Softwarepatenten als inbreuk op vrijheid van meningsuiting

| AE 8989 | Meningsuiting, Octrooien | 7 reacties

patent-fiets.pngEen Amerikaanse rechter van het gerecht dat beroepen in patentzaken behandelt, is van mening dat patenten op software inbreuk maken op de vrijheid van meningsuiting. Dat las ik bij Tweakers vorige week. De opmerking komt uit een concurring opinion in de Intellectual Ventures/Symantec zaak, waarbij voor de zoveelste keer een softwarepatent kansloos sneuvelde onder de Alice-criteria.

Softwarepatenten in de VS zijn berucht, maar sinds de Alice-uitspraak uit 2015 vrijwel kansloos. In die afspraak bepaalde de Supreme Court dat abstracte ideeën alleen nog octrooieerbaar zijn als ze iets toevoegen dat significant meer is dan het idee an sich, en “het idee, maar dan per computer” is dat per definitie niet.

Onder die criteria houdt vrijwel geen softwareoctrooi het, zo blijkt uit onderzoek: meer dan 90% van de softwareoctrooien wordt in hoger beroep ongeldig verklaard. De motivatie is vaak wel wat makkelijk: lees de claims een beetje half, concludeer dat het abstract is en pak gelijk door dat er niets significants meer bovenop zit. Maar goed, ik kan niet ontkennen dat veel van die octrooien ook niet meer zijn dan een abstract idee verpakt in octrooigemachtigdenjargon met een pro forma computer erbij.

Ook in die IV/Symantec zaak is dat niet anders:

But when a claim directed to an abstract idea “contains no restriction on how the result is accomplished . . . [and] [t]he mechanism . . . is not described, although this is stated to be the essential innovation[,]” id. at 1348, then the claim is not patent-eligible.

De opvallende uitspraak uit de titel van deze blog komt uit de concurring opinion van rechter Mayer. Een concurring opinion is iets typisch Angelsaksisch, een rechter die het wel eens is met de uitkomst maar daar via een andere weg had willen komen. Dit is geen jurisprudentie, maar juridisch stoom afblazen zeg maar.

Mayer zag een fundamenteler probleem met softwarepatenten:

I write separately, however, to make two points: (1) patents constricting the essential channels of online communication run afoul of the First Amendment; and (2) claims directed to software implemented on a generic computer are categorically not eligible for patent.

Dat punt 2 komt ook al uit de hoofduitspraak, dus laten we dat eerste punt er even bij pakken. Het ligt al meteen iets genuanceerder dan de kop: niet softwarepatenten an sich zijn in strijd met de vrije meningsuiting, maar softwarepatenten die (online) communicatie volledig aan banden leggen. The asserted claims speak in vague, functional language, giving them the elasticity to reach a significant slice of all email traffic. Daarmee zou de octrooihouder dus iedereen kunnen blokkeren die iets met e-mail doet, en dat gaat véél te ver. De zogenaamde uitvinding daarbij is zo vaag en rekbaar dat alles er wel onder te rekenen is.

Natuurlijk is daar wel wat op af te dingen. Als een patent zo breed is dat het bestaande infrastructuur afdekt, dan is het per definitie ongeldig want bestaande zaken kunnen niet later ineens alsnog gepatenteerd worden. Dat patent is dan niet nieuw en dus ongeldig. Het standaardverweer is dan natuurlijk, het dekt alleen een specifieke innovatie binnen de bestaande infrastructuur, maar dan kan het patent dus niet Jan en alleman blokkeren en al helemaal niet de free speech die in de VS boven alles gaat.

Tegelijk zie ik het meer principiële argument wel. Een patent dat zó breed is dat het in feite alle variaties op een idee dekt, blokkeert in ieder geval een ríchting in de innovatie, in de infrastructuur van morgen. Dat gaat veel verder dan waar patenten voor bedoeld waren. Het octrooi op de benzinemotor blokkeerde Otto Diesel niet in het ontwikkelen van zijn alternatieve verbrandingsmotor, bijvoorbeeld. Dat waren twee concrete fysieke machines met een innovatieve functionaliteit. En dat is het fundamentele probleem denk ik met softwarepatenten: geen beperking tot iets concreets (al dan niet fysieks) waardoor er geen duidelijke grenzen te trekken zijn bij de beschermingsomvang. En dáár is niemand mee gebaat.

Arnoud

Deel dit artikel

  1. Een patent dat zó breed is dat het in feite alle variaties op een idee dekt, blokkeert in ieder geval een ríchting in de innovatie, in de infrastructuur van morgen. Dat gaat veel verder dan waar patenten voor bedoeld waren. Het octrooi op de benzinemotor blokkeerde Otto Diesel niet in het ontwikkelen van zijn alternatieve verbrandingsmotor, bijvoorbeeld. Dat waren twee concrete fysieke machines met een innovatieve functionaliteit.

    En wat nou als de benzinemotor de enige praktische motor voor auto’s was geweest? Dat kon je van te voren toch niet weten? Of zou je als eis moeten stellen dat er altijd op een redelijk praktische manier om een patent heen gewerkt zou moeten kunnen worden? Dan zou een patent dat ook moeten beschrijven: “wij patenteren deze benzinemotor; als alternatief voor de benzinemotor zou je ook heel goed de dieselmotor kunnen gebruiken, en die valt niet onder dit patent”.

    Ik denk dat dat de waarde van patenten wel ernstig zou beperken. De waarde van een patent zit er juist in dat mensen niet om je heen kunnen; een intrinsiek gevolg is dat anderen niet makkelijk (goedkoop) kunnen innoveren bovenop jouw gepatenteerde techniek. Natuurlijk kan je zelf dan wel innoveren; je hebt daar (hopelijk) meer geld voor door de patent-inkomsten. Alleen: innovatie is vaak niet beperkt door geld, maar door ideeën. Er is altijd meer hersen-capaciteit buiten je eigen organisatie dan erbinnen, dus een patent zal meestal de vervolg-innovatie remmen.

    Zowel Nederland als Zwitserland hebben een tijd een patent-loze periode gehad. Juist in die periode hebben onze grote industriële bedrijven de kans gekregen zich te ontwikkelen; in Nederland gaat het dan bijv. om Philips en (de voorlopers van) Unilever. Uiteindelijk werd onder druk van de VS toch een patent-systeem ingevoerd (in Nederland in 1910); dit is dus niet iets wat we toentertijd in ons eigen belang achtten. Er zijn allerlei gebieden in de techniek die zich uitstekend hebben ontwikkeld zonder patenten; denk bijv. aan software-ontwikkeling voor de jaren ’90. De ontwikkeling van de vliegtuigtechniek in de jaren ’10 ging in Europa veel sneller dan in de VS, doordat de Wright brothers alles in de VS hadden plat-gepatenteerd, maar niet in Europa. Pas na de eerste wereldoorlog heeft de VS de achterstand ingehaald.

  2. Uiteraard wil je met een patent zoveel mogelijk afdekken. Je moet in je aanvrage echter ook aannemelijk maken dat hetgeen dat je hebt bedacht, over het gehele bereik van je claim werkt. Voor zover dat niet het geval is, is je claim onhoudbaar. Je bent er dus als aanvrager ook zelf bij gebaat om duidelijke grenzen te stellen, waarvan je zeker weet dat je uitvinding daarbinnen werkt, en om dus ook niet de hele wereld te claimen. (Nog even afgezien van het nieuwheidsprobleem waar je dan tegenaan kan lopen, zoals Arnoud ook al stelt.)

  3. Even vragen of ik het begrepen heb:

    I write separately, however, to make two points: (1) patents constricting the essential channels of online communication run afoul of the First Amendment; (…)
    Een octrooi dat een essentieel communicatiemedium beperkt schendt de vrijheid van meningsuiting, schrijft Mayer hier. Ik had dus een duidelijk betoog verwacht waarom dat geval is, en waarom het in deze zaak relevant is; maar ik vind dat in de toclichting (op blz. 28-32 van deze PDF) niet terug.

    Mayer schrijft: in een zaak tegen Playboy is vastgesteld dat een wet die een essentieel communicatiemedium beperkt de vrijheid van meningsuiting schendt. Maar als ik die uitspraak lees is dat veel te kort door de bocht: daar wordt alleen gezegd dat dat voor die specifieke wetsclausule in dat specifieke geval geldt, en dan nog alleen omdat er ook andere, minder zware maatregelen mogelijk zouden zijn, en (als je verder leest) ook omdat deze maatregel specifiek tegen bepaalde aanbieders (namelijk bepaalde TV-kanaalaanbieders) is gericht.

    We kunnen dus hooguit zeggen: het is mogelijk dat een wetsbepaling de vr. van m. schendt omdat hij een essentieel communicatiemedium beperkt.

    Waarom is dit nu relevant voor deze zaak? Het gaat hier niet over een wetsbepaling, maar over drie octrooien. Alles wat Mayer daarover schrijft is: octrooien zijn van overheidswege gesanctioneerde monopolies.

    Ook dat lijkt me erg kort door de bocht. Ja, het is natuurlijk raar als de overheid iemand het alleenrecht geeft om iets ongrondwettelijks te doen. Maar dat een overweging om een bepaald wetsartikel onconstitutioneel te verklaren dus ook van toepassing is op octrooien vind ik niet zondermeer duidelijk.

    Tenslotte: in het geval van dat wetsartikel ging het over een maatregel specifiek tegen bepaalde aanbieders wegens het soort inhoud dat die aanbieden (porno). In deze octrooizaak gaat het over octrooien over spam, malware etc. filteren door Internetproviders. Dat is niet gericht tegen bepaalde afzenders en ook het bezwaar tegen de inhoud in kwestie is van geheel andere aard. Waarom is de Playboyzaak dan toch relevant? Opnieuw moeten we uit de spaarzame mededelingen van Meyer zelf een coherente redenering zien te brouwen. Ik vermoed dat hij wil zeggen: met het wegfilteren van spam, virussen, andere malware, phishing, en dergelijke, middels de genoemde technieken of door Internetproviders is op zich niks mis (maar dat schrijft hij niet), alleen is de formulering van deze octrooien zo algemeen en vaag (dat schrijft hij namelijk wel) dat ze zouden kunnen worden toegepast om selectief de content van bepaalde afzenders weg te filteren, en dan is het foute boel, en omdat dat niet uit te sluiten is deugen de octrooien niet. Als Mayer dat bedoelt, vind ik het niet bepaald helder opgeschreven.

Laat een reactie achter

Handige HTML: <a href=""> voor hyperlinks, <blockquote> om te citeren en <em> en <strong> voor italics en vet.

(verplicht)

Volg de reacties per RSS