Bitcoins zijn geen geld, dus moeten als bitcoin worden teruggegeven

Photo by Traxer on Unsplash

Bitcoin kwalificeert niet als geld in de zin van Afdeling 11 van Titel 1 van Boek 6 BW, zodat de vordering tot betaling van de tegenwaarde in Euro niet toewijsbaar is. Aldus het Hof Den Haag, ietwat droge bewoordingen voor “krijgt de eiser een paar duizend euro of bijna anderhalve ton”.

Het achterliggende geschil is wat rommelig omschreven, er komt ineens een mining park om de hoek kijken bijvoorbeeld. Maar de kern is dat er ergens in 2018/begin 2019 twee bitcoins (naast €2500 aan geld) zijn uitgeleend, en die wilde de uitlenende partij terug. Dat is een paar duizend tegen de toenmalige koers – maar rond de €140 duizend euro vandaag de dag, als ik het goed reken.

De rechter kende de eis tot terugbetaling toe, en rekende daarbij met de geldswaarde van de bitcoins op de datum van vonnis, wat toen € 38.889 betrof. In hoger beroep keurt het Hof dat af:

De primaire vordering tot betaling van de tegenwaarde (tegen de koers van 20 april 2022) in Euro van twee bitcoins, is niet toewijsbaar. Bitcoin kwalificeert niet als geld in de zin van Afdeling 11 van Titel 1 van Boek 6 BW, zodat artikel 6:123 lid 1 BW toepassing mist. [verweerder] heeft geen (andere) grondslag aangevoerd voor zijn hier bedoelde primaire vordering. Het hof zal daarom het bestreden vonnis vernietigen voor zover [appellant] is veroordeeld tot betaling van die tegenwaarde van twee bitcoins tegen de koers van 20 april 2022, en de vordering in zoverre afwijzen.]
De rechter mag alleen vonnissen dat je de dagwaarde betaalt van iets dat geld is. Bitcoin is geen geld, iets dat we al vaker langs hebben zien komen. En dan moet het ding zelf, dus de bitcoin teruggegeven worden.

De exacte uitgeleende bitcoins zijn niet meer te achterhalen, dus dan mogen het twee andere zijn, zolang het er maar precies twee zijn. En ja, dat kan dus betekenen dat je er nu twee moet gaan kopen op de vrije markt en die twee moet geven aan je uitleenovereenkomstwederpartij.

Dus voor wie pakt dit gunstig uit? Op het eerste gezicht voor de uitlener – die krijgt immers twee bitcoins ter waarde van €140.000 terug voor een lening die oorspronkelijk ‘slechts’ enkele duizenden euro’s waard was. Maar is dat wel eerlijk? En belangrijker: is dat wel wat we willen in een volwassen cryptomarkt?

Of moeten we juist blij zijn met deze uitspraak omdat die dwingt tot betere contracten en risico-inschatting? Want laten we eerlijk zijn: wie in 2019 bitcoins uitleende zonder duidelijke afspraken over terugbetaling, speculeerde bewust of onbewust op waardestijging.

Arnoud

 

 

 

Is fraudebepaling op basis van afstand nu ook al discriminatie?

Photo by RDNE Stock project on Pexels

Een fraudeaanpak van de Nederlandse Dienst Uitvoering Onderwijs was discriminerend en onrechtmatig, zegt de Autoriteit Persoonsgegevens. Dat meldde Tweakers onlangs. De frauderisicoscore werd berekend op basis van onderwijssoort, afstand en leeftijd. Dat mag niet, en ik grijp deze casus aan om eens héél fundamenteel naar algoritmische fraudedetectie te kijken.

De kern van het probleem staat in het persbericht van de AP:

DUO gaf studenten een ‘risicoscore’ door naar onderwijssoort, afstand tussen adressen en leeftijd te kijken. Voor die criteria was geen objectieve rechtvaardiging. Dat maakte deze werkwijze discriminerend en dus onrechtmatig.
Volgens de Grondwet is onderscheid op íedere grond in principe verboden – je moet een (objectieve) rechtvaardiging hebben om die grond te mogen inroepen. Je moet 16 zijn om op een ebike te mogen, omdat je (gemiddeld) pas dan genoeg ontwikkeld bent deze veilig te gebruiken. Je mag niet meer dan een uur reizen van je werk wonen, want de reistijd breekt je op zo weten wij uit ervaring. Zulke dingen.

Dat zijn bewezen regels: we hebben gezien dat deze vaak genoeg kloppen, dus daar trekken we een grens. Steeds vaker zien we datagedreven regels, waarbij de data laat zien waar de grenzen liggen. Die grenzen worden dan de criteria, en dat heet dan objectief omdat het uit Excel komt.

In dit onderzoek komt het algoritme neer op drie individuele scores, met een totaalscore (“risicofactor” of RF) als R1*(R2+R3):

  • R1: het soort onderwijs. Een MBO-opleiding levert een hogere risicoscore op dan een WOopleiding.
  • R2: een combinatie van leeftijd en kortste afstand tussen het adres van de student en het adres van (een van de) ouder(s). Een kortere afstand tussen de student en de ouder(s) leidt tot een hogere risicoscore.
  • R3: een extra risicofactor op basis van leeftijd: Een lagere leeftijd resulteert in een hogere risicoscore.
De score werd platgeslagen tot zes niveaus, van zeer hoog tot zeer laag (+onbekend). Sorteer je datadump op deze niveaus en je weet bij wie je langs moet.

Oké, maar hoe kwam men dan aan die drie factoren? Welke data-analyse had laten zien dat dat de factoren waren? Ik citeer het onderzoeksrapport: “ervaring en gezond verstand”. Dat kan ik vrij moeilijk een ‘algoritme’ of ‘data-analyse’ noemen. En ja, heel formeel is dan sprake van onrechtmatige verwerking want je kunt niet rechtvaardigen waarom deze keuzes. “Gezond verstand” is geen reden.

Maar goed, stel dat men nu wél de originele datadump had voorzien van labels “gebleken fraudeur” en “geen fraudeur”. En dan een machine learning model had laten ploegen op het onderscheid tussen die twee. En dat model had dan een correlatie gevonden volgens R1*(R2+R3). Had het dan wél gemogen?

“De data laat het zien”. Want wat ziet die data dan precies? Een correlatie, een statistisch verband. Maar correlatie is geen causatie. Als uit de data blijkt dat MBO-studenten vaker frauderen, betekent dat nog niet dat MBO het frauderen veroorzaakt. Misschien worden MBO-studenten wel vaker gecontroleerd, waardoor er meer fraude wordt ontdekt. (En dat versterkt weer de dataset, een klassieke feedbackloop.) Of misschien spelen sociaal-economische factoren een rol die we helemaal niet meenemen in de analyse en die toevallig samengaan met MBO student zijn.

Stel, we hebben een complete dataset: alle studenten, alle controles, objectief en eerlijk verdeeld. En dán blijkt dat 30% van de MBO’ers fraudeert tegenover een algemeen gemiddelde van 10%. Dan kan ik me wat voorstellen bij “is MBO student” als criterium, hoewel dit nog steeds een vorm van collectieve verdachtmaking  blijkt: je bestempelt 100% van de MBO’ers als risicogeval terwijl nog steeds 70% van hen gewoon netjes studeert.

Meer algemeen is dit een bolvormige koe: nooit van z’n leven krijg je zo’n complete, accurate en eerlijke dataset op basis waarvan je analyse gaat doen. Alleen dat zou al genoeg moeten zijn om hier zeer huiverig in te zijn.

Verder heb ik er nog een fundamenteel bezwaar bij. Datagedreven analyse mist het normatieve fundament dat we anders wél hebben bij het maken van regels. Neem die fatbike-regel: die is er niet omdat Excel dat zei, maar omdat we als maatschappij vinden dat ernstige ongevallen voorkomen moeten worden. De data ondersteunt dat (16-jarigen hebben inderdaad minder ongelukken), maar de réden voor de regel zit in onze waarden: mensenlevens beschermen, zorgkosten beheersen, verkeersverantwoordelijkheid.

Bij pure data-analyse verdwijnt dat normatieve kader. We vinden wel verbanden, maar het systeem kan niet uitleggen waarom die verbanden relevant zouden moeten zijn voor ons beleid. Tot welke grondslag, welke maatschappelijke opvatting de regel te herleiden is. Waarom we dit moeten willen. En dan belanden we in een gevaarlijke cirkel: we baseren regels op data omdat die data het “aantoont”, en vervolgens gebruiken we diezelfde data als rechtvaardiging voor de regel. Maar nergens in die cirkel zit nog het antwoord op de vraag: waarom willen we deze regel eigenlijk? Welk maatschappelijk belang dienen we ermee? Het wordt een soort zwevend systeem dat zichzelf in stand houdt, zonder verbinding met de waarden waar het eigenlijk om zou moeten gaan.

Arnoud

Wanneer verdient gefotoshopte content het label “AI assisted”?

Photo by Florinel ZONE on Unsplash

Een probleem bij Facebook en collega’s: je krijgt al vrij snel het label “AI assisted” of vergelijkbaar aan je beeldmateriaal. Moederbedrijf Meta worstelt met hoe dit aan te pakken, omdat zij nepbeeld wil aanpakken maar er nauwelijks goede criteria zijn. Maar op dit moment is het “als je Adobe®? Photoshop gebruikt, krijg je het label” en dat is ook weer niet heel handig.

De opkomst van AI-beeldgeneratoren heeft geleid tot een stortvloed aan nepbeeld en AI-revisies. Soms bizar (zoals Shrimp Jesus), soms gewoon nieuwe kunst en soms welbewuste manipulatie van de werkelijkheid – en van alles daar tussenin.

Dit aanpakken begint bij het herkennen, en daar ligt ook meteen het probleem. De meeste bedrijven in deze sector doen mee aan wat Adobe Content Credentials heeft genoemd: een label in de metadata waarin kort opgesomd staan welke handelingen met AI zijn uitgevoerd. Deze is via een stevige hash verbonden aan de afbeelding, en kan dus ook geverifieerd worden als het label uit het beeld gehaald worden (en ook na bepaalde triviale manipulaties zoals roteren).

Facebook, Instagram en collega’s screenen op dit label, en tonen dan een waarschuwing: “Made with AI”, tegenwoordig “AI Info”. Van tegenhouden of andere maatregelen is (vooralsnog) geen sprake, en in het kader van transparantie is dit al een mooie stap natuurlijk. (Het moet ook in het kader van de zorgplicht onder de DSA die deze platforms hebben.)

Probleem is natuurlijk: wanneer is iets “made with AI” of “AI assisted”. Heel veel aanpassingen die we de afgelopen twintig jaar als “image was enhanced using Adobe® Photoshop® software” (deze frase is verplicht) hebben omschreven, worden tegenwoordig als AI-aanpassingen gezien. Niet alleen generatief (het uitbreiden van je canvas) maar ook basale zaken als objecten herkennen en vervangen. Dit speelt natuurlijk ook bij andere tools.

Ik denk niet dat je hier ooit echt uitkomt. Het compromis dat nu gevonden is, komt neer op een onderscheid tussen “de afbeelding kwam in de basis uit een genAI tool” en “de afbeelding is aangepast met AI-achtige tools”. Die eerste krijgen het label, bij die tweede zie je het pas als je de foto-informatie opvraagt. Ideaal is dat niet, maar ik weet niet hoe het beter zou moeten.

Arnoud

 

AI gaat helpen op de SEH, mag dat van de AIA?

Foto DennisM2, Flickr (PD)

Op de spoedeisende hulp van het St. Antonius Ziekenhuis in Utrecht wordt sinds begin deze maand gebruikgemaakt van artificiële intelligentie (AI). Dat meldde lokale krant DUIC. Het systeem adviseert bij de beslissing of mensen moeten worden opgenomen of niet, zodat men eerder kan beginnen met plannen. Een mooiere aanleiding om mijn boek te pluggen, pardon het over de AI Act te hebben weet ik even niet.

Het ziekenhuis legt uit hoe het werkt:

Het algoritme gebruikt gegevens zoals leeftijd, bloedwaarden, hartslag en de hoofdklacht, om te voorspellen welke patiënten waarschijnlijk moeten worden opgenomen en welke ontslagen kunnen worden. Voor elke patiënt berekent het algoritme elke 5 minuten opnieuw de kans op opname of ontslag en past de verwachting aan als nieuwe uitslagen daar aanleiding toe geven.
Het voornaamste doel is sneller het proces van opnemen (bed vrijmaken, behandelaars alarmeren et cetera) op gang brengen. Dit kan in de praktijk soms uren duren, zeker als een buitenbed geregeld moet worden. Het blijft een advies, zo benadrukt men: uiteindelijk beslist altijd de arts.

Valt dit nu onder de AI Act als een hoogrisico-toepassing? Dat kan in twee gevallen in de context van gezondheidszorg:

  1. De AI is een gereguleerd apparaat onder de Medical Device Regulation (MDR), of een veiligheidscomponent daarvan.
  2. De AI is bedoeld om noodoproepen te classificeren of afhandeling te prioriteren, of voor de triage van patiënten die dringend medische zorg behoeven.
Over die tweede kan ik kort zijn. We zijn hier al voorbij de triage, want de patiënt is al binnen bij de SEH en er moet worden vastgesteld wat er nu met deze moet gebeuren. Triage is bij de deur bepalen hoe kritiek de hulpbehoefte is en of de patiënt naar binnen moet. Dat is dus niet van toepassing.

De MDR reguleert medische hulpmiddelen. Dit zijn apparaten, isntrumenten “of andere artikelen” die bestemd zijn om bij de mens te dienen voor

diagnose, preventie, monitoring, voorspelling, prognose, behandeling of verlichting van ziekte, diagnose, monitoring, behandeling, verlichting of compensatie van een letsel of een beperking, [etc]
Deze softwaretool wordt gebruikt voor monitoring en voorspelling bij mensen met ziekte, letsel of beperking. Dat het enkel gaat om een advies, maakt daarbij niet uit. Deze tool is dus een medisch hulpmiddel op zich, en daarmee hoogrisico.

Hoogrisico betekent: doe een conformiteitsassessment, heb een kwaliteits- en risicomanagementsysteem en zorg dat je data kwalitatief goed is. Screen op dingen die mis kunnen gaan, en heb een proces om in te grijpen.

Gelukkig voor het Antonius krijgen ze pas over drie jaar met deze eisen te maken, want voor gereguleerde producten kent de AI Act een uitgesteld regime. Heel erg is dat niet, want de MDR kent zelf ook al dergelijke eisen, waar een ziekenhuis overigens prima mee om kan gaan.

In deze analyse ben ik totaal niet ingegaan op hoe accuraat, zorgwekkend, vernieuwend of anderszins risicovol de toepassing is. Daar is een leuke boom of wat over op te zetten, natuurlijk. Er is het al wat oudere voorbeeld van een triage-AI die patiënten met een mogelijke beginnende longontsteking aanraadt het nog een nachtje aan te kijken. Prima advies, alleen niet als de patiënt astma heeft – dan moet je direct naar de SEH. Alleen zat die uitkomst niet in de dataset.

Het punt van de AI Act is: dat doet er niet toe. De analyse is formeel. Je kijkt of je valt onder een van de gereguleerde producten of een van de genoemde use cases. Zo ja, ben je hoog risico. Zo nee, ben je dat niet. Dat de AVG of andere wetgeving er iets van vindt in termen van risico, staat daar helemaal los van.

Weten hoe de AI Act precies in elkaar steekt? Koop dan mijn boek The Annotated AI Act. In 411 pagina’s krijg je elk artikel van deze nieuwe wet geduid en van context voorzien.

Arnoud

 

 

Mag een cryptobeurs eisen dat ik de herkomst van crypto uit 2015 kan bewijzen?

Photo by David McBee on Pexels

Een lezer vroeg me:

Bij een herkomst van middelen-onderzoek bij een Nederlandse crypto-beurs kon ik gelukkig bewijs vinden in een toevallig gevonden backup uit 2015. De Belastingdienst had alleen de gegevens van de afgelopen 7 jaar, en de bank kon maar vijf jaar teruggaan. Bovendien zijn bankafschriften alleen niet genoeg als bewijs, volgens die beurs. Hoe zit dat wettelijk, zijn legale investeringen van 7 jaar oud ineens zwart tenzij je kunt bewijzen dat ze wit zijn?
Dit soort onderzoeken zijn inderdaad wettelijk verplicht (Wwft), al is de exacte scope en diepgang nog onderwerp van veel discussie. De kern is dat men geld verkregen uit misdrijven (witwassen) maar ook geld waarover geen belasting is betaald (grijs geld) wil kunnen opsporen, en deze schone taak bij banken en cryptobeurzen heeft gelegd.

De bewijslast bij dit soort zaken ligt bij de bezitter van het geld. Die moet kunnen aantonen dat het geld legaal verkregen is. Althans, in de praktijk. Op papier moet het OM of de Belastingdienst natuurlijk hardmaken dat sprake is van fraude, belastingontduiking of witwassen. Maar heel vaak komt dat neer op aantonen dat de oorsprong niet evident legaal is en een aanwijzing dat er iets schimmigs rondom de bezitter hangt. Daarna komt de bal bij de bezitter te liggen: waar komt het geld dan wél vandaan?

De juridische rechtvaardiging hiervoor is dat jij in principe eenvoudig kunt zeggen waar je geld vandaan komt. Je krijgt immers zelden geld zonder dat jij weet waarom of van wie. En het OM kan moeilijk aan een sok met bankbiljetten zien of dat uit “enig misdrijf” afkomstig is.

Deze harde regel komt in ieder geval zo terug bij hoe banken en cryptobeurzen handhaven. Bij ‘oud geld’ kan het inderdaad zijn dat je dan in bewijsnood komt, want wie weet er nog hoe hij in 2015 een bitcoin had verkregen? Maar de wet biedt daarvoor geen escape.

(Ik heb zelf ooit in 2013 een bitcoin gemined puur om te zien of ik het kon, maar zou niet weten hoe ik nu de herkomst daarvan had moeten bewijzen.)

Arnoud

“Dit gesprek kan worden opgenomen voor AI-trainingsdoeleinden”

Photo by Petr Machá?ek on Unsplash

Talkdesk en veel andere [Customer Care]aaS-leveranciers gebruiken de inhoud van de gesprekken van de klanten van hun eigengebruikers om hun AI-modellen te trainen. Dat las ik bij Ziptone onlangs. Aanleiding was een rechtszaak aangespannen door een Californische consument die daar niet op zat te wachten. Het riep de vraag op: hoe zou je dat legaal kunnen inrichten in Nederland?

Iedereen denkt wellicht aan de AI Act, maar die zegt niet zo gek veel over hoe je aan databestanden komt om een AI mee te trainen. Ja, als je toepassing hoogrisico is dan moet die data “relevant, voldoende representatief, en zoveel mogelijk foutenvrij en volledig met het oog op het beoogde doel” zijn (artikel 10 lid 3 AIA). Maar eisen zoals “met toestemming verkregen” zul je niet terugvinden in deze wet.

Wél daarover gaat natuurlijk de AVG: het opnemen van een zakelijk telefoongesprek, of het loggen van een zakelijke chat, is een verwerking van persoonsgegevens. Dat gebeurt met een doel – het bewijzen van de geleverde dienst of eventuele geschillen (uitvoering overeenkomst), of het meer algemeen verbeteren van de dienstverlening (“service- en trainingsdoeleinden“). Het kan ook met toestemming, maar buiten salesgesprekken zie je dat eigenlijk nooit.

Het AVG-technisch probleem is met name dat doel, in vaktermen de doelbinding. De gegevens worden verkregen voor het ene doel (die servicedoeleinden, bewijsvoering, etc) en nu ingezet voor iets anders, namelijk het samenstellen van een dataset waarmee een AI getraind gaat worden. Je kunt dat op twee manieren doen:

  1. Binnen de AVG, waarbij je te maken krijgt met beperkingen zoals doelbinding en grondslagen.
  2. Buiten de AVG, waarbij die beperkingen niet gelden maar je wel écht anonieme data moet hebben.
Het is vrij moeilijk om data echt te anonimiseren, ook bij spraak: in zo’n gesprek kan een klantnaam of -nummer worden genoemd, of een uitspraak worden gedaan over betaling, adressen en ga zo maar door.

De enige escape is dan wellicht nog de bepaling uit de AVG dat verdere verwerking voor statistische doeleinden (art. 5 lid 1b AVG) geen probleem met doelbinding is. Het is alleen onduidelijk of deze bepaling ingeroepen kan worden als het “statistische doeleind” eigenlijk een commercieel inzetbaar AI datamodel is.

Arnoud

 

Jaja, die rechter die ChatGPT gebruikte, wat gaan we daar van vinden?

Photo by ELG21 on Pixabay

Het is het gesprek van de dag onder juristen: het AI-programma ChatGPT is voor het eerst als bron genoemd in een uitspraak door een Nederlandse rechter. Zo vatte het FD de ophef van de dag (van vorige week samen). In een vonnis over rendementsverlies van zonnepanelen schatte de rechter de gemiddelde levensduur van zonnepanelen uit 2009 met behulp van ChatGPT.

Een keer moet de eerste keer zijn, en op zich is dit niet héél spannend. Het ging niet om een feitenonderzoek of het opbouwen van een juridische redenering (dit zou een hoogrisico-toepassing onder de AI Act zijn), maar om het achterhalen van een schatting. Om precies te zijn:

De kantonrechter schat, mede met behulp van ChatGPT, de gemiddelde levensduur van zonnepanelen uit 2009 op 25 à 30 jaar; die levensduur wordt daarom hier op 27,5 jaar gesteld.
Dit is nodig om het rendementsverlies over de resterende levensduur te kunnen berekenen. Dat is verder niet zo belangrijk, waar het hier om gaat is: kun je ChatGPT voor zo’n feitenonderzoek inzetten?

Enerzijds: we weten allemaal dat dit soort grote taalmodellen nog geen feit zou herkennen als het zichzelf paars had geverfd en naakt zou dansen op een klavecimbel. Het systeem genereert een stelsel van woorden op basis van waarschijnlijkheden, en dat is het. Geen redeneerregels, geen rekencapaciteit en geen besef van concepten. Na ‘gemiddelde’ komt vaak ‘levensduur’ en na ‘levensduur’ komt vrijwel altijd ‘van’.

Anderzijds: die waarschijnlijkheden komen niet uit de lucht vallen maar zijn gebaseerd wat Mensen Op Het Internet allemaal vinden. Je zou dan dus kunnen zeggen, de uitvoer van ChatGPT is grofweg de consensus over hoe je iets zegt, dit is gemiddeld wat men vindt. En op internet zégt iedereen dat de gemiddelde levensduur van zonnepanelen 25 à 30 jaar is, dus dat zal dan wel de consensus zijn.

Waarom deed de rechter dit eigenlijk? De eiser had een “moeilijk volgbare eigen berekening in de dagvaarding opgenomen” over wat de schade is (onder meer iets met gemiste subsidie). Wat de gedaagde aan schade had geschat zie ik niet terug. Het had mij dan logisch geleken om te zeggen, de schade is niet goed onderbouwd dus niet aangetoond, maar mogelijk dat de rechter dat te cru vond.

Echter, al in 2011 bepaalde de Hoge Raad dat rechters niet mogen googelen:

[de rechter mag geen] eigener beweging verkregen feitelijke gegevens aan zijn beslissing ten grondslag mag leggen zonder partijen in de gelegenheid te stellen daarvan kennis te nemen en zich daarover desgewenst uit te laten.
Als dit was gebeurd, had ik het een stuk minder opmerkelijk gevonden: heren, dit is de consensus voor wat betreft de levensduur, en dan kom je uit op dit schadebedrag, graag uw commentaar. Wie dan vindt dat de GPT-schatting van de consensus niet klopt, kan daar dan op reageren.

Arnoud

 

Valt jouw AI toepassing vanaf vandaag ook onder de AI Act?

Photo by Hans-Peter Gauster on Unsplash

Het is eindelijk zo ver: de AI Act is van kracht. Daarmee is een periode van zes maanden en eentje van twee jaar begonnen waarbinnen je aan deze nieuwe wet moet gaan voldoen met AI in je organisatie. En ik kan je vertellen, dat is een hele puzzel.

Grofweg liggen er voor organisaties (al dan niet geholpen met een CAICO® compliance officer) drie hoofdtaken:

  1. Uiterlijk februari: Inventariseer en stop met de verboden praktijken.
  2. Uiterlijk februari: Heb een AI geletterdheid programma op poten voor je medewerkers.
  3. Uiterlijk over twee jaar: Weet welke AI hoogrisico is en heb beheersmaatregelen staan.
De AI Act gaat op hoofdlijnen uit van het makkelijke geval. Er is een aanbieder of leverancier van een AI systeem in een doos, jij als gebruiksverantwoordelijke koopt die doos en zet de AI aan. Maar de praktijk is natuurlijk vaak genoeg niet zo.

Het meest voorkomende scenario is dat je als organisatie ergens een AI model vandaan haalt of een algemene AI fine-tunet voor je eigen toepassing. Wie krijgt dan met welke regels te maken?

De oplossing staat in artikel 25: je wordt ‘aanbieder’ (met de gehele berg aan compliance erbij) van een AI systeem als je

  1. Een bestaand hoogrisico AI systeem onder je eigen naam gebruikt of verder verspreidt;
  2. Een “substantiële” aanpassing doet aan een bestaand hoogrisico AI systeem;
  3. Je verandert het beoogd gebruik van een bestaand AI systeem naar een hoogrisico toepassing.
Het is met name optie 3 die de praktijk het meest zal raken. Wat er immers voornamelijk op de markt is, zijn zogeheten general-purpose AI systemen, systemen die drijven op een algemeen AI model maar wel gewoon als product of dienst inzetbaar zijn. De chatinterface van Claude of de API van ChatGPT bijvoorbeeld. We noemen dat wel vaak ‘modellen’, maar de AI Act noemt het een systeem zodra het een bruikbare oplossing is.

Een simpel voorbeeld: wie een eigen Copilot bouwt op basis van de Microsoft-dienst, komt in de situatie van optie 3 terecht. De enige open vraag is dan nog of je er een hoogrisico-toepassing mee realiseert. Een chatbot die je kennisbank vervangt is dat niet, een cv-screener voor de HR-afdeling is dat wel.

Mocht je bezig zijn met een eigen taalmodel (of ander AI model) te bouwen, of een bestaand model uit te breiden, dan heb je iets meer rek. Een “eigen model” voor “zuiver interne processen die niet essentieel zijn” voor de bedrijfsvoering of raken aan grondrechten, blijft buiten de AI Act.

Het grootste probleem voor nu zal zijn achterhalen waar allemaal AI processen actief zijn. Je mag daarbij de ophef vergeten over beslisbomen, Excelfilters en dergelijke randgevallen waar bij introductie van de AI Act ophef over was. De finale definitie kent vier componenten:

  • Het systeem opereert met enige autonomie
  • Het systeem heeft een specifieke doelstelling
  • Het systeem leidt zelf de regels af om van invoer tot uitvoer te komen
  • Het systeem heeft de capaciteit de omgeving te beïnvloeden met de uitvoer
Wat de AI Act “traditionele software- of programmeerbenaderingen” noemt, blijven hier per definitie buiten. Een beslisboom die door mensen is opgesteld, wordt dus geen AI systeem bijvoorbeeld. Een ML algoritme een beslislijn laten trekken in een dataset, en die lijn als criterium in je applicatie opnemen, is dat wél.

Hulp nodig bij onderzoek en implementatie? Gebruik onze gratis AI Act Checklist!

Arnoud

Wat is er juridisch mogelijk tegen nepauteurs en nepartikelen in al dan niet nepjournals?

Photo by Pixabay on Pexels

Academisch publiceren wordt steeds meer bedreigd door onwetenschappelijke krachten, zo opende een artikel over fictieve artikelen en/of auteurs recent. Dergelijke neppublicaties zijn sterk in opkomst, uiteraard dankzij generatieve AI dat wetenschappelijk klinkende tekst per strekkende meter produceert inclusief mooie bronvermeldingen. Is er juridisch wat aan te doen, zo vraagt de auteur zich af.

Nepartikelen en zelfs nepauteurs zijn van alle tijden, moet je dan als jurist zeggen, maar de laatste tijd loopt het wel de spuigaten uit. Bij Retraction Watch las ik zelfs dat drie tijdschriften in de CiteScore top 10 geheel nep zijn:

These journals are filled with automatically generated papers, all using the same template, extensively using buzzwords such as “blockchain,” “metaverse,” “deep learning,” “immersive visualization,” “neuro-engineering technologies,” and “internet of things.” Most papers claim to examine the recently published literature on these topics by “a quantitative literature review of the main databases.” They also claim to analyze initially (always!) between 170 and 180 articles that satisfied the undisclosed “eligibility criteria.”
Of Rian van Rijbroek heeft een nieuwe baan, of hier zijn mensen zeer creatief met ChatGPT aan de slag geweest.

Het onderliggende probleem is dat vrijwel alle waardering voor wetenschappelijke papers automatisch berekend wordt. Het tellen van citations is de bekendste manier. En een tijdschrift lift daar weer op mee: hoe vaker er uit dat tijdschrift wordt geciteerd, hoe beter het wel zal moeten zijn. Dus ja, als je dan steeds je eerdere nepartikelen citeert en nieuwe artikelen rechtstreeks uit de API live zet, dan kom je als tijdschrift al snel in de top 10.

Dit doet pijn, niet alleen door de vervuiling maar ook omdat wetenschappers afgerekend worden op publiceren in de “goede” tijdschriften. Die top 10 van CiteScore is een metric om te bepalen of een tijdschrift “goed” is, en daar staan nu dus nog maar zeven tijdschriften in waar je als mens in zou willen staan.

Nepnieuws dus, om de juridische term te gebruiken. Het probleem is dat nepnieuws an sich niet strafbaar is. Wie goedkoop buzzword-gebrabbel wil publiceren, en dat zelf kan organiseren, moet dat vooral doen. De markt lost dat vanzelf wel op, want wie wil er abonnementen nemen op zo’n tijdschrift?

Ik ben er nog niet helemaal achter wat het businessmodel is hier. Ik denk het verleiden van onoplettende wetenschappers om hier te publiceren – vraag 300 euro “review fee” en publiceer daarna ongezien. Strafbaar is dat niet echt, je krijgt een publicatie dus oplichting is moeilijk hard te maken. Ik zie ook zo snel geen misleidende beloftes zoals dat topresearchers een peer review gaan doen.

Het doet denken aan de oude problematiek van de bedrijfsgidsen, maar daar was de misleiding groter: die vragen of je je gegevens wilt checken en leggen jouw “het klopt” uit als een akkoord op een betaald abonnement van 1500 euro per jaar voor vijf jaar zonder tussentijdse opzegging.

Hier zie ik echt niet meteen een juridisch haakje om tegen deze publicaties op te treden. De enige echte route is die van de Digital Services Act – merk dit aan als een systeemrisico. Alleen zijn de aanbieders van CiteScore en collega’s geen groot platform dat een dergelijke plicht heeft. Dat wringt, want dit ís een systeemrisico. Alleen is er niemand voor verantwoordelijk.

Arnoud

 

VK neemt wet aan waarmee zelfrijdende voertuigen vanaf 2026 zijn toegestaan

Photo by Annie Spratt on Unsplash

Het Verenigd Koninkrijk heeft een wet aangenomen waardoor zelfrijdende voertuigen vanaf 2026 toegestaan zijn op de openbare weg. Dat meldde Tweakers afgelopen weekend. De Automated Vehicles Act 2024 is bij mijn weten wereldwijd de eerste wet die bepaalt dat een auto onbestuurd de weg op mag “[if it] satisfies the self-driving test by reference to intended travel on a road”. Hoe ziet die wet eruit?

De wet ziet er op het eerste gezicht goed doordacht uit. Er moet een kader komen (zeg maar door de Rijksdienst voor het Wegverkeer) waarmee vast te stellen is dat de veiligheid van een geautomatiseerd voertuig gelijkwaardig is aan of hoger dan die van zorgvuldige en competente menselijke bestuurders. Vervolgens mag een fabrikant toetsen aan dat kader, en als dat goed gaat dan mag de auto de weg op.

De toetsing kan voor de auto als geheel maar ook feature-gewijs, bijvoorbeeld alleen op de snelweg, alleen autonoom inparkeren of alleen met maximaal 5km/uur op een parkeerterrein naar de eigenaar toe rijden.

Wel moet er te allen tijde een persoon als de “authorised self-driving entity” aangewezen zijn. Deze persoon moet van goede reputatie en financiële standing zijn en ook overigens in staat de verplichtingen na te komen. Dat betekent zo veel als “bezit een geldig rijbewijs en is verzekerd”, en dit is niet perse de persoon in de auto die kan ingrijpen. Het zal eerder de eigenaar zijn, zoals een taxibedrijf dat de auto’s de weg op stuurt.

De aansprakelijkheid is apart geregeld. Grofweg ben je als bestuurder strafrechtelijk niet aansprakelijk als het een autonome handeling was die valt binnen de goedkeuring.  Minstens zo interessant is de civiele aansprakelijkheid, dit is nog niet helemaal uitgewerkt en zal neerkomen op een verzekeringsregeling. Er zijn wel expliciete verhaalsmogelijkheden voor managers en directeuren bij de fabrikant.

Als raamwerk een mooie opzet, dat net wat verder gaat dan de EU-regels die primair inzetten op veiligheid en certificering maar nog geen regels hebben over aansprakelijkheid als zo’n zelfrijdend voertuig een ongeluk veroorzaakt. Dit zal meegenomen worden in de AI Liability Directive waar nu hard aan gewerkt wordt.

In de comments de intrigerende vraag: gaat dit wel werken, zeker in steden? Als je als voetganger/fietser weet dat zo’n autonoom voertuig altijd voor veilig gaat (wat toch zal moeten), dan kun je dus gewoon rood licht negeren, voorrang pakken en andere gevaarlijke handelingen – de AI zal altijd tijdig ingrijpen. Plat gezegd: met genoeg autonome voertuigen wordt iedere stad autovrij, want die auto’s staan dan de hele dag te wachten terwijl de voetgangers overal lopen.

Arnoud