Hoe autonoom is het internet tegenover de wet?

| AE 9532 | Internetrecht | 19 reacties

In 1996 verklaarde filosoof John Perry Barlow het internet onafhankelijk: “Governments of the Industrial World, you weary giants of flesh and steel, I come from Cyberspace, the new home of Mind. On behalf of the future, I ask you of the past to leave us alone. You are not welcome among us. You have no sovereignty where we gather.” De gedachte was heel mooi geformuleerd, maar niet nieuw. Internet is grensoverschrijdend en decentraal. Het is– vanuit internetperspectief – dan raar dat lokale overheidjes ineens regels op gaan leggen. Alsof je op de A2 ineens maar 80 mag rijden omdat de gemeente Zaltbommel dat milieuvriendelijk vindt, terwijl je bij Vught overdag de lichten aan moet hebben vanuit verkeersveiligheid.

Die gedachte zie je nog steeds veel terug in politieke en filosofische pleidooien over rechtsmacht op internet. Internet regelt zichzelf wel, is dan de gedachte. Ook bij vervelende lokale regels: “The internet treats censorship as damage and routes around it.” Het blijft een nobel streven, maar juridisch gezien is de discussie wel een tikje achterhaald. Want met bovenstaande criteria is het voor rechters geen enkel probleem meer om zich bevoegd te verklaren en uitspraken te doen.

Soms ontstaat daardoor een lastig kat-en-muisspel, zoals bij de vele filesharingdiensten die na Napster opdoken. Napster werd in de VS verboden wegens bijdragen aan auteursrechtinbreuk. Hun centrale server coördineerde namelijk het uitwisselen van muziek zonder toestemming. Opvolgers van Napster, zoals KaZaA, hadden dan ook geen centrale server. KaZaA werd mede daarom bij ons legaal verklaard. En zeker sinds Bittorrent is het technisch een heel stuk complexer om auteursrechtelijk te duiden wat een uitwisselingsdienst nu precies fout doet.

In reactie daarop begon de industrie steeds verder om zich heen te slaan en partijen aan te pakken die op indirecte wijze bij inbreuk betrokken waren. Bij ons heeft stichting Brein de afgelopen tien jaar een heel raamwerk van rechtspraak opgetuigd rond partijen die hyperlinks of andere informatie aanboden naar illegaal beschikbaar materiaal. Ook betaaldiensten en internetproviders werden aangesproken, hoewel tot dusverre zonder succes. Dit is een zorgelijke ontwikkeling. Bad cases make bad law, zoals dat in het Engels heet. Je wilt geen jurisprudentie die primair gericht is op het makkelijk kunnen aanpakken van grapjassen zoals The Pirate Bay.

Dat wil natuurlijk niet zeggen dat wetten en regels onveranderlijk en goed zijn. Innovatie zorgt regelmatig voor botsingen met regels. Een bekend voorbeeld is taxi-app Uber: mensen kunnen zich snel tegen betaling laten vervoeren door een van de chauffeurs van het bedrijf. De kwaliteit wordt geborgd en er zijn weinig problemen. Alleen hebben die chauffeurs geen taxivergunning. Moet Uber (iets preciezer de dienst UberPOP, want ze hebben ook ‘echte’ taxi’s) daarom zijn dienst staken? Of zou de regelgeving over taxivergunningen beter op de helling kunnen, wanneer een taxibedrijf op een andere manier de kwaliteit goed kan borgen?

Arnoud PS: dit is een voorpublicatie uit editie 2017/18 van De wet op internet, en de voorintekening is geopend!