Auteurswet moet veranderen voor digitale bibliotheek

19 april 2008, 10:36 - Geplaatst onder: Auteursrecht, Innovatie - 3 reacties

De Auteurswet moet worden aangepast omdat anders de opbouw van een omvangrijke digitale bibliotheek een illusie is, las ik gisteren in de NRC. In een uitgebreid opiniestuk betogen Martin Bossenbroek en Hans Jansen van de Koninklijke Bibliotheek dat het huidige systeem van opt-in bij gebruik van andermans beschermd materiaal niet werkt.

Opt-in wil zeggen dat je voorafgaand aan digitale publicatie toestemming moet vragen. Kun je de rechthebbende niet vinden, of krijg je geen toestemming, dan houdt het op. En in combinatie met de vaak meer dan 100 jaar durende termijn van het auteursrecht, maakt dat het bijzonder lastig om cultureel erfgoed te digitaliseren.

Het idee van opt-in is op zichzelf misschien nog wel te verdedigen. Maar wat nu als je de auteur niet eens kunt vinden? Dat heet het probleem van de “weeswerken” (orphan works). Diverse landen hebben al gezocht naar oplossingen.

Zo kent Canada een Copyright Board die toestemming kan geven om een verweesd werk te gebruiken, mits de gebruiker ‘reasonable efforts’ heeft ondernomen om de rechthebbende te vinden. Betaling hoeft pas achteraf plaats te vinden, als zich alsnog een rechthebbende meldt. In de Verenigde Staten is een wetsvoorstel ingediend dat niet-commercieel gebruik van een verweesd werk toestaat voor een wetenschappelijk of educatief doel. Wel moet dit gebruik worden gestaakt – lees: het werk moet van de website af – als een rechthebbende daar bezwaar tegen maakt. In Engeland wordt gedacht in dezelfde richting, met een Copyright Tribunal dat, als gebruiker en rechthebbende er onderling niet uitkomen, achteraf de hoogte van de vergoeding bepaalt – en afhankelijk van het soort gebruik(er) kan die ook op nul uitkomen.

Iets dergelijks zou in Nederland ook prima moeten kunnen werken.

De termijn van het auteursrecht terugdraaien is een vrijwel onhaalbare zaak, omdat daarvoor diverse internationale verdragen (Berne, TRIPS) moeten worden aangepast of opgezegd. Maar er is wel degelijk ruimte voor creatieve constructies om gebruik van weeswerken werkbaarder te maken. Lawrence Lessig had eens een alternatief systeem voorgesteld: na een zekere periode moet je als auteur elk jaar je adres doorgeven aan een Copyright Office en 1 dollar betalen. Doe je dat niet, dan komt het werk onder een lichter regime en mogen anderen er op bepaalde manieren gebruik van maken. Nietcommercieel hergebruik zou dan bijvoorbeeld toegestaan worden. Of de schadeclaims zouden beperkt moeten worden tot een redelijke vergoeding.

Arnoud

Vergemakkelijk gebruik van Creative Commons-foto’s met PhotoDropper

17 april 2008, 8:56 - Geplaatst onder: Auteursrecht, Innovatie - 1 reactie

PhotoDropper. Een briljante plugin voor alle Wordpress-gebruikers die graag legaal een plaatje bij hun berichten stoppen. Installeer deze Wordpress plugin en vervolgens is het een kwestie van trefwoorden opgeven en het mooiste plaatje kiezen in het gewenste formaat (klein, medium of groot):

In het configuratiescherm kun je opgeven of je blog “commercieel” is of niet. Zo ja, dan krijg je alleen resultaten waarvan commercieel hergebruik is toegestaan. Dat is pas handig gebruik maken van Flickr’s Creative Commons search!

Via PlagiarismToday.

Arnoud

Jostiband claimt auteursrecht op muzieknotatie met kleur

13 maart 2008, 8:40 - Geplaatst onder: Auteursrecht, Innovatie - 10 reacties

De Jostiband overweegt juridische stappen tegen een pianobedrijf in Voorthuizen, las ik op zibb.nl. Inzet is de muziekmethode voor kleuters die het bedrijf aanbiedt: die is, net als het systeem van de Jostiband, gebaseerd op kleuren in plaats van de traditionele notatie. De Jostiband blijkt nu copyright te claimen op haar methode en daarmee het gebruik door dit bedrijf te willen verhinderen. Beide partijen blijken ondertussen het geschil bijgelegd te hebben, maar ik wilde toch nog even terugblikken op de principiële vraag.

Het beschermen van concepten en technieken via auteursrecht is een lastige zaak. Uitgangspunt is dat ideeën en concepten vrij zijn, en dat alleen een concrete uitwerking beschermd wordt. Iedereen mag een boek over een jongen op een toverschool schrijven, maar J.K. Rowling mag iedereen tegenhouden die haar uitwerking Harry Potter kopieert. Maar waar ligt de grens? Dat is altijd een kwestie van de specifieke feiten van het geval. Waarop legt men de claim van auteursrecht, wat is er nu eigenlijk overgenomen en hoe uitgewerkt is het allemaal?

Het idee om toetsen op een piano met een gekleurd stickertje te markeren is niet auteursrechtelijk te beschermen. Dat is te algemeen. Er moet dus meer zijn, dit idee moet verder uitgewerkt zijn. Bij de kleurennotatie van de Jostiband zijn zeer weldoordachte keuzes gemaakt over welke kleuren voor welke tonen staat. Daaruit zou goed kunnen blijken dat het Jostiband-systeem voldoende uitgewerkt is en niet alleen maar een idee “muzieknotatie met kleur”.

Als vervolgens blijkt dat exact hetzelfde systeem door dit bedrijf wordt gebruikt, dan zou dat inbreuk op het auteursrecht kunnen zijn. Maar hoe meer afwijkingen er zitten in de uitwerking, hoe kleiner de kans dat inbreuk bewezen kan worden.

Bij de Barneveldse Krant meldt de bedenker dat hij het systeem geheel los van de Jostiband heeft bedacht. Iets zelf bedenken is een heel sterk verweer tegen inbreuk op auteursrecht: wie niet overneemt maar zelf maakt, kan geen inbreuk plegen. Het is alleen natuurlijk altijd lastig om te bewijzen dat je niet stiekem toch overgenomen hebt, zeker als het gaat om iets dat in een boek staat dat gewoon in de winkel te koop is.

Arnoud

Veilig gebruik van open source - de verkeerde vraag

7 maart 2008, 9:00 - Geplaatst onder: Open source, Innovatie - 6 reacties

Hoe gebruik ik op een veilige manier open source in mijn product of bedrijf? Dat is een van de meest gestelde vragen aan juristen. Er bestaan veel mythes en onduidelijkheden over open source licenties. Kun je nou wel of niet dynamisch linken met GPL software zonder je eigen software GPL te maken? Mag je open source verkopen of alleen een onkostenvergoeding vragen?

Ik denk alleen dat het de verkeerde vraag is.

“Veilig” betekent in deze context namelijk meestal “zonder dat ik mee hoef te doen aan al die rare open source voorwaarden”. Vaak wordt open source gebruikt als goedkoop alternatief voor een bestaande proprietaire oplossing. Het staat op internet, er zijn geen licentiekosten en het werkt nog beter ook. Mooi zo, in het product er mee. En dan blijkt dat open source wel degelijk licentievoorwaarden stelt. Vaak moet je broncode meeleveren, en soms nog je eigen wijzigingen of uitbreidingen ook. Maar dat was niet de bedoeling! Wat nu, hoe voorkom ik dat mijn harde werk nu gepubliceerd moet worden?

En wie zich die vragen stelt, is fout bezig. Je beschouwt software dan nog steeds als je eigendom, iets waar je zeggenschap en controle over wilt houden. Open source is in die optiek niet meer dan een toeleverancier die gekke voorwaarden stelt.

Open source is veel meer. Open source gaat om samenwerken, om samen innoveren. En samenwerken doe je niet achteraf. Dat is iets dat je plant vanaf het eerste moment. Je moet vooraf bedenken waarover je wilt samenwerken, wat je gezamenlijk wilt ontwikkelen en wat je liever voor jezelf houdt zodat je je product uniek kunt maken of houden.

Kortom, weet waarom je open en gesloten software mixt, en zorg ervoor dat je weet wat je open of gesloten wilt houden.

Arnoud

De waarde van gratis

24 februari 2008, 11:10 - Geplaatst onder: Innovatie - 2 reacties

Foto: Henk-Jan WinkeldermaatGratis is niet hetzelfde als waardeloos. Maar hoe kom je rond als auteur als je je werk gratis weggeeft in plaats van royalties per doosje, per exemplaar te rekenen? Met die insteek organiseerde Erno Mijland de bijeenkomst Survival of the fittest content makers. Daar ontmoette ik (voor het eerst!) in persoon Marco Raaphorst, Henk-Jan Winkeldermaat, Laura Babeliowsky, Huub Koch, Erno Hannink, Sanne Roemen en natuurlijk Erno Mijland zelf (hoewel ik die al eens eerder had ontmoet). Wat een leuke kennismaking met iedereen!

Erno schreef al een uitgebreid verslag van de bijeenkomst. Het gaat om waarde creëren met je content, en waarde vertaalt zich weer in een beloning voor de auteur. Maar wat is waarde, en waar ligt die? Erno omschrijft het zo:

Een interessant punt in de bijeenkomst was de vraag of content eigenlijk wel intrinsieke waarde heeft, of dat die waarde pas ontstaat op een bepaald moment in een bepaalde context? Zoals de krant van gisteren niets waard is, de krant van vandaag een euro waard is en de krant van morgen een vermogen. Waarde wordt dan bijvoorbeeld gecreëerd door gemak: een nummer in iTunes kan 0,99 euro kosten omdat het direct beschikbaar is op het moment dat de eindgebruiker er behoefte aan heeft. Anderen bewijzen het door teksten gratis voor iedereen beschikbaar te maken op het internet en toch te verdienen aan de boeken waarin deze teksten verzameld zijn (de beleving van de drager).

Zoals Marco Raaphorst het zegt:

Heel simpel: als je weblog waarde heeft, als de lezers er iets aan hebben, dan vertegenwoordigt het waarde. En die waarde valt uit te drukken in geld. Niet alleen kan een weblogger aan advertenties verdienen, een weblog vormt ook vooral een laagdrempelige manier om nieuwe klanten te verwerven. Bewust of onbewust. Hoe meer je van jezelf laat zien, des te groter is de kans dat mensen jouw ding, jouw content of jouw visie willen inhuren.

Zo zie ik het ook. In december schreef ik waarom ik al mijn werk gratis weggeef. Hergebruik mijn werk gerust, schreef ik toen, dat is goede promotie voor mij (zolang je mijn naam maar goed spelt, een niet-triviaal aspect in mijn geval). Die promotie vertaalt zich in niet-materiële waarde. Ik verdien geen cent meer door deze blog, maar krijg wel veel aandacht en exposure. Ook dat heeft waarde.

Erno publiceerde ook een zeer leesbaar artikel over economische modellen voor content op internet.

(Foto door Henk-Jan WinkeldermaatHuub Koch, Creative Commons BY-NC-SA 2.0)

Arnoud

Creative Commons: een teleurstelling?

16 februari 2008, 11:46 - Geplaatst onder: Auteursrecht, Innovatie - 11 reacties

Jonathan Bailey, Creative Commons-gebruiker sinds 2003, is teleurgesteld in het concept. Niet omdat mensen nu zijn werk stelen (dat doen ze toch wel), maar omdat CC gebruiken hem niets oplevert. Het probleem met CC, zo schrijft hij, is dat mensen niet goed snappen wat nu de bedoeling is.

Ergens heeft hij wel een punt. Auteursrecht betekent “afblijven van dat werk”, zo wordt ons via allerlei reclamecampagnes ingeprent. Nu krijg je ineens Creative Commons dat zegt “u mag kopiëren en verspreiden, mits”. Dus er zit geen auteursrecht op? Ja, dat wel, maar het werkt anders dan gewoon auteursrecht. Zo breng je mensen inderdaad in verwarring. Je ziet dat ook mooi bij Wikipedia, dat gebruikers waarschuwt: “Gebruik nooit materiaal dat beschermd is door auteursrecht!”

Bailey krijgt, net als ik, regelmatig mailtjes van mensen die beleefd vragen of ze zijn werk mogen gebruiken. De grote Creative Commons-banner is kennelijk niet duidelijk genoeg, of mensen weten niet wat ze daar nu mee aan moeten. En dat terwijl de uitleg in principe heel eenvoudig is. Alles mag, maar laat de naam van de auteur staan. Als er “NC” bij staat, mag je het gebruiken maar er geen geld mee verdienen. Als er “ND” staat, mag je het werk niet aanpassen. Ok, “SA” is iets minder eenvoudig. Maar goed.

Ik ken maar weinig plekken waar mijn werk geheel conform de CC licentie wordt hergebruikt. Met een beetje geluk blijft mijn naam staan (zeker nu ik die bij de artikelen middenin de tekst heb geplakt), maar vermelding van de licentie, vergeet het maar. Heel erg vind ik dat niet: men verspreidt zo mijn teksten en dat levert mij weer leuke dingen op.

Het idee van Creative Commons was echter dat er een commons, een gemeenschappelijke bron van creatieve werken zou ontstaan waar iedereen uit kon putten. Maar daar merk ik maar bar weinig van.

Wat denken jullie, mede-CC gebruikers? Wordt jullie werk wel netjes hergebruikt volgens de licentie?

En hoe stimuleren we die commons?

Arnoud

Verplicht leesvoer: Digitale muziekcultuur en de veranderende muziekindustrie

14 februari 2008, 8:50 - Geplaatst onder: Innovatie - 4 reacties

Als Marco het zegt, dan is dat zo. Verplicht leesvoer dus, die afstudeerscriptie van Maarten Brinkerink (MA, Utrecht, Nieuwe media en digitale cultuur). Ik las ‘m in één ruk uit en dat zou u ook moeten doen.

De titel CyberIndie: Digitale muziekcultuur en de veranderende muziekindustrie belooft al veel goeds. Deze keer geen doorwrochte analyse over de toepasselijkheid van artikel 12 auteurswet op embedded players of de vraag of een torrentbestand onrechtmatig is, maar de veel belangrijker en veel fundamentelere vraag: “Hoe beïnvloedt de opkomst van digitale technologie de distributie en exploitatie van muziek?”

In het eerste hoofdstuk bespreekt Brinkerink de opkomst van de digitale muziekcultuur. Digitale muziek is fundamenteel anders: elke kopie is identiek aan het origineel. Is er dan nog wel een origineel? Ook de productie en distributie van muziek zijn fundamenteel veranderd door de digitale mogelijkheden. Met name de voorheen passieve consument wordt veel actiever: hij deelt muziek en maakt (of mixt) die ook zelf.

Wat dit betekent voor de gevestigde muziekindustrie, blijkt in hoofdstuk twee. Haar exclusiviteit in productie en distributie staat onder grote druk door deze nieuwe digitale cultuur. Je kunt dan wel met auteurswetten gaan zwaaien, maar werkt dat nog wel? Brinkerink betoogt overtuigend van niet. De klassieke businessmodellen voor muziek, en daarmee ook de auteurswet, zijn gebaseerd op schaarste en exclusiviteit, precies de twee zaken die volstrekt afwezig zijn bij digitale muziek.

Deze traditionele exploitanten van muziek trachten via wetgeving en rechtszaken de “bedreigende innovatie” binnen de digitale muziekcultuur via de auteursrechtelijke weg in de illegaliteit te plaatsen en zo onschadelijk te maken. Tel daar DRM bij op en je kunt je afvragen of de balans tussen informatievrijheid en recht op geestelijke prestaties (inderdaad, ius mentis!) nog wel juist is.

Hoe moet je daarmee omgaan? Brinkerink verwijt de industrie maar ook de wetgevers een gebrek aan visie:

Niet alleen ontkennen zij de fundamentele en onstuitbare aard van de opkomst van de digitale muziekcultuur, maar daarnaast slagen zij er niet in om adequaat aan te sluiten op zowel de maatschappelijke als de politiek-economische mogelijkheden die deze ontwikkeling met zich meebrengt.

Op zoek naar een antwoord belandt Brinkerink in hoofdstuk drie bij de open cultuur. Het model van open source software (vrij delen van broncode en voortbouwen op elkaars ideeën) is dankzij initiatieven als Creative Commons overgeslagen naar andere culturele uitingen: open content.

Open content licenties bieden artiesten -niet de industrie- de flexibiliteit die zij nodig hebben om optimaal gebruik te kunnen maken van de digitale mogelijkheden. Hierdoor, aldus Brinkerink, kan een gemêleerd muzikaal landschap ontstaan, waarin muzikanten niet langer genoodzaakt zijn om artistieke concessies te doen en subculturele vormen van muziek een groter bestaansrecht krijgen.

Hoofdstuk vier brengt alles bij elkaar. Eerst schetst Brinkerink de opkomst van de “culturele industrie”, met de verrassende conclusie dat

mensen de culturele producten van de massa-industrie niet [consumeren] vanwege een oprecht individueel verlangen, maar vanwege de prominente aanwezigheid van deze producten binnen de massamedia.

Vervolgens analyseert hij de ‘ondergrondse’ muziekstromingen, de indies (independents) en hoe deze langzaam maar zeker ‘mainstream’ werd. Dit was onvermijdelijk omdat zonder het “machtsmonopolie van de gevestigde muziekindustrie” het publiek nauwelijks te bereiken was. Maar dat ligt nu anders. Nu hebben onafhankelijke muzikanten en bands de mogelijkheid om zelfstandig, via digitale technieken, zichzelf aan een wereldwijd publiek te presenteren: de cyberindies waren.

Uit de conclusie:

CyberIndie stelt muzikanten middels een open exploitatiemodel tegelijkertijd in staat om (indirect) geld te verdienen met hun muziek. Nieuwe (internet)platformen voor muziek zijn van cruciaal belang voor de ontwikkeling van CyberIndie, als promotiekanalen en innovatieplatformen om de positie van deze nieuwe muzikale subcultuur binnen de muziekindustrie positief te beïnvloeden. Momenteel pionieren online muziekgemeenschappen met wat het toekomstig primaire consumptie- en distributiekanaal van muziek zal worden, door muziekliefhebbers de mogelijkheid te bieden om hun weg te vinden in een gemêleerd muzikaal landschap, met een omvangrijker en diverser muzikaal aanbod dan voorheen het geval was. Netlabels en andere nieuwe internetplatformen experimenten met steeds succesvollere open exploitatiemodellen voor muziek en tonen daarmee de meerwaarde van open distributie voor muzikanten aan.

Deze zeventig pagina’s tellende scriptie is zeer, zeer de moeite van het lezen waard.

Arnoud

Wat wil Microsoft met Yahoo!?

13 februari 2008, 9:17 - Geplaatst onder: Innovatie, Zoekmachines - Geen reacties

Waarom wil Microsoft zo graag Yahoo! overnemen? Die cruciale vraag, die meer dan 40 miljard dollar waard is, stellen een hoop mensen zichzelf. Het beste antwoord tot nu toe vond ik bij Roughly Drafted, dat Microsoft en Yahoo uitgebreid op een rijtje zet en tot de conclusie komt dat die aankoop er alleen toe zal leiden dat Microsoft haar monopoliekracht kwijtraakt - wat Google de grote winnaar van het hele spel maakt.

With Microsoft increasingly unable to expand or even maintain its monopoly powers, or successfully use them to force the adoption of its own products, what benefit would there be in buying up Yahoo and attempting to use it as an expanded version of the same online strategies that currently aren’t working?

A cynic might suggest that such a brutal merger might provide just what the world needs: a dramatic reduction in Microsoft’s power and a disassembly of the largely ineffective Yahoo in order to better use the resources that it currently sits upon. At the same time however, such a consolidation threatens to put too much power in one place. While Google has complained that Microsoft’s Yahoo bid might result raise antitrust issues, the biggest problem created might be the elimination of any check to Google itself.

Lees verder in Why Does Microsoft Really Want Yahoo? bij RoughlyDrafted Magazine.

Arnoud

Content-centrische netwerken

10 februari 2008, 11:00 - Geplaatst onder: Innovatie, Beveiliging - 7 reacties

Het internet gaat aan haar eigen succes ten onder. Hoewel er steeds meer kabels gelegd worden en steeds grotere datacentra, blijft het netwerk kwetsbaar. Dat komt door een fundamentele beperking in de opzet van internet: elk stukje informatie moet van één bron komen. En als die verstopt of onbereikbaar wordt, gaat het fout.

Caches en mirrors (of hulpnetwerken zoals Akamai) zijn een gedeeltelijke oplossing. Meer fundamenteel is een nieuwe opzet van het internet: zet de data centraal, niet de computers waar het vandaan komt. Iedereen doet mee aan de verspreiding, zodat er altijd genoeg bronnen zijn om de data te pakken te krijgen die je wilt. Technisch haalbaar, maar alle wetten over aansprakelijkheid, auteursrecht en aanverwante zaken kunnen het raam uit.

Het internet zou gebouwd zijn om gedurende een nucleaire oorlog te blijven werken. Dat is een mythe. Het internet is allerminst robuust. Deze kaart van de Guardian (via ZBDigitaal) laat zien hoe weinig verbindingen er eigenlijk zijn tussen de continenten:

Bron: The Guardian 2008

En het gaat ook vaak genoeg mis. Eén kabelbreuk blijkt al genoeg om het halve Midden-Oosten zonder internet te laten zitten (complottheorieën te over trouwens). In december 2006 zorgde een zeebeving voor een grote internetstoring in Zuid-Oost Azië. Vietnam zat in juni 2007 zonder internet door diefstal van kilometers glasvezelkabel.

Raar eigenlijk, want op zich is er netwerkcapaciteit genoeg in die landen, en de meeste pagina’s, filmpjes en andere content die de mensen daar wilden zien was ook ongetwijfeld allang aanwezig op de harde schijven op de miljoenen computers aldaar. Maar toch moest iedereen per se naar de originele server om zijn eigen kopie van die pagina’s of filmpjes op te vragen. Onzin eigenlijk, maar ja, zo is internet nu eenmaal gebouwd.

Bittorrent is een voorbeeld van hoe het ook anders kan. Net als bij elk file sharing netwerk worden bestanden van computer naar computer verspreid. Het unieke aan Bittorrent is dat er niet één persoon is die het hele bestand verstuurt. Elk bestand wordt in delen opgehakt, en elk deel wordt afzonderlijk verstuurd. Zodra iemand een deel heeft, deelt hij dat deel ook weer met iedereen die op zoek is naar dat bestand.

Bron: Master New MediaDeze techniek is een eenvoudige versie van wat in de wetenschappelijke wereld bekend staat als content-centric networking, content disseminatie netwerken of swarming.

Deze video-uitleg van Van Jacobson legt heel duidelijk uit waar het over gaat. Iedere computer die een stukje data langs ziet komen, bewaart daar een kopietje van. Als deze vervolgens een verzoek langs ziet komen voor dat stukje data, stuurt hij zijn kopietje in plaats van het verzoek door te geven aan de mogelijk heel ver weg staande oorspronkelijke server.

Deze netwerktechnologie heeft vérstrekkende gevolgen, ook voor het internetrecht. Als er geen centrale bron meer is die de content “op internet zet”, wie moet je dan aanspreken als de publicatie onrechtmatig is? En zelfs als je de eerste plaatser van de content vindt, hoe kan deze dan de publicatie stopzetten? Ben ik aansprakelijk als mijn computer iets bewaart en doorgeeft dat in Koeweit illegaal is?

Of wat dacht je van de vraag hoe je een stuk content vindt? Als er geen “officiële” site meer is, en content overal vandaan kan komen, kan ik het verschil niet meer zien tussen een geautoriseerde en een ongeautoriseerde publicatie.

De oplossing zal op een of andere manier uitgebreid gebruik moeten maken van encryptie en digitale handtekeningen. Vervalsing van data is immers triviaal, als iedereen antwoord mag sturen op elk verzoek. Met een digitale handtekening kan de ontvanger dan nagaan of hij echt de voorpagina van NU.nl heeft gekregen of een neppagina. En voor veel data (zoals e-mail of chatgesprekken) is het niet de bedoeling dat iedereen meeleest, dus daar is encryptie cruciaal.

Via de digitale handtekening op content zou je dus de plaatser kunnen achterhalen. Maar dat is een lastige: hoe weet je welke digitale handtekening gezet is door welke persoon? Wie is de echte Disney?

En om dan de content te kunnen verwijderen, is nog heel wat meer nodig. Youtube heeft nu al problemen genoeg om een film weg te halen als ze daar een bevel toe krijgen.

Kortom, genoeg stof om over na te denken. Onlangs kocht ik het boek The Big Switch van Nicholas Carr, een aanrader over dit onderwerp!

Arnoud

Andermans site scrapen, wanneer mag dat?

29 januari 2008, 12:44 - Geplaatst onder: Auteursrecht, Innovatie, Internetrecht, Zoekmachines - Geen reacties

Voor Netters, een community voor webbouwers, schreef ik een juridische analyse over scrapen, hergebruik van stukjes content van andermans site.

Scrapen is een vorm van uitbesteden. Een zoekmachine bouwen is veel werk. En dat geldt niet alleen voor algemene zoekmachines zoals Google, maar ook voor speciale zoekmachines voor huizen, auto’s, contactadvertenties en noem maar op. Veel van dat werk zit hem in het verzamelen en onderhouden van de content. Hoe houd je je database up-to-date, wanneer verwijder je een te koop staand huis en bij welke advertenties moet je ingrijpen omdat er iets illegaals wordt verkocht? Erg fijn dus als je al dat gedoe kunt uitbesteden, en jij je alleen bezig hoeft te houden met zoekresultaten tonen - en natuurlijk de advertenties er omheen.

Maar ja, dan moet die advocaat wel een recht in stelling kunnen brengen. Zomaar iets laten verbieden gaat meestal niet. Dus wat valt er juridisch te doen tegen scrapen? Of omgekeerd, wat mag je scrapen van andermans site?

Lees verder in Andermans site scrapen, wanneer mag dat? bij Netters.

Arnoud

Volgende Pagina »

Copyright Arnoud Engelfriet - Some rights reserved - Powered by WordPress