy Harvest betalen kinderen soms tientallen euro’s voor zaken als het onderhouden van een digitaal tuintje, las ik bij Adformatie. Hoogleraar Jeugd en Media Patti Valkenburg wil paal en perk stellen aan deze praktijk, onder meer door een vernieuwde Kinder- en Jeugdreclamecode. Deze code bevat -voor zover ik kan zien- geen enkel artikel dat ziet over in-game purchases.

Zou zo’n artikel er moeten komen? Ik denk het wel, hoewel ik niet verder kom dan “dit moet gewoon niet mogen” en dat zal op iets te veel weerstand stuiten bij de gemiddelde socialemediaspelletjesaanbieder.

De huidige juridische grens biedt niet echt soelaas. In mei blogde ik over ongewenst gekochte Facebookcredits door het kind en of de ouders deze aankoop ongedaan kunnen maken.

Minderjarigen mogen dingen kopen die “gebruikelijk” zijn voor hun leeftijd. Een snoepje bij de Jamin is voor een negenjarige gebruikelijk, een nieuwe fiets niet. Voor een 15-jarige is een fiets of dure broek denk ik weer wel gebruikelijk, er zijn er genoeg die dat doen immers. Als de aankoop niet gebruikelijk is, dan kunnen de ouders deze terugdraaien en de winkel moet dat accepteren.

Bij microtransacties zoals veevoer in Farmville ligt het juridisch lastig: je kunt namelijk goed stellen dat elke transactie een aparte aankoop is en dus juridisch een apart contract. En dan kun je het niet terugdraaien: een kind van negen mag best 10 cent uitgeven aan een spelletje. Dat hij dat dan duizend keer doet, tsja dát valt buiten het bereik van dit wetsartikel.

Je kunt natuurlijk verdedigen dat het kind in feite een aankoop van duizend keer 10 cent oftewel 100 euro doet en dát is niet gebruikelijk voor een kind van negen. Maar dan moet je een constructie opvoeren waaruit blijkt dat er één overeenkomst is waarbij die 100 euro in fragmenten van 10 cent wordt besteed. En volgens mij is die er niet. Wel natuurlijk als je een berg credits vooraf koopt, dan is de aanschaf van die credits 100 euro in één keer.

De vervolgvraag is dan of het ‘gebruikelijk’ is dat een kind van negen 100 euro besteedt aan zulke credits. De hoogte van het bedrag is niet doorslaggevend. Als blijkt dat ‘iedereen’ van die leeftijd dit doet, dan is dat al genoeg om het gebruikelijk te noemen. En ik weet niet hoe veel kinderen er op Farmville zitten en credits kopen, maar dat zullen er toch al aardig wat zijn.

Arnoud

of lees de 37 reacties

Amerikanen gooien (eindelijk) octrooirecht op de schop

22 september 2011, 8:03 | Octrooien | 10 reacties

Zo, dat werd tijd. De America Invents Act (voorheen Patent Reform Act of 2011) is door de Senaat goedgekeurd en door Obama getekend. Dit is de belangrijkste aanpassing aan de Amerikaanse patentwet in decennia, hoewel het dan ergens wel weer jammer is dat het weinig van de problemen met patenten oplost.

De belangrijkste wijziging is dat men afstapt van het “first to invent”-principe en naar “first to file” gaat. Dat wil zeggen dat het niet langer uitmaakt wanneer de uitvinding is gedaan, beslissend voor wie octrooi krijgt is wie als eerste de aanvraag heeft ingediend. Daarmee wordt eindelijk aansluiting gezocht bij de rest van de wereld, die dit al decennia heeft. Het is namelijk veel eenvoudiger te controleren: een datumstempel van de octrooiraad is genoeg. Bij first to invent moet je naar logboeken gaan kijken, getuigen horen en wat al niet meer.

Natuurlijk zijn er aparte regelingen voor als persoon A een beschrijving van diens uitvinding steelt en gauw indient. Een aparte “derivation” regeling biedt de bestolene een mogelijkheid zijn recht te halen. Dit was een gevoelig punt voor kleine uitvinders, die in de VS permanent klagen dat grote bedrijven (het liefst uit Japan of Europa, want dan kun je de Stars and Stripes wapperen) hun uitvindingen afkijken en gauw patenteren. Met first to invent zou men daartegen beschermd zijn, hoewel uit onderzoek regelmatig blijkt dat 99% van de rechtszaken over wie de eerste uitvinder was, gewonnen worden door degene die als eerste de aanvraag had ingediend.

Er komen geen specifieke regels over wanneer software of business methods octrooieerbaar zouden moeten zijn. De enige uitzondering hierop is een verbod op het octrooieren van tax strategies, oftewel manieren om belastingaangiftes te doen of belastbaarheid te beperken. Dergelijke technieken zijn nu per definitie niet meer octrooieerbaar. Ik heb géén idee waarom dit specifieke punt nu zo belangrijk was dat het in de wet moest.

Over inventiviteit (de mate van innovatie) komen er geen nieuwe regels. Men vertrouwt hier op het proces bij de rechtbank, dat de betreffende criteria moet toetsen en uitwerken naarmate de techniek voortschrijdt. Jammer: het is niet ongebruikelijk om in een wet op zeker moment het voortschrijdend inzicht uit de rechtspraak vast te leggen, dus dat had hier mooi gekund. Maar het formuleren van een criterium op dit punt is bijzonder lastig.

Ook het niet gehaald heeft het innovatieve puntje van schadeberekeningen: het oorspronkelijke voorstel bevatte een regeling dat een externe expert moest inschatten welke toegevoegde waarde de geoctrooieerde technologie had voor het inbreukmakende product, waarna de schadevergoeding als percentage daarvan zou worden vastgesteld. Daarmee zou een halt zijn toegeroepen aan de vele miljoenenclaims gebaseerd op de waarde van het product, zonder rekening te houden met de waarde van de uitvinding (je kunt nu een percentage van de waarde van een oceaancruiseschip claimen als het patent op je stoomfluitje is geschonden.)

Wel zijn er nieuwe procedures om de geldigheid van patenten aan te vechten bij het USPTO, zodat dure en lange rechtszaken minder vaak nodig zouden moeten zijn. Geen slecht idee, maar ik vermoed dat het nog wel even duurt voor mensen deze procedure gaan gebruiken. Iedereen zal de kat uit de boom willen kijken hoe octrooihoudervriendelijk deze procedure gaat uitpakken.

Arnoud

of lees de 10 reacties

Al te hard auteursrechtelijk blaffen eindelijk eens aangepakt

21 september 2011, 8:08 | Auteursrecht | 180 reacties

zonnepanelen-breuk-inbreuk.jpgDat je geen artikelen of foto’s integraal mag herpubliceren zonder toestemming (behoudens soms citaatrecht), zouden de meeste mensen wel moeten weten zou je denken. De praktijk is echter anders: bijna dagelijks krijg ik mails van mensen die een claim van een of andere fotograaf of andere auteursrechthebbende aan de broek hebben. Bekende partijen die dit doen zijn Getty Images (Van der Steenhoven advocaten), Cozzmoss (Banning Advocaten) en diverse fotografen vertegenwoordigd door i-EE advocaten.

Nou valt er over het principe “mag niet” weinig te twisten: hoewel dat anders zou moeten, is de wet de wet - en die zegt dat je toestemming moet vragen. Lukt dat niet, om welke reden dan ook (al is het maar dat de auteur onbekend is) dan heb je gewoon dikke pech. Het probleem dat ik heb met zulke claims is dat er wel met een heel grote hark wordt geschreven. De grootste boosdoener is de volledige proceskostenvergoeding: volgens de wet heeft een rechthebbende recht op vergoeding van de werkelijke rekening van zijn advocaat als hij wint. En zo’n rekening kan rustig enkele duizenden euro’s zijn.

Ook discutabel is de manier waarop rechthebbenden hun schade uit de duim zuigenberekenen. In principe heb je volgens de wet alleen recht op een vergoeding van daadwerkelijke schade. En die is niet hetzelfde als het geldbedrag dat je grootste opdrachtgever ooit eens betaalde voor een ander artikel. Het moet gaan om de in de markt gebruikelijke tarieven voor dergelijke werken. En een opslag “voor gederfde exclusiviteit” of “ter afschrikking” mag al helemaal niet. Dat is een verkapte boete, en boetes zijn tegen de wet in het civiele recht.

En ja, dat stoort mij buitengewoon. Wie nu zegt dat ik dus auteursrecht wil afschaffen, kan jeuk krijgen: het gaat me erom dat rechthebbenden consequent een veel te grote broek aantrekken met die claims en dat deze wijze van handhaving tegen de wet is maar dat rechthebbenden er regelmatig mee wegkomen. En dat allemaal onder het motto “het auteursrecht moet beschermd tegen internetgraaiers”.

Van een recent vonnis werd ik toch even vrolijk: géén hoge opslagen, geen boetes voor schending auteursrecht en geen tweeduizend euro advocaatkosten voor de gedaagde.

Een bedrijf had een artikel uit de krant over een door haar ontwikkeld kozijnensysteem met zonnepanelen gepubliceerd, inclusief de foto die de krant daarbij had gepubliceerd. De fotograaf diende daarom een claim in: dit was immers schending van het auteursrecht. (Tip aan bedrijven: als je een krant een interview geeft, beding dan het recht het artikel inclusief foto op de eigen site te publiceren. Schriftelijk.) De fotograaf claimde € 280 aan gebruiksrecht plus € 250 aan kosten handhaving, maar hij was bereid het voor € 900 euro af te doen.

Vervolgens meldt het vonnis dat “[gedaagde] tevergeefs diverse pogingen ondernomen om in der minne tot een oplossing met de gemachtigde van [eiser] te komen”. Kennelijk was de fotograaf niet bereid tot enig zakken, want de volgende stap (een klein jaar later) was een dagvaarding waarin een kleine drieduizend euro werd geëist - waarvan 840 euro schadeclaim en 2000 euro advocaatkosten.

De rechter maakt daar echter gehakt van. Hij begint met op te merken dat 280 euro hem redelijk voorkomt. Opmerkelijk genoeg hanteert hij daarbij de richtprijzen fotografie 2010, die echter geen enkele status hebben omdat ze niet door een brancheorganisatie zijn uitgegeven of op enig onderzoek zijn gebaseerd. (En ze mógen niet door een brancheorganisatie worden uitgegeven, omdat dat een verboden prijsafspraak oplevert.) Omdat de gedaagde de foto meteen heeft verwijderd, vindt de rechter die 280 euro echter toch wat hoog, en matigt deze naar 200 euro.

De 560 euro voor “vermindering van exclusiviteit” wordt afgewezen omdat dit niet is onderbouwd. Dit is correct: die 560 euro is gewoon een opslag (2x de 280 euro) en geen daadwerkelijke schade. En hoe je “exclusiviteit vermindert” oftewel je foto minder verhandelbaar wordt omdat iemand die overneemt, ontgaat me volledig. Je auteursrecht blijft toch bestaan?

De advocaatkosten van € 2.078,48 worden ook afgewezen. Waarom, zo vraagt de rechter zich retorisch af, heeft deze fotograaf niet eerst zelf een briefje gestuurd maar meteen een advocate laten blaffen? En waarom is die dan “€ 900,– (!)” gaan eisen als de schade 280 euro is?

Gelet op het verloop van de daarop volgende gebeurtenissen kan alleen maar geconcludeerd worden dat door de opstelling van [eiser] en/of zijn gemachtigde het door [gedaagde] gewenste minnelijke overleg geen doorgang gevonden heeft en het tot deze procedure gekomen is. Conclusie: wat [eiser] meer gevorderd heeft dan voormeld bedrag ad € 200,–, inclusief BTW wegens derving licentie-inkomsten, moet worden afgewezen.

De fotograaf krijgt dus 200 euro, en geen cent meer. Die 2078 euro advocaatkosten mag hij zelf betalen. Oh, en hij mag óók de juridische kosten van de gedaagde betalen. Die zijn 50 euro omdat hij zichzelf verdedigd had. Had hij een advocaat een weerwoord laten schrijven, dan had diens rekening naar de fotograaf gekund.

Een mooi voorbeeld van hoe het hoort te gaan in de rechtspraak. Een rechthebbende die te veel eist, kan dus zomaar de proceskosten van de inbreukmaker op zijn bordje krijgen. Wel zal de inbreukmaker bereid moeten zijn om een redelijke vergoeding te betalen.

Arnoud

of lees de 180 reacties

Per wanneer geldt de wet-Van Dam voor bestaande contracten?

20 september 2011, 8:08 | Contracten | 83 reacties

Op 1 december treedt de “wet-Van Dam” in werking: contracten en abonnementen mogen niet meer stilzwijgend verlengd worden met een jaar. Als een contract na 1 december stilzwijgend verlengd wordt, geldt daarbij een opzegtermijn van één maand. Dit zal veel stof doen opwerpen, met name wat er gebeurt met bestaande contracten die nog vermelden dat er met een jaar verlengd wordt.

In deze gastbijdrage licht professor Marco Loos, hoogleraar Privaatrecht, in het bijzonder Europees consumentenrecht, aan de Universiteit van Amsterdam, toe waarom de wet-Van Dam óók per 1 december geldt op bestaande contracten.

Update (2 oktober) Zoals beloofd: onze factsheet over de Wet Van Dam met concrete uitleg over de nieuwe regels over stilzwijgende verlenging.

Na langdurige parlementaire behandeling treedt vanaf 1 januari 2012 de zogenaamde wet-Van Dam in werking.1 Deze wet beoogt de stilzwijgende verlenging van lidmaatschappen van verenigingen, abonnementen en overige overeenkomsten aan banden te leggen. De wet is het resultaat van een initiatief-wetsvoorstel van het kamerlid Van Dam en het voormalig kamerlid Crone.2

De inwerkingtreding van de nieuwe wet is voorwerp van uitgebreide bespreking gebleken. Artikel III van de wet bepaalt dat de wet met ingang van de eerste dag van de dertiende kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. De wet is opgenomen in het Staatsblad van 30 november 2010. De dertiende kalendermaand na die datum is december 2011. Dat zou betekenen dat de wet vanaf 1 december 2011 in werking treedt.3 De wet bevat verder geen uitdrukkelijke bepaling over de toepasselijkheid ervan op bestaande overeenkomsten.

Dat lijkt mee te brengen dat het overgangsrecht bepaald wordt door de Overgangswet NBW.4 Met betrekking tot het lidmaatschap van verenigingen bepaalt art. 45 Overgangswet NBW dat ten aanzien van op het moment van inwerkingtreding al bestaande verenigingen, de wet niet van toepassing is op feiten die zijn voorgevallen voordat 3 jaren zijn verstreken na de inwerkingtreding. Ten aanzien van de algemenevoorwaardenregeling bepaalt art. 191 Overgangswet NBW dat afdeling 6.5.3 BW op algemene voorwaarden die op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet reeds door een partij in haar overeenkomsten wordt gebruikt, pas van toepassing wordt nadat een jaar is verstreken na de inwerkingtreding van de wet. Hetzelfde geldt voor al bestaande algemene voorwaarden die na de inwerkingtreding van de wet worden gewijzigd.

Naar verluid stelt het Ministerie van Veiligheid en Justitie zich op het standpunt dat deze bepalingen ook van toepassing zijn op de Wet-Van Dam.5 Art. 45 Overgangswet NBW heeft, zo deze bepaling al van toepassing is op de te vermelden informatie, feitelijk geen betekenis, omdat moeilijk denkbaar is dat de voor nieuwe leden wel van 1 december 2011 verplicht te vermelden informatie afgeschermd zou kunnen worden voor oude leden.

Dat ligt anders voor bestaande abonnementen: als de Overgangswet inderdaad van toepassing zou zijn, betekent dat voor al gesloten overeenkomsten een beding waarmee een abonnement op een tijdschrift stilzwijgend verlengd wordt met meer dan 3 maanden, nog tot en met 30 november 2012 niet zonder meer verboden is.6 Als de algemene voorwaarden van de uitgever bijvoorbeeld bepalen dat het abonnement jaarlijks op 1 september stilzwijgend met een jaar wordt verlengd, is dat beding in 2012 nog effectief. Pas bij de nieuwe verlenging, per 1 september 2013, gaat het dan om een onredelijk bezwarend beding (art. 6:236 sub p BW).

De vraag rijst of de toepassing van de bepalingen van de Overgangswet in dit geval wel juist is. Dat is niet het geval wanneer de nieuwe wet (hier: de Wet-Van Dam) zelf regelt wat het overgangsrechtelijke regime is, want dan gaat die regeling natuurlijk als lex specialis voor. Artikel III van de Wet-Van Dam gaat uitdrukkelijk uit van uitgestelde werking met ruim een jaar. Daarmee lijkt verdedigbaar dat het artikel niet alleen de inwerkingtreding regelt, maar ook ter vervanging van het overgangsrecht dient. Is dat het geval? De artikelgewijze toelichting bij het oorspronkelijke wetsontwerp lijkt in eerste instantie op het tegendeel te wijzen. Deze stelt letterlijk:

‘Deze wijziging voorziet niet in overgangsrecht. Daardoor is deze wijziging ook van toepassing op reeds gesloten overeenkomsten.’7

De toepassing van de wet op bestaande overeenkomsten is echter wel degelijk voorwerp van discussie geweest. In het oorspronkelijke wetsvoorstel werd bepaald dat de wet in werking zou treden ‘met ingang van de eerste dag van de derde kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.’8 De Raad van State stelde daarop dat het wetsvoorstel in die vorm gebruikers van algemene voorwaarden slechts twee tot drie maanden de gelegenheid laat tot aanpassing. De Raad vervolgt:

‘Nu de looptijd van overeenkomsten als de onderhavige veelal een jaar is, en nu artikel 191 Overgangswet Nieuw BW het Nieuw BW (eerst) na een jaar van toepassing verklaarde op algemene voorwaarden die ten tijde van de inwerkingtreding waren overeengekomen, adviseert de Raad de termijn tot een jaar te verlengen, dan wel een overgangsbepaling in de Overgangswet Nieuw BW op te nemen waarmee wordt voorzien in een overgangsperiode van een jaar.’9

In reactie daarop hebben Crone en Van Dam

‘het wetsvoorstel zodanig aangepast, dat voorzien is in een overgangstermijn van een jaar.’10

In de aangepaste Memorie van Toelichting wordt het aangepaste Artikel III als volgt toegelicht:

‘Deze wijziging voorziet niet in overgangsrecht. De wet zal namelijk in werking treden met ingang van de eerste dag van de dertiende kalendermaand na de uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Dit geeft betrokkenen een jaar de tijd om zich aan de nieuwe bepalingen aan te passen, hetgeen overgangsrecht overbodig maakt.’

Met de gewijzigde datum van inwerkingtreding hebben Crone en Van Dam – op advies van de Raad van State – dus aan de gebruikers van algemene voorwaarden een termijn van een jaar willen geven om hun algemene voorwaarden aan de nieuwe wettelijke regeling aan te passen. Dit uitgangspunt is vervolgens tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel ook niet bestreden.

Het lijkt dan ook in strijd met de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever om na de uitgestelde werking van een jaar, aan de uitgevers op basis van het overgangsrecht een extra termijn van een jaar toe te kennen. Het moge zo zijn dat gezien het ontbreken van een aanpassing van art. 191 Overgangswet NBW deze wet zich verzet tegen directe toepasselijkheid van de nieuwe bepalingen van de zwarte en grijze lijst op bestaande abonnementen. Niets verzet zich echter tegen anticiperende interpretatie van art. 6:233 sub a BW. Sterker nog: gezien de onmiskenbare bedoeling van de wetgever lijkt mij een dergelijke anticiperende interpretatie nogal voor de hand liggen.

Noten

  1. Wet van 26 november 2010, houdende wijziging van Boek 2 en Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (stilzwijgende verlenging en opzegtermijn bij lidmaatschappen, abonnementen en overige overeenkomsten), Stb. 2010, 789.
  2. Voorstel van wet van de leden Crone en Van Dam houdende wijziging van Boek 2 en Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (stilzwijgende verlenging en opzegtermijn bij lidmaatschappen, abonnementen en overige overeenkomsten), Bijl. H.TK. 2005-2006, 30520, nrs. 1-3.
  3. Deze datum lijkt te berusten op een fout bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Volgens kabinetsbeleid kan wet- en regelgeving in beginsel slechts op twee momenten in het jaar in werking treden: op 1 januari en op 1 juli. Bedoeling hiervan is het voorkomen van overmatige administratieve lasten voor het bedrijfsleven, zie Bijl. H.TK. 2006–2007, 29 515, nr. 181. De Staatssecretaris van (toen nog) Economische Zaken heeft de indiener van het wetsvoorstel verzocht eraan mee te werken dat de wet op een van die data in werking zou treden, zie Bijl. H.TK. 2009–2010, 30 520, nr. 18, p. 6. De indiener van het wetsvoorstel heeft in reactie op vragen van de Eerste Kamer laten weten hieraan mee te willen werken door een gerichte plaatsing in het Staatsblad, zie Bijl. H.EK. 2009–2010, 30 520, nr. C, p. 6. Met de aanvaarding van het wetsvoorstel door de Eerste Kamer op 5 oktober 2010 en de formele ondertekening van de wet door het staatshoofd op 26 november 2010 leek de gewenste datum van inwerkingtreding ook geen probleem op te zullen leveren. Door de plaatsing van de wet in het Staatsblad van 30 november 2010 in plaats van het eerstvolgende nummer van het Staatsblad is de datum van inwerkingtreding echter 1 december 2011 in plaats van 1 januari 2012 geworden.
  4. Wet van 3 april 1989, Stb. 1969, 167, zoals nadien gewijzigd.
  5. Zie ook de door B. Wessels, ‘Overgangsrecht in ontwikkeling’, NTBR 2001/1, p. 44, geciteerde opmerkingen in de brief van het Ministerie van (thans) Veiligheid en Justitie van 11 mei 1999: ‘De Ow bestrijkt (uiteraard) aanvullingen van de Boeken 3-8. De Ow bestrijkt echter ook wijzigingen van reeds bestaande bepalingen uit deze Boeken.
  6. Het is uiteraard niet uitgesloten dat een dergelijk beding bij toetsing aan de open norm van art. 6:233 sub a BW alsnog onredelijk bezwarend wordt geoordeeld.
  7. Bijl. H.TK. 2005–2006, 30 520, nr. 3, p. 6.
  8. Zie art. III van het oorspronkelijke ontwerp, Bijl.H.TK. 2005–2006, 30 520, nr. 2.
  9. Bijl. H.TK. 2005–2006, 30 520, nr. 4, p. 5.
  10. Idem.

Deze bijdrage is ontleend aan een eind dit jaar te verschijnen redactioneel artikel voor het Tijdschrift voor Consumentenrecht en handelspraktijken.

of lees de 83 reacties

Ben ik aansprakelijk voor de fouten in mijn software?

19 september 2011, 8:06 | Aansprakelijkheid, Software | 40 reacties

bug-fout.pngEen lezer vroeg me:

Ik heb als freelancer een stukje software gemaakt voor een groot bedrijf. Nu melden ze me dat er een bug in zit waardoor ze maanden aan data kwijt zijn, en ze willen mij aansprakelijk stellen voor de schade! Ik werk eigenlijk altijd zonder algemene voorwaarden, omdat ik niet houd van dat formele gedoe, maar nu maak ik me toch wel zorgen. Kunnen ze zomaar een grote claim indienen?

Dat zou zomaar kunnen inderdaad. Wanneer een leverancier geen algemene voorwaarden hanteert, dan geldt de wettelijke regel voor aansprakelijkheid. Die zegt dat de ontwikkelaar aansprakelijk is voor alle schade, als de fout hem te verwijten was. Daarvan is kort gezegd sprake als hij niet de gebruikelijke mate van zorg heeft betracht die een normaal ontwikkelaar in acht zou nemen.

Het zal dus aankomen op de aard van de fout. Was dit een zeer subtiele moeilijke fout of juist een triviale bug die de vraagsteller gewoon had moeten ontdekken bij het testen? En zit de fout wel in de door hem geleverde code, of zit het hem in de interactie tussen zijn code en die van het bedrijf? In het laatste geval is het moeilijk de ontwikkelaar te verwijten dat de fout er zat.

Ik moet zeggen dat ik schrik van hoe veel programmeurs blijken te werken zonder algemene voorwaarden, of met een generiek modelletje van de Kamer van Koophandel of van een op internet gevonden concurrent dat dan net niet de clausules heeft die je wilt. Of die wel aansprakelijkheid uitsluit maar dan zó ver gaat dat de clausules ongeldig zijn (”Leverancier is te allen tijde nergens voor aansprakelijk”).

<reclame style=’schaamteloos’>Het starterspakket voor softwareontwikkelaars van mijn bedrijf zou hier goed geholpen hebben.</reclame> De ICT~Office voorwaarden zijn ook een gratis optie, hoewel die dan weer zó eenzijdig zijn dat grote klanten ze vaak direct afwijzen. Maar in gevallen als deze helpen ze wel: vorig jaar kon een ontwikkelaar een schadeclaim pareren van 300.000 euro dankzij de algemene voorwaarden.

Meelezende ontwikkelaars: Hoe zijn jullie gekomen tot de algemene voorwaarden die je nu hebt?

Arnoud

of lees de 40 reacties
Volgende Pagina »
De wet op internet Koop het boek Software: Deskundig en praktisch juridisch advies
Of een van de andere boeken over internetrecht!

Auteur: Arnoud Engelfriet - Licentie: Creative Commons BY-SA 2.5 - Disclaimer - Powered by WordPress