Is een mail in de spambox ‘ontvangen’?

Tweet
26 januari 2011, 8:11 | Aansprakelijkheid | 31 reacties

aanbesteding-tender-hahaha.pngEen lezer vroeg me:

Recent heeft mijn bedrijf ingeschreven op een aanbesteding bij een gemeente. Wij kregen daar geen reactie op en besloten na enkele weken eens te gaan bellen. Als reactie kregen we toen eerst dat onze mail niet ontvangen was, en een paar dagen later werden we alsnog gebeld: onze mail was in de spambox terecht gekomen en daar nu pas aangetroffen. Ondanks onze protesten werden we uitgesloten van de aanbesteding omdat de mail niet op tijd was ontvangen en de termijn inmiddels verstreken was. Kan dat zomaar?

Ik denk dat de gemeente zeker wel geacht moet worden de inschrijving tijdig te hebben ontvangen. Hoofdregel uit de wet is dat als het bericht is afgeleverd bij de plek die jij hebt aangewezen, jij geacht wordt de inhoud te kennen. Even plat gezegd: als jouw hond achter je brievenbus ligt en alles opeet dat binnenkomt, dan is dat jouw risico en niet dat van de verzender. Dat geldt voor gemeenten net zo goed als voor burgers.

(Het doet denken aan een discussie uit 2009 over de bewijslast bij ontvangst van e-mail.)

Bij heel korte termijnen zou je nog enige verantwoordelijkheid kunnen leggen bij de aannemer. Zie bv. deze zaak waarin een partij verplicht was een domeinnaam over te dragen. Hij had het formulier gemaild maar niet nagebeld of dat was aangekomen. De andere partij had de mail niet gehad, en daardoor ontstond een discussie over gemiste termijnen en verbeurde dwangsommen.

Onder die omstandigheden kon [eiser ] er niet mee volstaan het formulier per e-mail aan [de andere partij] toe te sturen zonder rekening te houden met de mogelijkheid dat het bericht door wat voor oorzaak ook niet was aangekomen of in het ongerede was geraakt. [eiser ] had zich tijdig ervan moeten vergewissen dat het formulier in goede orde door [de andere partij] was ontvangen en van de inhoud kennis was genomen.

Dit is echter een bijzonder geval, vanwege de korte termijn en het grote belang bij deze mail. Ik denk dat je in normale gevallen niet zomaar mag verwachten dat men wel nabelt.

Een andere uitzondering lijkt me als de leverancier zelf iets gedaan had dat de virusscanner of het spamfilter had getriggerd. Als er bijvoorbeeld een virus bij de mail zou hebben gezeten, dan is het logisch dat de mail in quarantaine gaat. En ik zou het kunnen billijken als de inschrijving daardoor wordt gediskwalificeerd. Bij Europese octrooiaanvragen wordt een mail met virus trouwens expliciet gediskwalificeerd en niet als ingediende aanvraag behandeld.

Arnoud

of lees de 31 reacties

Googelen door de rechter: geen bewijs van algemene bekendheid

Tweet
14 januari 2011, 8:35 | Aansprakelijkheid, Meningsuiting | 26 reacties

1-3-1-2-shirt-belediging-cops-bastards.pngZijdelings inhakend op de discussie of rechters mogen googelen dan wel wikipediën: het Gerechtshof Den Haag had niet enkel via googelen mogen achterhalen dat de afkorting “A.C.A.B.” naar algemene bekendheid “All Cops Are Bastards” betekende. Dat bepaalde de Hoge Raad gisteren.

In februari vorig jaar veroordeelde het Gerechtshof een man die een bomberjack droeg met “A.C.A.B.” erop. Hij had toegegeven dat hij wist dat dit stond voor “All Cops Are Bastards”, en ook de agent die hem de bekeuring gaf was hiervan op de hoogte. Maar dat is niet genoeg: het publiek, oftewel de omstanders, moeten óók weten dat deze man de agent aan het beledigen is door dat jack te dragen. Oftewel, “iedereen” moet weten dat die afkorting een belediging inhoudt. En het gerechtshof had dat als volgt geconcludeerd:

Voorts heeft het hof vernomen dat het “googelen” van de afkorting “A.C.A.B.” in combinatie met “cop” een veelvoud (circa 190.000) aan treffers van internetsites geeft die verwijzen naar de betekenis “All Cops Are Bastards”. Nu onder een substantieel deel van het publiek bekend is dat een betekenis van de afkorting A.C.A.B. is: “All Cops Are Bastards”, heeft deze afkorting daarom alseen feit van algemene bekendheid te gelden.

De Hoge Raad keurt deze werkwijze af. Het klopt dat de rechter zonder meer mag afgaan op “feiten van algemene bekendheid”, maar dan moet wel voor iedereen evident zijn dat sprake is van een algemeen bekend feit. Is er ook maar enige twijfel, dan behoort de rechter op de zitting het punt aan de orde te stellen. Zo kunnen de betrokken partijen daarop reageren, en bijvoorbeeld tegenbewijs overleggen of deskundigen laten opdraven die er iets over kunnen zeggen. En zo hoort het ook: rechters moeten niet zelf na de zitting gaan googelen maar eerder vooraf, en dan de partijen vragen daarop te reageren.

Wil men toch zelf gaan onderzoeken, dan eist de HR wel dat er een duidelijke toelichting in het vonnis staat hoe men de zoekresultaten interpreteert:

Daartoe is het aantal treffers bij het zoeken in alle, ook anderstalige, internetsites niet zonder meer redengevend. Hetzelfde geldt voor het aantal treffers van de gebezigde zoekmachine waarop het Hof zich heeft beroepen, zonder evenwel te verduidelijken op welke of wat voor soort internetsites die treffers betrekking hebben.

Logisch ook. Een afkorting kan meerdere betekenissen hebben: All Coppers Are Bastards, maar ook Air Cavalry Attack Brigade of Advisory Committee on Agricultural Biotechnology. Die laatste resultaten moet je dan wel wegfilteren voordat je iets kunt zeggen over het aantal relevante zoekresultaten.

Dat er bijdehantjes zijn die met betekenissen komen als Acht Cola Acht Bier, het getal 1312 of dit shirt met een fruitautomaat met Appel Citroen Ananas Banaan erop maakt daarbij niet uit. Het gaat erom wat het grote publiek denkt als ze de afkorting zien.

zoals

of lees de 26 reacties

De waarde van elektronisch bewijs

Tweet
4 januari 2011, 8:03 | Internetrecht | 40 reacties

betere-byte-strijd-gelijk-bewijs.jpgJa, je moet wat tijdens de kerstdagen: ik heb het proefschrift De betere byte in de strijd om het gelijk van Maarten van Stekelenburg gelezen. Hij snijdt een zeer lastige kwestie aan:

De toename in gebruik van elektronische gegevens, leidt ertoe dat deze steeds vaker ingezet worden als bewijsmiddel in rechtzaken. Elektronische gegevens staan aan andere gevaren bloot dan traditionele media, temeer omdat deze gegevens veelal worder verstuurd over het internet. Het is niet altijd duidelijk of degene die de gegevens heeft verzonden ook daadwerkelijk de persoon is die zich als afzender identificeert. Daarnaast is het mogelijk dat derden vertrouwelijke gegevens onderscheppen en eventueel zelfs wijzigingen aanbrengen. Dit roept de vraag op hoe betrouwbaar deze gegevens zijn om rechten en feiten aan te kunnen tonen. dat deze slechts in een enkel geval houvast biedt in het geven van een betrouwbaarheidsoordeel van elektronische bewijsmiddelen.

Van Stekelenburg onderzocht een stapel Nederlandse, Duitse en Amerikaanse jurisprudentie om te bepalen hoe deze landen omgaan met elektronisch bewijs.

Een eerste opvallend aspect is wat Van Stekelenburg de “toelatingsfase” noemt: mag dit materiaal überhaupt de rechtszaal binnen? In Nederland wordt niet op voorhand bewijs uitgesloten omdat het elektronisch is, of om welke reden dan ook. De rechter bekijkt en beoordeeld wat hem wordt voorgelegd, en of het nu op een bierviltje staat of op een CD-ROM zal hem in principe worst wezen. In de VS is dat anders: we kennen allemaal de televisieseries waar dat prachtige stukje bewijs ineens van tafel moet omdat het onjuist verkregen zou zijn.

Ik zie in vaktijdschriften en met name bij dure congressen over bewijzen en bewaren veel aanstelleritis dat je alleen na de zwaarste technische en organisatorische waarborgen rechtsgeldig bewijs zou kunnen verkrijgen. De Nederlandse jurisprudentie die Van Stekelenburg vond, laat mooi zien hoe de praktijk omgaat met elektronisch bewijs.

In een contract met een profvoetballer:

De stelling van Appellant dat de e-mail van 3 augustus 2006 hem niet heeft bereikt is in het licht van de door Nike overgelegde producties niet aannemelijk. … Deze is niet alleen verzonden vanaf hetzelfde e-mailadres als dat waarnaar de e-mail van Nike is verzonden (xxx@post.cz), doch vermeldt dezelfde referentie (“Re:Nike smiouva”) en valt ook qua inhoud moeilijk anders te begrijpen dan als een reactie op de e-mail van Nike.

Natuurlijk kun je een heel verhaal ophangen over mailheadervervalsende hackers of raar routerende mailservers, maar als alles bij elkaar er echt genoeg uitziet en er ook geen reden is waarom het nu net deze keer fout zou gaan, dan kan de rechter gewoon aannemen dat die mail echt is.

Een leuke uit een andere zaak:

Op grond van hetgeen daaromtrent door de getuigen is verklaard, acht het hof het aannemelijk dat de e-mail van 16 maart 2006 is verzonden, en dat [betrokkene 1] de gemaakte afspraken daarmee heeft willen bevestigen. De inhoud van de mail stemt overeen met de verklaring van [betrokkene 1] en draagt om die reden bij aan de geloofwaardigheid daarvan. Het betoog dat de ontvangst van deze e-mail ook vast moet staan (wat niet het geval is), treft geen doel.

Die laatste zin verrast misschien: hoofdregel uit het recht is immers dat een verklaring pas effect heeft als deze de ontvanger daadwerkelijk heeft bereikt. Maar daar geeft het Hof een leuke draai aan: het gaat hier niet om een afspraak per e-mail maar om een bevestiging per e-mail van een afspraak. Bewijs mag je op elke manier leveren, en bewijs hoeft niet ontvangen te zijn door de wederpartij. Zolang de mail dus geloofwaardig overkomt, kan deze als bewijs dienen. (Je dagboek met daarin een verslag van een gesprek kan dus óók bewijs zijn van dat gesprek, als de rechter maar gelooft dat je eerlijk bent in je dagboek.)

In deze zaak speelde niet de vraag of de mails echt waren, maar of ze mochten worden gelezen als concreet aanbod en concrete aanvaarding, of dat er alleen maar werd dooronderhandeld. Omdat de afspraken duidelijk genoeg waren, vond de rechter dat een overeenkomst was gesloten.

In een zaak waarin de rechter “in het duister tastte” over de vraag welke motieven een partij had om zich in zowel Nederland als Duitsland in te schrijven, werd een uitdrukkelijk betwiste mail naar de advocaat van de wederpartij als niet relevant beschouwd.

Lichte hoofdpijn kreeg ik van een zaak waarin de gedaagde getuigen had laten opdraven die verklaarden dat hij toch echt een bepaalde mail had gezonden:

nu de getuigen (zijn vrouw en Francois van Gijzen) wél kunnen verklaren dat [gedaagde] de e-mail heeft verzonden, maar niet kunnen bewijzen dat Lis de e-mail heeft ontvangen, kan aan deze e-mail niet het beoogde effect van opzegging van het proefabonnement worden toegekend.

Hoe groot is nou werkelijk de kans dat die mail nooit is aangekomen?

En dan ter afsluiting nog twee zaken waarin korte metten wordt gemaakt met het m.i. belachelijke vereiste dat je een stuk papier aangetekend moet versturen en dat een daadwerkelijk ontvangen e-mail niet geldig kan zijn.

De eerste:

De strekking van de e-mail van 3 december 2007 laat aan duidelijkheid niet te wensen over. [eisers] hebben niet gesteld dat zij niet hebben begrepen dat [gedaagden] zich wilden beroepen op de ontbindende voorwaarde omdat zij de financiering niet rond konden krijgen. Vast staat dat het bericht de verkopers heeft bereikt en dat de inhoud hen duidelijk was. Daarom wordt geoordeeld dat [eisers] in redelijkheid geen beroep kunnen doen op het voornoemde formele vereiste.

De rechter haalt hier artikel 6:248 BW van stal, waarin staat dat je redelijk & billijk tegenover elkaar moet zijn. En eisen dat iemand een bericht nogmaals verstuurt (maar dan aangetekend) nadat je het daadwerkelijk al hebt gehad, is niet redelijk.

De tweede:

Dat [gedaagden] een beroep op de ontbindende voorwaarde hebben gedaan door middel van een e-mailbericht en niet op de in artikel 6.1 van de koopovereenkomst voorgeschreven wijze (namelijk schriftelijk, gericht aan de verkoper en diens makelaar, per aangetekende brief met bericht van ontvangst of per deurwaardersexploot), maakt niet dat het beroep op de ontbindende voorwaarde rechtsgevolg mist. Het gaat er om dat [ eiser] binnen de overeengekomen termijn op de hoogte is gebracht van het inroepen van de ontbindende voorwaarde. Dat is gebeurd met de e-mail van 9 april 2008, waarvan de ontvangst niet is betwist.

En wederom een rechter met clue: u bent op tijd ingelicht, dus dan kunt u zich niet achter een formaliteit verschuilen.

Afgezien van die ene hoofdpijnzaak een mooi setje jurisprudentie. Het gaat er niet om welke Received: header er in de mail staat of dat een systeembeheerder onderweg je mailbox zou kunnen manipuleren, maar om wat er daadwerkelijk is gebeurd en hoe de mail past binnen de rest van het plaatje van het geschil. En zo hoort het ook: niet focussen op één technisch aspect maar beoordeel wie er gelijk heeft op basis van al het bewijs, bekeken binnen de context.

Arnoud

of lees de 40 reacties

Wat kun je met een IP-adres?

Tweet
3 november 2010, 8:14 | Beveiliging | 32 reacties

ip-adres.pngInternetters zijn lastig te identificeren. Namen en e-mailadressen zijn zo vervalst, en ook op andere gegevens kun je nauwelijks afgaan. Het IP-adres is zo ongeveer het enige gegeven dat niet (nou ja, moeilijk) te vervalsen is als je met iemand communiceert. Het opvragen van een IP-adres is dan ook vaak de eerste stap als je juridische maatregelen tegen iemand wilt nemen.

Maar hoe betrouwbaar is zo’n IP-gebaseerde identificatie nu eigenlijk? Voor die lastige technische vraag stonden de raadsheren van het Gerechtshof Den Bosch recent. In een fikse ruzie tussen twee partijen was aangifte gedaan van smaadschrift per e-mail, maar die aangifte was geseponeerd. De benadeelde partij stapte daarop naar het Gerechtshof, want je mag via de zogeheten artikel-12-procedure eisen dat men alsnog vervolging instelt.

De smaadmail was via het contactformulier van de website verstuurd, dus via de logs van de site was het IP-adres van de verzender snel achterhaald. En dat adres bleek op naam te staan van de partij tegen wie hij aangifte had gedaan. (Iedereen die nu over RIPE of IANA begint: ik vermoed dat daarmee wordt bedoeld dat bij een reverse DNS lookup de domeinnaam van de wederpartij boven kwam.) Als bewijs werd daarbij een logfile van websitebezoeken overlegd.

De wederpartij ontkende ten stelligste dat hij het formulier had ingevuld: hij had een open netwerk achter dat IP-adres draaien, waar ook zijn gezin, de buren en diverse vrienden zomaar op konden. Een open netwerk als bewijs van onschuld? Volgens het Hof wel, en niet alleen omdat de logfiles eerder ophielden dan het tijdstip waarop de mail was ontvangen.

Uit de beschikking:

[N]aar het oordeel van het hof onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig dat beklaagde de bewuste e-mail heeft verstuurd, gelet op het aantal personen dat kennelijk toegang had tot zijn computer. Naar het oordeel van het hof mag niet verwacht worden dat verder onderzoek nader bewijs zal opleveren.

In technische zin is het wel terecht: meer dan “vanaf deze computer is het verstuurd” kan men niet concluderen uit een IP-adres. De lijn doortrekken naar een specifieke gebruiker zal verdere omstandigheden vereisen, zoals dat hij de enige is die het wachtwoord weet of dat de PC op een afgesloten kamer staat waarvan alleen hij de sleutel heeft. En die omstandigheden liggen hier nu juist niet.

Maar het voelt ergens wel onrechtvaardig: de smadelijke uiting is zodanig dat eigenlijk alleen de eigenaar van de PC deze gedaan zou kunnen hebben.

Arnoud

of lees de 32 reacties

Kan ik ontkennen een abonnement te hebben gesloten?

Tweet
3 september 2010, 8:53 | Contracten | 14 reacties

Een lezer vroeg me:

Ik had een proefabonnement op een site genomen. Dat blijkt nu volgens hen ineens omgezet te zijn in een jaarabonnement, en ik krijg nu een factuur van een paar honderd euro. Volgens mij stond dat niet in de voorwaarden, maar zij zeggen nu van wel. Kan ik er onderuit als ik zeg dat ze eerst maar moeten bewijzen dat ík het wel was die dat abonnement heeft gesloten? Ik heb immers niks getekend, ze hebben alleen een IP-adres van iemand die mijn adres heeft ingevuld.

Bij proefabonnementen is altijd de vraag of ze “zomaar” omgezet kunnen worden in gewone abonnementen. Volgens mij impliceert de term “proef” dat je het uitprobeert en daarna moet zeggen dat je door wilt. Maar er is geen wettelijke regel die verbiedt dat een proefabonnement automatisch wordt omgezet in een “echt” abonnement, zolang dat maar in de voorwaarden staat die bij het proefabonnement zijn aangeboden.

Ik heb grote moeite met nu ineens gaan roepen dat je het niet was, om zo onder een abonnement uit te komen. Het is immers feitelijk onjuist: je was het wel. Gaan liegen over een contract lijkt me niet kies, en afhankelijk van het bewijs dat het bedrijf heeft, kun je jezelf grote problemen op de hals halen.

Bewijs kan bijvoorbeeld zijn dat je al hebt gemaild dat je het oneens bent met de omzetting omdat het volgens jou niet in de voorwaarden staat. Eerst protesteren tegen de omzetting en dan zeggen dat je helemaal geen contract hebt gesloten, is op zijn zachtst gezegd onlogisch.

Arnoud

of lees de 14 reacties

Is een particuliere verkoper aansprakelijk voor kwijtgeraakte bestellingen?

Tweet
23 juli 2010, 8:35 | Webwinkels | 83 reacties

Update (12 maart 2012) let op, deze blog is vervangen door Wie is aansprakelijk voor verloren bestellingen bij particuliere verkoop?

Regelmatig krijg ik vragen over bestellingen die kwijtraken of beschadigd worden bij de verzending naar de koper. Welke rechten heb je dan als koper? En maakt het daarbij uit of je koopt bij een bedrijf of bij een particulier op bv. Marktplaats?

Wie gaat zoeken in het wetboek, ziet al snel artikel 7:11 BW, dat het risico bij de verkoper legt:

Indien bij een consumentenkoop de zaak bij de koper wordt bezorgd door de verkoper of een door deze aangewezen vervoerder, is de zaak pas voor risico van de koper van de bezorging af, zelfs al was zij reeds eerder afgeleverd in de zin van artikel 9.
Dit is dwingend recht (art. 7:6 BW): tenzij de koper een specifieke bezorger voorstelt, is de verkoper aansprakelijk voor kwijtraken. Ook als hij TNT Post gebruikt, ook als in de algemene voorwaarden staat dat de koper het risico aanvaardt bij gebruik van TNT Post en ook als de koper heeft gezegd dat het zo goedkoop mogelijk doet. Oh ja, en ook als de koper TNT Post uit een lijstje bezorgbedrijven heeft gekozen.

Punt is wel dat dit alleen geldt bij een ‘consumentenkoop’, en dat is (art. 7:5 BW) een koop tussen een bedrijf en een particulier. Een particulier die wat spullen op Marktplaats verkoopt, is niet automatisch een bedrijf (of beroepsmatig handelaar). Daarvoor is echt meer nodig.

Bij verkoop tussen particulieren (consumenten) onderling geldt artikel 7:11 BW dus niet. Je valt dan terug op de hoofdregel uit de wet (art. 7:9 BW): de verkoper moet zorgen dat de gekochte zaak wordt afgeleverd bij de koper. En ‘aflevering’ betekent hier niet ‘bezorging’ maar ‘plek waar de overeenkomst wordt uitgevoerd’. Volgens artikel 6:41 BW is die plek de plaats waar het product zich bevindt (zie ook de Tekst & Commentaar, p. 1038). Oftewel: de koper moet de producten komen halen. Hij kan ze laten opsturen, maar dat is dan op zijn eigen risico (art. 7:10 BW).

De speciale regeling van artikel 7:11 BW is dus ingevoerd om dat risico om te draaien. De wetgever beschermt daarmee de consument die bij een bedrijf koopt. Dat bedrijf kan zich verzekeren of een mooi contract met een vervoerder afsluiten die wél gegarandeerd aflevert, is de gedachte. Een consumentverkoper kan dat niet, dus dan is het oneerlijk om het risico daar te leggen.

Mijn eerdere blogpost over wanprestatie bij niet-levering moet ik dus nuanceren: er is geen sprake van een tekortkoming van de consumentverkoper als het pakketje kwijtraakt in de post, want het risico van kwijtraken ligt bij de koper in die situatie.

Arnoud

of lees de 83 reacties

Nieuwe regels over elektronische documenten en voorwaarden

Tweet
12 juli 2010, 8:34 | Contracten | 28 reacties

Excuses voor de vertraging, maar ik moest het even nazoeken. Zoals donderdag beloofd: wat is er per 1 juli gewijzigd over algemene voorwaarden en de rechtsgeldigheid van elektronische documenten?

De regels over algemene voorwaarden (art. 6:234 BW) zijn veranderd. Het wetsartikel is herschreven, met name om de leesbaarheid te vergroten (voor zover haalbaar, het is en blijft een draak van een artikel).

Een belangrijke wijziging is dat je nu ook bij “gewone” (niet-elektronische) contracten de algemene voorwaarden elektronisch mag aanleveren. Je mag dus een papieren contract tekenen (of een mondelinge overeenkomst sluiten) waarbij je de voorwaarden als PDF mailt. Wel vereist dit “uitdrukkelijke instemming van de wederpartij”. Het is dus niet toegestaan om in de algemene voorwaarden te zetten “Wederpartij verleent hierbij uitdrukkelijke instemming voor elektronische aanlevering van deze voorwaarden”. Niet dat dat veel mensen ervan zal weerhouden om het toch te doen (t-shirt voor de spotter van het eerste voorkomen hiervan.)

Een grotere wijziging is artikel 156a Rechtsvordering over elektronische akten - ondertekende geschriften die als bewijs dienen. Zo’n document mag nu ook elektronisch, mits (pas op, juridische mond vol):

het degene ten behoeve van wie de akte bewijs oplevert, in staat stelt om de inhoud van de akte op te slaan op een wijze die deze inhoud toegankelijk maakt voor toekomstig gebruik gedurende een periode die is afgestemd op het doel waarvoor de akte bestemd is te dienen, en die een ongewijzigde reproductie van de inhoud van de akte mogelijk maakt.

Ik kan daar niet veel meer van maken dan “je moet kunnen nalezen wat er getekend is” maar ongetwijfeld zitten hier heel veel nuances aan. Een PDF met elektronische handtekening voldoet aan deze eis.

Deze regels zijn ingevoerd op grond van het wetsvoorstel over elektronische aktes, dat met name bedoeld was om elektronische verzekeringspolissen mogelijk te maken. Logischerwijs is er dan ook een wetsartikel ingevoerd (art. 7:932 BW) dat zegt dat verzekeringspolissen nu elektronisch mogen. En dat gaat vrij eenvoudig met de bovengenoemde wijzigingen: die polis is een akte en moet dus voldoen aan de hierboven genoemde eis voor aktes, en de polisvoorwaarden zijn algemene voorwaarden en moeten dus voldoen aan de eisen van opslaanbaarheid. Plus, je mag bij een ‘gewone’ papieren polis nu met de verzekeringnemer afspreken dat de voorwaarden worden gemaild of te downloaden zijn.

Wel is er een extra eis aan de elektronische handtekening: die moet een “geavanceerdegekwalificeerde elektronische handtekening” zijn, en de mensen die weten wat dat betekent mogen nu de paracetamol grijpen. Inderdaad, dat is zo’n ding waarbij er geavanceerde wiskunde wordt gebruikt, een smartcard moet worden ingezet, een digitaal certificaat moet zijn verkregen en minstens 200 uren aan dure consultants moet zijn besteed voor het implementatietraject. Ik ben dan ook zeer benieuwd wanneer de eerste elektronische polissen daadwerkelijk aangeboden worden - en of ze ook echt gaan voldoen aan die voorwaarden.

Arnoud

of lees de 28 reacties

“Mag ik even een bevestiging van onze overeenkomst”

Tweet
20 mei 2010, 8:23 | Contracten | 3 reacties

Weer een bedrijvenregister dat het deksel op de neus krijgt bij de rechter. VKM, exploitant van www.bedrijven2day.nl, had telefonisch contact gezocht met ene meneer Q en gemeld “Ik wil nog even een geluidsopname maken van uw opdracht tot vermelding van uw bedrijfgegevens op onze website”. De kantonrechter Groningen noemt deze vorm van acquisitie een “overval” en wijst de vorderingen af omdat VKM uitdrukkelijk de verplichtingen had moeten melden en de gebelde persoon een uitdrukkelijk akkoord had moeten vragen.

In april fileerde de kantonrechter Assen ook al de praktijken van een bedrijf dat mensen benaderde met de mededeling “opname van uw opdracht”, terwijl de gebelde persoon nog helemaal geen opdracht had gegeven. En dat gaat ook hier op:

Op geen enkele wijze, althans niet uit het overgelegde transcript, blijkt echter dat Q. tevoren al een opdracht heeft verstrekt. Nu daarvan niet gebleken is die mededeling dan ook onjuist.

Dat lijkt me een terechte conclusie. Wie meldt dat er al een contract zou zijn gesloten, moet daar enige hint of bewijs van geven. En bovendien is het dan nergens voor nodig om nog na te bellen. Het contract is gesloten of niet, en zo’n belletje verandert daar dan niets aan lijkt me. Als je bedoelt “we hebben een mondelinge overeenkomst met u die we graag nog even telefonisch bevestigen” dan had je dat maar wat duidelijker moeten zeggen. Beter gezegd heel wat duidelijker:

Met een dergelijke opzet van het gesprek wordt een mogelijke klant overvallen zonder dat voldoende duidelijk is met welke commerciële bedoelingen hij wordt benaderd. Tevens wordt gesuggereerd dat een opdracht is verstrekt terwijl het hier hooguit gaat om een aanbod een overeenkomst aan te gaan. Waar het gaat om de inhoud van het aanbod wordt slechts een bijna terloopse mededeling gedaan over de periode en betalingsverplichting van die klant. VKM had dit dan nadrukkelijk als aanbod aan Q. dienen voor te leggen met een uitdrukkelijke vermelding van de verplichtingen en hem een uitdrukkelijk akkoord daarop moeten vragen.

Nu VKM dat allemaal niet gedaan heeft, en ook niet heeft gekozen voor een brief ter bevestiging achteraf, moet zij het risico dragen dat mensen zich misleid voelen. Er is dus geen overeenkomst en VKM mag de proceskosten van Q vergoeden. Vijftig euro, want hij had er geen hele dag vrij voor hoeven nemen (eh, wat?).

Update (1 augustus) in ander vonnis ook geen overeenkomst met VKM want “gesteld noch gebleken is dat sprake is geweest van een eerdere opdracht” waar het telefoongesprek op voortbouwt. Ook “het feit dat de stem op de geluidsopname onmiskenbaar een mannenstem is en [gedaagde] een vrouw is” (ahem) weegt mee. Vrijwel hetzelfde in dit vonnis maar dan zonder de mannenstem.

Arnoud

of lees de 3 reacties

Beelden van bewakingscamera niet bruikbaar als bewijs?

Tweet
9 april 2010, 8:18 | Privacy, Beveiliging | 24 reacties

Straatrovers, inbrekers en zakkenrollers dreigen vrijuit te gaan indien in hun strafzaak gebruik wordt gemaakt van beelden van bewakingscamera’s, las ik bij Security management. Men baseert zich op een artikel in De Telegraaf waarin wordt gemeld dat camerabeelden niet zomaar door justitie kunnen worden opgeëist als bewijs, omdat het ’gevoelige informatie’ kan bevatten over iemands ras. Dat zou de Hoge Raad geoordeeld hebben.

Het was even spitten, maar ik vond een arrest van 23 maart waarin de offficier van justitie persoonsgegevens had gevorderd (naam, adres, postcode, woonplaats en eventuele foto) van de gebruikers van kaarthouders van een OV-chipkaart die in een bepaalde tijdsperiode op bepaalde metrostations hadden in- en uitgecheckt. Dit op grond van artikelen 126nd en 126nf Strafvordering, dat expliciet zegt dat foto’s en andere van deze gevoelige persoonsgegevens wel mogen worden gevorderd, maar alleen:

  1. in geval van verdenking van een ernstig misdrijf waar (kort gezegd) minstens 4 jaar cel op staat, en
  2. na voorafgaande schriftelijke machtiging, op vordering van de officier van justitie te verlenen door de rechter-commissaris.

Omdat die machtiging er niet was, oordeelde de Hoge Raad dat de pasfoto’s van de ovchipkaarthouders niet mochten worden afgegeven. Zij verwerpt daarbij het standpunt dat artikel 126nf alleen zou gelden als de officier de intentie zou hebben het ras van de mensen op de foto te willen weten. Ook als ‘bijvangst’ mag een officier geen gegevens over ras of etnische afkomst opvragen zonder machtiging van de rechter-commissaris.

Hiermee is er dus een grond om tegen elk gebruik van opgeëiste camerabeelden te ageren: er is geen machtiging voor gevraagd. Bovendien zal lang niet bij elke beroving of inbraak sprake zijn van een misdrijf dat een “ernstige inbreuk op de rechtsorde” oplevert, zodat die machtiging niet altijd gegeven zal worden.

Het lijkt me niet echt een wenselijke uitkomst, want het doorkruist compleet het mogen opvragen van camerabeelden. Maar ik zie niet 1-2-3 een antwoord hierop.

Update: in dit arrest vindt Gerechtshof Arnhem juist dat

Het gaat immers om beelden die (anders dan in het geval van de Hoge Raad) niet aan [bank] waren toevertrouwd, maar om een opname van een beveiligingscamera waarvan de aanwezigheid op allerlei plekken in de publieke ruimte en in het bijzonder bij pinautomaten van algemene bekendheid is. Om meer of anders dan een foto- of videoregistratie van de (bij een duidelijke opname voor het bewijs bruikbare) fysionomie van degene die voor een bepaalde geldtransactie van de pinautomaat in kwestie gebruik heeft gemaakt, gaat het hier niet. Van een (aan de beelden of de opnamen daarvan) voorafgegane verwerking van gevoelige persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16 Wet bescherming persoonsgegevens, is bij deze registratie geen sprake geweest. Het verbod van artikel 18 van de wet doet zich (daarom) evenmin gelden. Het beeldmateriaal in kwestie kon daarom op de voet van artikel 126nd/ud van het Wetboek van Strafvordering worden gevorderd en kan en mag om die reden voor het bewijs worden gebruikt en het hof doet dat.

Arnoud

of lees de 24 reacties

Hoe bruikbaar is een gespreksopname als bewijs?

Tweet
1 april 2010, 8:30 | Contracten | 26 reacties

Een bewijsmiddel in de vorm van een CD-opname dient met de nodige behoedzaamheid te worden gewaardeerd, aldus de kantonrechter Assen in een ouder maar recent gepubliceerd vonnis. Hoewel je gesprekken mag opnemen en die opnames in beginsel als bewijs bruikbaar zijn, bieden de huidige audio-technieken dusdanig veel mogelijkheden voor vals spel dat de rechtbank niet blind wil varen op wat er te horen was op de CD.

In deze zaak ging het om een vermelding in een bedrijvengids op internet, een onderwerp waarbij bij iedere internetondernemer meteen een belletje “pas op, mogelijke oplichters” zou moeten rinkelen. Het bedrijf met de gids had een ondernemer telefonisch benaderd en opende als volgt:

Goedemiddag, u spreekt met [X] van bedrijfsregister, www.bedrijfsregister.nl. Ik wil nog even een geluidsopname maken van uw opdracht tot vermelding van uw bedrijfsgegevens op onze website…

De ondernemer kon zich echter niets herinneren van zo’n opdracht. Hij ging echter uit van de goede trouw van de beller en kreeg een toezegging dat hem na het gesprek een kopie van het contract zou worden gestuurd. Vervolgens moest hij nog een keer aangeven inderdaad in de gids te willen, waarvan een voicelog zou worden gemaakt als bewijs.

De rechter verwerpt het beroep op de voicelog omdat deze hooguit kan bewijzen dat er gesproken is over een eerdere afspraak, maar niet dat die afspraak is gemaakt. Het gaat om telefonische acquisitie, een techniek waarvan bekend is dat er nogal wat malafide bedrijven gebruik van maken. Een bedrijf dat via dat kanaal te werk gaat, moet dus meer doen om te bewijzen dat zij wel te goeder trouw heeft gehandeld en dat er echt een overeenkomst is. Het risico van misverstanden of onduidelijkheden komt dan ook voor rekening van het bedrijf.

Zo moeilijk is dat trouwens niet, aldus de kantonrechter:

Niet valt in te zien waarom, als daadwerkelijk aansluitend aan een telefonische opdracht een schriftelijke bevestiging wordt toegestuurd, niet wordt verzocht om (een afschrift van) die bevestiging ondertekend retour te zenden.

En nog een leuke opmerking die ik jullie niet wil onthouden:

Overigens en geheel ten overvloede merkt de kantonrechter nog op dat de bij repliek overgelegde CD waarop de geluidsopname zou staan niet uit te luisteren valt; noch op een “normale” cd-speler, noch op een (geavanceerde) computer.

Arnoud

of lees de 26 reacties
« Vorige PaginaVolgende Pagina »
De wet op internet Koop het boek Software: Deskundig en praktisch juridisch advies
Of een van de andere boeken over internetrecht!

Auteur: Arnoud Engelfriet - Licentie: Creative Commons BY-SA 2.5 - Disclaimer - Powered by WordPress