Op programmeertalen (en dataformaten) rust geen auteursrecht. Ietwat kort door de bocht, maar dat is wel zo ongeveer wat het Hof van Justitie bepaalde in haar arrest van gisteren. Kort door de bocht, want het kán wel, maar het is zeker geen automatisme.
In deze zaak ging het om een interpreter voor de SAS taal. Deze taal is ooit door SAS ontwikkeld als onderdeel van hun analysesoftware, en het bedrijf WPL besloot een eigen interpreter (emulator) te maken die programma’s in die taal kon verwerken zonder dat je SAS nodig had. Dat vond SAS niet leuk, en dus werden de advocaten losgelaten: een beetje iemands taal interpreteren, dat is auteursrechtschending, wat zullen we nou krijgen. (Ok, én de handleidingen overtypen, dat ook, maar daar ging het bij het Hof niet om.)
Het Hof grijpt de gelegenheid aan om er eens goed voor te gaan zitten: wat betekent dat nu eigenlijk, auteursrecht op software. Want software is altijd een probleemkindje geweest in het auteursrecht. Vanaf het begin waren de meningen verdeeld of software -toch een nogal utilitair product- wel onder het auteursrecht -toch voor creatieve kunstzinnige uitingen- gerekend moest worden. Het octrooirecht lag meer voor de hand, alleen dan zou 95% van de software niet beschermbaar zijn en dat was dan ook weer niet de bedoeling. Uiteindelijk is het opgelost door gewoon te zeggen “software is een creatief werk, punt”.
Maar ja, in het recht is “punt” nóóit het einde van een discussie. We gaan gewoon vrolijk verder over wat die punt dan betekent, hoe je ‘m kunt oprekken, of het eigenlijk geen puntkomma had moeten zijn en welk punt ermee gemaakt wordt.
Auteursrecht op software geldt niet voor de user interface, weet u nog? Het Hof kwam in 2010 tot die conclusie met het argument dat software een werk is dat de computer iets laat dóen, en de interface als zodanig dóet niets. De interface is alleen beschermd als ‘ie kunstzinnig is (overigens heb ik een *****-hekel aan kunstzinnige interfaces want de knoppen zitten nooit waar ik wil en keyboard shortcuts heb je al helemaal niet), en niet enkel omdat ‘ie aan een computerprogramma hangt.
Die lijn trekt het Hof nu door: het moet echt gaan om de broncode en/of objectcode als zodanig (argh), en van inbreuk kan dus pas sprake zijn als een van die twee ergens terug te vinden is in het werk van de ander. Letterlijk of niet-letterlijk, maar het moet er wel zijn.
De functionaliteit, de programmeertaal en de bijbehorende bestandsformaten zijn geen deel van de code, maar zijn meer achterliggende ideeën of uitgangspunten waarmee je die code maakt. En dus vallen ze buiten het werk als zodanig.
En ja, dat is ook de bedoeling, aldus het Hof:
to accept that the functionality of a computer program can be protected by copyright would amount to making it possible to monopolise ideas, to the detriment of technological progress and industrial development.
Wat daarmee niet kan, is mensen verbieden om dit formaat of de taal te achterhalen middels reverse engineeren. Dit kan niet op grond van het auteursrecht, en ook niet op grond van een licentiecontract. Want dat is namelijk de truc: je geeft een licentie op de software zelf (de broncode of objectcode dus) en daarin bepaal je dat je oh ja de programmeertaal niet mag reverse engineeren.
Eventueel is het mogelijk dat een creatief uitgewerkt dataformaat als zodanig wél beschermd is, maar dan moet er dus in dat formaat zélf iets creatiefs aan te wijzen zijn. Net als die kunstzinnige interface. Dat kan, maar is niet eenvoudig. Ik herinner me van lang geleden een anti-spam truc waarbij je een licentie op een haiku moest nemen om je mail geaccepteerd te krijgen (met als algemene voorwaarde “ik verstuur geen spam”). Dat is dus op zich een auteursrechtelijk houdbare constructie, maar wel redelijk gezocht. Ik durf dus wel te zeggen “auteursrecht op programmeertalen en -concepten kan niet”, maar ik ben heel benieuwd welke argumenten softwareauteursrechthebbenden gaan verzinnen om hier toch tegenin te gaan.
Arnoud