Hoezo een verbod op andermans naam op twitter?

17 januari 2012, 8:10 | Internetrecht | 36 reacties

Tweede Kamerfracties SP, PVV en D66 hebben vragen gesteld over een mogelijk verbod van het gebruiken van andermans naam op sociale media als Twitter, las ik bij Nu.nl. Dit naar aanleiding van een pleidooi in De Wereld Draait Door van een advocate om een strafwetbepaling in te voeren.

Het is natuurlijk heel erg des politiek om bij een geconstateerd probleem een wet te maken, net zoals een informaticus ongeacht het probleem een database gaat maken als oplossing. Maar echt zinnig lijkt het me niet; we hebben al meer dan genoeg wetten en regels die je hiertegen kunt inzetten.

Het enkele aannemen van iemands naam is op zich niet strafbaar, dat is waar. Maar ik vind het nogal wat om dat wél strafbaar te zetten, vooral omdat je dan té veel mogelijkheden krijgt om zaken aan te pakken die gewoon een meningsuiting zijn. Er moet meer zijn, zoals een poging tot zwartmaken of het afhandig maken van geld of goederen bij jou of bij anderen. En als dat meerdere er is, dan heb je al genoeg strafbare feiten - oplichting, smaad, privacyschending - waarmee je die persoon kunt aanpakken.

Bij Twitter is het ondertussen een kunstvorm om via nepaccounts op ludieke manier iemand op de hak te nemen. Dat vinden we normaal, net zoals we het normaal vinden dat in allerlei televisieprogramma’s mensen worden gepersifleerd. Natuurlijk moet het dan wel ergens grappig zijn, maar dat geldt voor die televisiepersiflages ook. Ook al heeft dat indirect een commercieel doel.

En als het vooral een commercieel doel heeft, dan zijn er ook nog andere mogelijkheden. Anke Verhoeven van Solv trekt de lijn naar domeinnaamkaping, waar inderdaad meer dan genoeg jurisprudentie ligt. Het wezenlijke verschil tussen een twittergebruikersnaam en een domeinnaam zie ik niet.

Er is ook nog wat rechtspraak over gebruik van stem of beeltenis e.d. in een commerciële context. Zo won de Staat in 2000 een rechtszaak over een reclamespotje waarin de stem van Beatrix werd gebruikt. Dat was geen toegelaten gebruik van haar “persoonlijke karakteristieken”, en dus moest het spotje van de buis. Als je die lijn doortrekt dan zou ook commerciële hinder op Twitter verboden kunnen worden. Update (19 januari): maar de stem is geen portret zegt vandaag de rechtbank Amsterdam in een zaak over TomTomstemmen.

Maar @Koningin_NL zou blijven mogen want dat is gewoon een hilarische parodie. Idem voor @NSCommunicatie. Wie weet er meer goede parodieaccounts?

Arnoud

of lees de 36 reacties

Wat is het verschil tussen een officier van justitie en een rechter-commissaris?

8 december 2011, 8:14 | Internetrecht | 2 reacties

Een lezer vroeg me:

Ik las een artikel over de draconische SOPA wet die men in de VS wil aannemen. Over één punt had ik een vraag. Men schrijft: “Hiervoor is dan een bevel van de Officier van Justitie genoeg, een rechterlijke uitspraak is niet meer nodig.” Maar waarom is dat eigenlijk erg? Het lijken mij (als juridische leek) beide hele capabele personen die beiden een vakgerichte studie afgerond hebben en verstand van zaken hebben. Dus waarom zou een Officier van Justitie een andere beoordeling maken dan een rechter?

De Officier van Justitie is een vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie (OM). Hij geeft leiding aan de politie bij het onderzoek naar een strafbaar feit en treedt op als aanklager in een strafzaak. Een rechter-commissaris is een rechter die toezicht houdt op strafrechtelijke onderzoeken door dat OM. Bepaalde opsporingsmiddelen, zoals een telefoontap of doorzoeken van een mailbox, mag het OM alleen toepassen met toestemming (een machtiging) van de rechter-commissaris.

Ze spelen dus allebei een rol in het strafproces, maar het werk van OvJ deel is van de politie, of beter gezegd het Openbaar Ministerie. Zijn werk is opsporen en aanklagen. Een rechter-commissaris is deel van de rechterlijke macht, en heeft als werk beoordelen en afwegen. Een OvJ zal dus eerder geneigd zijn ergens strafbare feiten te zien en op basis daarvan te vervolgen. De rechter meldt dan of hij gelijk heeft. Maar bij twijfel vindt de OvJ je strafbaar. De rechter spreekt je juist vrij bij twijfel.

Officieren kunnen bijvoorbeeld alleen verwijdering van informatie eisen met een machtiging van de rechter-commissaris onder de huidige wet. Eind 2009 was er enige ophef over de Drentse rechter-commissaris, die structureel zou weigeren zulke machtigingen te geven. In het nieuwe wetsvoorstel computercriminaliteit zou deze bevoegdheid bij de officier worden gelegd, waarmee dus formeel geen onafhankelijke rechterlijke toetsing meer plaatsvindt alvorens informatie wordt verwijderd. Dat vind ik toch een beetje eng.

(Ik hoop dat het OM in deze zaak dus netjes een machtiging heeft gehaald, maar het artikel geeft me het gevoel dat het OM is “vriendelijk gaan vragen” bij de hoster.)

Natuurlijk, je kunt een bevel van een officier altijd aanvechten, zoals RIPE nu doet na een IP-blokkadebevel, maar lang niet iedereen zal weten dat dat kan of de energie willen steken in dat aanvechten. Een ingebouwde toets bij een onafhankelijke instantie lijkt me toch iets handiger dan.

Arnoud

of lees de 2 reacties

Ambtenaren kijken Tour, leggen ict-netwerk plat, krijgen loonkorting?

nos-sport-kijken.pngAmbtenaren van de gemeente Delfzijl hebben het eigen ict-systeem volkomen platgelegd door massaal de Tour de France-streams op nos.nl te bekijken, meldde Webwereld vorige week. De plaatselijke partij Lijst Stulp eist nu preventieve maatregelen, plus sancties tegen deze ambtenaren. U voelt hem al aankomen: kan dat zomaar? (Ok, ok, natuurlijk, iedereen mag eisen. Maar mogen deze maatregelen ook worden doorgevoerd?)

Allereerst maar de preventie. Een bedrijf heeft geen enkele plicht om werknemers internet op te laten gaan of ze welke dienst dan ook te laten gebruiken. De werkgever bepaalt als enige welke middelen voor het werk worden ingezet. Als hij meent dat men met internetloze computers toe kan, dan is dat zijn beslissing en als werknemer heb je dat maar te accepteren.

Als men wél internet openzet, dan is gebleken overlast een prima reden om daar verandering in te brengen. Het blokkeren van livestreams zoals van de NOS is dan ook geen enkel juridisch probleem. Het is handig als dat in het ICT-reglement staat, maar zelfs als dat niet zo is dan lijkt het me in het algemeen geen probleem. Een werkgever hoeft niet te accepteren dat hij op kosten wordt gejaagd of dat het netwerk plat gaat - dat tast immers de bedrijfsvoering aan.

Het opleggen van sancties (de verloren werktijd inhalen, of korten op hun salaris) ligt echter een stuk moeilijker. Dat moet écht geregeld zijn in het ICT-reglement. En dan nog. Het inhouden van loon kan in theorie als er daadwerkelijk niet is gewerkt. Wel moet de ernst van het verwijtbaar gedrag in verhouding staan tot de zwaarte van de disciplinaire maatregel. Ook moet de werkgever natuurlijk bewijzen dat er echt niet is gewerkt in al die tijd. Wie de Tour open laat staan tijdens het typen van een verslag, is wel degelijk aan het werk. Met z’n allen in de vergaderzaal zitten en daar met de beamer de wedstrijd volgen is geen werken.

Eerlijk gezegd lijkt het me nogal overdreven om loon te gaan inhouden. Maar ik ben dan ook niet van het “gij zult acht uren werken en den boterham slechts in uwe pauze nuttigen”. Doe je werk en zorg dat het resultaat is wat ik verwacht, en dan maakt het me niet uit hoe veel je farmvillet ondertussen.

Arnoud

of lees de 13 reacties

Rechters mogen niet zomaar googelen voor hun vonnis

13 september 2011, 8:18 | Internetrecht | 21 reacties

waarom-smartfms-software.pngAls een rechtbank haar vonnis baseert op gegevens die het heeft ontleend aan een eigen zoektocht op een internetsite, schendt zij het principe van hoor en wederhoor. Dat bepaalde de Hoge Raad afgelopen vrijdag. De HR vernietigt daarmee een arrest van het gerechtshof dat mede gebaseerd was op gegoogelde informatie over een softwarepakket. De gevonden informatie was doorslaggevend voor het hof, maar zij had deze informatie eerst moeten presenteren aan de partijen, aldus de hoogste rechtbank.

Het geschil draaide om de goedkeuring van de rekening en verantwoording van een bewindvoerder. Deze had een licentie gekocht voor een softwarepakket (Smart FMS), een administratiesysteem waarmee de persoon onder zijn bewind direct online inzage had in zijn eigen financiën. Volgens de bewindvoerder was deze licentie een “gewone beheersdaad”, zodat geen toestemming van de rechthebbende of kantonrechter nodig zou zijn.

Het Hof had echter op internet nagekeken wat het doel was van dit softwarepakket, en had geconstateerd

dat het toch in de eerste plaats een systeem ten behoeve van de administratie van de budgetbeheerder is en dat het slechts als neveneffect de financiële mutaties op de eigen rekening voor de cliënten inzichtelijk maakt. Verder is het niet een systeem waarbij de cliënt de keuze heeft daar al of niet gebruik van te maken, zo hij al bereid is de kosten daarvan te dragen en hij de capaciteiten heeft daarvan gebruik te maken.

Daarmee was dit geen systeem voor de cliënt maar voor de bewindvoerder. En die posten mogen niet uit het budget voor de onder bewind gestelde cliënt gehaald worden. De kosten van het Smart FMS systeem moesten derhalve voor rekening van de bewindvoerder blijven, aldus het Hof.

De bewindvoerder was een tikje verbaasd door deze uitspraak, vooral omdat hij pas in het arrest kon nalezen dat het Hof dit onderzoek had gedaan (”De bewindvoerder heeft geen informatie overgelegd over de werking van het Smart FMS systeem, maar het internet (www.smartfms.nl) biedt wel enige informatie.”). Hij had dus geen enkele kans gehad te protesteren tegen deze conclusie of te proberen te bewijzen dat dit wél een nuttig systeem voor zijn cliënt was.

Omdat de internetzoektocht van het Hof tot voor de beslissing zeer relevante gegevens heeft geleid, had het Hof deze moeten voorleggen aan de partijen, aldus de Hoge Raad. En dat is vaste rechtspraak: eerder had de HR al eens geoordeeld dat een rechtbank

[geen] eigener beweging verkregen feitelijke gegevens aan zijn beslissing ten grondslag mag leggen zonder partijen in de gelegenheid te stellen daarvan kennis te nemen en zich daarover desgewenst uit te laten

En specifiek over googelen hebben we natuurlijk de zaak over googelen op “A.C.A.B.”, waarbij het aantal Googletreffers geen bewijs was dat een bepaalde term “algemeen bekend” zou zijn.

Dit lijkt me volstrekt juist. Googelen en zelf informatie aandragen is prima. Maar je moet wel gelegenheid bieden om weerwoord te geven. Hoewel het mij als rechter wel uitermate zou frustreren dat ik de resultaten van elke query ter zitting moet bespreken, hoe onschuldig de informatie me ook lijkt.

Arnoud

of lees de 21 reacties

Een half miljoen winnen in een goksitebanner, mag dat?

19 juli 2011, 8:18 | Internetrecht | 29 reacties

heeft-50000-euro-gewonnen-kansspel.pngEen lezer wees me op een banner die hij in beeld kreeg tijdens het internetten. Ene ‘Noorsia’ zou 50.000 euro gewonnen hebben met een online kansspel. Dat was niet de eerste keer: de lezer schatte al minstens tien van zulke banners gezien te hebben, zodat aanbieder Hopa.com al meer dan een half miljoen prijzengeld zou hebben uitgekeerd, hetgeen nogal sterk lijkt. Mag dat zomaar?

In Nederland is het nog steeds verboden om kansspelen te organiseren (of eraan mee te doen) als daar geldprijzen mee gewonnen kunnen worden. Je moet een vergunning hebben, en internetcasino’s krijgen die categorisch niet. Meedoen aan dit soort spelen is dus juridisch riskant. Ons strenge kansspelbeleid staat wel op losse schroeven sinds enkele uitspraken van het Hof van Justitie.

Er zijn plannen om ons kansspelbeleid te liberaliseren. Kort gezegd moet er een Kansspelautoriteit (Ksa) gaan komen, die vergunningen gaat afgeven voor online kansspelen. Dat gaat met name over poker: uit onderzoek zou blijken dat het overgrote deel van het illegale kansspelaanbod via internet bestaat uit poker. Waarbij zij opgemerkt dat poker in 2010 door de rechter geen kansspel werd geacht (het hoger beroep loopt nog).

Ondertussen zijn sites als deze dus hoogst problematisch. Naast dat ze dus de Wet op de kansspelen overtreden als ze Nederlanders gelegenheid geven om te gokken voor geld, zijn deze reclames ook nogal misleidend te noemen. En dan kan Hopa.com in haar voorwaarden wel zeggen dat ze

niet in staat zijn de om de legaliteit in elke jurisdictie te controleren en het uw verantwoordelijkheid is om zeker te maken dat het wettelijk is toegestaan om de NGI diensten te gebruiken voordat u inlogt bij onze website(s) volgens de wet van de jurisdictie waar u zich bevind.

maar dat helpt natuurlijk weinig. Hopa is zelfstandig aan te spreken onder de Wok, want niet alleen het gokken is strafbaar maar ook het aanbieden van een gokspel dat zich richt op Nederland en waar je geld kunt winnen. Als je actief een Nederlandstalige site gaat bouwen met een “.nl” subdomein met iDeal-betalingen, dan richt je je gewoon op Nederland.

Omdat het bedrijf op Malta zit en vanuit daar “de Firma exploiteerd” (sic), is er praktisch gezien weinig te doen. (Tenzij Teeven het ook hier op z’n heupen krijgt en voor blokkades en filters gaat pleiten.) Je kunt de misleidende reclame via de Reclame Code Commissie of de rechter laten verbieden, maar praktisch heb je bar weinig aan dat vonnis.

Arnoud

of lees de 29 reacties

De verdwenen mail over het bericht in het IB-Groep-portaal

14 juli 2011, 8:08 | Internetrecht | 18 reacties

ibg-studie-portaal-bestuursrecht-bericht.pngAls je als student een besluit van de IB-Groep niet op tijd ziet, omdat het in je Mijn IB-Portaal geschoven is maar jij daar geen mail over hebt gehad, is het dan jouw schuld dat je te laat bezwaar maakt? In korte tijd wees de rechtbank Arnhem twee vonnissen over wat rechtens is wanneer een bericht via het “Mijn IB-Groep” portaal niet aankomt, of de student geen melding per mail krijgt dat er een bericht in dat portaal zit. De redenering in met name de tweede zaak was opmerkelijk.

In beide zaken betrof het een omzetting van een beurs voor een uitwonende naar een beurs voor een thuiswonende studerende. De IB-Groep doet dat automatisch als je adres bij hen niet overeenstemt met wat in de Gemeentelijke Basisadministratie staat. Je kunt dan bezwaar maken (bv. omdat je wél op tijd wat had doorgegeven of omdat de GBA-gegevens onjuist zijn) maar dat moet je wel binnen zes weken nadat het besluit is bekendgemaakt.

Zo’n besluit mag elektronisch worden verzonden, mits de ontvanger eerder kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is (art. 2:14 Awb). En dat doe je als je je aanmeldt bij “Mijn IB-Groep”, omdat de (overigens niet online staande) Algemene Voorwaarden bepalen dat je dat doet. Je krijgt dan geen post meer met besluiten maar je berichten worden in het portal geplaatst. Wel kun je een alert krijgen als er een nieuw bericht is.

De rechtbank leidt uit de voorwaarden af dat je vanwege deze regels uit de AV erop mag vertrouwen dat je een e-mailbericht gaat krijgen als er een nieuw Bericht (ja, met hoofdletter) in je portaal is geplaatst. In beide zaken was er bewijs dat de mail was verstuurd. In de eerste zaak werd dat bewijs als volgt gewogen:

Uit het door verweerder in geding gebrachte outputbestand, waarop het e-mailadres van eiseres staat vermeld in combinatie met het Bericht van 10 april 2009, blijkt dat deze lijst is aangeboden aan Procesbeheer Multimedia. Op basis van deze lijst verzendt Procesbeheer Multimedia telkens op vrijdagmiddag na 17.00 uur de betreffende e-mailberichten aan de studerenden. De daadwerkelijke verzending van een e-mailbericht aan een studerende wordt daarmee naar het oordeel van de rechtbank echter niet aangetoond.

De studente verliest het echter toch, maar om een heel andere reden: ze was op 19 mei 2009 naar het servicekantoor van de IB-Groep gegaan waar ze werd gewezen op het bestaan van het omzettingsbesluit van 10 april 2009. Het is een vaste regel dat als je weet van een besluit, je zo spoedig als mogelijk tegen dat besluit bezwaar moet maken. En dat was hier niet gebeurd.

In de tweede rechtszaak liggen de feiten volgens mij precies hetzelfde, maar daar verliest de student.Meelezende postmasters, graag uw commentaar:

Blijkens de door verweerder verschafte informatie is het proces digitale verzending binnen verweerders organisatie zo ingericht dat het outputbestand van het ‘proces versturen’ automatisch wordt ingelezen in een e-mailpakket, “Kanamarketing” geheten, dat per studerende een e-mailbericht aanmaakt. De ingelezen e-mailberichten worden vervolgens aangeboden aan de mailservers, die de e-mailberichten verzenden. In het e-mailpakket zelf wordt gezien of alle e-mailberichten zijn verzonden. Indien e-mailberichten niet worden verzonden, dan wordt dat door middel van een naar nul aflopende teller gesignaleerd en wordt geprobeerd het gesignaleerde e-mailbericht alsnog te verzenden.

Deze werkwijze en de registratie van de controle in het computersysteem zijn naar het oordeel van de rechtbank zodanig klein dat de kans op een fout verwaarloosbaar is. Er was ook geen bounce geregistreerd of andere indicatie dat het bericht onbestelbaar was.

U mag nu gaan gillen:

De door verweerder overgelegde uitdraaien van het outputbestand en het ontbreken van het e-mailadres op de hardbounce-lijst vormen daarbij naar het oordeel van de rechtbank voldoende bewijs voor de verzending naar, en ontvangst van het e-mailbericht op, het e-mailadres van de studerende.

Dit is namelijk écht fout: bewijs van verzending is geen bewijs van ontvangst. De HR formuleerde dat in 2004 zo:

Van een onjuiste rechtsopvatting is sprake, indien het oordeel berust op de gedachte dat een juiste adressering en aangetekende verzending op zichzelf voldoende aannemelijk maken dat de brief (tijdig) aan de geadresseerde is aangeboden. … Van een onvoldoende motivering is sprake indien het vermoeden dat de brief [eiser] heeft bereikt, alleen is gebaseerd op het gegeven dat de juist geadresseerde brief niet is geretourneerd.

En precies datzelfde lijkt me op te gaan voor e-mail. Sterker nog, juist voor e-mail aangezien het ondertussen wel gemeengoed is dat e-post regelmatig stilletjes verdwijnt in spamfilters tussen verzender en ontvanger.

Wie het verschil snapt, mag het zeggen.

Arnoud

of lees de 18 reacties

Per ongeluk mobiel internetten = geen factuur

23 mei 2011, 8:24 | Internetrecht, Contracten | 41 reacties

Als je als telecomboer telefoons of sims levert die zonder nadere handelingen van de consument gaan mobiel internetten, dan kun je daar geen factuur voor sturen. Dat maak ik op uit een recent Rotterdams vonnis tussen Telfort en een klant die bij Telfort een mobiele-telefonieabonnement had afgenomen en een rekening had gekregen voor 15 euro gebruikskosten mobiel internet, met daar later nog 232,15 euro bovenop wegens kosten blokkering en kosten contractbeëindiging.

Telfort stelde dat ze recht had op deze kosten, omdat uit hun administratie bleek dat deze klant wel degelijk mobiel had geïnternet. Men had nota’s overlegd waaruit bleek op welke dagen dit gebruik had plaatsgevonden en hoeveel megabyte het gebruik op de verschillende dagen betrof. De klant stelde daar tegenover dat hij pas achteraf had ontdekt dat er via zijn SIM-kaart onbedoeld en ongewenst contact werd gemaakt met het mobiele-internetnetwerk van Telfort. Dit gebeurde als zijn telefoon verbonden was met zijn privé Wifi-netwerk en vervolgens buiten het Wifi-bereik kwam.

De vraag is dan, was er overeen gekomen dat de klant mobiel mocht internetten? Zo ja, dan was hij de gebruikskosten verschuldigd en dan was de afsluiting wegens wanbetaling (en de boetes/kosten) terecht. Zo nee, dan mocht Telfort hem niet afsluiten.

De rechtbank begint bij de papieren waarmee het contract is aangevraagd en concludeert dat mobiel internet niet is afgesproken:

Noch uit het door [gedaagde] verzonden formulier, noch uit de bevestigingsbrief van Telfort blijkt dat partijen afspraken hebben gemaakt over gebruik door[gedaagde] van het netwerk van Telfort voor mobiel internet of het in rekening brengen van kosten terzake. Een grondslag voor het in rekening brengen van kosten ter zake van mobiel internet kan hieruit dan ook niet worden afgeleid.

Het zou nog kunnen dat er later nog een mobielinternetabonnement is afgesloten. Het is immers gebruikelijk dat je later allerlei blokken of extra’s kunt afnemen binnen een abonnement. En dat hoeft niet per se met een schriftelijke contractswijziging. Als je bijvoorbeeld via het klantenportaal een vinkje bij “mobiel internetten” zet, of “INTERNET AAN” sms’t naar het aangewezen servicenummer dan telt dat ook als akkoord. En dan zit je natuurlijk ook aan de kosten vast.

Telfort gaf aan dat eigenlijk niet meer nodig was dan je telefoon op een bepaalde manier configureren, maar ontkende dat een telefoon automatisch van een lokaal wifi-netwerk zou overschakelen naar mobiel internet. Alleen kon Telfort niet laten zien wát je dan moest doen, en of daar eventuele informatie van Telfort bij nodig was.

Cruciaal voor de rechtbank was dat er geen sleutel, wachtwoord of inloginformatie van de provider nodig is om mobiel internet te kunnen gebruiken. Dan maak je het wel érg makkelijk om per abuis op het dure 3G-netwerk te zitten in plaats van thuis op je eigen wifi-netwerk. (Weet iemand hoe dat nu eigenlijk zit? Welke telefoon gaat zelfstandig 3G internet aanzetten als hij buiten bereik van een wifi netwerk komt/)

De rechtbank gelooft dan ook de klant die zegt dat zijn telefoon dat automatisch gedaan moet hebben. Als dit niet zo werkt, dan had Telfort maar moeten uitleggen hoe je wél op het 3G netwerk zou komen met je abonnement, en met name hoe daaruit dan blijkt dat je akkoord was daarmee (en met de prijs natuurlijk). De klant hoeft dus niets te betalen voor het mobiele internetten. Ook moet Telfort zijn BKR-registratie (altijd gezellig bij zulke conflicten) ongedaan maken.

Zijn twee ton schadevergoeding wordt echter afgewezen. Hij had namelijk alleen Telfort gewaarschuwd dat hij 500 euro wilde hebben per dag dat hij afgesloten was, maar niet onderbouwd waarom die 500 euro een reëel schadebedrag was. Logisch, maar wel ergerlijk want het levert nul prikkel op voor Telfort om het beter te gaan doen.

Arnoud

of lees de 41 reacties

Mag KPN abonnees wel extra kosten voor mobiele datadiensten opleggen?

Een lezer vroeg me:

Naar aanleiding van de plannen van KPN om bepaalde mobiele data diensten extra te belasten met een toeslag, vroeg ik me af of ze dat wel mogen doorvoeren. In mijn contract (met deze algemene voorwaarden) staat immers niets over dergelijke meerkosten. Kan ik ze bij de rechter verbieden deze toeslag op te leggen, of in ieder geval mijn contract dan laten ontbinden?

Afgelopen maandag hebben we het al gehad over dit voorstel van KPN en wat het betekent voor netneutraliteit. Maar deze lezer stelt een heel terechte praktische vraag: contract is immers contract, en mag KPN dat wel eenzijdig openbreken?

KPNs algemene voorwaarden voor internetbundels bevatten een expliciete bevoegdheid voor KPN om “maatregelen” te nemen tegen VoIP en SMSoIP diensten.

De voorwaarden van KPN die de lezer citeert, bevatten een beding dat botweg stelt “KPN is gerechtigd de Algemene Voorwaarden en tarieven te wijzigen.” Dat heb je als klant maar te slikken. Of nou ja, dat hoeft niet maar in dat geval moet je het contract opzeggen per de datum waarop de wijziging in werking treedt.

Die constructie is legaal. Je mag als bedrijf in algemene voorwaarden opnemen dat je het contract mag wijzigen. Specifiek voor telecommunicatiecontracten regelt de wet de spelregels: minstens vier weken van tevoren aankondigen en gelegenheid geven tot kosteloos opzeggen.

In november 2009 oordeelde de OPTA dat “een structurele beperking van de internetsnelheid bij het gebruik van bepaalde diensten” ook moet worden gezien als een contractswijziging. Er verandert misschien geen letter in het contractsdocument zelf, maar als je internetsnelheid ineens omlaag kukelt of een poort geblokkeerd wordt, is de inhoud van je contract wel anders. Dus ook bij technische aanpassingen aan de dienst geldt: aankondigen en kunnen opzeggen.

KPN kondigt de maatregel ruim op tijd aan en zal ongetwijfeld klanten gewoon laten gaan die hierom op willen zeggen. Binnen de huidige wet is ze dus legaal bezig.

Arnoud

of lees de 27 reacties

Op internet zoeken naar kievitseieren

5 april 2011, 8:07 | Internetrecht | 10 reacties

kievitsei.pngTot en met vrijdag mag het nog: het rapen van eieren van de Vanellus Vanellus oftewel de kievit. Wat dat met internetrecht te maken heeft? Op zich niet veel, ware het niet dat er geprocedeerd is bij het Gerechtshof Leeuwarden over de vraag of de bekendmaking van de foerageergebieden op internet wel adequaat is. Immers, rapen buiten deze gebieden is een strafbaar feit, dus je moet wel eenvoudig kunnen nagaan of je in een verboden gebied aan het rapen bent.

De Flora- en faunawet verbiedt het rapen van eieren. Maar omdat het zo’n leuke traditie is, heeft de Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân een ontheffing verleend voor het rapen van kievitseieren in een ganzenfoerageergebied. Die gebieden staan aangegeven op internet. Maar de verdachte in deze zaak maakte bezwaar, omdat

de kaart van de ganzenfoerageergebieden, zoals te raadplegen op de website van de provincie Fryslân, vaag en algemeen is, omdat op de kaart onduidelijk is waar de grenzen tussen de diverse percelen liggen en omdat aan de hand van deze kaart ter plaatse in het veld beoordeeld moet worden of men zich in een ganzenfoerageergebied bevindt.

Wie even meekijkt, zal het met me eens zijn dat zo’n interactief Flashdinges die bij elke keer zoomen opnieuw moet tekenen én nergens straatnamen of perceelnummers zet, niet het toppunt van duidelijkheid is. En duidelijkheid is wel gewenst als het gaat om strafbare feiten: je mag niet veroordeeld worden tenzij het strafbare feit duidelijk in de wet vastgelegd is.

Het Gerechtshof vindt echter de verwijzing duidelijk genoeg: op de ontheffingskaart staat “De ganzenfoerageergebieden staan aangegeven op www.fryslan.nl (kaarten en cijfers)” en daarmee weet iedereen hoe na te gaan waar de legale raapgebieden te vinden zijn. Of nou ja, iedereen: de mensen die op grond van een ontheffing mogen rapen en dat is maar een beperkte groep mensen. Die mensen moeten dus maar slim genoeg zijn om een website te kunnen gebruiken. (Ik denk dat op de achtergrond ook meespeelt dat het alternatief van overal bordjes ophangen voor zo’n kleine groep niet redelijk is gezien de kosten.)

Nu de verdachte wel op de interactieve kaart had gekeken maar geen printouts had gemaakt, en ook niet de de Provincie Fryslân of de Bond van Friese Vogelbeschermingswachten had gevraagd waar de grenzen lagen, vindt het Hof dat hij zich onvoldoende heeft ingespannen om na te gaan waar hij mocht rapen. En omdat er óók nog eens bordjes stonden bij de officiële ingang van het gebied waar hij ging rapen (hoewel hij via een weiland daar terechtgekomen was), wordt hij veroordeeld tot een boete van 210 euro.

Arnoud
Foto: Kievitsnest (gelicentieerd onder GNU-licentie voor vrije documentatie, versie 1.2 of enige latere versie als gepubliceerd door de Free Software Foundation; zonder Invariant Sections, zonder Front-Cover Texts, en zonder Back-Cover Texts)

of lees de 10 reacties

LinkedIn-contact toevoegen levert 10.000 euro boete op wegens schending relatiebeding

4 april 2011, 8:06 | Internetrecht | 20 reacties

linkedin-relaties-contacten-connectieHet toevoegen van een relatie uit je vorige werkkring aan je LinkedIn-netwerk kan wel eens flinke financiële gevolgen hebben voor vele werknemers, las ik bij Jobbroker. De rechtbank Arnhem had namelijk gevonnist dat een werknemer een boete van 10.000 euro moest betalen omdat hij het relatiebeding had geschonden door iemand toe te voegen aan zijn LinkedIn-netwerk.

Een relatiebeding is een bepaling in een arbeidsovereenkomst waarin wordt afgesproken onder welke voorwaarden na afloop wel of niet relaties van de ex-werkgever mogen worden benaderd. Een relatiebeding moet schriftelijk en individueel worden afgesproken. En natuurlijk mag een relatiebeding niet zomaar contact met “iedereen tot in de eeuwigheid” verbieden. Er moeten redelijke grenzen worden gesteld. Zo zal een relatiebeding veelal beperkt zijn tot één of twee jaar na afloop van de arbeidsovereenkomst, en worden soms expliciet bedrijven genoemd waarmee nadrukkelijk geen contact gezocht mag worden.

In het arbeidscontract was in deze zaak een zeer breed relatiebeding voor vijf bedrijven opgenomen, waarin het de werknemer werd verboden na beëindiging van het contract

als particulier, als zelfstandig ondernemer, als werknemer in dienst van derden of in welke hoedanigheid dan ook, direct of indirect, rechtstreeks of zijdelings contact te hebben of te onderhouden, één en ander in de ruimste zin des woords, met de volgende (leverancier)relaties van werkgever [lijst van vijf].

De werknemer had op zeker moment een LinkedIn-connectie gelegd met een werknemer van een van die vijf bedrijven. Wanneer exact was onderwerp van discussie: de werknemer stelde dat dit nog tijdens het dienstverband was, en de werkgever dat dit pas na de beëindiging had gebeurd. Bij LinkedIn-profielen kun je niet eenvoudig de datum van een verbinding zien. Het enige dat je hebt, is de homepage met alle updates, waar in dit geval “32 minutes ago” stond. Maar door de wel genoemde data van andere updates te analyseren, komt de rechter tot de conclusie dat de update in september 2010 heeft plaatsgevonden. En dat was ná de datum van beëindiging (31 maart 2010).

De rechter ziet het geaccepteerde contactverzoek als een overtreding van het relatiebeding. Naar de letter van het beding is dat juist: iemand op LinkedIn toevoegen is “in welke hoedanigheid dan ook, direct of indirect, rechtstreeks of zijdelings contact hebben” met die iemand. Al was het maar omdat LinkedIn een updatemail stuurt dat je connectverzoek is geaccepteerd.

Of daarmee élke LinkedIn-verbinding een schending van een relatiebeding oplevert, betwijfel ik. Vonnissen bij arbeidsrecht zijn altijd heel erg gebaseerd op de specifieke feiten - en vaak ook het gevolg van reeds flink uit de hand gelopen ruzies en misstanden. Dit vonnis was een vervolg op een eerder vonnis waarbij óók al geoordeeld werd dat het relatiebeding was overtreden. Ik kan me goed voorstellen dat een rechter dan strenger vonnist, zeker bij een kort geding waarbij niet al te diep op de feiten ingegaan kan worden.

Ook moet je bij elk relatiebeding apart analyseren of het wel redelijk geformuleerd is en of deze specifieke connect een overtreding daarvan zal zijn. Een relatiebeding dat vijf bedrijven specifiek noemt, zal eerder redelijk zijn dan “verboden met enige relatie contact op te nemen”.

Wel zul je als ex-werknemer extra voorzichtig moeten zijn met het opnemen van relaties in je netwerk die eigenlijk van je werkgever zijn. Zeker als ze op zo’n expliciete lijst staan. Maar dat is niet LinkedIn-specifiek: dat mocht je ook al niet met de Rolodex met visitekaartjes tien jaar geleden.

Arnoud

of lees de 20 reacties
Volgende Pagina »
De wet op internet Koop het boek Software: Deskundig en praktisch juridisch advies
Of een van de andere boeken over internetrecht!

Auteur: Arnoud Engelfriet - Licentie: Creative Commons BY-SA 2.5 - Disclaimer - Powered by WordPress