Rechtspraak wil in de toekomst drie kwart van uitspraken online publiceren

| AE 12704 | Innovatie | 18 reacties

In de komende tien jaar zal de overgrote meerderheid van de circa anderhalf miljoen vonnissen die jaarlijks door Nederlandse rechters worden uitgesproken online beschikbaar moeten komen. Dat las ik bij NRC onlangs. Al decennia wordt er geklaagd dat de slechts 5% van de vonnissen die men nu online zet, veel te weinig is. Dat gaat men nu eindelijk omhoog tillen – naar 75%. Waarom geen 100? “Niet alle uitspraken zijn van belang om te publiceren, en sommige vonnissen kunnen om privacyredenen niet worden geopenbaard.” Nou ja, het is een goed begin zullen we maar zeggen.

Het verbaast veel mensen, maar dus slechts 5% van alle vonnissen komt online op Rechtspraak.nl. En daar wordt al lang tegen geprotesteerd, onder meer onvermoeibaar door Gerrit-Jan Zwenne en Laurens Mommers. Die wijzen onder meer op die selectiecriteria “niet alles is van belang”:

Uitspraken die voor de een weinig betekenis hebben, kunnen voor anderen van groot belang zijn. De gedachte dat de rechterlijke macht kan bepalen welke zaken interessant zijn, is niet meer van deze tijd. Bovendien zijn het juist de juridisch oninteressante zaken waar de meeste mensen mee te maken krijgen. … Wat betekent deze selectiviteit voor onze kennis van de rechtspraak? De waarheid is: dat weten we niet.
Wat precies de overweging is geweest tussen 2010 en nu, dat weten we ook niet. Mogelijk heeft het te maken met een hint uit het NRC artikel: er wordt onderzocht of speciale ‘anonimiseringssoftware’ de werklast kan verlichten. Want ja al dat anonimiseren gebeurt met de hand, dus alleen al praktisch gezien is meer dan 5% niet goed haalbaar.

Dat men dat met de hand doet en achteraf, daar snap ik dus hélemaal niets van. Want je krijgt dan dus dat je dertig keer in een vonnis “Wim ten Brink” moet vervangen door “[eiser]” en dat is gedoe, natuurlijk. En ik zie het ook wel eens misgaan, dat er een “Wim den Brink” is blijven staan. Of dat iemand aan z’n emailadres herleidbaar is, of “mevrouw [eiseres], eigenaar van Wilma ten Brink bv”. Als je vóóraf, dus bij het schrijven van het vonnis, al nadenkt over anonimiseren, dan gaat alles een stuk sneller.

Dat wil natuurlijk niet zeggen dat software niet goed kan helpen. Zie bijvoorbeeld deze tech demo, waarin software namen en dergelijke herkent in de tekst van een vonnis en ze kan vervangen door een neutrale aanduiding. De afgelopen tien jaar zijn grote stappen gemaakt met dit soort natural language processing en herkenning van zulke termen. Het zou grote winst opleveren als met zulke software de bulk van de vonnissen alsnog anoniem te maken is.

Zit ik er mee dat dat niet perfect is? In 2010 (het artikel van Zwenne en Mommers) was dat namelijk nog een argument: we gaan pas software inzetten als die perfect werkt. (Wie riep daar, overheid en ICT moehaha?) Ik denk dat dat hier echt niet nodig is. Natuurlijk, je wilt dat het netjes gebeurt maar bij de openbare zitting worden ook persoonsgegevens gewoon gemeld en ik zie de impact van een publicatie op rechtspraak.nl met een gemiste achternaam dan ook niet als enorm.

Daar komt bij dat juist omdat het om bulkwerk gaat, het niet zozeer gaat om dat ene vonnis maar juist om die tienduizend waarin bijvoorbeeld rechters klakkeloos het incassobureau volgen, of de analyse dat er een groei zit in ontslagen op de g-grond in een bepaalde sector. Daarvoor is een hoop data nodig, dan pas kunnen dergelijke onderzoeken worden gedaan.

Arnoud

Ga er maar aanstaan als deskundige: moet die broncode opnieuw geschreven?

| AE 12312 | Ondernemingsvrijheid | 40 reacties

Deskundige vereist voor beoordeling gebrekkige broncode, meldde ITenRecht onlangs. In een automatiseringsgeschil tussen softwareontwikkelaar Capgemini en haar klant Equihold (die de software wilde inzetten bij onder meer FC Barcelona) ontstond discussie over de kwaliteit van de tot dan toe gemaakte broncode. Een mooi voorbeeld van hoe de rechtspraak omgaat met inhoudelijk diepgaande issues. Ik las laatst weer dat rechters moeten leren programmeren omdat ze anders dit soort zaken niet kunnen doen. Onzin, wat mij betreft. Daar heb je deskundigen voor. Maar bij deze zaak denk ik dan wel, blij dat ik die deskundige niet ben.

In 2002 ontwikkelde Equihold een sportapplicatie met de naam 1-2 Focus. Deze applicatie was geschreven in de programmeeromgeving en programmeertaal VB6. In 2004 besloot men deze om te werken naar Microsoft .NET, waarna men in 2005 een raamovereenkomst sloot met Capgemini om het werk te laten doen. Ik zal u de verdere tijdlijn besparen, maar in 2010 eindigde het feest met een brief aan Capgemini met als titel “1-2Focus; developed by Capgemini A Showcase of Bad Practices”.

Wat was er nu precies aan de hand met die broncode? Helaas is dat in het arrest niet in detail te achterhalen. We moeten het doen met uitspraken als

Volgens [B] , een voormalig werknemer van Equihold, heeft de broncode niet de gewenste laagstructuur, bestaat deze uit onnodig veel regels en is deze onsamenhangend. Zijn conclusie is dat de broncode van zo bedroevende kwaliteit is dat het volledig herschrijven daarvan onvermijdelijk is. SQMI is volgens [appellant] een gerenommeerde en onafhankelijke partij die een onderzoeksmethode gebruikt die is ontwikkeld door het Institute for Software Quality (IfSQ). Het rapport SQMI concludeert dat de broncode een hoog aantal ‘defect indicators’ heeft, dat de onderhoudskosten van de software onnodig hoog zijn en dat de software ongeschikt is als platform voor verdere ontwikkeling. Graham Bolton, oprichter van IfSQ en directeur van SQMI, (verder Bolton) voegt daar in een schriftelijke verklaring aan toe dat het verbeteren van de geconstateerde gebreken meerdere jaren in beslag zou nemen, en zelfs meer tijd zou kosten dan het geheel opnieuw schrijven van de applicatie.

Capgemini kon daar echter een ander rapport tegenover stellen dat juist aantoont dat de onderhoudbaarheid marktconform is.

Dan krijg je dus de situatie dat partijen elkaar tegenspreken, en dat je als rechter dan moet vaststellen wat er nu waar is. In een geval als dit is dat erg lastig, allereerst natuurlijk omdat broncode op kwaliteit toetsen sowieso ingewikkeld is (de een z’n ***var is de ander z’n nachtmerrie) maar ten tweede omdat dit om zo’n grote codebase gaat dat er een hele partij werk in gaat zitten. Oh ja, en omdat er natuurlijk niet echt objectieve standaarden zijn om codekwaliteit vast te stellen.

Een belangrijke factor in het geschil was de onderhoudbaarheid: kun je op lange termijn hiermee door, ook (denk ik) met een andere onderhoudspartij dan Capgemini zelf. Bij grote applicaties is langdurig gebruik te verwachten, dan heb je andere verwachtingen qua onderhoud en aanpasbaarheid voor de toekomst dan bij een snelle app voor een event begin volgend jaar.

Dus, ik gooi hem eens in de groep, voor al die IT-ers die denken dat rechters meer verstand van software nodig hebben: hoe zouden jullie bij deze berg aan code objectief vaststellen of de kwaliteit voldoet aan de contractuele eis van ‘high quality software’?

Arnoud

Sinds wanneer zijn Youtube-video’s bewijs van feiten van algemene bekendheid?

| AE 12016 | Regulering | 10 reacties

Wanneer mag de rechter internetbronnen gebruiken als bewijs, en maakt het daarbij uit of ze zoeken naar feiten van algemene bekendheid? Die vraag speelt al enige tijd, en in twee recente rechtszaken kwam de vraag weer langs. Daarom even de gelegenheid om een en ander weer op te frissen. Want als de raadsheren van de Hoge Raad nu ook al gaan kijken wat “you tube” zoal in de aanbieding heeft en wat dat strafrechtelijk zegt, dan moet ik daar ook wat van vinden volgens mij.

De directe aanleiding was deze strafzaak waarin de Hoge Raad ingaat op de overweging van het Gerechtshof dat “een contactslot van een scooter/bromfiets met bouten is vastgemaakt en eerst kan worden verwijderd en/of vervangen door de plastic kap van het voertuig los te schroeven” kan worden aangemerkt als een feit van algemene bekendheid. Dit was relevant omdat het opzettelijk verwijderen van een slot bijdraagt aan het bewijs dat de scooter gestolen is. Het Gerechtshof had eerder op Youtube gekeken (en noemt dat “you tube” in het arrest).

In een strafzaak moet wettig en overtuigend bewezen zijn dat je het gedaan hebt – in dit geval heling van die scooter. Sommige feiten zijn zo duidelijk dat ze geen bewijs nodig hebben. Dat noemen we feiten of omstandigheden van algemene bekendheid (art. 339 lid 2 Strafvordering). Kort gezegd gaat het om gegevens die ieder van de rechtstreeks bij het geding betrokkenen geacht moet worden te kennen of die zonder noemenswaardige moeite uit algemeen toegankelijke bronnen te achterhalen zijn. De achterliggende gedachte is dat processen eindeloos zouden worden als je ieder detail, hoe vanzelfsprekend ook, in de volste zin van het woord zou moeten bewijzen met een bron. (Waarom doet dat me nou aan trollende forumdiscussianten denken.)

Specifiek voor internetbronnen geldt (aldus eerder de HR) dat een gegeven dat aan een internetbron is ontleend “van algemene bekendheid” is wanneer dat gegeven geen specialistische kennis veronderstelt en de juistheid daarvan redelijkerwijs niet voor betwisting vatbaar is. In die zaak had het Gerechtshof geoordeeld dat Aloë capensis niet hetzelfde is al Aloë vera en dus niet mag worden ingevoerd. Het Gerechtshof had dit gebaseerd op gegevens die het had ontleend aan “bronnen op het internet die uit dien hoofde als algemeen bekend worden verondersteld althans in elk geval in de onderhavige procedure”.

In deze zaak bijvoorbeeld had het Hof via Google Maps de plaatselijke gesteldheid op of aan de openbare weg rondom een voor de zaak relevante plaats vastgesteld. Dit was een feit van algemene bekendheid (in casu: dat de woning van de getuige recht tegenover een schuifhek was gelegen waar een verdachte overheen geklommen was). Voor deze constatering was dus geen nader bewijs nodig. Logisch ook, de situatie op de weg is wat deze is, daar is verder geen discussie over mogelijk.

Echter, de enkele omstandigheid dat een bepaald gegeven aan openbare bronnen op het internet kan worden ontleend, brengt op zichzelf nog niet mee dat zo een gegeven daarom een feit of omstandigheid van algemene bekendheid is in de hier bedoelde zin. Gezien deze uitspraak is het logisch dat het Hof in de helingzaak de fout in was gegaan. Dat een Youtubevideo laat zien dat een contactslot van een bromfiets goed vastzit, is op zich een feit. Het voelt logisch om te concluderen dat het slot er dan niet zomaar af zal breken bij een val, maar dat is bij lange na nog niet hetzelfde als dat het een feit van algemene bekendheid is.

Wat moet je nou doen als rechter als je met een “feit van algemene bekendheid zit”? In principe niets: geen rechtsregel dwingt de rechter ertoe een algemeen bekend gegeven bij het onderzoek op de terechtzitting ter sprake te brengen. Maar als er ook maar enige twijfel is, dan moet de rechter dat gegeven aan de orde te stellen bij de behandeling van de zaak op de terechtzitting. Zo kunnen de partijen daarop reageren, bijvoorbeeld met tegenbewijs waarom het niét algemeen bekend is.

Dit volgt uit de ACAB-zaak uit 2011. In die zaak oordeelde het Hof dat de betekenis van de afkorting A.C.A.B. als “All Cops Are Bastards” als een feit van algemene bekendheid heeft te gelden. Dit had het Hof vastgesteld met een zoekopdracht in Google, maar niet vooraf met partijen besproken. Omdat de zaak speelde in 2007 en het Hof in 2009 had gegoogeld, ontstond daarbij ook nog eens de complicatie dat het aantal treffers niet doorslaggevend kon zijn: wat was immers de situatie ten tijde van het feit? Nieuws over deze zaak werd zo wijdverbreid opgepakt dat in een latere zaak over die afkorting de HR oordeelde dat ondertussen de betekenis van deze term wél algemeen bekend was.

Wanneer een rechtbank zelf uitgaat van bronnen van derden, en het betreft géén feiten van algemene bekendheid, dan schendt zij het beginsel van hoor en wederhoor wanneer zij dit pas in het vonnis voor het eerst meldt. In deze zaak ontbrak het Hof het aan feiten over een softwarepakket, waarop zij zelf ging zoeken (“De bewindvoerder heeft geen informatie overgelegd over de werking van het Smart FMS systeem, maar het internet (www.smartfms.nl) biedt wel enige informatie.”). Aldus had de bewindvoerder geen enkele kans gehad te protesteren tegen deze conclusie of te proberen te bewijzen dat dit wél een nuttig systeem voor zijn cliënt was.

In de praktijk lijkt mij het verstandigste om bij op internet gevonden informatie standaard deze aan partijen voor te leggen, tenzij het gaat om echt zuiver feitelijke informatie waarover geen discussie kan zijn. Dat is natuurlijk lastig als je pas ná de zitting ontdekt dat je een stukje feitelijkheid mist, maar ik zie geen andere oplossing.

Arnoud

In Estland denken ze dat AI een eerlijke rechter kan zijn

| AE 11279 | Innovatie | 9 reacties

De Baltische staat Estland timmert al geruime tijd fors aan de weg met wat wij e-government zouden noemen: innovatief en digitaal diensten aan de burger aanbieden, van een elektronische identiteitskaart tot een compleet online loket. Veilig, snel en goedkoop. En AI oftewel machine learning speelt daarbij een steeds grotere rol. Mede gedreven vanuit de behoefte… Lees verder

Dus vanwege sociale media mag de krant een ophefmakende naam niet noemen?

| AE 11282 | Privacy | 50 reacties

NRC mag de naam van een ex-hoogleraar arbeidsrecht die zich schuldig maakte aan grensoverschrijdend gedrag niet publiceren, meldde de krant onlangs. Deze uitspraak in kort geding volgde op een uitgebreide en onderbouwde onthulling van de krant over dit wangedrag gedurende meerdere decennia, wat ondertussen al ontslag voor de man tot gevolg had. “[G]ezien de grote… Lees verder

De rechtspraak en de bedrijfsgeheime bewijsanalyse

| AE 10685 | Innovatie | 28 reacties

Steeds meer bedrijven leunen zwaar op de wettelijke bescherming voor bedrijfsgeheimen, en dat heeft grote impact op de strafrechtspraak. Dat las ik bij Boing Boing een tijdje terug. Het gaat om software die analyses doet op data gebruikt als bewijs, of inschattingen van vluchtgevaar of recidive. Wie als verdachte de bevindingen van die software wil… Lees verder

Noors gerecht verbiedt publicatie van rechtspraak

| AE 10665 | Intellectuele rechten, Ondernemingsvrijheid | 9 reacties

Een Noorse rechtbank heeft de site rettspraksis.no verboden om nog langer vonnissen te publiceren, bij BoingBoing. Maar nee, het is geen aanval op de onafhankelijkheid of transparantie van de rechtspraak: het gaat om vonnissen die het bedrijf Lovdata had verzameld en op CD-ROM had gepubliceerd. Lovdata meent dat ze een databankrecht bezit op deze publicatie,… Lees verder

Nee, kunstmatige intelligentie zal nooit gaan rechtspreken (of pleiten)

| AE 10195 | Innovatie | 21 reacties

Een computer kan rechtspreken, als wij met zijn allen denken en willen dat hij het kan. Dat las ik bij Sargasso in een gastbijdrage van strafrechtadvocaat Vasco Groeneveld. AI komt eraan, ook in de rechtspraktijk. Die lijn doortrekkend betekent dat er over tien, twintig jaar robotrechters aan het werk zijn, niet gehinderd door emotie, hoofdpijn,… Lees verder