Wat mogen ze nu eigenlijk met mijn BurgerServiceNummer (BSN)?

bsnWat mogen ze nu eigenlijk met mijn BurgerServiceNummer (BSN)? Een veelgestelde vraag in mijn inbox. Het antwoord is eigenlijk simpel: Helemaal niks, maar trekt iemand zich daar wat van aan? Nee dus. En wat kun je daaraan doen? Ook helemaal niks. Argh.

Het burgerservicenummer (BSN) is een uniek persoonsnummer voor iedereen die ingeschreven staat in de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens (GBA). Het is de vervanger van het sociaal-fiscaal nummer, en bedoeld voor de overheid om het dossier van een burger altijd te kunnen vinden en persoonsgebonden zaken te kunnen regelen. Dát is handig, zo’n uniek serienummer, denkt menig ondernemer en vraagt dus rustig om een BSN. Of men wil een kopietje paspoort en staat er niet bij stil dat je dan ook het BSN kopieert.

Nee, dat mag niet. De Wet algemene bepalingen BSN, en ook de Wbp hebben hier wat over te zeggen. Het BSN is namelijk een “wettelijk voorgeschreven identificatienummer”, en daarover zegt artikel 24 Wbp:

Een nummer dat ter identificatie van een persoon bij wet is voorgeschreven, wordt bij de verwerking van persoonsgegevens slechts gebruikt ter uitvoering van de betreffende wet dan wel voor doeleinden bij de wet bepaald.

Oftewel: sorry, maar wáár staat in de wet dat u mijn BSN mag noteren, kopiëren laat staan ergens voor gebruiken? Geen antwoord = magnie.

Er zijn een paar beperkte uitzonderingen. Werkgevers moeten het BSN van hun werknemers vastleggen in verband met bestrijding van zwartwerken. Banken moeten het BSN weten voor wettelijk verplichte uitwisseling van gegevens met de Belastingdienst. In de zorg is je BSN soms ook verplicht. Maar in het algemeen geldt voor bedrijven en winkels dat ze géén recht hebben je BSN te noteren. Zélfs niet als ze een duidelijk belang hebben bij legitimatie van de klant, zoals bij autohuur of het kopen van dure spullen zonder vooruitbetaling.

Hier blijkt alleen weer het tandeloze karakter van de Wet bescherming persoonsgegevens. Of misschien wel het principe “recht hebben versus recht krijgen”. Want het mag niet maar iedereen doet het, en als je er wat van zegt dan ben jíj gek. Op zijn best krijg je “zonder die gegevens kan ik helaas uw transactie niet afronden” en dan mag je boos weglopen mét privacy maar zonder huurauto, reservering of inkoop van tweedehands games.

En ja ik loop hier zelf ook tegenaan. Het is gedoe om hier een punt van te maken, de persoon aan de balie snapt het punt niet of mag niet afwijken van de procedure of doet het af met “wij doen écht geen gekke dingen met uw legitimatie meneer”. Wordt het tijd om organisaties eens te gaan schandpalen om hier verandering in te krijgen?

Arnoud

Roep om grens aan uitverkoop, maar mag dat wel?

sale-afgeprijsd-uitverkoop.pngOp Facebook is een ondernemer de actie ‘Sale starts on 1 juli’ gestart, las ik bij de NOS. De vrijheid-blijheid rond uitverkoop kost veel kleine winkels de kop, zo meldt de initiatiefneemster. Het plan is dan ook “de handen ineen slaan en met elkaar besluiten de uitverkoop van de zomercollecties in te laten gaan op 1 juli, en de wintercollecties op 1 januari”. Maar mag dat wel?

Tot 1984 had Nederland een Uitverkoopwet(*) waarin strenge grenzen bepaald waren over wanneer je dingen in de uitverkoop mocht plaatsen als ondernemer. Die wet is bij ons afgeschaft, maar onze buren hebben deze nog steeds. In Duitsland is er twee keer per jaar Schlussverkauf, en in België mag de detailhandel slechts twee keer per jaar onder de naam solden uitverkoop houden. Maar die wet is in strijd met de Europese regels over oneerlijke handelspraktijken.

De Europese regels bepalen wat eerlijk en oneerlijk is in de handel. Deze regels formuleren een open norm, en voegen daar een zwarte lijst aan toe met dingen die in elk geval oneerlijk zijn. Elke lidstaat moet die regels in zijn eigen wet opgenomen hebben, en mag daar niet van afwijken. In 2010 bepaalde het Europese Hof dat een categorisch verbod op uitverkoop in strijd is met die richtlijn. Daarop verklaarde de hoogste Belgische rechter dan ook de sperperiode (het verbod op afprijzen buiten de solden) in strijd met de Europese wet en dus ongeldig.

Goed, wettelijk terug naar de Uitverkoopwet is dus geen optie. Maar “de handen ineen slaan” en weigeren tot afprijzen of uitverkoop over te gaan in onderling overleg, mag dat dan misschien wel?

Nee, ook niet. Een afspraak om geen korting te geven of uitverkopen te adverteren is een prijsafspraak, en als er iets is waar de mededingingswaakhonden van gaan blaffen dan zijn het wel prijsafspraken. Die bederven immers de concurrentie, en concurrentie zorgt voor lagere prijzen en dat is in het voordeel van de consument. En daar doen we het allemaal voor, uiteindelijk.

Hoewel. Het gaat er hier niet om de prijs kunstmatig hoog te houden om zo de consument uit te knijpen, maar om te voorkomen dat kleine winkels massaal failliet gaan in deze recessie. Minder winkels is óók niet echt in het voordeel van de consument. Dus ik begrijp goed de zorgen en het idee, maar juridisch gezien is dit kansloos zodra het boven de ‘bagatelgrens’ uitkomt van 5% marktaandeel. Want onder die grens mag je prijzen afspreken wat je wil.

Wat denken jullie? Is dit een wenselijk initiatief, even los van wat er wettelijk kan?

Arnoud<br/> PS: bij het nazoeken vond ik dit artikel met daarin “Bijna dertig jaar geleden werd de uitverkoopwet afgeschaft”. Auw. 1984 voelt voor mij niet als dertig jaar geleden. Ik ben oud. 🙁

Linkedin brak Nederlandse wet met personeelsadvertentie met vraag naar etnische afkomst

Juridische foutje-bedankt van de maand: bij een personeelsadvertentie van zakelijkesocialmediasite LinkedIn werd naar ras en etnische afkomst van de sollicitant gevraagd, onder verwijzing naar Amerikaanse positieve-discriminatiewetgeving. Dat ontdekte Bas van de Haterd eerder deze week. De fout werd per direct opgelost, want dat mag natuurlijk absoluut niet.

Wie zijn CV wilde insturen naar LinkedIn, kreeg als laatste set vragen deze (optionele) items te zien:

Schermafbeelding-2013-06-09-om-13.58.43-550x242

In de VS stimuleert men positieve discriminatie op ras en geslacht, om zo meer minderheden aan het werk te krijgen. Dit is met name bij leveranciers van de overheid van belang. Op zijn minst móet je ras en geslacht bijhouden voor statistische doeleinden.

In Nederland mag een werkgever eenvoudigweg niet vragen naar bijzondere persoonsgegevens, en ook niet naar zaken die tot directe of indirecte discriminatie kunnen leiden. Bijzondere persoonsgegevens gaann over iemands godsdienst of levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, gezondheid, seksuele leven en (belangrijk bij het werk) het lidmaatschap van een vakvereniging.

Van discriminatie is sprake als er zonder objectieve grond een onderscheid wordt gemaakt. Een werkgever mag bv. vragen dat iemand goed Nederlands spreekt als dat voor de functie relevant is, maar niet automatisch Polen uitsluiten omdat hij denkt dat die geen goed Nederlands kunnen spreken.

Ras en achtergrond mag je eigenlijk nooit vragen, behalve in heel bijzondere gevallen wanneer dat echt objectief relevant is (een acteur die Sinterklaas moet spelen). Een bekend voorbeeld is aan een vrouw vragen of ze zwanger is/gaat worden, dat mag niet want kan indirect tot uitsluiting van die vrouw leiden wegens haar geslacht. Bij mannen zou je zoiets nooit vragen immers.

Je mag zulke dingen niet vragen, ook niet in de “je hóeft niet te antwoorden maar”-vorm. Het punt is dat ook bij die vrijwillige vragen de ondertoon is “mensen die het niet invullen hebben een streepje minder”.

Gelukkig bleek dit een slordig foutje. Een woordvoerder van Linkedin liet Bas meteen weten:

 ‘’De vragen op ons sollicitatieformulier in Nederland over geslacht, etniciteit en ras zijn onjuist toegevoegd en wij hebben deze dan ook direct verwijderd toen dit onder onze aandacht werd gebracht. Deze vragen zijn onbedoeld toegevoegd op het Nederlandse formulier door een bug in de Applicant Tracking System (ATS) software die we gebruiken. We hebben nauw samengewerkt met Jobvite, onze ATS supplier, om dit aan te passen en zullen blijven samenwerken met Jobvite om ervoor te zorgen dat dit niet meer gebeurt.’’

Gevalletje “verkeerde vinkje aangezet”?

Arnoud

Inkomsten in Bitcoins zijn gewoon belastbaar

bitcoin-cc-by-sa-flickr-zach-copleyNederlanders die inkomsten uitbetaald krijgen in de virtuele munteenheid Bitcoin, moeten daar belasting over betalen, las ik bij Nu.nl. Minister Dijsselbloem (Financiën) had dit gemeld in een reactie op kamervragen over de virtuele valuta. Hoewel Bitcoin geen elektronisch geld is in de zin van de wet, moet je toch gewoon belasting betalen als je inkomsten in Bitcoin betaald krijgt.

Wat is dan “elektronisch geld”? Volgens de Wet financieel toezicht (Wft) is dat een geldswaarde

  1. die elektronisch of magnetisch is opgeslagen
  2. die een vordering op de uitgever vertegenwoordigt,
  3. die is uitgegeven in ruil voor ontvangen geld om betalingstransacties te verrichten (…) en
  4. waarmee betalingen kunnen worden verricht aan een andere persoon dan de uitgever;

Bitcoins zijn geen vordering op de uitgever, en worden niet per se uitgegeven in ruil voor ontvangen geld (een storting op je bankrekening). Daarmee voldoet Bitcoin niet aan de definitie. Ook valt het niet onder de definitie van “financieel product”, waar onder meer betaalrekeningen, kredieten en verzekeringen onder vallen. In theorie kan het eronder geplaatst worden, want de minister kan bij AMvB bepalen dat andere producten “financieel” zijn. Maar daar lijkt nu nog weinig aanleiding voor te zijn, hoewel er toch naar schatting zo’n €20 miljoen aan Bitcoin door Nederlanders gehouden wordt.

Ik kan overigens geen definitie van ‘geld’ vinden in de Wft. Bij het doorzoeken kwam ik nog de term “wettig betaalmiddel” weer tegen, waar ik óók geen definitie van kan vinden. En dat fascineert, omdat het toch een term is die regelmatig wordt gebruikt. Misschien is dit zo’n algemeen bekende term dat we die niet hóeven te definiëren?

In ieder geval, het is niet verplicht om een betaling in een wettig betaalmiddel te accepteren. Tenminste, als er vooraf duidelijke spelregels zijn gesteld over wat men wél aanvaardt. Als ik een bordje ophang “geen biljetten van € 100 of hoger” of “Drank uitsluitend met onze muntjes” dan is dat de overeengekomen regel en dan kun je niet alsnog met een € 500-biljet of de tegenwaarde in Euro van die muntjes aankomen bij de bar. En meer algemeen mag je altijd een betaling met een onredelijk aantal munten (of biljetten) weigeren, want je moet als schuldenaar ‘redelijk’ zijn naar je schuldeiser toe (art. 6:2 BW) en een vrachtwagen vol 1 eurocentmunten is geen redelijke manier om je hypotheek af te lossen.

Maar hoe kan er nou belasting geheven worden op Bitcoin als Bitcoin geen geld is? Nou ja, eigenlijk vanwege de hele simpele regel dat je áltijd belasting moet betalen als je inkomsten genereert, ongeacht hoe die inkomsten worden uitbetaald. De Wet inkomstenbelasting 2001 is daar heel makkelijk in: wie ‘winst uit onderneming’, ‘loon’ of ‘resultaat uit overige werkzaamheden’ heeft ontvangen, moet daar belasting over afdragen. Of dat resultaat nu in Euro’s, Bitcoins of bananen is uitbetaald, doet niet ter zake. Je krijgt alleen een praktisch probleem als het niet in Euro’s is: wat zijn die bananen, eh die Bitcoins nu waard en hoe reken je dat om naar Euro’s?

Dit probleem is dus niet echt nieuw, maar ja gooi een internet- of cyberterm er tegenaan en je hebt nieuws. In de antwoorden werd nog verwezen naar een Besluit uit 2008 over lokale geldstelsels (LETS: Local Exchange and Trade System) waarmee mensen onderling prestaties en diensten voor elkaar doen en verrekenen. Je ‘Letsgeld’ heet dan “een niet in geld genoten inkomst”, en deze wordt gewaardeerd tegen de koers zoals de Letsorganisatie die hanteert. Zo zou het bij Bitcoins ook moeten werken dus.

Intrigerend daarbij is nog dat bij die Lets er het probleem is dat die niet meer zijn dan een getal in de boekhouding van de organisatie. Er is niets waar de Belastingdienst beslag op kan leggen, in tegenstelling tot een bankrekening met giraal geld erop. Hoe daarmee omgegaan moet worden, is nog niet echt duidelijk geloof ik. Dus nu vraag ik me af, hoe doe je dat bij Bitcoin. Zou de Belastingdienst dan gewoon je bitcoinwallet kunnen pakken en een afboeking kunnen doen? In theorie zou ik zeggen van wel, ze mogen ook die sok met zwart geld onder je matras pakken en meenemen als dat het enige is om een belastingschuld mee te kunnen voldoen. Maar stel je hebt een wachtwoord op je wallet, kan de Belastingdienst je dan dwingen die af te geven? Je bent niet strafrechtelijk verdacht, dus er is geen sprake van tegen jezelf getuigen. Hmm.

Arnoud<br/> Foto: One BTC Coins, Zach Copley, Creative Commons BY-SA 2.0.

Wacht even, afgesloten internetverbinding voor 18-jarige KPN-hacker?

kpn-afgeslotenDe 18-jarige jongen die vorig jaar KPN-servers heeft gehackt heeft een celstraf van 45 dagen en een taakstraf van 100 uur gekregen, meldde Webwereld. Omdat de jongen exact dat aantal dagen al in voorarrest had gezeten, hoeft hij niet meer de cel in. Het vonnis lijkt niet gepubliceerd, logisch omdat het om een minderjarige gaat (ten tijde van de inbraak). Maar ik werd geïntrigeerd door de opmerking dat zijn internetverbinding afgesloten was door KPN.

Ik las namelijk deze opmerking in het persbericht van het Openbaar Ministerie:

Vanwege ontoelaatbaar internetgedrag was de verdachte in 2010 al door KPN gewaarschuwd. Zijn internetaansluiting is toen enige tijd afgesloten. Dat heeft hem er niet van weerhouden om verder te gaan met het binnendringen in computersystemen tot letterlijk aan het moment van zijn aanhouding.

Dit is opmerkelijk, omdat dat (sinds netneutraliteit) helemaal niet meer mág, iemand afsluiten omdat hij “ontoelaatbaar internetgedrag” vertoont. Nu geldt die wet pas sinds 1 januari jongstleden, en de inbraak was vorig jaar dus echt relevant is dat niet. Maar ik weet dat het nog steeds gebeurt bij diverse providers.

De Telecommunicatiewet (art. 7.6a) is duidelijk: afsluiten van een consument mag alleen op grond van één van deze zes voorwaarden:

  1. op verzoek van de abonnee;
  2. bij een tekortkoming in de nakoming van de betalingsverplichting door de abonnee of faillissement van de abonnee;
  3. bij bedrog in de zin van artikel 3:44 van het Burgerlijk Wetboek door de abonnee;
  4. wanneer de looptijd van de overeenkomst van bepaalde duur tot levering van de internettoegangsdienst afloopt en de overeenkomst met instemming van de abonnee niet wordt verlengd of vernieuwd;
  5. ter uitvoering van een wettelijk voorschrift of rechterlijk bevel; en
  6. bij overmacht en onvoorziene omstandigheden in de zin van artikel 6:258 van het Burgerlijk Wetboek.

De eerste twee lijken me evident. Van ‘bedrog’ is sprake als de consument KPN misleid heeft, bv. door een valse naam op te geven omdat zijn echte op een zwarte lijst staat. Nummer vier is ook weer evident. Nummer zes gaat over situaties waarin de feiten zó zijn gewijzigd dat je onmogelijk nog kunt verlangen van KPN dat ze met je doorgaan.

Nummer vijf klinkt als een grond voor afsluiten wegens abuse, maar is dat niet: het gaat daar over afsluiten als in de wet staat dat dat mag, of als de rechter bepaalt dat het contract opgezegd moet worden. Dat iemand een strafbaar feit pleegt via de internetverbinding, is weliswaar een overtreding van een wetttelijk voorschrift (namelijk art. 138ab Strafrecht, computervredebreuk) maar KPN voert dat wetsartikel niet uit.

KPN mag wél tijdelijk de internetverbinding blokkeren wanneer sprake is van “een inbreuk op de integriteit of veiligheid van het netwerk of de [internettoegangs]dienst” (art. 7.4a Tw), maar de blokakde moet dan noodzakelijk zijn om die inbreuk te beëindigen. Je zou dan kunnen denken aan een computer afsluiten omdat deze een ddos-aanval uitvoert of een virus of worm verspreidt. Maar hoe een hack op een computer van een derde “de integriteit of veiligheid van het netwerk of de [internettoegangs]dienst” in gevaar brengt, ontgaat me. “Abuse on the Net is not the same as abuse of the Net”, was ooit een internetmotto, en volgens mij geldt dat in deze wet nog steeds.

Meer dan een verbinding verbreken omdat er via die verbinding iets illegaals gebeurt, kun je volgens mij niet doen op grond van netneutraliteit. Iemand afsluiten wegens abuse mag dus niet (meer).

Arnoud

Mag je OpenOffice verkopen en daarbij aanhaken bij Microsoft’s bekendheid?

Tip via Twitter: mag je software proberen te verkopen door een ander softwarepakket te imiteren? Het blijkt te gaan om Officedownloadcenter.nl waar men “populaire office software direct [kan] digitaal downloaden”. En nee, dan val ik niet over de onmogelijkheid van analoog downloaden: bekijk die site en zeg me dat je geen seconde aan een Microsoft Office-licentieverkoop dacht.

Tussen de regels door is het vrij duidelijk dat men hier OpenOffice (of LibreOffice) aanbiedt: dat is het enige legitieme LGPL-gelicentieerde officepakket dat op een beetje fatsoenlijke wijze compatibel is met de Microsoft Office® suite. En ja, open source verkopen mag. Het is volstrekt legaal om geld te vragen voor het verspreiden van open source, Red Hat en vele anderen zijn er groot mee geworden.

Onderdeel van de consumentenwetgeving is een verbod op oneerlijke handelspraktijken. “Een handelaar handelt onrechtmatig jegens een consument indien hij een handelspraktijk verricht die oneerlijk is”, staat in 6:193a BW. Ik moet altijd lachen om lid 4 dat hiervan uitzondert de “gangbare en rechtmatige reclamepraktijk waarbij overdreven uitspraken worden gedaan of uitspraken die niet letterlijk dienen te worden genomen”, maar dat terzijde. Iets relevanter is namelijk artikel 193c iets verderop, dat letterlijk verbiedt dat:

a. door de marketing van het product waaronder het gebruik van vergelijkende reclame verwarring wordt geschapen ten aanzien van producten, handelsmerken, handelsnamen of andere onderscheidende kenmerken van een concurrent;

Ik zet voor de grap even twee logo’s naast elkaar, links deze verkoopsite en rechts het logo van Microsoft Office®tm©:

niet-echt-legitiem

Dat vierkant heeft exact dezelfde kleurstelling, ook het lettertype is volgens mij hetzelfde als wat Microsoft gebruikt om de titel van hun merkproduct te vermelden. Toegegeven, het woord ‘Microsoft’ ontbreekt en ‘Office’ is geen merknaam maar voor de oneerlijke handelspraktijken is het niet vereist dat je letterlijk andermans naam of logo gebruikt: het is genoeg als er “verwarring wordt geschapen”. En daar twijfel ik geen seconde aan.

Verderop staat er nog deze:

compitabel-ahem

en daar staat wél het Microsoft logo. Maar dat kan denk ik net wel: je mag van de merkenwet aangeven waar je eigen producten of diensten voor bestemd zijn of “compitabel” (ahem) mee zijn. En dat geldt ook voor logo’s. Wel geldt de eis dat je geen verwarring mag stichten over de relatie tussen jouw product en dat van de merkhouder. Met een logo zit je sneller aan verwarring dan met enkel een naam, maar een automatisme is het niet.

Ook misleidend is het om valselijk de indruk te wekken dat je bijna ‘los’ bent met je voorraad:

bedrieglijk beweren dat het product slechts gedurende een zeer beperkte tijd beschikbaar zal zijn … om de consument onmiddellijk te doen beslissen en hem geen kans of onvoldoende tijd te geven een geïnformeerd besluit te nemen;

En dan zie ik een statement dat er nog slechts “twee exemplaren beschikbaar” zijn en dat men “niet lang in staat” is een kortingsactie lang in de lucht te houden vanwege “het beperkt aantal exemplaren”. Wat dát moet betekenen in de context van software die je onbeperkt mag kopiëren (en verkopen) ontgaat me volledig. Natuurlijk, je mag best op zeker moment je prijs aanpassen en met de tijd tot dat moment kun je prima urgentie creëren maar ik zie hier toch echt een bewering in dat de goedkope licenties straks op zijn.

Detail is wel dat formeel de Wet oneerlijke handelspraktijken alleen ter bescherming van consumenten geldt. Een concurrent die last heeft van zo’n handelspraktijk kan er dus geen beroep op doen. Microsoft zou dus niet direct met deze wet een halt kunnen toeroepen aan deze site. Ze zouden het op het merkenrecht moeten gooien, of jurisprudentie moeten creëren dat indirect die wet toch óók tot onrechtmatig handelen jegens concurrenten leidt. U weet wel, de exception handler in het recht die maatschappelijke zorgvuldigheid heet.

Er is nog het meer algemene artikel over misleidende reclame (art. 6:194 BW)., dat expliciet misleiding over “de omvang van de voorraad” noemt. Daar zou je dus dat beschikbaarheidsverhaal ook onder kunnen vegen. Ook misleiding over de aard en afkomst van het product mag niet, en doen alsof je Microsoft®&#24B9; Officetm℗ bent, lijkt mij daar wel onder te vallen.

Dat de domeinnaam achter een proxy zit, en ook alle informatieplichten voor internetdienstverleners schendt, wekt ook al weinig vertrouwen. Het niet noemen van je naam, adres en contactgegevens als online handelaar is trouwens óók een oneerlijke handelspraktijk (art. 6:193f BW) en zelfs formeel een strafbaar feit (economisch delict).

Oh, er staat ook nog een groot plaatje van een typische Microsoft-Officeverpakking met daarin de tekst “legale office pakketten” en de URL OrangeOffice.eu, waar men zich enige tijd geleden bij het TROS Radar-forum over opwond. Ook bij Klacht.nl lees ik alleen maar verhalen van mensen die dachten MS Office te krijgen en tot hun verrassing Open Office ontvingen.

Zien jullie nog meer?

Update (12 juni): bij Webwereld hebben ze Microsoft gebeld, en die zijn MS Boos®:

“De algehele indruk die gewekt wordt op de site is op zijn minst misleidend”, reageert Microsoft Nederland dinsdagnamiddag op vragen van Webwereld. “Deze kwestie is dan ook direct aan het hoofdkantoor van Microsoft gerapporteerd. Zij zullen deze kwestie verder oppakken.”

Ondertussen is de site enigszins aangepast.

Arnoud

Seksfilmpje versturen via WhatsApp is geen smaad of belediging

webcamHet versturen van een seksfilmpje via WhatsApp naar één persoon maakt je niet schuldig aan smaad, ook niet als die persoon het vervolgens doorstuurt. Dat bepaalde de rechtbank Overijssel deze week. Van smaad kan pas sprake zijn als “het publiek” kennisneemt van die berichten, en daarvan is bij een WhatsApp bericht geen sprake. Daarbij is de bedoeling immers dat alleen de ontvanger het bericht leest. Hoe juridisch om te gaan met ongewenst naakt blijft dus een lastige.

De verdachte had een seksfilm met hem en zijn partner (gemaakt tijdens zijn relatie) verspreid naar een gezamenlijke vriendin, en daarbij aangegeven dat deze het niet verder mocht verspreiden. En dan, eh, “bevestigt [zij] dat en verklaart dat zij dat desondanks tóch heeft gedaan. Vanaf dat moment is het filmpje verder verspreid en naar verluidt ook op internet beland.”

(Waarom dat filmpje nu zo nodig moest worden verspreid, wordt niet echt duidelijk. De verdachte was ‘boos’ dat zijn ex-vriendin een ander had, maar hoe je die situatie verbetert door iemand anders een naaktfilm te whatsappen ontgaat me.)

De politie kwam vervolgens bij hem aan met de strafbare feiten smaadschrift en belediging. Beiden komen kort gezegd neer op iemands eer en goede naam aantasten, hoewel het bij smaad vooral gaat om een specifiek feit (“Henk is een oplichter”) en bij belediging meer om gewoon nare taal (“Henk is een eikel”). Beiden zijn prima met een afbeelding te plegen – juridisch gezien heet zo’n afbeelding een geschrift, ook als het elektronisch is, en dat maakt het bij smaad in ieder geval erger want op smaadschrift staat een zwaardere straf.

Wel is bij beiden vereist dat sprake is van een uiting in het “openbaar”, althans “waaraan ruchtbaarheid wordt gegeven” bij smaad dan. Anderen moeten het gehoord of gezien hebben. Logisch ook wel: je kunt iemands reputatie moeilijk aantasten als niemand merkt dat dat gebeurt. Als niemand deze blog kan lezen, heeft Henk nergens last van.

Dat je iemands reputatie of goede naam kunt aantasten door een naaktfoto of -filmpje te verspreiden, lijkt me vrij duidelijk. Al in 2008 werd een man veroordeeld voor het publiceren van dergelijke foto’s van zijn ex. Wel moet je intentie erop gericht zijn om die goede naam aan te tasten. In de Manon Thomas-zaak was er geen sprake van smaad of belediging, hoewel me nog steeds niet duidelijk is waarom. Is het een compliment als iemand je foto’s online zet?

Hoe dan ook, een ander vereiste is dus dat de foto’s wel openbaar moeten zijn. En daarvan was hier geen sprake:

kan het versturen van één ‘WhatsApp’ naar één persoon, met de opdracht dit niet verder te sturen, niet gelden als in het openbaar gedaan. Evenmin kan bewezen worden dat verdachte, zoals ook is tenlastegelegd, heeft beledigd door via de ‘social media’ het filmpje naar derden te sturen. Hij heeft het filmpje immers naar slechts één persoon, anders dan het slachtoffer, verstuurd.

Dat vervolgens die andere persoon het verspreidde, valt hem niet aan te rekenen. Dat voelt wel een beetje gek aan, maar dat zat hem erin dat de verdachte het duidelijk had gemaakt dat het niet mocht. Eigenlijk had die andere persoon dus vervolgd moeten worden, maar dat was niet gebeurd. Onbevredigend voelt het wel.

Arnoud

Antiplagiaattool Ephorus bruikbaar als bewijs bij examenopstel

detectie-ephorusEen één voor plagiaat toekennen nadat met Ephorus een match van 93% was vastgesteld, mag. Dat bepaalde de Raad van State onlangs in een rechtszaak van een scholier die bij een examenopdracht met deze tool betrapt was. Natuurlijk ging het niet alléén om Ephorus, de rector had nader onderzoek uitgevoerd. Ik ben heel benieuwd of meelezende forensisch experts een geloofwaardig weerwoord kunnen produceren op de bevindingen daarvan.

De scholier had een opstel ingeleverd (“Vettaks onzin!”) dat door het antiplagiaatprogramma Ephorus was gescand met een score van 93% overeenstemming met een opstel dat op 23 februari 2012 door een andere eindexamenkandidaat was ingeleverd. Dat is een stevige aanwijzing voor plagiaat, maar je kunt niet een besluit (zoals uitsluiting of een cijfer) opleggen uitsluitend op basis van wat een computerprogramma zegt.

Verder onderzoek dus. Stap 1: wat staat er in de bestandseigenschappen van meneers opstel? De naam van de eerdere mevrouw. Eh, oeps. En inhoudelijk was het ook vrij snel klaar:

Vergelijking van de twee opstellen wijst uit dat het door [de scholier] ingeleverde opstel, afgezien van de titel, een beperkt aantal woorden en de laatste paar zinnen, identiek is aan het opstel van een eindexamenkandidate, die haar opstel twee weken eerder heeft ingeleverd. Zelfs een taalfout komt overeen.

De scholier had nog aangedragen dat hij echt de auteur was, omdat hij het al in februari 2012 op internet had gezet, dus een week voor het inleveren van die collega-scholiere. Daar was alleen geen bewijs van (en, vraag ik me dan af, waarom zóu je). Bovendien is het dan bepaald onlogisch dat de naam van een ander in de bestandseigenschappen terechtkomen, lijkt mij.

Goed, in theorie zou iemand anders na het inleveren die eigenschap hebben kunnen wijzigen, maar een dergelijke theorie klinkt nogal onwaarschijnlijk en vereist dus stevig bewijs. Het recht werkt niet met mathematische zekerheden maar met waarschijnlijkheden – en zaken die onwaarschijnlijk zijn op het niveau “kóm nou” mag je gewoon negeren.

Meneer mag nog wel door met zijn examens, de 1 telt voor 12% mee en het is dus mogelijk dat hij alsnog slaagt.

Arnoud

Marktplaatsoplichting is geen oplichting???

Het niet leveren van spullen via Marktplaats terwijl daarvoor door slachtoffers wel is betaald, is niet altijd oplichting, las ik bij Webwereld. En dat terwijl de man met voorbedachten rade niet van plan was te leveren. Willens en wetens adverteren en mensen laten betalen terwijl je de spullen niet hebt, lijkt mij vrij evident oplichting maar dat is dus niet de Nederlandse wet. Je moet een “listige kunstgreep” of “valse hoedanigheid” aannemen, en “hoi ik heb een iPhone te koop” zeggen terwijl je die niet hebt, is niet listig en niet vals. U mag nu allemaal even hardop dafuq zeggen, dat doe ik ook.

Dit is niet een gekke rechter die internet niet begrijpt, maar een op zich gebruikelijke toepassing van de vaste rechtspraak van de Hoge Raad: wie niet levert, pleegt wanprestatie en dat moet de koper dus maar bij de burgerlijke rechter oplossen. En dat je niet weet wie je verkoper is, tsja dat is jouw probleem:

[Consumenten] kunnen immers het risico op moedwillige wanprestatie afwenden door hun aankoop te doen bij een (web)winkel waarvan de betrouwbaarheid is gebleken en/of die de mogelijkheid biedt tot betaling bij levering of op een later tijdstip.

Kortom, het is juridisch gewoon je eigen domme schuld dat je niet koopt bij een betrouwbare webwinkel en/of dat je vooruit betaalt terwijl dat wettelijk gezien helemaal niet hoeft. Dat je niet of nauwelijks kúnt weten of een webwinkel betrouwbaar is en dat je in de praktijk vrijwel altijd vooruit móet betalen, tsja luister eens dáar kunnen we geen rekening mee houden in de rechtspraak.

Er is echt meer nodig, want de wet eist een listige kunstgreep (een oplichtingstruc) of een valse hoedanigheid. Nou zou ik dus zeggen, het is evident listig en vals om dingen aan te bieden terwijl je volstrekt niet van plan bent ze te leveren – sterker nog terwijl je van plan bent virtueel hard weg te rennen zodra je het geld hebt. Maar nee, aldus ons hoogste rechtscollege:

De enkele omstandigheid dat iemand zich in strijd met de waarheid voordoet als een bonafide huurder die in staat en voornemens is het gehuurde goed na ommekomstvan de overeengekomen huurperiode terug te geven aan de verhuurder, levert niet op het aannemen van een valse hoedanigheid noch een listige kunstgreep in de zin van art. 326 Sr.

Ja, ik ben sarcastisch maar ik kan me dus écht kwaad maken over dit soort dingen. Iedereen wéét wat het probleem is, je voelt op je klompen aan dat de handelaar niet bona fide is maar toch willen we dat gewoon niet strafbaar maken. Die lagere rechters kan ik het niet verwijten: als ze wél zouden veroordelen dan gaat men gegarandeerd in hoger beroep en volgt alsnog vrijspraak. Tijd dus om hiermee opnieuw naar de Hoge Raad te gaan – of beter nog, naar de wetgever zodat die de definitie van ‘oplichting’ kan aanpassen. Want het loopt echt de spuigaten uit op dit moment.

Arnoud

Mag ik opzeggen bij een prijsverhoging?

sale-afgeprijsd-uitverkoop.pngMet enige regelmaat krijg ik de vraag: mijn abonnementsprijs is verhoogd, mag ik nu opzeggen? Dat kan zijn bij abonnementen op kranten en tijdschriften, bij betaalde internetdiensten of bij iedere andere vorm van dienstverlening waarbij er periodiek wordt betaald.

Het antwoord is eigenlijk simpel: Nee. Er is géén wettelijke regel dat je mag opzeggen als de wederpartij een prijs wil aanpassen. Juridisch is het andersom: de prijs mag niet worden aangepast! Afspraak is afspraak, heet dat juridisch. (Er is een soort-van uitzondering bij BTW-verhogingen.)

Maar natuurlijk gaan we het nu complexer maken, want het is immers juridisch en op alles zijn uitzonderingen (ja, ook op deze zin zelf). De truc die je namelijk gebruikt als dienstverlener is dat je in je algemene voorwaarden opneemt dat je de prijs wél mag verhogen. En omdat die voorwaarden dan deel van de afspraak zijn, is dus afgesproken dat het mag en dan mag het.

In zakelijke contracten is zo’n afspraak zonder meer legaal; bij consumenten ligt dit wat moeilijker. Een consument kan immers niet onderhandelen, dus een afspraak “ik mag op elk moment elke prijs aanpakken” zou een leverancier er gewoon doorheen kunnen drukken. Om de consument tegen zulke onredelijke situaties te beschermen, is er de regel dat algemene voorwaarden niet onredelijk bezwarend mogen zijn. Er is een grijze en zwarte lijst gemaakt met voorwaarden die meestal (grijs) en altijd (zwart) onredelijk bezwarend zijn.

Gek genoeg is er geen vermelding op die lijsten over prijsverhogingen bij een langlopend abonnement. Er is alleen het verbod op een beding

dat de gebruiker de bevoegdheid geeft de door hem bedongen prijs binnen drie maanden na het sluiten van de overeenkomst te verhogen, tenzij de wederpartij bevoegd is in dat geval de overeenkomst te ontbinden;

Dit gaat over een prijsverhoging binnen drie maanden na contractsluiting, wat natuurlijk lang niet hetzelfde is als jaarlijks. Specifiek bij het kopen van producten is er een strenger artikel (7:35 BW):

Indien de verkoper bij een consumentenkoop krachtens een bij die overeenkomst gemaakt beding de koopprijs na het sluiten van de koop verhoogt, is de koper bevoegd de koop door een schriftelijke verklaring te ontbinden, tenzij bedongen is dat de aflevering langer dan drie maanden na de koop zal plaatsvinden.

Ik denk dat dit ook nog wel opgaat bij een abonnement waarbij je wekelijks of maandelijks een product geleverd krijgt (zoals de Donald Duck). Maar een abonnement op bv. een betaalde internetsite (zoals een krantenpaywall) is echt geen consumentenkoop, dus ook hiermee kom je er niet.

Bij consumentencontracten voor telecom (internet, mobiele telefonie) is er wél een regel dat je mag opzeggen als men de prijs aanpast (art. 7.2 Telecomwet). Je hebt daarvoor een maand vanaf de melding van de prijsaanpassing.

Er is altijd nog de algemene norm van “niet onredelijk bezwarend zijn”: als jij als consument kunt uitleggen waarom het onredelijk is dat de dienstverlener op elk moment z’n prijzen arbitrair mag verhogen, dan kun je het prijsverhogingsbeding toch laten schrappen. En die uitleg ligt nogal voor de hand bij zo’n volstrekt arbitrair en op-elkmoment beding (meer dan “kóm nou toch” is volgens mij niet nodig).

Vandaar dat veel dienstverleners zichzelf toch íets inperken: slechts eens per jaar verhogen, niet met meer dan een inflatiecorrectie of met maximaal X procent – en eigenlijk altijd met “de consument mag opzeggen als hij het er niet mee eens is”. Maar strikt gesproken móet dat dus niet – als je de discussie aandurft met je klant waarom je prijsverhoging gewoon redelijk is.

Arnoud