Gebruik geluidsopnames als bewijs aan banden gelegd
Sorry, de woordspeling was te flauw om hem niet te maken. Recentelijk heeft de Maastrichtse kantonrechter bepaald dat een opname van een telefoongesprek niet zomaar als bewijs gebruikt kan worden. Dit hoewel hij zelf toegeeft dat het vaste rechtspraak is dat je zakelijke gesprekken zonder toestemming te vragen mag opnemen. De reden om hier de tape als bewijs te weigeren is een andere, die ik niet goed kan volgen.
In de rechtszaak ging het om de vraag of de eiser, VKM Advertisement, telefonisch een overeenkomst had gesloten met de gedaagde. VKM had hem gebeld, en hij had naar eigen zeggen duidelijk geweigerd in hun gids opgenomen te worden (voor 295 euro). Toch kreeg hij een factuur omdat VKM uit het gesprek had opgemaakt dat er wél een overeenkomst was. Het telefoongesprek was dus precies het enige bewijs van de overeenkomst. Wat nu?
De rechter had uit een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut begrepen dat de integriteit van een opname nooit met 100% zekerheid vast te stellen is. Daarom stelt hij extra eisen alvorens zo’n opname toelaatbaar is:
- Bij het begin van de opname dient er duidelijk om toestemming voor het maken daarvan te worden gevraagd. Het (positieve) antwoord daarop dient vervolgens afgewacht te worden.
- Vervolgens dient degene die de overeenkomst heeft aangeboden de wederpartij onverwijld een schriftelijke opdrachtbevestiging toe te zenden waarin wordt verwezen naar de geluidsop- name en de daarop vastgelegde wilsovereenstemming, in welk schrijven de contractsinhoud nogmaals duidelijk wordt genoemd.
Menno Weij schrijft dat de kantonrechter deze eisen lijkt te halen uit de Wet Bescherming Persoonsgegevens en de Koop op Afstand bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek. Maar zoals de rechter zelf al zegt, het gaat hier om een zakelijk gesprek waarbij privacy minder een rol speelt. Het is dan ook vaste jurisprudentie dat je dat ook zonder toestemming mag opnemen.
Doel van de eerste eis is om de opgebelde partij extra “in te scherpen” dat het niet gaat om een vrijblijvend gesprek. Daarmee is de kans kleiner dat deze achteloos iets zegt waaruit de beller kan concluderen dat er een overeenkomst is gesloten. De tweede eis confronteert de gebelde nogmaals met het telefoongesprek, zodat hij direct stappen kan ondernemen om de overeenkomst te vernietigen of ontbinden. (Zo’n schriftelijke opdrachtbevestiging is natuurlijk allang verplicht bij koop op afstand.)
Een merkwaardige manier om dat doel te bereiken. We waren tenslotte begonnen met aan te nemen dat dat er met de tape geknoeid kan zijn. Als de opbellende partij dat doet, wat weerhoudt ze er dan van om een op willekeurig moment uitgesproken “ja hoor” te knippen en plakken achter een later ingesproken “Dit gesprek wordt opgenomen, bent u daarmee akkoord”?
Wat dus het verplicht stellen van die vraag toevoegt aan het bewijs, is mij volstrekt onduidelijk. Natuurlijk is het lastig als je ineens zo’n bandopname te horen krijgt om te bewijzen dat ermee geknoeid is. Je kunt, zeker als consument, niet zomaar naar het NFI lopen om even snel aan te laten tonen dat de tape nep is. En er zijn genoeg manieren om een nepopname te maken die door de NFI-tests heenkomt.
Maar de oplossing is dan niet het melden dat opgenomen wordt, verplicht stellen. Bij een keiharde ontkenning door de wederpartij zou de rechter juist vooral moeten kijken naar andere bewijsmiddelen om te beslissen wie er gelijk heeft.
Wie trouwens de link heeft naar het specifieke rapport van het NFI, mag het zeggen!
Arnoud

Een lezer kwam met de volgende vraag:

