Welke regels gelden er voor een commerciële product- of dienstenrecensiesite?

10 augustus 2011, 8:01 | Aansprakelijkheid, Zoekmachines | 6 reacties

Een lezer vroeg me:

Op mijn website recenseer ik regelmatig bepaalde producten en diensten. Ik bestel wat bij webwinkels en test hun bezorgtijden, of ik laat foto’s printen en vergelijk de kwaliteit. Bij mijn testen kijk ik naar zelfgekozen criteria en selecteer ik een aantal winkels, want ik kan natuurlijk niet iedereen tegelijk vergelijken. Vervolgens plaats ik bij elke recensie een affiliatelink naar de bedrijven, zodat ik provisie krijg wanneer een van mijn websitebezoekers een aankoop plaatst bij de betreffende aanbieder.

Nu werd ik onlangs via e-mail benaderd door een aanbieder die niet op mijn website staat. Hij geeft aan dat ik consumenten misleid omdat ik de producten niet daadwerkelijk getest zou hebben (wat dus wel zo is) en daarmee suggereer dat andere aanbieders van dezelfde producten niet betrouwbaar zijn. Ook zegt hij dat de affiliatelinks bewijzen dat ik alleen maar geld wil verdienen, en dus geen objectieve tests kan doen.

Als je geen onwaarheden vertelt en duidelijk documenteert wat je hebt gedaan, dan zie ik niet wat je fout doet. Het kan handig zijn uit te leggen waarom je die vijf bedrijven test en geen andere. Als je kunt uitleggen waarom je niet alle aanbieders noemt, dan moet dat ook goed zijn. De Consumentenbond gaat ook niet alle webwinkels testen bijvoorbeeld, ze kiezen de tien bekendste of grootste. Dat mag jij ook natuurlijk. (Aan de andere kant, als er 13 aanbieders zijn en jij test er tien, dan zou ik ik overwegen die andere drie ook te doen.)

Het is misschien een idee om je testen te documenteren en als PDF online te zetten. Screenshots en foto’s van de bestellingen, plus een vergelijking van de resultaten. Dat bewijst dat je de test gedaan hebt, en het is informatief voor je bezoekers omdat ze je test op waarde kunnen schatten.

Geld verdienen met een test is niet verboden, dus die affiliatelinks kunnen echt geen roet in het eten gooien. De vraag is of je test objectief en eerlijk is, en of het voor lezers duidelijk is wat je test en waarop. Het is niet verplicht om de hele markt te recenseren.

De regels over vergelijkende reclame zijn hier ook geen probleem: het is geen vergelijkende reclame om bedrijven op een rijtje te zetten en onderling te vergelijken.

Arnoud

of lees de 6 reacties

Je site aanpassen omdat Google hem fout samenvat?

1 augustus 2011, 8:01 | Aansprakelijkheid, Zoekmachines | 34 reacties

Het Gerechtshof heeft geoordeeld dat de website Miljoenhuizen.nl een pagina moet aanpassen vanwege de manier waarop Google eruit citeert, meldde Tweakers vorige week. Dit is het hoger beroep van de Zwartepoorte-zaak uit medio 2009. De uitspraak van het Hof dat Miljoenhuizen tóch de site moet aanpassen, heeft veel stof doen opwaaien, maar volgens mij is deze wel degelijk correct.

De website van Miljoenhuizen.nl bevatte een pagina over het bedrijf Zwartepoorte, waar rechts in een kolom “reacties op andere pagina’s” een zinnetje werd getoond waarin het faillissement van een ander bedrijf werd gemeld. Bij zoeken naar de woorden “Zwartepoorte” en “failliet” kwam deze pagina als eerste resultaat, met een Google-samenvatting die de zinsnede “Zwartepoorte Specialiteit: BMW … Dit bedrijf is failliet verklaard, het is overgenomen door het motorhuis” bevatte.

Zwartepoorte eiste dat Miljoenhuizen.nl dit zou aanpassen omdat zij hiervan vreesde last te krijgen. De site weigerde dit echter, “om principiële redenen” zoals het arrest het noemt. De belangrijkste reden lijkt te zijn geweest dat dit toch Google’s stommiteit is en niet zijn handelen. Wat kun jij er nu aan doen dat een zoekmachine een gekke combinatie van citaten produceert?

Het Hof oordeelt echter dat Miljoenhuizen wel degelijk een eigen verantwoordelijkheid heeft. Niet voor de Google-resultaten - voor het nalaten iets te doen nadat het probleem bij haar werd gemeld. Het Hof lijkt een tikje geïrriteerd door de manier waarop Miljoenhuizen de zaak in hoger beroep voorstelde:

Anders dan [Miljoenhuizen] in zijn inleiding op de grieven suggereert, gaat het hier niet om de vraag of [Miljoenhuizen ] aansprakelijk is voor de vertekende weergave door een zoekmachine, maar om de vraag of van [Miljoenhuizen] actie kan worden verlangd wanneer blijkt dat (los van enige vraag naar verwijtbaarheid) sprake is van een dergelijke, schade opleverende, vertekende weergave. Ook de stelling dat [Miljoenhuizen] als gevolg van het dictum van het bestreden vonnis aansprakelijk wordt gehouden voor onrechtmatig handelen door een derde, is derhalve niet juist.

Het punt is echter wel erg subtiel. Miljoenhuizen wordt niet aansprakelijk gehouden voor de Google-resultaten of voor schade als gevolg daarvan, maar alleen voor het feit dat ze niets deed toen ze te horen kreeg dat dit probleem bestond. En daarbij was belangrijk dat Miljoenhuizen naar eigen zeggen met een geringe ingreep de zoekresultaten (voor de toekomst) kon beïnvloeden. In zulke situaties kún je verplicht zijn om dan ook echt die ingreep te nemen, ook wanneer het niet jouw schuld is dat de zoekresultaten er zo uitzien.

De Hoge Raad gebruikte deze zelfde insteek in het Lycos/Pessers-arrest om een plicht voor providers te verzinnen om NAW-gegevens te moeten afgeven van klanten die iets onrechtmatigs doen. De provider kan niets doen tegen onrechtmatig handelen, maar als iemand de NAW-gegevens wil hebben dan is dat een eenvoudige maatregel. En onder bepaalde voorwaarden moeten die worden afgegeven. Dit was een verbijzondering van de algemene regel dat je wel eens verplicht kunt zijn in te grijpen als er zich ergens schade voordoet, ook als jij die niet hebt veroorzaakt. De advocaat-generaal beschreef het zo: het is weliswaar uitzondering om verplicht te zijn een ander voor schade te behoeden of om die bij te staan bij het beperken of ongedaan maken van schade, maar uitzonderingen kunnen zich voordoen wanneer men

- in een unieke dan wel (qua informatie) geprivilegieerde positie verkeert, en andere mogelijkheden om de schade af te wenden (of te beperken, of goed te maken …) niet, of niet op aannemelijke voorwaarden beschikbaar zijn;
- men zich voor het bieden van de verlangde hulp geen ernstige risico’s of onevenredige belasting hoeft te getroosten; en ook
- men zelf (al is het dan zonder dáárvoor aansprakelijk te zijn) aan de schade heeft bijgedragen of aan het verder oplopen van de schade bijdraagt, doordat men instrumenteel is aan de handelwijze (of andersoortige gebeurtenis) die de schade mede (heeft) veroorzaakt.

Zo werd bijvoorbeeld in het Veenbroei-arrest geoordeeld dat als je weet van (de mogelijkheid van) ernstig gevaar bij een stuk grond dat je beheert, je moet waarschuwen voor dat gevaar. Ook als het gevaar een natuurverschijnsel is (zoals veenbroei) waar je zelf niets aan kunt doen.

In de context van de Google-snippet geldt eigenlijk hetzelfde. Miljoenhuizen wist van de problemen en kon die met een triviale maatregel oplossen, maar deed dat niet. Dát wordt hem aangerekend. Niet dat de problemen zijn ontstaan of dat hij Google verkeerde informatie voerde of iets dergelijks.

Natuurlijk had Zwartepoorte ook naar Google kunnen stappen, en misschien had dat wel de eerste stap moeten zijn. Maar ik weet 99% zeker dat Google niets gedaan zou hebben met zijn verzoek. Google werkt met algoritmen die informatie combineren, en snoeit daar niet handmatig in. Googles helpteksten zijn volgens mij duidelijk zat:

Als u niet de eigenaar van de site bent, neemt u eerst contact op met de webmaster van de site en vraagt u hem de inhoud te verwijderen. Afhankelijk van het type verwijdering (zie hieronder) moet u mogelijk ook enkele andere wijzigingen aanbrengen. Zodra de wijzigingen zijn aangebracht, kunt u de verwijdering van de inhoud aanvragen.

Google doet dus niets als de site-eigenaar de inhoud niet aanpast. De enige uitzondering is een auteursrechtenclaim van een rechthebbende, maar dat is hier niet aan de orde. (Naar Amerikaans recht heeft een takedownverzoek alléén zin bij auteursrechten, niet bij andere soorten wetsovertredingen.)

Ik moet toegeven, destijds bij het vonnis was ik ook best kritisch, maar ondertussen denk ik dat het Hof - en eerder dus ook de rechtbank - gelijk had. En met internetcluelessness heeft dit niets te maken: de vraag is, als je andermans probleem kunt oplossen, wanneer moet je dat dan doen? Het Hof zegt hier: als je dat eenvoudig en zonder kosten kunt doen.

De enige m.i. interessante vraag is wat nu die triviale maatregelen waren waar Miljoenhuizen het destijds over had. Het weghalen van de reactie is altijd een optie, maar lijkt me een noodgreep en niet wenselijk als eerste stap. Mooier zou zijn als je kon zeggen “beste Google, indexeer dit stukje tekst maar niet want dat gaat over wat ongerelateerds” maar ik weet niet of die constructie er is (behalve voor speciale situaties). Meelezende SEO’ers misschien wel? Reageer en win een followlink vanaf deze blog!

Arnoud

of lees de 34 reacties

Haalt Google de Belgische kranten uit haar index, is het weer niet goed

18 juli 2011, 8:18 | Auteursrecht, Zoekmachines | 22 reacties

gnews-be.pngDiverse Franstalige kranten uit België zijn niet meer te vinden in de zoekresultaten van Google, meldde Nu.nl. Franstalige kranten als La Capitale (dat het een boycot noemt) zijn uit de complexe index van de zoekmachine verwijderd. Het Belgische Hof van beroep had in mei Google News inbreukmakend geacht, en volgens Google moet men nu zo handelen om aan dwangsommen te ontkomen.

Met dank aan Tweakers vond ik het arrest van begin mei dit jaar. Hoewel wat Google doet, best wel lijkt op citeren, is daarvan geen sprake. Google neemt telkens het “hart” van het artikel over volgens het Hof. Dat lijkt me echter onvermijdelijk bij nieuws: nieuwsberichten zijn eigenlijk altijd zo opgebouwd dat je in de eerste drie zinnen de kern leest, en pas als je dan doorleest krijg je meer achtergrond.

De persexceptie gaat ook niet op, want daarvoor moet het gaan om actueel nieuws dat nú nú nú gebracht moet worden. Google bewaart nieuws 30 dagen, daar is geen haast bij. Bovendien publiceert Google geen eigen nieuws, ze is meer een knipselkrant (wat het Hof onderbouwt met een link in het arrest naar een Frans Wikipedia-artikel ter onderbouwing).

Google herpubliceert volgens het Hof eenvoudigweg het nieuws, en zorgt er daarbij voor dat de bron inkomsten en bezoekers misloopt. Dat is dus in strijd met de driestappentoets (zie ook het Infopaq-arrest van het Europese Hof). Je mag stukjes uit andermans werk gebruiken maar zij mogen er geen boterham minder om eten.

Vanwege deze schendingen van het auteursrecht werd Google verplicht

à retirer des sites Google.be et Google.com, plus particulièrement des liens en cache visibles sur «Google Web» et du service «Google News», tous les articles (…)

Dit was in lijn met de eisen van de kranten, die ook hun pijlen hadden gericht op “tout ses sites (Google News et «cache» Google sous quelque dénomination que ce soit)”.

Het draait dus om “plus particulièrement” oftewel “meer in het bijzonder”. Bedoelt het Hof daarmee “deze specifieke diensten op Google.com/.be” of “alle diensten op Google.com/.be en met name maar niet alleen deze specifieke”? De dwangsom van 25.000 euro per dag dat niet voldaan wordt aan het bevel zou voor een gemiddeld bedrijf reden moeten zijn om de conservatieve interpretatie te kiezen.

Nu is Google geen gemiddeld bedrijf, maar ook voor hen lijkt me 25.000 euro per dag toch aan te gaan tikken. Hoewel men recent in Taiwan toch enige tijd de boetes voor schenden van het retourrecht op apps willens en wetens heeft laten oplopen, maar dat is nu ook gestopt. Het komt natuurlijk wél heel goed uit dat het vonnis hier net een tikje ambigu is.

Arnoud

of lees de 22 reacties

Cashback aan boekenkoper geen strijd met vaste boekhandelsprijs

splinq.pngInternetplatform SplinQ overtreedt niet de Wet op de vaste boekenprijs door mensen een cashback te geven bij een boekaankoop die via hun site tot stand komt. Dat blijkt uit een arrest van het Hof Amsterdam (via) in een zaak tussen SplinQ en het Commissariaat voor de Media. Daarmee wordt het vonnis vernietigd dat deze constructie juist wél in strijd met de wet verklaarde. (Maar de Telegraaf kletst uit haar nek met de stelling dat de vaste boekenprijs nu is afgeschaft.)

SplinQ exploiteert sinds februari 2008 websites waarop bedrijven adverteren ten behoeve van de verkoop van producten. De grap daarbij is dat SplinQ de advertentie-inkomsten deelt met de koper. Een cashbackconstructie (zoals dit heet) is op zich een prima regeling, alleen bij boeken ontstaat er dan een probleem. Een cashback kun je namelijk zien als een korting, maar het verlenen van kortingen op boekverkoop aan eindafnemers is namelijk alleen onder bijzondere omstandigheden mogelijk, zo blijkt uit de Wet op de vaste boekenprijs (Wvbp).

De korting werd echter niet verleend door de boekhandel, maar door SplinQ. Daarmee draait het om de vraag in hoeverre je het de boekverkoper kunt toerekenen dat deze cashback wordt verleend wanneer er via SplinQ een boek wordt verkocht. Het Hof vindt dat dit niet kan bij SplinQ, omdat de boekverkoper niets te zeggen heeft over wat SplinQ doet met de advertentie-inkomsten die het binnenhaalt.

Dat het riekt naar omzeilen van de strekking van de Wvbp, is voor het Hof geen reden deze wet dan maar om te gaan buigen:

Indien de verantwoordelijkheid van de boekverkoper zo ver strekt dat hij rekening moet houden met derden die de verkoop van boeken betrekken in een algemeen voor hun website geldend beloningssysteem, zoals hier aan de orde is, had de wet daarvoor een uitdrukkelijke grondslag moeten bieden.

En terecht. Zoals het Hof zelf ook al opmerkt, de Wvbp is een inbreuk op het Europese grondrecht van een vrij verkeer van goederen, en deze wet moet dus zo beperkt mogelijk worden toegepast. Bovendien gaat de Wvbp in principe alleen over de relatie boekverkoper-boekkoper, en in die relatie wordt geen korting verleend door de verkoper.

Een boekhandel mag dus adverteren op sites als SplinQ, ook als hij weet dat die sites een deel van de advertentie-inkomsten terugbetalen aan de koper van een boek.

Arnoud

of lees de 3 reacties

Adwords-arrest: “Travel card” beschrijvend voor tankpas, “Travelcard niet”

24 januari 2011, 8:41 | Merken, Zoekmachines | 17 reacties

travel-card-multi-tank-card.pngDat gaat lekker zo met die Adwords-rechtszaken. Vorige week deed het Gerechtshof Amsterdam uitspraak in het hoger beroep van de TravelCard-zaak: is er sprake van merkinbreuk als je adverteert op “travel” en “card” voor een kaart die concurreert met TravelCard?

Adverteren op merken kan merkinbreuk zijn, zo weten we sinds het Google/Vuitton-arrest. Het hoeft niet: wie bijvoorbeeld vergelijkende reclame maakt of legitieme wederverkoper is, pleegt geen merkinbreuk. En we hadden natuurlijk ook nog de Cruise Travel-zaak waarbij een beschrijvende term (”cruise travel”) die voorkwam in een beeldmerk werd gebruikt in een Adwords-campagne.

De zaak hier lijkt daar een beetje op. Benzinepasmaatschappij Multi Tank Card (MTC) had geadverteerd op de termen “travelcard”, “travel card”, “travel” en “card”. Daar was concurrent Travelcard niet blij mee, en op grond van o.a. hun handelsnaam en het beeldmerk met de kreet Travelcard erin spande men een rechtszaak aan. In eerste instantie werden de eisen afgewezen omdat “travelcard” een zuiver beschrijvende term zou zijn voor tankpassen. Maar het Hof verwerpt dat argument: we spreken in de Benelux niet van travelcards maar van tankpassen.

Het teken ‘travelcard’ heeft in zoverre in dat specifieke kader wel (enig) onderscheidend vermogen en stelt aldus het relevante publiek in staat om de betrokken diensten als afkomstig van een onderneming te onderscheiden. Dat het relevante publiek bij het horen van de bestanddelen travel en card een verband zal leggen met reizen en betaal- en kredietkaarten is niet voldoende om hier anders over te oordelen.

Het woordmerk is dus beschermd. Heel sterk vind het Hof het merk niet, maar helemaal nul bescherming verdient het ook weer niet. Dan de volgende vraag maar: is er sprake van inbreuk?

Ja en nee. De woorden “travel” en “card”, los of naast elkaar geschreven, zijn gewoon beschrijvende woorden voor mensen die kaarten zoeken waarmee ze brandstof kunnen betrekken voor het vervoer/reizen per auto. Dat kan Travelcard niet monopoliseren. Maar als je dat aan elkaar schrijft, dan wel: met die spelling is het duidelijk dat je aanhaakt bij het merk van de concurrent. Het Hof noemt dat zelfs een “evidente verwijzing”, oftewel het “kom nou toch”-argument.

De merkenlogica volg ik niet: als “travel” en “card” de beschrijvende woorden zijn voor “(benzine bij het) reizen” en “betaalkaart”, waarom is dan de combinatie van die twee ineens níet beschrijvend? Een merk dat uit twee bestaande woorden bestaat, moet in de combinatie meer zitten dan alleen maar de twee woorden in hun gewone betekenis. Ik zou werkelijk niet weten wat voor creatiefs je krijgt door “travel” en “card” aan elkaar te plakken. (Ok, als het argument is dat “travel” niet beschrijvend is voor benzine tanken, dan snap ik de conclusie maar dan begrijp ik weer niet waarom “travel” op zich dan wél die tankbetekenis krijgt van het Hof.)

Hoe dan ook, MTC mag adverteren op de losse woorden - inclusief “travel card” - maar niet op de aaneengeschreven combinatie uit het merk van de concurrent. En, leuk detail: TravelCard mag dan weer wel adverteren op “tank card” hoewel dat de naam van MTC is: “tank card” is natuurlijk zo beschrijvend als wat voor tankcards.

Arnoud

of lees de 17 reacties

Adwords en beschrijvende merken in hoger beroep

30 december 2010, 8:44 | Merken, Zoekmachines | 4 reacties

De term “cruise travel” is beschrijvend voor de dienst “cruisereizen”, dus het bedrijf Cruise Travel kan niet verbieden dat anderen Adwords-advertenties kopen op die term als ze hun cruisereizen willen promoten. Ook niet op grond van haar beeldmerk waar dat woord in staat. Dat oordeelde het Gerechtshof Amsterdam gisteren in het hoger beroep van de Cruise Travel/Cruise Factory-zaak waar ik over berichtte halverwege 2009. (En ja ik was adviseur van Cruise Factory.)

In eerste instantie wilde de rechter geen uitspraak doen over de vraag of het merk “Cruise Travel” met gestileerde meeuw wel geldig was voor de woorden “Cruise Travel”. Zelfs als dat zo zou zijn, dan nog kon Cruise Travel niet verbieden dat Cruise Factory adverteerde op de term “cruise travel”. Die term was immers gebruikelijk in de branche om cruisereizen mee aan te duiden. De bestemming of kenmerken van een product mag je altijd aanduiden, ook als je daarbij de merknaam van een concurrent nodig hebt.

Het Hof is strenger: de term “cruise travel” is gewoon beschrijvend, en de merkhouder kan per definitie dus niets doen tegen advertenties op die beschrijvende term.

Cruise Factory heeft aangevoerd dat het gebruik van het tekstuele elementen van het (beeld)merk van Cruise Travel geen merkinbreuk koplevert omdat de woorden ‘cruise’ en ‘travel’ (ook in combinatie) beschrijvend zijn voor de diensten waarop het merk betrekking heeft en in de reiswereld ook veel gebruikt worden. Dit verweer slaagt. Evenals de losse woorden ‘cruise’ en ‘travel’ moet ook de (aaneengeschreven) combinatie daarvan als beschrijvend worden aangemerkt voor de diensten die door Cruise Travel onder het reeds genoemde beeldmerk worden aangeboden (Reizen met cruiseschepen, of, zoals Cruise Travel het zelf omschrijvt - vgl. inleidende dagvaarding onder 1 en 11 - “cruise reizen”).

Daarmee hoeft het Hof niet verder te kijken naar de vraag of hier sprake is van aanduiden van bestemming of kenmerken van de diensten van Cruise Factory. Een beetje jammer want nu weten we nog niet of dat een geldig verweer kan zijn bij Adwords.

Cruise Travel had ook gesteld dat inbreuk werd gepleegd op haar handelsnaam. Op zich kan dat, ook bij een beschrijvende handelsnaam. Maar hier niet, want Cruise Factory had overal duidelijk gemaakt dat zij als bedrijf naar buiten treedt onder de naam Cruise Factory en niet Cruise Travel. Dit sluit aan bij de Google/Farm Date-zaak waar een vergelijkbaar argument werd gevoerd.

Een advertentie kopen op andermans handelsnaam is op zichzelf nog geen handelsnaaminbreuk:

Dat als gevolg van het intypen van het woord ‘cruise’ gevolgd door ‘travel’ op de desbetreffende internetpagina(s) een advertentie verschijnt van Cruise Factory is niet reeds aan te merken als handelsnaamgebruik: voldoende duidelijk is immers dat de zoekwoorden niet aan een onderneming doch aan de aard van de door Cruise Factory aangeboden diensten refereren.

Pas als CF op de landingpagina groot de term “Cruise Travel” zou hebben gebruikt, zou dat wellicht anders kunnen uitvallen. (Iets waar Welkom bij merknaam-sites dus de fout mee ingaan.)

Arnoud

of lees de 4 reacties

Adverteren bij Google voor tweedehands merkproducten mag

13 juli 2010, 8:56 | Merken, Zoekmachines | 14 reacties

portakabin-primakabin-adwords.pngAdverteren bij Google voor tweedehands merkproducten mag, zolang je advertentie maar duidelijk is over jouw relatie tot de merkhouder. Dat blijkt uit het Europese arrest C‑558/08 in de Portakabin/Primakabin-zaak (via) waarover onze eigen Hoge Raad vragen had gesteld. Het Hof van Justitie komt nu met nadere regels over wanneer de uitzonderingen op het merkrecht opgaan bij advertenties gekoppeld aan de merknaam als zoekwoord.

Na het onlangs gewezen arrest Google/Vuitton doet het Europese Hof nu ook uitspraak over de Portakabin/Primakabin-zaak. Hier stonden de advertenties van het bedrijf Primakabin centraal. Zij adverteerde voor “gebruikte portakabins”, wat na een sommatie van Portakabin veranderd werd in “gebruikte Portakabin units”. Tot aan de Hoge Raad werd doorgeprocedeerd of dit wel mocht, en die verwees de zaak door naar het Europese Hof omdat merkenrecht nu eenmaal Europees geregeld is.

Het Europese merkrecht kent grofweg twee redenen om een merk te gebruiken: om te verwijzen naar de soort, kwaliteit, bestemming etcetera van het eigen product en om te adverteren met een legitiem op de markt gebracht product. Bij ’soort, bestemming etcetera’ moet je denken aan een vermelding “Past in de Philips THX1138 stofzuiger”.

In het arrest wordt de regel bevestigd uit het Google/Vuitton-arrest: advertenties met merknamen erin (of gekoppeld aan merknamen) zijn gewoon keihard merkinbreuk als “de normaal geïnformeerde en redelijk oplettende internetgebruiker” niet meer kan zien of er een band is tussen de adverteerder en de merkhouder.

Daarna besluit het Hof dat die verwijzings-uitzondering in principe niet kan opgaan bij advertenties bij zoekmachines. Er is normaal geen reden om te verwijzen naar andermans product - tenzij je dus stofzuigerzakken voor de Philips THX1138 stofzuiger wilt verkopen. De rechter moet dit van geval tot geval onderzoeken, maar moet daarbij voorop stellen dat het gebruik niet toegestaan.

Een verkoper kan wél adverteren met merknamen als hij gewoon legaal verkregen merkproducten wil doorverkopen. Dit is al decennia vaste rechtspraak: het merkrecht is ‘uitgeput’ wanneer de merkhouder zelf het product in Europa op de markt brengt. Anderen mogen dat dan doorverkopen, en mogen ook reclame maken met de merknaam in hun advertenties over dat doorverkopen. (Je zou zeggen dat dat logisch is maar er is vele malen tot aan dit Europese Hof over geprocedeerd, want volgens merkhouders is tweedehands doorverkoop toch wel een schandalig stukje piraterij en merkmisbruik.)

Als je die vaste rechtspraak doortrekt naar advertenties, dan wordt de hoofdregel

dat de houder van een merk een adverteerder niet kan verbieden om, op basis van een zoekwoord dat gelijk is aan of overeenstemt met dat merk en dat deze adverteerder zonder toestemming van die houder heeft geselecteerd in het kader van een zoekmachineadvertentiedienst op internet, reclame te maken voor de wederverkoop van tweedehands waren die oorspronkelijk door de merkhouder of met zijn toestemming onder dit merk in de EER in de handel zijn gebracht

Natuurlijk zijn daar uitzonderingen op. Als de merkhouder een “gegronde reden” heeft, dan mag hij nog steeds bezwaar maken.

Het Hof noemt een aantal voorbeelden van wanneer er zo’n gegronde reden is:

  • als de advertentie de reputatie van het merk ernstig schaadt;
  • als de adverteerder de indruk wekt dat er een economische band bestaat tussen hem en de merkhouder, bijvoorbeeld door te suggereren dat hij tot het distributienet van de merkhouder behoort (geautoriseerd dealer is);
  • als de adverteerder de merkproducten van hun merkaanduiding ontdoet (”debranding”) en er zijn eigen merkje opplakt.

Daar staat tegenover dat er níet meteen al sprake is van een gegronde reden als

  • je de merknaam combineert met het woord “gebruikt” of “tweedehands”
  • de reclame jouw imago versterkt (”sjonge, hij verkoopt Dior, nou dan zal het wel een goeie zijn”)
  • je ook andere (tweedehands of nieuwe) producten verkoopt, tenzij die andere producten “het imago dat de houder voor zijn merk heeft weten te creëren” ernstig zou kunnen schaden (dus geen Dior parfum tussen de vuilniszakken)

Ik zou dus zeggen dat hieruit volgt dat je mag adverteren met merkproducten die je tweedehands verkoopt, als

  1. je die producten legaal in Europa ingekocht hebt,
  2. je er netjes bij meldt dat ze tweedehands of gebruikt zijn als dat zo is,
  3. je je eigen bedrijfsnaam noemt in de advertentie,
  4. geen bijdehante of dubbelzinnige opmerkingen opneemt die suggereren dat je toestemming hebt van de merkhouder, en
  5. je de merknamen en logo’s op het product niet gaat overplakken.

In het kader van de giecheltoets: “wettelijk geautoriseerd dealer” noemen en dan zeggen “van de wet ben ik geautoriseerd om te dealen in tweedehands producten” mag dus niet.

Heel verrassend is dit arrest niet, maar het is goed om het zo op een rijtje te hebben staan want zoals gezegd willen merkhouders nog wel eens over de rooie gaan omdat iemand hun merkproducten durft door te verkopen en dat nog waagt te adverteren ook.

Arnoud

of lees de 14 reacties

De Google cache legen, moet dat?

Wie iets op zijn website zet dat door de rechter verboden wordt (bijvoorbeeld smaad, privacyschending of auteursrechteninbreuk), moet dat verwijderen. Logisch. Maar naast verwijderen van je eigen site kun je ook veroordeeld worden om het artikel van andere plekken op internet te laten verwijderen. De bekendste plek is de Google cache, waar tot enkele maanden na verwijdering van het origineel vaak nog een kopie te vinden is. Hoe ver kan zo’n veroordeling gaan?

In mei werden twee mensen veroordeeld wegens publicatie van een aantal onrechtmatige artikelen over vermeend seksueel misbruik van hun kind door de vader. Zij kregen daarbij de opdracht de artikelen

te verwijderen en verwijderd te houden, in zoverre dat deze artikelen op geen enkele wijze meer via welke zoekopdracht dan ook op het internet zijn terug te vinden

Een dikke maand later stond men er weer over de vraag wat dat nu betekent voor de Google cache. De gedaagde had netjes brieven gestuurd naar allerlei websites, en die hadden het artikel keurig verwijderd. Ook Google kreeg zo’n brief, maar had daar kennelijk niets mee gedaan. Was daarmee het vonnis genegeerd? (met dank aan Margriet Koedooder)

De kortgedingrechter is zelf even gaan kijken(!) bij Google en ontdekte dat deze een speciale procedure voor verwijderen van URLs uit de index en cache heeft. Die speciale procedure is in gewonemensentaal uitgelegd en gemakkelijk te vinden vanaf de Google homepage. Daarom had de gedaagde deze procedure moeten volgen, aldus de rechter.

De rechter interpreteert de hierboven aangehaalde opdracht als een “zware inspanningsplicht”: je bent niet letterlijk verplicht het overal gewist te krijgen (dat kan niet) maar je moet wel laten zien dat je alles hebt gedaan dat redelijkerwijs mogelijk was om het weg te krijgen. En zo’n plicht geldt ook voor leken:

Als [gedaagden] van mening zijn dat zij onvoldoende kennis van internet hadden om er zeker van te zijn dat zij aan het vonnis voldeden had het op hun weg gelegen zich daarover te laten voorlichten of daar nadere informatie over in te winnen. Niet is gesteld of gebleken dat zij dit (tijdig) hebben gedaan of dat zij naar dergelijke informatie hebben gezocht.

Mede daarom oordeelde de rechter dat er te weinig is gedaan om aan het vonnis gehoor te geven, zodat een dwangsom van 22.500 euro betaald moest worden.

Mooi. Een rechter met clue.

Arnoud

of lees de 27 reacties

Merkinbreuk door AdWords: adverteerders wel, Google niet

24 maart 2010, 8:26 | Aansprakelijkheid, Merken | 30 reacties

Daar zijn we dan: het langverwachte Adwords-arrest, meldt Boek9.nl. Naar aanleiding van een Franse rechtszaak heeft het Europese Hof van Justitie nu eindelijk uitsluitsel gegeven in haar arrest C‑236/08 tot en met C‑238/08. Kort gezegd: Google pleegt geen merkinbreuk als mensen adverteren op merknamen, maar moet wel ingrijpen als de merkhouder een klacht indient over een inbreukmakende advertentie. Adverteerders zijn zelf wel aansprakelijk voor merkinbreuk bij de advertenties die ze opgeven.

Centraal stond hier de vraag of je Adwords mag kopen op merknamen als je daarmee concurrerende producten wilt aanprijzen, en in het bijzonder als je daarmee “authentieke namaak” wilt verkopen.

Hoofdregel is volgens het Hof dat je wel degelijk een merknaam gebruikt in de zin van het merkenrecht als je advertenties laat verschijnen bij zoekresultaten (SERPs) waarbij de merknaam als zoekopdracht is opgegeven. Dat geldt echter alleen voor de adverteerder zelf, en niet voor Google.

Het feit dat iemand zorgt voor de technische voorzieningen die nodig zijn voor het gebruik van een teken, en daarvoor wordt vergoed, betekent immers niet dat degene die deze dienst verleent, zelf het teken gebruikt.

Dat is een belangrijke conclusie, omdat Google nu niet op grond van het merkenrecht kan worden aangesproken als er een inbreukmakende advertentie verschijnt bij Google-zoekresultaten.

De adverteerder loopt dus wel een risico: als zijn advertentie afbreuk doet aan wat juridisch de “herkomstaanduidingsfunctie” heet, dan pleegt hij merkinbreuk. Die herkomstaanduidingsfunctie is in feite waar het merkenrecht om draait; het doel van een merk is dat mensen het merkproduct kunnen onderscheiden van andere producten. Wie kort gezegd dat doel doorkruist, pleegt merkinbreuk. Daarvan is sprake wanneer

de advertentie het voor de normaal geïnformeerde en redelijk oplettende internetgebruiker onmogelijk of moeilijk maakt om te weten of de waren of diensten waarop de advertentie betrekking heeft, afkomstig zijn van de merkhouder of een economisch met hem verbonden onderneming

Zo’n internetgebruiker kan zich vergissen, aldus het Hof, wanneer hij een advertentie ziet verschijnen nadat hij een merknaam heeft ingetoetst. Het is immers logisch dat zo’n advertentie het merkproduct betreft. Daarom moet de merkhouder kunnen verbieden dat advertenties van derden worden weergegeven waarvan internetgebruikers ten onrechte kunnen denken dat zij van de merkhouder afkomstig zijn.

Ook als de advertentie duidelijk is dat er niet zo’n band is, kan er sprake zijn van merkinbreuk. Dat is het geval als de adverteerder “zo vaag blijft over de herkomst van de betrokken waren of diensten” dat die internetgebruiker uit de advertentie niet kan opmaken of de adverteerder een derde is of gelieerd aan de merkhouder.

Er is dus ruimte om te adverteren op merken, maar je zult het wel absoluut duidelijk moeten maken wie jij bent en wat je relatie tot de merkhouder is. Daarover zullen nog wel de nodige processen worden gevoerd. Eén ding staat al wel vast: de “authentic fakes”-advertenties mogen niet, hoe duidelijk je ook bent over het nep zijn van de producten.

Omgekeerd is het niet genoeg om van merkinbreuk te spreken zodra andere mensen gaan bieden op het merkwoord om daar Adwords-advertenties mee te laten verschijnen. Dit valt onder de “reclamefunctie” van het merk, wat inhoudt gebruik “als element ter bevordering van de verkoop of als handelsstrategisch instrument”. De merkhouder moet dan misschien meer betalen om zijn eigen advertenties bovenaan te laten komen, maar daarmee staat nog niet vast dat sprake is van merkinbreuk.

Als laatste oordeelt het Hof nog dat de Adwords-dienst van Google onder het beschermingsregime voor internettussenpersonen (providers) valt. Deze geldt voor dienstverleners die informatie van anderen (hier: advertenties en bijbehorende trefwoorden) opslaan en vertonen. Zij zijn niet aansprakelijk als ze geen controle op de inhoud of doorgifte hebben. En dat doet Google niet, aldus het Hof: zij selecteren niet zelf welke advertenties waar komen te staan, dat doen de adverteerders - die geven de trefwoorden op en betalen een bedrag dat bepaalt hoe hoog ze scoren. Daarmee is Google slechts een passief doorgeefluik en dus niet aansprakelijk. Ze hoeven dus alleen advertenties te verwijderen als de merkhouder ze wijst op het inbreukmakend karakter daarvan. En Vuitton kletst uit haar nek als ze zegt dat het Hof “denies Google the status of hosting services provider”.

Arnoud

of lees de 30 reacties

Blast from the past: merkinbreuk door metatags

11 maart 2010, 8:18 | Merken, Zoekmachines | 13 reacties

meta-keywords.pngNee, het vonnis is echt in 2010 gewezen: gebruik van een merk in een META-tag is merkinbreuk. Ja, ze worden echt nog gebruikt, de verborgen codes om zo extra trefwoorden aan zoekmachines te voeren. Maar geen enkele serieus te nemen zoekmachine ondersteunt u, zult u misschien denken nu. Nou, dan bent u in goed gezelschap want dat riep de gedaagde in dat vonnis ook. Helaas hielp het hem weinig.

Het vonnis is een vervolg op een ex parte beschikking waarin de gedaagde zijn site moest sluiten omdat sprake zou zijn van merk- en auteursrechteninbreuk. Het gaat grotendeels over de vraag of je daar in een kort geding nog op terug mag komen: nee, want het gaat om dezelfde feiten als die eerdere zaak. Maar het stuk over de metatags is nieuw en wordt daarom wel inhoudelijk behandeld.

In theorie kun je met metatags zoekmachines extra trefwoorden geven, zodat je hoger in de zoekresultaten terechtkomt als iemand die opgeeft als zoekopdracht. Als je op die manier andermans merk gebruikt, kan dat merkinbreuk zijn. In de praktijk kijkt geen zoekmachine daar meer na, omdat deze truc veel te vaak misbruikt wordt. Is het desondanks merkinbreuk? Nee, aldus de gedaagde: als zoekmachines er niet naar kijken, worden de metatags niet ‘gebruikt’ in de zin van de merkenwet.

De rechter prikt daar echter meteen doorheen:

Bij gebrek aan onderbouwing van het tegendeel, acht de voorzieningenrechter voorshands voldoende aannemelijk dat keyword metatags op zijn minst enige invloed hebben op de vindbaarheid van een website. Die invloed zou alleen ontbreken als alle relevante zoekmachines de keyword metatags volledig zouden negeren. Dat is voorshands niet aannemelijk, gelet op het feit dat die sturing juist de functie van de keyword metatags is. Dat het gebruik daadwerkelijk geen enkel effect meer heeft, valt bovendien moeilijk te rijmen met het feit dat [X] er wel voor heeft gekozen het teken BODUM op te nemen in de keyword metatags.

Daar zit wat in: waarom gebruik je die metatag als geen zoekmachine zich erdoor laat leiden?

Het verbod om het merk van eiser nog als metatag te gebruiken wordt dan ook toegewezen. Immers:

[N]iet valt in te zien welk legitiem belang [gedaagde] heeft bij voortzetting van het gebruik van de betreffende metatag. Als de metatag geen effect heeft, wordt [gedaagde] immers niet benadeeld door een verbod. Als de metatag wel effect, maakt [gedaagde] inbreuk en maakt [eiser] aanspraak op een verbod.

Iemand enig idee waarom mensen nog metatags gebruiken voor trefwoorden? Conservatisme, onwetendheid, staat leuk, extra uurtje voor ‘t factuurtje?

Arnoud

of lees de 13 reacties
Volgende Pagina »
De wet op internet Koop het boek Software: Deskundig en praktisch juridisch advies
Of een van de andere boeken over internetrecht!

Auteur: Arnoud Engelfriet - Licentie: Creative Commons BY-SA 2.5 - Disclaimer - Powered by WordPress