3D dinsdag: Het modellenrecht

3 mei 2011, 8:03 | Innovatie | 4 reacties

3d-printed-dewalt-zaag-cc-by.pngWorden 3D-printers de nieuwe Napster? Met die vraag in het achterhoofd bespreek ik elke dinsdag een aspect van het intellectueel eigendomsrecht en waar dat botst met de mogelijkheden van 3D printen. Op basis van deze blogs en jullie feedback daarop wil ik hier uiteindelijk een boek van maken. En natuurlijk publiceer ik dan geen comments van jullie daarin zonder aparte toestemming.

Vorige week besprak ik het octrooirecht, dat technische uitvindingen beschermt tegen namaak en imitatie. Verwant aan het octrooirecht is het tekeningen- en modellenrecht, dat het uiterlijk van producten beschermt. Denk hierbij aan de lijnen, de omtrek, de kleuren, de vorm, de tekstuur of de versiering van een product. Grof gezegd: octrooien gaan over de binnenkant en het modellenrecht over de buitenkant van producten.

Een voorbeeld van een bekend product met een beschermd uiterlijk:

tomtom-modeldepot.png

Dit modellenrecht gaat over het driedimensionale uiterlijk van het product. Ook tweedimensionale aspecten van uiterlijk (zoals een patroon, opdruk of tekening) kunnen onder dit recht vallen - dat zijn dus de ‘tekeningen’ uit het tekeningen- en modellenrecht. Ik houd het in deze blog voor het gemak op “modellenrecht”, maar overal waar ik het heb over een model kan het dus gaan om een driedimensionaal ding met een bepaalde vorm als een tweedimensionale versiering van dat ding.

Het modellenrecht zal eerder relevant worden voor 3D printen dan het octrooirecht. Immers, het is veel eenvoudiger het uiterlijk van een product na te maken met een 3D-print dan een bewegende technische constructie. En ja, het in plastic printen van een mockup van een product kán onder het modellenrecht vallen als dat product beschermd is. Ook als het product zelf functioneel is en de mockup niet.

Een product hoeft echter niet functioneel te zijn (iets te doen). Het uiterlijk van een sierproduct zoals een vaas of een schilderijlijst kan prima beschermd worden als model. Ook een onderdeel van een product kan afzonderlijk beschermd zijn. Wel moet dat onderdeel dan bij normaal gebruik zichtbaar zijn. Denk aan een spoiler bij een auto of een custom cover voor de iPhone. Zulke 3D-geprinte covers zijn overigens al te koop bij Apple.

lego.pngEen uiterlijk van een product is beschermd als model wanneer het nieuw is en een eigen karakter heeft. Nieuw wil zeggen “was nog niet gepubliceerd of op de markt”. Dat is redelijk eenvoudig vast te stellen (pak de oude productcatalogi er maar bij). Het eigen-karaktercriterium is lastiger. Juristen gebruiken de toets of “de algemene indruk die bij de gebruiker wordt gewekt” anders is dan wat er in al die oude catalogi te vinden is. Er moet een ‘duidelijk verschil’ zijn met het bekende om een beschermd model te kunnen krijgen. Details kunnen het verschil maken, maar je mag niet alléén naar de details kijken: het moet uiteindelijk een andere totaalindruk zijn.

De hiernaast getoonde lego-boogstenen hebben bijvoorbeeld een verschillende totaalindruk, hoewel ze grofweg dezelfde vorm en structuur (en doel) hebben. Een steen die alleen maar een andere kleur zou hebben, zou geen andere totaalindruk maken. Een steen die dezelfde vorm heeft maar twee noppen breder is, is een twijfelgeval maar ik denk dat die ook geen andere totaalindruk zou maken. Al was het maar omdat je dan het argument krijgt dat de aanpassing alleen functioneel van aard is. En functionele aspecten mogen niet meegewogen worden bij de vraag of sprake is van een nieuwe totaalindruk. Deze behoren onder het octrooirecht beoordeeld te worden.

Het modellenrecht heeft daarmee een lagere grens dan het auteursrecht. Auteursrecht eist een eigen intellectuele prestatie van de maker (voorheen het persoonlijk stempel). De eis van een “eigen karakter” is lager. Die lego-boogstenen zijn nauwelijks een intellectuele prestatie te noemen, maar omdat ze wél een andere totaalindruk maken dan bestaande stenen kunnen ze wel als model beschermd worden. Een ontwerp dat zowel een eigen karakter heeft als een eigen intellectuele prestatie van de maker is, is met zowel een auteursrecht als een modellenrecht te beschermen.

Om een modellenrecht te krijgen, is een aanvraag verplicht. Dit kan zowel bij het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom als bij het Europese Bureau voor de Harmonisatie van de Interne Markt, de instelling met de onwaarschijnlijkste naam in de Europese Unie. Bij deze aanvraag moet een afbeelding van het model worden gedeponeerd. Irritant is daarbij dat geen onderzoek of beoordeling wordt gedaan naar nieuwheid of eigen karakter. Pas als het tot een rechtszaak komt, kan het modellenrecht ongeldig worden verklaard. De inschrijving is vijf jaar geldig, maar kan worden verlengd tot maximaal 25 jaar.

Gedeponeerde modellen kunnen online worden ingezien. Je kunt dus in theorie nagaan of wat je wilt printen beschermd is, maar de praktijk is lastig: hoe zoek je in vredesnaam op uiterlijke kenmerken van producten in een databank met plaatjes? Er zijn classificatiecodes, maar echt over houdt het allemaal niet.

Om het allemaal nog wat lastiger te maken, is er óók een modellenrecht voor niet-gedeponeerde modellen. De eisen hiervoor zijn hetzelfde (nieuw en eigen karakter), maar dit kan pas bij de rechter worden getoetst. Wel is de bescherming voor een niet-gedeponeerd model beperkt tot ontlening, oftewel afkijken. Het toevallig gelijken van twee producten is dus geen inbreuk op het ongeregistreerde modellenrecht. Verder is de beschermingstermijn van niet-gedeponeerde modellen beperkt tot drie jaar vanaf het moment dat het model op de Europese(!) markt is gekomen.

makerbot-fluitje.pngAls een model beschermd is, mogen anderen dat uiterlijk niet gebruiken in hun producten. Ook producten die op ondergeschikte punten afwijken maar geen andere algemene indruk wekken, vallen onder de bescherming en zijn dus verboden. De wet noemt “het vervaardigen, aanbieden, in de handel brengen, verkopen, leveren, verhuren, invoeren, uitvoeren, tentoonstellen, gebruiken of in voorraad hebben” als verboden handelingen. Daarbij is -net als bij octrooien- niet relevant of het ontwerp is afgekeken of dat de gelijkenis toevallig is. Waar het om gaat, is of de algemene indruk van de twee producten is dat ze hetzelfde zijn.

Ook net als bij octrooien zijn “handelingen in de particuliere sfeer en voor niet-commerciële doeleinden” uitgesloten van de bescherming. Een particulier mag dus voor zichzelf beschermde modellen uitprinten en gebruiken, mits hij deze maar niet verhandelt (ook niet aan de buurman). Experimenteren in het kader van het onderwijs (zoals hiernaast waar een werkend fluitje wordt geprint door een groep scholieren) is ook toegestaan. De op school geprinte modellen mogen echter niet worden verhandeld.

Expliciet toegestaan is het maken van een vervangend onderdeel of het repareren van het beschermde product “met de bedoeling het zijn oorspronkelijke uiterlijk terug te geven.” Dit is opgenomen in de wet om te voorkomen dat met een modelrecht de markt voor reserveonderdelen geblokkeerd kan worden. Op deze grond werd in 2010 bijvoorbeeld het maken van vervangende injecteerschijven legaal geacht. De rechter stipte hier tevens de “behoefte aan standaardisatie” aan, iets waarvan de Hoge Raad oordeelde in een zaak over Legosteentjes dat dit een legitieme reden kan zijn voor het namaken van producten.

Een consument die voor eigen gebruik beschermde modellen wil printen en gebruiken, hoeft zich weinig zorgen te maken over modellenrechten. Een bedrijf dat modellen print op bestelling, zal wel voorzichtiger moeten zijn. Zij kan wellicht een beroep doen op die reparatieclausule als het gaat om vervangende onderdelen. Maar of deze clausule ook geldt bij alleen maar alternatieve onderdelen (een nieuw hoesje, een ander kleurtje voor de cover) zal vrees ik alleen na een hele serie rechtszaken worden uitgemaakt.

Er is wettelijk niets geregeld over CAD-bestanden waarmee beschermde modellen via 3D-printen kunnen worden nagemaakt. De wet gaat primair over het verhandelen en gebruiken van producten, niet computerbestanden en blauwdrukken. En dat geldt ook bij een tweedimensionaal model (een tekening): ook dat moet wel op een product aangebracht zijn voordat het tekeningen- en modellenrecht in stelling gebracht kan worden. Er is geen expliciet verbod op “middelen” om een beschermde tekening of model na te maken. De enige escape is hetzelfde als wat BREIN bij het auteursrecht heeft uitgehaald: de algemene regel van onrechtmatige daad (”maatschappelijk onzorgvuldig handelen”) wordt in stelling gebracht om te kunnen verbieden wat de specifieke wet niet verboden heeft. Oftewel: het staat wel nergens maar dit moeten we niet willen met z’n allen.

Arnoud
Foto: 3D geprinte Dewalt-motorzaag door Creative Tools en Solid Edge designtool door Siemens PLM Software, beiden CC-BY 2.0. De navigatie-unit is de TomTom GO 300 (foto van TomTom zelf) met daarnaast een afbeelding uit internationaal modeldepot 000267968-0001. De Lego-gewelfsteen is internationaal model 000183629-0001. De MakerBot-foto komt van Seevic College.

of lees de 4 reacties

3D dinsdag: Het octrooirecht

26 april 2011, 8:00 | Octrooien, Innovatie | 11 reacties

3d-printed-dewalt-zaag-cc-by.pngWorden 3D-printers de nieuwe Napster? Met die vraag in het achterhoofd bespreek ik elke dinsdag een aspect van het intellectueel eigendomsrecht en waar dat botst met de mogelijkheden van 3D printen. Op basis van deze blogs en jullie feedback daarop wil ik hier uiteindelijk een boek van maken. En natuurlijk publiceer ik dan geen comments van jullie daarin zonder aparte toestemming.

3D printers en hun mogelijkheden zijn een geweldige technologische innovatie. En als we het over intellectueel eigendom bij innovatie hebben, dan komen we meteen bij octrooien uit. Octrooien (ook wel patenten) zijn namelijk bedoeld om namaak van technische uitvindingen tegen te gaan. Met een octrooi kun je iedereen verbieden de uitvinding na te maken, te verhandelen of in gebruik te hebben.

Er zit wel een belangrijke grens aan het octrooirecht: je kunt alleen optreden tegen bedrijfsmatig of zakelijk gebruik of productie van de uitvinding. Een particulier die je uitvinding namaakt, pleegt per definitie geen inbreuk. Omdat in de meeste gevallen er geprint wordt door particulieren, lijkt het octrooirecht minder van belang. Echter, bedrijven die op bestelling 3D printen, plegen wél inbreuk wanneer ze een geoctrooieerd object printen. Ook als dat door een particulier besteld wordt. De vraag is wel hoe een octrooihouder daar achter komt. Hij zou dan de hele dag naast de printer moeten staan en zien wat er wordt geproduceerd.

Een uitvinding moet in een technologisch vakgebied liggen. Abstracte ideeën, spellen, medische behandelwijzen, computerprogramma ’s en werkwijzen voor het zakendoen zijn in principe uitgesloten van octrooi. (Ja, bij software is er nogal wat gedoe over dat principe.) Voor 3D-objecten lijkt me dit niet vaak een hindernis. Een 3D object dat iets doet, en dus niet puur een ornament of kunstwerk is, voldoet al snel aan de eis van een technologische vinding. Een schakeling, een mechanische constructie of een 3D printer als zodanig: allemaal in principe octrooieerbaar.

Wel moet zo’n uitvinding nieuw en inventief zijn. Oftewel, de uitvinding mag nog niet bestaan en mag geen triviale variatie op het bekende zijn. Dat niet bestaan is nog wel te meten - het is het niet-triviaal zijn waar de problemen beginnen. Want zó moeilijk is het niet om iets erdoor te krijgen als zijnde inventief/niet-triviaal.

De nieuwheid en inventiviteit van een uitvinding wordt afgemeten aan de claims. Deze bevatten een definitie in juridische taal van wat er onder de uitvinding wordt verstaan. Alleen deze definitie bepaalt of sprake is van inbreuk. De titel, het abstract, de figuren en de beschrijving: allemaal heel leuk maar juridisch gezien gaat het om die claims. Wie wel eens een nieuwsbericht over octrooien leest: als octrooigemachtigde kan ik je vertellen dat in 99% van de berichten de journalist alleen de titel of abstract gebruikt om aan te geven waar het octrooi over gaat. Fout dus.

patent-fiets.pngEen octrooi is geldig voor 20 jaar vanaf de dag van aanvraag en kan niet worden verlengd. (Ok ok, er is een trucje met één jaar extra middels een prioriteitsaanvraag en bij octrooi op medicijnen kun je een aanvullend beschermingscertificaat verkrijgen.) Een veel gebruikte truc om hier omheen te komen, is een relatief kleine verbetering octrooieren. Dan heb je weer 20 jaar voor je verbetering, en als die maar interessant genoeg is, wil niemand meer je originele uitvinding gebruiken.

Het grote probleem bij octrooien is echter te weten komen op welke octrooien je inbreuk kan plegen, zodat je die kunt omzeilen. Er zijn octrooidatabanken natuurlijk, maar om daarin met succes iets te kunnen zoeken moet je wel specialist zijn. (Ik ben specialist en vind het nog steeds lastig.) En zo’n vrijgaveonderzoek is cruciaal, want volgens de octrooiwet kun je ook een octrooi schenden als je geen idee had dat het octrooi bestond. Je hoeft niet het originele product of het octrooi bekeken te hebben (zoals bij auteursrecht wel een vereiste is). Iemand die zich 10 jaar in de kelder terugtrekt en een pracht van een klapschaats maakt, pleegt inbreuk op de octrooien die daarop rusten.

Soms worden producten voorzien van aanduidingen als “Patent pending” of “US 1,234,567″. Die geven aan dat er een octrooiaanvraag loopt of dat de producent meent dat zijn patent met nummer 1.234.567 geschonden wordt als je dat product namaakt. Formeel verandert dat niets - zonder die aanduidingen pleeg je óók inbreuk - maar het kan de schadeclaims fors verhogen als je een product met zo’n aanduiding erop namaakt.

Alles bij elkaar kun je bij 3D printen van objecten in theorie zeker tegen octrooien aanlopen, maar ik verwacht dat dat in de praktijk niet snel gaat gebeuren. Particulieren plegen per definitie geen inbreuk, en 3D-printbedrijven doen zó veel verschillende producten dat geen octrooihouder daar effectief toezicht op kan houden. Misschien dat dit probleem aanleiding kan geven voor notice/takedown-achtige wetgeving: een octrooihouder kan dan zijn product en octrooi aanmelden waarna een 3D-printbedrijf hier geen prints meer van mag maken zonder aparte toestemming.

solid-edge-design-3d.pngWaarschijnlijker lijkt me echter dat de CAD-bestanden op de korrel genomen worden. Een CAD bestand vertelt de printer hoe het object opgebouwd moet worden. Op zichzelf is een CAD bestand geen uitvinding maar slechts een blauwdruk, en blauwdrukken vallen niet onder octrooien want het zijn geen concrete dingen.

Er is echter een uitzondering in de octrooiwet: ook het namaken of produceren van “middelen betreffende een wezenlijk bestanddeel” van een uitvinding valt onder het octrooirecht, wanneer die gebruikt gaan worden om vervolgens de uitvinding zelf na te maken. Dit wordt ook wel indirecte inbreuk genoemd. Daarbij is vereist dat de namaker “gezien de omstandigheden duidelijk is, dat die middelen voor die toepassing geschikt en bestemd zijn”. Dit vanwege handige jongens die een geoctrooieerd apparaat namaken en als bouwpakket op de markt brengen.

Niet elk onderdeeltje van een geoctrooieerde uitvinding valt onder de definitie van “wezenlijk bestanddeel”. Het enkele feit dat een item gebruikt kan worden om de uitvinding na te maken, is niet genoeg. Maar waar de grens ligt, is een heel lastige vraag, zoals in het Senseopads-arrest bleek. Specifiek uitgezonderd zijn “algemeen in de handel verkrijgbare produkten”. Daarmee is dus uitgesloten dat een octrooihouder de leverancier van grondstoffen voor 3D-printen (of de printers zelf) aanpakt met als argument dat die zo’n wezenlijk bestanddeel betreffen.

Of een CAD-bestand met louter instructies voor het produceren van de uitvinding hieronder valt, is een open vraag. Tot dusverre zijn er alleen rechtszaken geweest over fysieke onderdelen die al of niet middelen voor inbreuk opleverden. Maar het ligt voor de hand dat als particulieren thuis uitvindingen printen en handelaren alleen printers en grondstoffen verkopen, de aanbieders van CAD-bestanden wegens middellijke inbreuk worden aangesproken. En de positie van CAD-bestandsaanbieders zal ook bij de andere IE-rechten essentieel blijken.

Arnoud
Foto: 3D geprinte Dewalt-motorzaag door Creative Tools en Solid Edge designtool door Siemens PLM Software, beiden CC-BY 2.0. Het octrooi is US 4,502,705 uit 1985 voor een inventieve tandemfiets.

of lees de 11 reacties

3D dinsdag: Driedimensionaal printen versus intellectueel eigendom

3d-printen.pngWorden 3D-printers de nieuwe Napster? Met die vraag opende Ars Technica vorige week haar bericht over een auteursrechtclaim op een CAD-bestand waarmee een driedimensionaal model geprint kon worden. Met driedimensionaal printen kan iedereen (bijna) alles maken dat hij zoekt, van reserveonderdelen tot zelfverzonnen objecten tot dat dure merkproduct. De Flickrstream van CreativeTools.se laat nu al enkele fantastische mogelijkheden zien. In Nederland biedt FabLab de mogelijkheid zo ongeveer alles te printen dat je wilt.

Bij 3D printen worden objecten gereproduceerd vanuit bronmateriaal dat in heel kleine hoeveelheden en laagje voor laagje wordt gedoseerd. Vaak wordt daarbij met gesmolten polymeer gewerkt, maar ook kan materiaal in poedervorm worden gebruikt dat wordt verhard nadat het laagje is gedeponeerd. Dit alles onder controle van een instructiebestand (CAD-bestand) dat de 3D printer vertelt hoe elk laagje eruit ziet en welk materiaal moet worden gebruikt. 3D printen kan met polymeren maar ook met metalen. Daarmee is zo ongeveer alles te maken.

Het gebruik van 3D printen botst al snel met intellectuele eigendomsrechten, zoals ook al in het geweldige whitepaper van Public Knowledge te lezen is. Een object kan beschermd zijn door auteursrechten, merken, modelrechten of octrooien (patenten). Het namaken is dan niet toegestaan. Soms is er een uitzondering voor namaken in de privésfeer of voor onderzoeksdoeleinden, maar die uitzondering is vaak beperkter dan je zou denken.

Het intellectueel eigendom (IE) is namelijk gebaseerd op de gedachte dat alleen de maker/uitvinder/ontwerper van een object dit mag reproduceren. Dit vanuit de aanname dat deze met dat controlerecht zijn investering moet kunnen terugverdienen. Afrekenen per kopie is een natuurlijk model in de 3D wereld: als iets populair is, verkoopt het goed en dan verdien je veel, en als iets tegenvalt dan verkoopt het niet en dan heeft de maker pech. Dat model stond voor muziek en films al flink onder druk door internetdistributie, maar de druk door 3D printen wordt alleen maar groter.

Ik verwacht dat wanneer 3D printen meer in de mainstream terecht komt, er grote druk zal komen vanuit rechthebbenden om te voorkomen dat 3D printen van beschermde objecten mogelijk wordt. Dat kan grote impact hebben: sites die 3D modellen aanbieden zullen net als Mininova of Pirate Bay als piraten worden aangemerkt, maar ook de verkoop van 3D printers als zodanig kan aan banden worden gelegd als het idee postvat dat deze vooral voor namaak worden gebruikt.

Daarom ga ik de komende weken elke dinsdag (”3D dinsdag”) een blog schrijven over een aspect van het intellectueel eigendomsrecht en waar dat botst met de mogelijkheden van 3D printen. Ik zal per IE-recht bespreken wanneer iets daaronder valt, wat er dan wel en niet mag met dat object en wat dat betekent voor het proces van 3D printen.

Wie nu al specifieke vragen of suggesties heeft die ik mee moet nemen, dan hoor ik dat graag! (Oh ja, en een mooier plaatje voor deze serie zou ook leuk zijn. Het is héél moeilijk een Creative Commons foto te vinden die op 150×150 pixels het concept 3D printen laat zien.)

Arnoud
Foto: Tony Buser, CC-BY 2.0

of lees de 76 reacties

Nieuwste OV-chipkraak maakt zwartrijder onzichtbaar

27 januari 2011, 8:09 | Innovatie, Beveiliging | 45 reacties

ov-chipkaart-kraak-perfecte-misdaad.jpgHet is mogelijk te frauderen met de OV-chipkaart zonder gebruik te maken van de poortjes. Daardoor valt het misbruik niet meer te detecteren in de centrale systemen. Dat meldde Webwereld gisteren op basis van Brenno de Winter’s geweldige onderzoeksjournalistiek over de OV-faalkaart. Bij het NOS-journaal mocht ik zeggen dat dit “de perfecte misdaad” is: wel strafbaar maar niets aan te doen.

Hopelijk is dit het laatste hoofdstuk in de langlopende soap rond de OV-chipkaart. Al jaren is bekend dat de kaart grote technische zwakheden vertoont, maar tot nu toe werden die steeds afgedaan als “theoretisch” of “alleen voor übernerds”. Nu is er een Windowsapplicatie waarmee ook mijn vader gratis zou kunnen reizen.

Niet dat hij dat moet gaan doen, want het is en blijft strafbaar. In december werd nog een man veroordeeld wegens computervredebreuk (wtf?) omdat hij zijn OV-chipkaart illegaal had opgewaardeerd en daarmee was gaan reizen. Een kaart faken of zelf opladen valt onder het “valselijk opmaken van een betaalkaart” (art. 232 Strafrecht).

Op zich snap ik dus dat TLS na bekend worden van deze hack aangifte heeft gedaan. Alleen: ik mag hopen dat het OM die allemaal in het halfronde archief stopt, pardon via politiesepot afdoet zodra de woordvoerder weer naar buiten is. De strafwet is bedoeld voor die gevallen waarin je goed beveiligde kaart ondanks al je inspanningen toch vervalst werd. Niet als compensatie voor implementatiefalen van de leverancier.

Wie zijn huis totaal niet beveiligt, mag niet verwachten dat de politie veel doet om diefstal van zijn spullen op te lossen. Evenzo zie ik niet waarom TLS nu mag verwachten dat de politie het probleem van hun rammelende beveiliging gaat oplossen.

En nee, ik reis niet zwart maar keurig met (papieren) kaartjes.

Arnoud

of lees de 45 reacties

Het idee van een paspoort met een chip

2 november 2010, 8:31 | Innovatie | 17 reacties

chip-paspoort.jpgRegelmatig krijg ik mails van mensen die hun idee willen beschermen, of zich afvragen wat het ze oplevert om het idee vast te laten leggen bij bv. het Benelux-Bureau voor de IE, de Belastingdienst of een commerciële instantie. Niet zo heel veel, antwoord ik dan: een idee of concept is in abstracto niet beschermd. Octrooi- en auteurswetten eisen een behoorlijke mate van uitwerking of concretisering voordat een concept beschermd kan worden.

Het idee opschrijven en ergens deponeren (’vastleggen’) biedt maar zeer weinig bescherming. Het bewijst dat het idee bestond op die tijd, en daarmee sta je iets sterker als er ruzie komt over wie het als eerste bedacht heeft. Maar als het opgeschreven idee niet meer is dan een tekst als “Een first person-paardrijspel op de computer”, dan verlies je het nog steeds als iemand je gedeponeerde idee steelt.

In een vonnis van een tijdje terug speelde iets vergelijkbaars. Een uitvinder had in 1997 de Nederlandse Staat een idee gepresenteerd van een paspoort met een chip erin. Daar bleek na enig onderzoek geen interesse voor, maar in 2003 verschenen er toch ineens paspoorten met chips. Mijn idee is gestolen, zo concludeerde deze uitvinder(*), en stapte naar de rechter.

De Staat meldde dat er al diverse systemen bestonden die werkten met chips in paspoorten. Zo bleek er een rapport met de voor ambtenaren gebruikelijke humoristische titel “Een haalbare card” uit 1996 te zijn. Maar dat argument is op zich niet genoeg: van het algemene idee “paspoort met chip ter identificatie” is het wel degelijk mogelijk een eigen uitwerking te doen die voor octrooi of auteursrecht in aanmerking komt.

Echter, dan moet je wel een octrooiaanvraag indienen of een creatieve tekst geven die ook als zodanig wordt overgenomen. En dat was hier niet het geval. De uitvinder had niet veel meer dan zakelijke teksten en enkele technische uitwerkingen en specificaties. Daar zit geen auteursrecht op. Een dergelijke uitwerking moet via een octrooi beschermd worden, en dat was er niet.

Daar komt bij dat als je al een auteursrechtelijk beschermde methode zou hebben, de wederpartij wel jouw creatieve elementen uit die methode moet hebben gebruikt. En ook daar was hier geen sprake van:

Weliswaar maakt de Staat ook gebruik van een op een chip opgeslagen foto in het paspoort, maar die enkele overeenkomst is onvoldoende om ontlening aan te nemen. De door de Staat gebruikte methode voor beveiliging en fraudepreventie van paspoorten is voor het overige immers geheel verschillend van de door […] bedachte methode. De essentiële verschillen tussen de methode van […] en het systeem van de Staat overheersen naar het oordeel van de rechtbank. (…)

Ik begin steeds meer te neigen naar het standpunt: registreren van een idee is praktisch waardeloos. Vraag octrooi aan (als dat kan) of regel iets met een geheimhoudingsovereenkomst, maar vertrouw niet op dat papiertje bij een registrerende instantie. Alle opmerkingen over ‘claim uw intellectueel eigendom’ of ‘bescherm uw rechten’ ten spijt.

Arnoud
(*) Iets heel anders: vanwaar de neiging van journalisten om in elk artikel over uitvinders de naam “Willie Wortel” te noemen? Als ik elke journalist “Kuifje” of “razende reporter” zou noemen, zou men daar vrij snel genoeg van krijgen.

of lees de 17 reacties

Blogdialoog: Hoe bewaren we de balans (toekomst van auteursrecht)

30 oktober 2010, 9:52 | Auteursrecht, Innovatie | 7 reacties

driestappentoets-three-steps.jpgAuteursrechtenblog Futureofcopyright en ik gaan de komende tijd in dialoog over de toekomst van het auteursrecht. Elke zaterdag vind je hier of bij Future of Copyright een nieuwe post in de serie. We reageren op elkaars stellingen en hopen met een inhoudelijke discussie verder te komen in complexe auteursrechtelijke vraagstukken.

Omdat Future of Copyright vorige week met vakantie was, is het een beetje moeilijk reageren. Vandaar dat ik maar alvast een nieuw onderwerp aansnijd dat me al een tijdje dwars zit in verband met de wettelijke uitzonderingen (waar ik twee weken terug over begon). Denk aan citaatrecht, het recht van parodie of het recht om een thuiskopie te mogen maken.

Die uitzonderingen zitten in de wet omdat het auteursrecht een balans moet bieden: aan de ene kant een stimulans voor auteurs om werken te maken, en aan de andere kant de mogelijkheid voor de maatschappij om die werken te gebruiken. Als auteurs te weinig bescherming krijgen, zullen ze waarschijnlijk minder werken gaan maken, en onder een bepaalde grens is dat niet langer aanvaardbaar. Omgekeerd is het ook onwenselijk dat auteurs onbeperkte bescherming krijgen, want dan gaan werken ‘op slot’ en wordt voortbouwen op andermans werk of gebruik van cultureel erfgoed onmogelijk.

Er zit echter sinds een tijdje een mechanisme in de wet dat de rechthebbenden per definitie een voordeeltje geeft: als een uitzondering hen te lastig wordt, dan kan deze opzij gezet of uitgeschakeld worden. Dit mechanisme heet de driestappentoets en staat in artikel 5 van de Auteursrechtenrichtlijn. Deze toets zegt dat een beperking op het auteursrecht slechts mag als aan drie eisen is voldaan:

  1. Het moet gaan om “bepaalde bijzondere gevallen”.
  2. Er wordt geen afbreuk gedaan aan de normale exploitatie van de werken.
  3. De wettige belangen van de rechthebbende worden niet onredelijk geschaad.

Nu klinkt dat heel logisch en eenvoudig. Als het auteursrecht is bedoeld om exploitatierechten bij de auteur neer te leggen, dan moet een wetgever daar niet zomaar doorheen gaan fietsen en allemaal brede uitzonderingen in gaan voeren. Ineens het verveelvoudigingsrecht afschaffen kan niet, dat doet afbreuk aan de normale exploitatie. Maar een recht om stukjes te mogen citeren mag wel: dat schaadt de belangen van rechthebbenden niet want deze verkopen geen stukjes werk.

Maar let op: wanneer een rechthebbende een manier bedenkt om zijn werk op een nieuwe manier te exploiteren, dan valt die manier vanaf dan ook onder “normale exploitatie” en dienen wettelijke uitzonderingen daarvoor te wijken (Hugenholtz 2000). Concreet: als rechthebbenden hun teksten niet meer per artikel maar per zin gaan licentiëren, dan doet citeren van vijf zinnen ineens afbreuk aan de normale exploitatie.

Vergezocht? Nou, Associated Press doet het al. Vijf woorden gebruiken? Dat is dan $12,50 alstublieft. (Maar fair use dan? Tsja, ook het Amerikaanse fair use is in strijd met deze toets.)

Een iets minder vergezocht voorbeeld is de knipselkrant. In 2005 oordeelde de Haagse rechtbank dat een digitale knipselkrant niet mag worden opgezet zonder toestemming van de rechthebbenden. Dit terwijl in 1995 nog de Hoge Raad papieren knipselkranten legaal verklaarde. Het verschil? Ik citeer de rechtbank:

waar het gebruik van nieuwsberichten een economisch zelfstandige betekenis krijgt en die ook een exploitatiebelang van rechthebbenden raakt, bijvoorbeeld omdat rechthebbenden in die behoefte met behulp van dienstverlening voorzien. Nieuwe technologieën leiden tot het ontstaan van een nieuwe markt voor informatielevering op maat vanuit informatiedatabanken en elektronische nieuwsdiensten.

Oftewel: toen nieuws per krant werd verkocht, was het niet zo erg dat mensen wat knipselden en dat doorverkochten. Maar nu nieuws per artikel wordt verkocht, moeten die mensen daar per direct mee ophouden want dat is nu de normale exploitatie geworden.

In Nederland was in 2008 veel ophef over dat vonnis dat downloaden illegaal verklaarde omdat de

uitleg [van de thuiskopieregeling], waarbij ervan wordt uitgegaan dat een privé-kopie van een illegale bron legaal is, is in strijd met de drie-stappen-toets

Eenzelfde redenering kun je ophangen voor elke andere nu legale vorm van gebruik van een werk. Wat te denken van de reservekopie van software of e-boeken? Bied als rechthebbbende een optie “Download een extra exemplaar voor 50 cent” en de reservekopie kan het raam uit. Regel dat e-boeken een week te huur zijn en we kunnen bibliotheken afschaffen. En ga zo maar door, ook voor nieuwe manieren om werk te presenteren die nu nog niet eens technisch haalbaar zijn. In alle gevallen geldt: zodra rechthebbenden een manier weten om daar geld voor te vragen, kan en mag die vorm van gebruik alleen nog in ruil voor geld.

Hoe we de Auteurswet ook hervormen: zolang deze toets blijft bestaan, komen we vanzelf weer uit bij een situatie waarin de rechthebbenden vrijwel volledige controle over elk gebruik van hun werk krijgen en wettelijke uitzonderingen één voor één worden uitgekleed. Ik vind dat hoogst zorgelijk, zeker gezien het conservatisme van rechthebbenden. De driestappentoets verstoort de balans tussen makers en gebruikers op een onaanvaardbare wijze.

Arnoud

of lees de 7 reacties

Mag ik weigeren aan prutswerk te programmeren?

26 oktober 2010, 8:17 | Innovatie | 36 reacties

ruine-rommel-kasteel-ingestort-veiligheid.jpgEen lezer vroeg me:

Ik werk sinds kort bij een bedrijf dat webapplicaties bouwt in PHP. Helaas moet ik constateren dat meer dan de helft van mijn collega’s echt te weinig verstand van zaken heeft. Men gebruikt procedureel PHP alsof het 1997 is (in plaats van het veel veiligere object-georiënteerde), men heeft geen enkel benul van veiligheidsrisico’s en documentatie ho maar. En nee, we onderhouden geen antieke applicatie van een belangrijke klant maar dit is code die vorig jaar geschreven is. Kan ik weigeren nog langer op deze manier door te gaan? Ik vind de risico’s voor onze klanten onaanvaardbaar.

Het kan zeker frustrerend zijn om ergens te werken waar men zwaar onder je eigen kwaliteitsstandaards werkt. Alleen, dat is geen reden om te stoppen met werken en te eisen dat het bedrijf haar standaards aanpast. Als er wettelijke regels worden overtreden, ja dan kun je denk ik wel terecht het werk neerleggen.

Dat is hier echter niet zo. Een bedrijf is vrij om procedureel PHP te gebruiken, en als ze onveilige applicaties oplevert dan krijgt ze daar wel claims over van haar klanten (hoop ik). Er zijn geen wetten of regels die je overtreedt door procedureel code te schrijven of niet-onderhoudbare code te maken.

Afgezien van een paar stevige gesprekken voeren met collega’s of de veiligheids-evangelist uithangen, zie ik geen mogelijkheden om te weigeren op deze manier door te gaan. Dit zal worden uitgelegd als werkweigering, en dat is grond voor ontslag. Het feit dat je het oneens bent met het beleid, is niet genoeg om het werk te mogen weigeren. De werkgever beslist hoe het werk verricht wordt, en zolang men redelijke beslissingen neemt, heb je die uit te voeren. Ook al vind jij ze onveilig, ouderwets of gewoon dom.

Arnoud

of lees de 36 reacties

Blogdialoog: Van portalen naar weeswerken (toekomst van auteursrecht)

16 oktober 2010, 8:23 | Auteursrecht, Innovatie | 19 reacties

trabant-innovatie-vooruitgang-ddr-communisme-baard.jpgAuteursrechtenblog Futureofcopyright en ik gaan de komende tijd in dialoog over de toekomst van het auteursrecht. Elke zaterdag vind je hier of bij Future of Copyright een nieuwe post in de serie. We reageren op elkaars stellingen en hopen met een inhoudelijke discussie verder te komen in complexe auteursrechtelijke vraagstukken.

Toen ik nog een heel klein nerdje was, ging ik met mijn ouders wel eens op bezoek bij kennissen in de DDR. We zijn daar ook een keer gaan winkelen, en dat was een zeer aparte ervaring. De keuze in de speelgoedafdeling was beperkt: er stond letterlijk één model bouwvliegtuig op de plank. Afrekenen was ook een hele ervaring. Eerst met de doos naar een streng kijkende mevrouw die de prijs noteerde op een briefje (met carbonnetje), waarmee ik dan naar een apart hokje moest met mijn vader. Daar moest het geld worden neergeteld, in ruil voor een ander bonnetje waarmee ik weer naar de eerste mevrouw mocht en eindelijk mijn bouwdoos mocht meenemen. (Helaas bleek de bijgesloten verf zwaar giftig maar dat terzijde.)

Die jeugdherinnering werd getriggerd door Future of Copyright’s opmerking over communistische baardmannen van vorige week. Want mijn voorstel om het auteursrecht en de maatschappij vooruit te werken door duizend bloemenbedrijfsmodellen te laten bloeien middels een systeem van verplichte licenties, was namelijk “contentcommunisme”, terwijl een streamingportaal van één aanbieder “vertrouwen in de efficiëntie van de markt” is. Ik hoop dan maar dat die portals van de entertainmentindustrie zelf minder karig en dichtgetimmerd worden dan die DDR-winkel (en Considerati krijgt een mooi kistje wijn als dat zo is).

Deze jeugdherinnering biedt me tevens een mooi opstapje naar een nieuw onderwerp rond innovatie in het auteursrecht: de wettelijke uitzonderingen, oftewel de mogelijkheden om legaal een werk te gebruiken voor maatschappelijk relevante doelen. Het auteursrecht bevat immers een balans tussen de belangen van de maker en de belangen van de maatschappij. Die uitzonderingen zijn er om te zorgen dat een maker cultuur niet ‘op slot’ kan doen: mensen moeten een werk kunnen bespreken, bekritiseren, parodiëren of kunnen bewaren.

Laten we eens met dat laatste verder gaan. Het is goed dat er 1200 Nederlandse films en honderden series digitaal beschikbaar komen, maar Nederland heeft veel meer dan 1200 films en series. Om over oude boeken nog maar niet te spreken. Dit is de problematiek van de weeswerken: werken waarvan de eigenaar niet bekend is, zodat hergebruik een juridisch risico is. Want ook al investeer je een hoop in het restaureren, digitaliseren en verkopen van dat werk, de eigenaar kan zich op elk moment melden en je investering teniet doen met een beroep op zijn exclusieve recht. De maker beslist, nietwaar?

Kortom: laten we het even niet meer hebben over het actuele aanbod maar over de oudere werken die ook dolgraag digitaal beschikbaar willen komen (zoals ook onze Koninklijke Bibliotheek al signaleerde). Hoe maken we dat mogelijk?

Arnoud

of lees de 19 reacties

Blogdialoog: Een stimulerende interactie tussen makers en maatschappij (toekomst van auteursrecht)

9 oktober 2010, 12:33 | Auteursrecht, Innovatie | 8 reacties

portal-portaal.jpgAuteursrechtenblog Futureofcopyright en ik gaan de komende tijd in dialoog over de toekomst van het auteursrecht. Elke zaterdag vind je hier of bij Future of Copyright een nieuwe post in de serie. We reageren op elkaars stellingen en hopen met een inhoudelijke discussie verder te komen in complexe auteursrechtelijke vraagstukken.

Deze week weer een bijdrage van FoC, ditmaal over de afweging tussen de rechten van makers en de rechten van consumenten (en een verzoek aan mij geen baard te laten staan):

Het resultaat in een notendop: wij hebben vertrouwen in de efficiëntie van de markt als ontwikkelingsplaats voor goede oplossingen; Arnoud kijkt liever naar de publieke sector om een systeem voor digitale distributie van content en eerlijke vergoedingen te ontwikkelen.

Vanuit welk uitgangspunt er ook aan nieuwe modellen gewerkt wordt, het auteursrecht neemt er een centrale plaats in.

Lees verder bij Future of Copyright en reageer daarna want met jullie hulp wordt de discussie alleen maar beter! :)

Arnoud

of lees de 8 reacties

Blogdialoog: De weg naar nieuwe businessmodellen (toekomst van auteursrecht)

2 oktober 2010, 8:47 | Auteursrecht, Innovatie | 60 reacties

platform-ja-grappig-he.jpgAuteursrechtenblog Futureofcopyright en ik gaan de komende tijd in dialoog over de toekomst van het auteursrecht. Elke zaterdag vind je hier of bij Future of Copyright een nieuwe post in de serie. We reageren op elkaars stellingen en hopen met een inhoudelijke discussie verder te komen in complexe auteursrechtelijke vraagstukken.

Een downloadverbod, een Europees auteursrecht en state-of-the-art legale online contentdistributie-platforms. Dat is volgens Future of Copyright wat er nodig is voor een competitieve en bloeiende creatieve industrie waar de consument mee gediend is. Het is maar goed dat ze erbij zeggen dat het in alfabetische volgorde is, anders zou ik ze nog gaan verdenken van de drogreden dat die platforms vanzelf komen als je downloaden maar verbiedt. Het is simpelweg niet reëel om te verwachten dat een downloadverbod de “krampachtige houding van de grote rechthebbenden” richting internetdistributie en -verkoop ook maar 1 sikkepit zal veranderen door zo’n wetswijziging.

Zoals ik twee weken terug al betoogde, het probleem is fundamenteler dan koudwatervrees of het enkele feit dat er illegale bronnen zijn. Auteursrecht geeft rechthebbenden een machtsmiddel om verstorende innovaties in de markt voor distributie tegen te houden. Dit is iets unieks, geen enkele andere markt heeft dat. Ja, verstorende innovaties komen overal voor, maar dat een partij uit markt A een innovatie in markt B kan tegenhouden is echt uniek voor de auteursrechtenbusiness. En fundamenteel is die mogelijkheid slecht: verstorende innovaties zijn goed voor de maatschappij, en behoren niet tegengehouden te kunnen worden door een kleine belangengroep die graag het oude model wil behouden.

Verder valt me op dat de discussie vaak heel snel in een cirkeltje terecht komt: de maker heeft auteursrecht, dus hij beslist, dus hij mag een onwenselijk geacht distributiekanaal sluiten. Maar waarom is het wenselijk dat hij dat mag? Ja, omdat hij auteursrecht heeft en dat is nu eenmaal het recht om te beslissen wat er gebeurt met zijn werk. En waarom heeft hij dat recht? Ja, omdat het wenselijk is dat hij piraterij tegengaat. En waarom is dat piraterij? Nou, omdat de maker dat kanaal niet goedgekeurd heeft. En waarom is het wenselijk dat hij dat mag? Afijn, u voelt hem al aankomen. Dat schiet dus niet op.

(Dat het eigenlijk niet over de maker gaat, maar over de contentindustrie, is een terecht punt uit de comments dat op zichzelf een essay waard is.)

Ik pleit daarom voor een fundamentele discussie. Je kunt niet uitgaan van de huidige wet als je wilt zoeken naar een oplossing. Die huidige wet heeft ons het probleem gegeven, en zonder een grondige wetswijziging levert deze ons echt geen oplossing. Vandaar mijn pleidooi voor de maatschappij die moet beslissen. Meer rechten bij de distributiekanalen, en minder mogelijkheden om innovaties tegen te houden puur omdat ze de huidige businessplannen verstoren. Een nieuwe balans in het auteursrecht. En daarvoor moeten we niet kijken bij het uitgangspunt van de huidige wet, maar bij de plek waar we willen uitkomen. Aan welke criteria voldoet dat utopia, en hoe kunnen we die voor elkaar krijgen?

De legale markt die er nu is, laat op een paar plekken zien wat er werkt: een groot aanbod, een redelijke prijs en uitgebreide mogelijkheden om als koper met je content te doen wat je wil. Vele eerdere initiatieven hebben laten zien wat er niet werkt: uitgebreide DRM, hoge prijzen en beperkte mogelijkheden.

De illegale markt bevestigt dat beeld. Mensen willen graag een breed aanbod aan content hebben, en liefst ook in diverse formaten. Streaming, P2P download, all-you-can-eat Usenet, noem maar op: de techniek staat voor niets. Tuurlijk, het is (vaak) gratis, maar daar gaat het even niet om: mensen betalen graag voor kwaliteit en convenience (zie iTunes).

Het komt dus neer op de vraag: hoe realiseren we een florerende markt met vele distributieplatformen en businessmodellen, waar content in alle gewenste formaten, bundels en betaalmodellen beschikbaar is? Wil je graag pay-per-view of liever een vast bedrag per maand? Bewaren of éénmalig streamen? Kijken wat je vrienden leuk vinden en daar weer op reageren? En misschien is er wel een slimmerik die zijn eigen distributiekosten kan drukken door met P2P te werken. Er zijn tientallen voorbeelden van werkende modellen te vinden - in die illegale markt. Innovatie kan dus wel, maar we noemen het piraterij. En dat vind ik raar.

Mijn zorg is dan ook dat we het antwoord op die vraag niet van de industrie mogen verwachten. Zij is daar niet op ingesteld, omdat hun verdienmodellen gebaseerd zijn op de huidige distributieplatformen en businessmodellen. En het valt niet te ontkennen dat er met nieuwe platformen en modellen minder per kopie aan rechten afgedragen zal worden. Dat is namelijk tot nu toe bij elk nieuw medium het geval geweest. Alleen: de aantallen waren elke keer zo veel groter dat het uiteindelijk toch winstgevend genoeg bleek.

Ik maak me dan ook weinig zorgen over de toekomst van content, als we het initiatief bij de huidige innovators leggen (en afspreken dat er een faire beloning naar de maker gaat). En ik ben zeer benieuwd hoe FoC de ontwikkeling van die state-of-the-art legale online contentdistributie-platforms ziet gebeuren als die eerst toestemming van de contentindustrie nodig hebben.

Minstens zo benieuwd ben ik naar jullie comments :)

Arnoud

of lees de 60 reacties
« Vorige PaginaVolgende Pagina »
De wet op internet Koop het boek Software: Deskundig en praktisch juridisch advies
Of een van de andere boeken over internetrecht!

Auteur: Arnoud Engelfriet - Licentie: Creative Commons BY-SA 2.5 - Disclaimer - Powered by WordPress