Vergelijkingssites en vergelijkende reclame

balans-vergelijken.jpgHet bedrijf van een lezer bleek op een vergelijkingssite te staan. Dat was op zichzelf geen probleem: als je een goede deal aanbiedt, dan mogen mensen die best vergelijken met de concurrent nietwaar? Maar wat wel vervelend was, was dat er op zijn bedrijfspagina advertenties stonden van concurrenten. Is daar juridisch iets aan te doen?

Als je “wij zijn de goedkoopste” zet bij een pagina over een concurrent, dan lijkt me dat vergelijkende reclame. Je wekt immers de suggestie dat je goedkoper bent dan die concurrent. Op zich mag dat sinds een aantal jaar, mits je je maar houdt aan de voorwaarden uit art. 6:194a BW. Zo moet de vergelijking objectief juist zijn. Een pure prijsvergelijking is dus rechtmatig, mits natuurlijk de juiste prijzen met elkaar vergeleken worden. (Iets waar KPN, Tele2 en andere telecomoperators regelmatig met elkaar over in de clinch liggen).

De vergelijkingssite zelf maakt echter geen vergelijkende reclame. Het is namelijk geen vergelijkende reclame om bedrijven op een rijtje te zetten en onderling te vergelijken. Dat blijkt uit de Memorie van Toelichting bij de wet die vergelijkende reclame legaliseerde:

Het onderzoek dat wordt uitgevoerd door bijvoorbeeld een consumentenorganisatie waarin verschillende bedrijven of producten onderling worden vergeleken en met name de publicatie van een dergelijk onderzoek valt evenwel niet onder de definitie van vergelijkende reclame. Weliswaar is sprake van een vergelijking waarin merken, namen of andere onderscheidingsmiddelen worden genoemd, maar bij de publicatie van een dergelijk onderzoek door een consumentenorganisatie ontbreekt het element van reclame voor eigen waren of diensten en is geen sprake van mededelingen over (de producten of diensten van) een concurrent (van de consumentenorganisatie).

Een site als bijvoorbeeld ISPGids.com of de onderzoeken van de Consumentenbond zijn dus geen vergelijkende reclame. Maar citeer je als bedrijf uit hun bevindingen, dan is jouw reclameuiting weer wél vergelijkende reclame. Je profileert je dan immers met informatie over je concurrent.

De reclames die op zulke sites worden getoond, zijn vaak algemene reclames met hooguit de bekende algemene overdrijvingen als “Wij zijn de goedkoopste” of “Supersnel internetten”. Zulke ‘vergelijkingen’ zijn zelden tot nooit onrechtmatig. Maar als je nu specifiek advertenties laat zien waarin je zegt dat je goedkoper bent dan het bedrijf waar de advertentie bij verschijnt, dan kan dat wel eens anders worden.

Is iemand toevallig bekend met adverteren op zulke sites? Kun je uitkiezen waar je advertenties zullen verschijnen?

Arnoud

Mogen Hyvesfoto’s zomaar in de krant?

verkeerde-karst-tates.pngEen lezer vroeg zich af:

Mag een krant, omroep of weblog zomaar foto’s van een Hyves profiel halen als degene van wie het profiel is in het nieuws is. Bij voorbeeld de foto van de verkeerde Karst Tates op de voorpagina van het AD en het gebruik van Hyves foto’s door Geenstijl.

Ook op “amateurfoto’s” zoals op Hyvesprofielen, Flickr-pagina’s en weblogs zit auteursrecht. Wil een krant of ander medium die foto publiceren, dan hebben ze in principe toestemming nodig van de fotograaf. Er zijn wettelijke uitzonderingen zoals het (beeld)citaatrecht. Als de foto nieuws is, dan mag deze worden getoond bij het nieuwsbericht, maar uiteraard wel met bronvermelding.

In het Karst Tates-voorbeeld denk ik dus dat het wel had gemogen, hoewel de verplichte bronvermelding lijkt te ontbreken. En natuurlijk had men wel de goede foto moeten pakken. Je ziet het vaker, ik herinner me een voorbeeld van langer geleden van een meisje dat onder de trein was gekomen. Een foto van haar Hyve stond bij het artikel.

De Hyves-voorwaarden bepalen alleen dat je Hyves en haar hulppersonen een licentie geeft, en die is beperkt tot gebruik door Hyves zelf. Zo mag Hyves je foto’s laten zien in een reclamefilmpje, en misschien ook wel als illustratie bij een artikel over Hyves aanleveren. Maar daar gaat het hier niet om: de persoon op de foto is in het nieuws en dus leent de krant maar even een foto van iemands Hyves.

Wel heb ik sterk het gevoel dat er hier met twee maten gemeten wordt door de betreffende media. Kranten nemen foto’s over omdat het materiaal er is en “wij de pers zijn”. Maar neem je een foto uit diezelfde pers over voor je weblog, dan krijg je binnen de kortste keren een hoge rekening wegens auteursrechtschending.

Arnoud

Moet piloten laseren echt apart strafbaar gesteld worden?

lasergun.pngEen lezer vroeg me:

Ik las net Piloten willen laserstraal strafbaar stellen bij Nu.nl en vraag me dan af of er nu echt voor elke vandalistische actie een compleet nieuwe wet verzonnen moet worden alvorens het strafbaar is? Er zijn toch zeker wel algemene wetten (“gij zult het leven van anderen niet onnodig in gevaar brengen”) van toepassing op dit soort zaken?

Nee, er zal toch echt een apart wetsartikel moeten komen dat zegt “Het is verboden bestuurders van een vliegtuig met een laserstraal aan te stralen” voordat de politie hiertegen kan optreden. Het uitgangspunt van strafrecht is dat iets alleen strafbaar is als het expliciet in de wet staat. Dit heet “lex certa” oftewel rechtszekerheid; je moet kunnen opzoeken of iets verboden is.

Natuurlijk is het strafbaar om een vliegtuig neer te laten storten. Maar niet elke laserstraal leidt tot een neergestort vliegtuig. En zelfs als je het gooit op “poging tot laten neerstorten” zul je moeten bewijzen dat de dader die intentie had. Met een apart wetsartikel specifiek over laseren is de bewijslast een stuk eenvoudiger. Om diezelfde reden is er een expliciet artikel dat het vasthebben van een mobiele telefoon in de auto strafbaar stelt, hoewel er al een algemeen artikel is dat zegt dat je het verkeer niet in gevaar mag brengen.

Afhankelijk van de formulering zou dit wel eens als bijeffect kunnen hebben dat piloten niet meer mee mogen doen aan lasergame-wedstrijden. 🙂

Arnoud

Een reis boeken en dan toch weer annuleren, hoe doe je dat?

busreis-touringcar.pngHet is vakantietijd, dus tijd om lekker op reis te gaan (lekker thuisblijven mag ook natuurlijk). Maar soms zijn er omstandigheden waaronder je de reis toch af wilt zeggen. En dan wordt het juridisch, want mag dat zomaar? Ik kreeg de afgelopen tijd veel vragen van mensen die via internet een reisje hadden geboekt en daar nu weer vanaf willen. Dat is lastig.

De meest genoemde optie is de Wet Koop op Afstand. Je mag op zich aankopen en diensten die je via internet bestelt, binnen zeven werkdagen weer opzeggen. Maar die wet geldt nou net niet (art. 7:46i BW) voor diensten die logies, vervoer, het restaurantbedrijf of vrijetijdsbesteding betreffen – tenminste als daarbij een datum is afgesproken wanneer de dienst geleverd zal worden. (Ik heb me al eens eerder afgevraagd waarom dat niet kan trouwens.) Bestel je dus een vliegticket of boek je een hotel via internet, dan kun je via deze regeling dus niet opzeggen of annuleren.

De algemene voorwaarden van de hotelier, vervoerder, vliegmaatschappij of andere dienstverlener biedt vaak wel een mogelijkheid voor annuleren, maar daar staat in het algemeen (haha) een boete tegenover. Die kan zelfs oplopen tot de volledige prijs van de dienst. Ik vraag me af of je dan nog van annuleren kunt spreken?

Wie bij een lid van de Algemene Nederlandse Vereniging van Reisondernemingen (ANVR) een reis boekt, doet dat onder de standaard ANVR-voorwaarden. Deze voorwaarden hanteren een getrapte boete bij annuleren. Wie minstens 42 dagen vóóraf annuleert, is alleen de aanbetaling kwijt. Annuleer je korter vooraf dan dat, dan wordt de boete hoger. Maar de hele reissom ben je pas kwijt als je op de vertrekdag zelf annuleert.

Niet alle dienstverleners zijn bij de ANVR aangesloten. Zo is vrijwel geen enkele vliegmaatschappij dat. Een vliegticket kun je dus niet annuleren. Of nou ja, je kunt wel annuleren maar je geld krijg je niet terug.

Er is echter één bijzondere categorie reizen waarbij iets meer mogelijheden bestaan: de pakketreis. Daarvan is sprake als je een georganiseerde reis boekt die inclusief vervoer, verblijf (van minstens 24 uur) en een toeristische dienst die een significant deel van de reis uitmaakt is. Zeg maar een weekje Egypte inclusief bezoek aan de piramiden, of een geheel verzorgde cruise met bezoek aan diverse Caribische gebieden. Een boeking van alleen een reis of zelfs reis met verblijf valt er niet onder; het pakket moet ook een “toeristische dienst” omvatten. Wel mag die dienst gratis erbij zitten. Krijg je dus een voucher voor een gratis bezoek aan het Colosseum bij je vliegreis met hotel naar Rome, dan is sprake van een pakketdienst.

Op grond van art. 7:503 BW mag je als reiziger de pakketreis te allen tijde annuleren. Je moet dan als reiziger “de schade die de organisator daardoor lijdt” vergoeden. En dat schadebedrag is maximaal de totale reissom. Geen schadevergoeding mag worden geëist als de oorzaak van annuleren niet aan de reiziger toe te rekenen is.

Hoe bepaal je nu die schade? Als de reisorganisatie lid is van de ANVR, dan zijn de bedragen in die algemene voorwaarden bedoeld als schatting daarvan. Je mag als reiziger proberen aan te tonen dat de werkelijke schade lager is, en dan wordt het annuleringsbedrag verminderd (zie artikel 9 lid 4). In dit vonnis vond de kantonrechter het ook bij annulering binnen 3 minuten na boeking redelijk om de 40% annuleringskosten toe te kennen. Het reisbureau liep immers winst mis door de annulering, en “het in rekening gebracht percentage van 40% komt de kantonrechter niet onredelijk voor” om deze winst te compenseren. Dit lijkt me een ietwat eigenaardige redenering: het reisbureau loopt immers bij elke annulering winst mis. Het is toch niet de bedoeling dat je dat als reiziger altijd maar moet compenseren.

Mochten de algemene voorwaarden van je reisbureau strenger zijn (bv. door te bepalen dat je altijd de volledige reissom moet betalen bij annuleren), dan kun je ze ongeldig verklaren met een brief naar het reisbureau. Van artikel 7:503 mag niet in het nadeel van de reiziger worden afgeweken.

Mijn ervaring is echter wel dat reisbureaus een van de stugste soort clubs zijn om je recht te halen als consument. Zonder rechtsbijstandsverzekering kom je vrijwel nergens. En dat is jammer, want het zijn vaak toch flinke bedragen.

Arnoud

Onze domeinnaam lijkt op de naam van een concurrent, wat nu?

no-name-street-naam-handelsnaam.pngEen lezer mailde me:

Wij hebben een claim gekregen over onze domeinnaam. Deze zou te veel lijken op de naam van een concurrent. En op zich klopt dat denk ik wel: zij hebben een naam van de vorm “iets4iets.nl” en wij gebruiken “iets-iets.nl” dus zonder dat cijfer. Ik heb gezocht maar ik kon geen merk vinden bij het Benelux Merkenbureau. En in het colofon staat duidelijk dat onze BV een andere naam heeft. Kan die ander nu toch onze domeinnaam opeisen?

Bedrijfsnamen zijn ook zonder merkregistratie beschermd als handelsnaam. Het enkele feit dat je je bedrijf zo noemt, is al genoeg om bescherming voor je naam te hebben. En dat geldt zelfs als de naam beschrijvend is. “Bakker Piet” is dus een geldige handelsnaam.

Een concurrent mag dan niet diezelfde bedrijfsnaam hanteren, maar ook geen bedrijfsnaam die verwarrend veel lijkt op de handelsnaam. Eén cijfer vervangen door een streepje lijkt me niet genoeg om verwarring te voorkomen. Het zal een beetje afhangen van de werkelijke woorden achter de ietsen, maar in het algemeen zou ik zeggen dat dit wel handelsnaaminbreuk zou zijn.

Als je echter die naam niet als handelsnaam gebruikt, dan is er niets aan de hand. Een domeinnaam is niet perse hetzelfde als een handelsnaam: daarvoor moet het echt de bedrijfswebsite zijn. Een domeinnaam voor een productnaam bijvoorbeeld is geen inbreuk op een handelsnaam. Wil de ander daar wat aan doen, dan moet hij echt een merk geregistreerd hebben. Let dus niet alleen op de domeinnaam maar ook op hoe de website wordt gepresenteerd.

Het aparte hier is wel dat voor domeinnaamarbitrage een merk en een handelsnaam hetzelfde worden behandeld. Dat lijkt mij niet helemaal terecht; een merk is sterker maar wordt daarom ook inhoudelijk getoetst op onderscheidend vermogen.

Arnoud

Koop op afstand versus de blisterverpakking

zakmes-blister.pngWie iets via internet koopt, mag dat binnen zeven werkdagen ruilen. Ook als het uitgepakt en geprobeerd is. Maar soms is het heel moeilijk om een product uit te proberen, bijvoorbeeld omdat het in een blisterverpakking zit. Wat dan?

In principe lijkt het mij dat de winkelier dan pech heeft: je hebt het recht om het product uit te proberen, dus ook om het uit de verpakking te halen. Dat die verpakking lastig te openen is, is dan ook voor rekening van de winkelier.

Maar nu wees een meelezende webwinkelier me erop dat dit bij geheugenkaartjes soms tot rare situaties kan leiden:

Regelmatig gebeurt het dat een klant zomaar een geheugenkaart besteld, hem openknipt (het zijn flinke blisterverpakkingen waar een degelijke schaar aan te pas moet komen) en de kaart dan terugstuurt omdat die niet past. Maar vaak kan de klant reeds aan de buitenkant van de verpakking zien dat de kaart een andere vorm heeft. Dus waarom dan nog openknippen? Moet ik ook dan de klant het geld teruggeven?

De consument-koper moet zorgvuldig met het product omgaan zolang de retourtermijn nog bestaat. Doet hij dat niet, dan mag de winkelier een vergoeding vragen voor de schade die aan het product is toegebracht.

Als je al aan de verpakking kunt zien dat de kaart evident niet gaat passen in het product, dan lijkt het mij wel verdedigbaar dat de klant voor de opengeknipte verpakking zal moeten betalen. Maar hoe bewijs je dat dat de reden van retour was?

Arnoud

Nieuw op Ius mentis: Naar een passend beschermingsregime voor forumbeheerders en bloggers

Het wettelijk regime voor internetdienstverleners is aan een update toe. In dit artikel (eerder gepubliceerd in Tijdschrift voor Internetrecht pleit ik voor een genuanceerder beschermingsregime van beheerders van forums en blogs. Als zij afdoende modereren, behoren ze niet aansprakelijk te zijn voor wat er nog doorheen komt.

De Richtlijn 2000/31/EG bevat een voor internetdienstverleners belangrijke uitsluitingsgrond van aansprakelijkheid. Kort gezegd zijn zij niet aansprakelijk voor wat hun gebruikers op de website plaatsen. Pas wanneer ze feitelijk weten dat bepaalde inhoud is geplaatst die juridisch gezien evident niet door de beugel kan en ze weigeren deze weg te halen, verandert dat.

Een recente trend lijkt echter te zijn dat rechters deze uitsluitingsgrond niet van toepassing achten op moderators of forumbeheerders bij bijdragen van gebruikers. Op 12 maart jl. vonniste de rechtbank Amsterdam dat de beheerders (moderators) van de site www.internetoplichting.nl onrechtmatig handelden door de discussie over online modewinkel Trendylaarzen niet te verwijderen. Eerder werden vergelijkbare vonnissen gewezen in de zaken Showbiznewz en Martijn. In het kader van strafrecht werd de forumbeheerder van de extreem-rechtse Nationale Alliantie veroordeeld.

Deze vonnissen laten zien dat het regime uit de Richtlijn maar moeizaam past bij de huidige praktijk van forums en blogs. In een artikel in Tijdschrift voor Informatierecht pleit ik dan ook voor een genuanceerder beschermingsregime voor beheerders van interactieve diensten met betrekking tot inhoud van gebruikers. Hieronder een samenvatting van het artikel.

Lees verder in Naar een passend beschermingsregime voor forumbeheerders en bloggers op Ius mentis.

Arnoud

Indexeringsites en auteursrechten, een spanningsveld? (gastpost)

Vandaag een gastbijdrage van Maarten van Amerongen, student Nederlands recht aan de Universiteit Utrecht en werkzaam bij de Centrale Raad van Beroep als zittingsgriffier. Deze bijdrage is een ingekorte versie van zijn afstudeerscriptie.

Er zijn honderden websites met een index aan eD2k-links, torrents en NZB’s, er hun aantal lijkt voortdurend toe te nemen. Voor mijn masterscriptie heb ik onderzoek gedaan naar drie P2P netwerken en evenzoveel websites die om verschillende redenen interessant zijn voor de behandeling van de problematiek rond de indexeringsites. Geclaimde massale inbreuken via zulke sites en gestelde miljoenenverliezen voor de rechthebbenden, een actueel probleem wereldwijd met in Nederland een tweestrijd tussen, voornamelijk, auteursrechtenbeschermer Stichting Brein en de beheerders van de indexeringsites. Veel indexeringsites worden door Stichting Brein als eendrachtig en inbreukmakend beschouwd maar de verschillen zijn zoveel interessanter.

In de loop van het afgelopen decennium is de werkwijze van Stichting Brein tegen indexeringsites en hun bezoekers veranderd. Ook de geleerden, rechterlijke macht en overheid lijken niet goed te weten wat men met de indexeringsites aanmoet. Zo haalde rechtenprofessor D.J.G. Visser in een artikel in Computerrecht 2001 de P2P dienst Napster aan. Destijds achtte hij Napster niet aansprakelijk voor auteursrechteninbreuk, wel leverde de dienst een onrechtmatige daad op. In een P2P dienst zónder centrale database zag hij geen probleem, het zijn dan uitsluitend de gebruikers die de auteursrechtelijk relevante handeling verrichten. Nu, enkele jaren later, staat Visser Stichting Brein bij in een procedure tegen de bittorrentindexeringsite Mininova. Een site die slechts torrentbestanden host voor het gedecentraliseerde Bittorrent netwerk en daarbij een streng Notice-and-takedown beleid voert. De inhoud van de procedure Stichting Brein/Mininova veronderstel ik als bekend.

De Stichting Brein voert keer op keer procedures tegen ISP’s of websitehouders om indexeringsites van het internet te krijgen. Hierbij verwijst Stichting Brein maar al te graag naar een paar behaalde matige successen uit het verleden. Relevante uitspraken die de stichting minder behagen worden doodgezwegen. De status van de indexeringsite is hierdoor, mijns inziens onterecht, op een hellend vlak gekomen waarbij de onrechtmatigheid van dergelijke websites dikwijls onterecht en steeds maar sneller wordt aangenomen, veelal door de voorzieningenrechter en zonder degelijk inhoudelijk feitenonderzoek. Een onterechte gang van zaken. Er mag vanuit worden gegaan dat de stichting weliswaar representatief is op het gebied van piraterijbestrijding maar dat hun zelfuitgeroepen expertise en oordeel in redelijkheid niet als waarheid overgenomen mogen worden in rechtelijke procedures. Ze zijn belangenbehartiger met een opinie en géén (onafhankelijk) expert, ook al profileren zij zich wel als zodanig. Een aanwezigheid van medewerkers van Stichting Brein bij doorzoekingen van woningen door de politie naar aanleiding van verdenkingen van intellectuele eigendomsfraude is derhalve volstrekt overbodig en ongewenst voor een deugdelijk onderzoek.

Hoe dan om te gaan met de indexeringsites? Naar mijn opvatting bestaat reeds afdoende wetgeving in de vorm van artikel 6:196c BW om de indexeringsite uit het juridische “grijze gebied” te halen. Een indexeringsite vormt in zekere zin een dienst van de informatiemaatschappij waarbij van de beheerder een vorm terughoudendheid van verlangd mag worden als het gaat om de controle van de inhoud van de door bezoekers geplaatste hashcodes, links of andersoortige data. Controle leidt immers te snel tot een ongewenste vorm van censuur.

In de lijn van de wetsgeschiedenis en jurisprudentie valt op te maken dat een beheerder van een website binnen het kader van de bescherming van artikel 6:196c BW valt indien hij adequaat optreedt bij meldingen van rechthebbenden inzake verwijzingen naar onrechtmatige data. Een dergelijke toepassing van art. 6:196c BW geeft een rechthebbende naar mijn mening in een procedure een sterke positie indien een beheerder weigerachtig blijft om links te controleren en verwijderen.

Het ligt derhalve voor de hand aan te nemen dat een beheerder van een indexeringsite in redelijkheid verplicht is informatie in de vorm van links, torrents, NZB’s etc. te verwijderen zodra hij wordt geïnformeerd door de rechthebbende over de onrechtmatigheid van de bestanden achter de verwijzing. Echter totdat de beheerder is geïnformeerd meen ik te kunnen concluderen dat de -mijns inziens ongefundeerde- klaagbeden van de nationale en internationale rechthebbendenorganisaties over de enorme verliezen die jaarlijks geleden zouden worden als gevolg van het downloaden van auteursrechtelijk beschermd materiaal als gevolg van links die opgenomen zijn bij de P2P indexeringsites, genegeerd kunnen worden. Ik zie in beginsel, en onder voorbehoud van speciale omstandigheden, weinig tot geen juridische problemen in het bestaan van dergelijke sites.

Maarten van Amerongen is student Nederlands recht aan de Universiteit Utrecht en werkzaam bij de Centrale Raad van Beroep als zittingsgriffier. Zijn scriptie is begeleid door mw. prof. mr. drs. M. de Cock Buning. Na het behalen van zijn masterdiploma ambieert hij een functie in de advocatuur, richting IT/IE.

Privacyschending op website: ook provider aansprakelijk

kleinkindonbereikbaarpuntnl-logo.pngDe website Kleinkind onbereikbaar schendt de privacy van de (klein-)kinderen wiens naam, geboortedatum, woonplaats en dergelijke zonder hun toestemming op deze site waren gezet. Dit levert reputatieschade op voor die kinderen en kleinkinderen. Dat blijkt uit een vonnis van afgelopen donderdag. Opmerkelijk daarbij is de reden om de website-beheerder aansprakelijk te houden: de E-commercerichtlijn zegt dat de bescherming voor providers niet geldt voor privacyzaken.

De site Kleinkind onbereikbaar is bedoeld voor grootouders die hun kleinkind niet meer kunnen zien, vanwege een geschil met de ouders. Wie op die site zijn of haar verhaal kwijt wil, kan dat doen via een speciaal formulier. Na screening door de beheerders wordt het verhaal dan geplaatst. En daarbij werd de volledige naam, geboortedatum, geboorteplaats, woonplaats en nationaliteit, alsmede de naam van de moeder en van de vader van het kleinkind vermeld op een open deel van de website. Dat was ook expliciet de bedoeling:

Door de gegevens van uw kleinkind op internet te publiceren ” dat doet u bij het invullen van de gegevens bij “mijn kleinkind”- komen die gegevens beschikbaar voor zoekmachines, en zo hopelijk bij uw kleinkind of diens omgeving terecht. … Dit werkt het beste als u zoveel mogelijk gegevens ” foto’s, teksten, namen ” invult. Het is hierbij van belang dat u zich realiseert dat dit persoonsgegevens betreft. U bent zelf verantwoordelijk voor wat u invult

Deze manier van werken acht de kortgedingrechter onrechtmatig. Er wordt “op grove wijze inbreuk op de privésfeer van de kleinkinderen en de ouders wordt gemaakt”. Dat bleek ook uit het feit dat de (klein-)kinderen in kwestie in hun dagelijks leven werden aangesproken op wat er op deze site stond. Bovendien:

Ook het gevaar van commerciële belangstelling is niet denkbeeldig. Zo is bijvoorbeeld denkbaar dat de persoonsgegevens interessant zijn voor gerichte reclame, zoals bijvoorbeeld voor mediationdienstverleners, gezien het doel van de website om de verstoorde familierelatie te herstellen.

Maar waarom was de websitebeheerder nu aansprakelijk? Volgens de Wet Bescherming Persoonsgegevens is hij degene die het doel en de middelen voor deze “verwerking van persoonsgegevens” vaststelt. Daarmee is hij de ‘verantwoordelijke’ en daarmee degene die je moet aanspreken als er geen toestemming of noodzaak tot publicatie is. Op zich denk ik wel begrijpelijk: de beheerder screende vooraf en bepaalde wat hij online zou zetten.

Daarmee is denk ik ook wel duidelijk dat deze beheerder geen aanspraak op art. 6:196c BW kan maken; hij biedt niet slechts een platform maar plaatst zelf de berichten.

Update (12:15) de beheerder van de site vroeg me deze reactie van hem toe te voegen:

De uitspraak is inderdaad opmerkelijk. Zeker ook omdat ik NIET de inhoud vooraf, tijdens of achteraf controleer(de). het enige wat ik wel verifieerde is wie ik toegang verleen, met daarbij uitdrukkelijk uitleg over wat wel en niet kan. Dus volgens mij wel bescherming ex. 6:196c.

De rechter vond echter nog een andere reden: de WBP gaat boven de bescherming van internettussenpersonen, omdat artikel 1 lid 5 van Richtlijn 2000/31/EG (waarin deze bescherming is geregeld) expliciet zegt dat deze niet van toepassing is op diensten die onder de privacyrichtlijnen 95/46/EG 97/66/EG vallen. Dat is bij mijn weten de eerste keer dat een rechter deze redenering hanteerde.

In de Martijn-zaak ging ook de privacy boven de bescherming van de beheerder, maar dat was expliciet vanwege het bijzondere karakter van die website. De rechter in die zaak verklaarde dat vereniging Martijn een extra zware verantwoordelijkheid had tegen privacyschendingen: “anders dan wellicht [bij] eigenaren of beheerders van websites die door hun aard niet op dergelijk misbruik en onbedoeld gebruik bedacht behoeven te zijn”.

Maar moeten sitebeheerders zich nu zorgen gaan maken? Ik denk het niet. Het gaat in artikel 1 lid 5 om kwesties in verband met diensten die onder de privacyrichtlijn vallen. Zo’n dienst kan bijvoorbeeld zijn een elektronisch adresboek (telefoongids of e-mailgids). Wie zo’n dienst aanbiedt, kan geen aanspraak maken op de uitsluiting van aansprakelijkheid voor providers. Maar als de dienst zelf niet het verwerken van persoonsgegevens is, dan lijkt dit artikel me niet van toepassing.

Een forumbeheerder die aangesproken wordt op publicatie van iemands naam in een forumbericht bijvoorbeeld kan gewoon de bescherming van art. 6:196c claimen: het bericht moet aangepast maar voor schade is die beheerder niet aansprakelijk. De dienst “online forum” is geen dienst in de zin van de privacyrichtlijn.

Arnoud

“We stellen messenfabrikanten toch ook niet aansprakelijk”

antisteekmes.pngBij discussies over aansprakelijkheid voor makers van software of diensten komt regelmatig de analogie met auto’s of messen langs. “We gaan makers van messen toch ook niet aansprakelijk stellen voor mensen die worden neergestoken”? Ik zit me af te vragen of ik daar niet eens een paar wetten over moet formuleren (“Eerste wet van internetrecht: elke discussie over online auteursrecht bevat een vergelijking met auto’s. Tweede wet van internetrecht: de vergelijking gaat niet op. Derde wet: de helft van de discussie gaat vervolgens

Afijn, een Britse fabrikant was kennelijk zo bang voor claims dat hij een antineerstekmes op de markt bracht. Er zit voorin een soort van inkeping en hobbel waarmee het niet eenvoudig meer is om op iemand in te steken. Groente snijden is geen probleem (kelen ook niet dus, denk ik dan) maar uithalen en steken gaat niet werken: het mes blijft hangen in kleding.

Tsja. Het enge is: als maar genoeg fabrikanten dit soort messen maken, dan wordt de rest vanzelf aansprakelijk vanwege het niet volgen van de algemene trend in de markt.

Via Schneier on Security.

Arnoud