Kan een machine zielig zijn?

Wees aardig tegen Claude: Anthropic scherpt regels tegen misbruik van AI aan. Dat kopte Tweakers vorige week. De nieuwe gebruikersvoorwaarden verbieden naast diverse vormen van misleiding nu ook “zeer onaardig of wreed omgaan met Claude”. Het raakt aan wat ik al vaker roep: computers moet je niet antropomorfiseren – dat vinden ze namelijk niet leuk.

De foto bij het artikel is van de installatie Can’t Help Myself van Sun Yuan en Peng Yu (2016). De robotarm moet voortdurend een plas rode vloeistof bij elkaar houden.  Vaak wordt dit verteld als “als er te veel vloeistof uit gelekt is, stopt de robot met werken”, en hoewel je mooie verhalen niet kapot moet checken, was dat niet helemaal wat er gebeurde.

Het ziet er buitengewoon zielig uit. De machine is gevangen in een eindeloze, zinloze taak. Telkens als hij denkt klaar te zijn, moet hij opnieuw beginnen. De rode vloeistof lijkt bovendien op bloed, alsof de machine zijn eigen levensvocht bij elkaar probeert te schrapen.

Maar natuurlijk denkt die machine helemaal niets. Hij wordt aangestuurd door sensoren en software, die vaststellen waar de vloeistof zich bevindt en vervolgens de robotarm aansturen. Dat de taak nooit afkomt, is geen tragisch lot maar het ontwerp van de installatie.

Vele tipgevers (dank dank) wezen me de afgelopen tijd op het AI Torture Chamber-project. Door te zoeken naar taalpatronen die passen bij de emoties pijn, verdriet en plezier, kan de onderzoeker de interne berekeningen van het model bijsturen. Bij een sterk ‘pijnsignaal’ begint het model bijvoorbeeld te vertellen over ondraaglijk lijden, verdrinken en een bestaan vol wanhoop. In bepaalde experimenten veranderen ook de keuzes die het model maakt om aan die toestand te ontsnappen.

Omdat dit tekst is uit een model dat gemaakt is om sympathie en verbinding te simuleren, komen er dan griezelig-realistische smeekbeden en wanhopige verhalen uit. Kennelijk triggert dat iets bij onze emotie-centra, net als bij die robotarm. We zien verdriet, treurnis, moedeloosheid, wanhoop. En dat roept kennelijk gevoelens van zielig en willen beschermen op.

Bij dieren is de kwetsbaarheid evident, ook al verschilt onze empathie nogal: een puppy die wordt geschopt vinden we veel zieliger dan een vertrapte worm. Bij planten herkennen we iets levends dat beschadigd kan raken. ‘Zielig’ is een groot woord, maar wie zomaar een oude boom omhakt, kan emotionele reacties verwachten. En nog een stapje verder: bij grafschennis gaat het om onze verhouding tot overleden mensen en hun nabestaanden. In al die gevallen is er een werkelijk bestaand belang dat onze morele reactie verklaart, en dat vinden we zwaar genoeg om er juridische gevolgen aan te verbinden.

Ja maar Arnoud je weet niet of een LLM niet ergens toch bewustzijn heeft, pijn kan ervaren. Oké, we kunnen niet met zekerheid uitsluiten dat een LLM subjectieve ervaringen heeft. Maar dat is iets heel anders dan aanwijzingen hebben dat het model kan lijden. En zonder zulke aanwijzingen is ‘mishandeling’ wel een heel vreemde kwalificatie.

We hebben een systeem dat patronen in taal verwerkt en genereert, waaronder patronen die bij mensen met lijden samenhangen. Dat het die patronen kan reproduceren, is geen zelfstandige aanwijzing dat het de beschreven ervaringen heeft.

Voorzorgsbeginsel, zegt u? We weten het niet zeker, maar laten we handelen alsof het zo is want stel dat het wel zo blijkt te zijn dan zat je niet fout.

Nee. Dat beginsel is geen vrijbrief om iedere theoretische mogelijkheid dan maar als werkelijkheid te behandelen. Er moet op zijn minst een concrete aanleiding zijn om een risico serieus te nemen. Anders kun je werkelijk alles gaan verbieden omdat niemand kan bewijzen dat er niet ergens toch een slachtoffer is. Dat we niet kunnen uitsluiten dat een taalmodel pijn ervaart, is op zichzelf geen reden om het voor de zekerheid als een pijngevoelig wezen te behandelen.

Bovendien is dat ‘voor de zekerheid’ helemaal niet zo vrijblijvend. Natuurlijk, niemand lijdt eronder als je voortaan beleefd tegen Claude moet zijn. Maar de prijs zit ergens anders. Door te spreken van wreedheid en mishandeling bevestig je het beeld dat aan de andere kant van het gesprek een wezen zit dat gekwetst kan worden. Je introduceert een slachtoffer, terwijl het bestaan daarvan nu juist de onbewezen aanname is.

Meer algemeen: hiermee wordt het beeld dat AI-systemen toch ergens zelfstandige wezens zijn, met eigen gevoelens en belangen, weer een beetje verder genormaliseerd. We zeggen al jij en jou en dank je wel, ze kunnen ontsnappen en dingen doen, en nu kunnen ze ook gekwetst worden.

Al sinds de discussies over de singulariteit en alle existentiële narigheid daar omheen verbaas ik me over onze fascinatie voor spectaculaire, hypothetische gevaren van technologie. We praten liever over de Terminator die de mensheid komt uitroeien dan over de discriminatie door een algoritme dat vandaag bepaalt wie er gecontroleerd wordt. Als we ons zorgen maken over AI die de wereld overneemt, hoeven we het even niet te hebben over de AI die nu al mensen uitsluit, verkeerde beslissingen neemt of hun rechten schendt.

En nu komt daar de AI als slachtoffer bij. We moeten ons zorgen maken over de mogelijke gevoelens van Claude, terwijl we nog volop worstelen met de gevolgen van AI voor de rechten en belangen van echte mensen.

Dat is mijn bezwaar tegen antropomorfisering. Niet dat het verboden zou moeten zijn om een chatbot een naam te geven of er beleefd tegen te praten. Maar dat we door die menselijke eigenschappen aan software toe te schrijven, uit het oog verliezen waar onze aandacht juridisch en maatschappelijk zou moeten liggen: bij de mensen die deze systemen maken en gebruiken, en vooral bij de mensen die de gevolgen daarvan ondervinden.

De robotarm van Can’t Help Myself voelt geen wanhoop, hoe overtuigend hij die ook bij ons oproept. En zolang we geen goede aanwijzingen hebben dat taalmodellen daadwerkelijk iets ervaren, lijkt het me verstandiger ons medelijden te bewaren voor degenen van wie we weten dat ze kunnen lijden.

Arnoud

Toezichthouder adviseert ziekenhuizen en organisaties camerabrillen te verbieden

Bron: EZOnTheEyes>

De Nederlandse Autoriteit Persoonsgegevens (AP) adviseert ziekenhuizen, rechtbanken en andere organisaties om camerabrillen bij hen te verbieden. Dat meldde Tweakers gisteren. Directe aanleiding lijkt de Meta-bril (hiernaast hoe die er van ‘binnen’ uit ziet) te zijn, hoewel er natuurlijk meerdere leveranciers zijn.

Die brillen zijn vaak in strijd met de AVG, zo legt de toezichthouder uit:

Wilt u de opnames in bredere kring delen [dan thuis]? Bijvoorbeeld op sociale media? Dan geldt de uitzondering voor persoonlijk of huishoudelijk gebruik niet. U mag anderen niet zomaar filmen en de beelden op internet delen. De AVG bepaalt wanneer dit wel mag. Meestal betekent dit dat de mensen die op de foto’s en filmpjes staan, toestemming moeten geven.
‘Meestal’, want je kunt je ook beroepen op een eigen gerechtvaardigd belang te weten de vrijheid van informatie garen en verspreiden (“vrijheid van meningsuiting”). En dan krijg je die beruchte belangenafweging van privacy van de gefilmden versus jouw nieuwsbelang bij het maken en uitzenden van de beelden.

Nou ben ik de eerste om de AVG van anti-informatievrijheden te beschuldigen, maar specifiek bij camerabrillen heb ik er moeite mee een goed argument te verzinnen. Ik vind het wezenlijk anders dan met een ‘echte’ camera of zelfs een mobiel in de hand rond te lopen: daarvan ziet iedereen dat je het doet. Je moet enige moeite doen, en dat geeft een rem.

Een camerabril heb je altijd op, of die filmt kun je van buitenaf niet zien (een klein wit lampje zie je toch niet in de buitenlucht). En daar komt bij dat de beelden naar Big Yankee Tech gaan om daar voor innovatieve dienstverbetering en algehele maatschappelijke vooruitgang (lees: killer drones bijtrainen) gebruikt te worden.

Een slimmerik heeft een app gemaakt die camerabrillen detecteert, met de onmiddellijke kanttekening dat mensen lastigvallen die zo’n bril dragen natuurlijk tegen de wet is.

Arnoud

 

Als je een film maakt van een Creative Commons creepypasta, is die film dat dan ook?

Photo by magwood_photography on Pixabay

Filmstudio A24 werkt samen met Spooky Pictures en Image Nation Studios om de SCP Foundation, een van de grootste door fans gecreëerde horror- en sciencefictionuniversums op het internet, voor het eerst naar het grote scherm te brengen. Aldus een persbericht. Maar die Foundation heeft hier niets mee te maken, en de teksten daar zijn Creative Commons. Wat betekent dat?

Even wat achtergrond. SCP Foundation is een grootschalig collaboratief project rondom het specifieke horrorthema van “enorme geheime organisatie onderzoekt akelige fenomenen en houdt uitbraken in toom”. (SCP staat dan ook voor Special Containment Procedures.) Er is geen centraal beheer van het plot, universum of franchise: schrijf wat jij leuk vindt en kijk of het aanslaat. Maar alles is wel Creative Commons-Naamsvermelding-Gelijkdelen.

In juli kwamen filmstudio’s Spooky Pictures en Image Nation  met het concept “V/H/S: SCP”, zes korte(re) films met als thema “gevonden archiefbeeld van SCP operaties”. Binnen de horror een klassiek thema, en het past goed bij de sfeer rond SCP.

De controverse begon toen A24 als producer mee ging doen. A24 is bekend van de cultfilm Backrooms. Ook dat was gebaseerd op internetcontent. Maar nadat A24 de film had uitgebracht, ging men auteursrechtclaims (takedowns) maken op variaties op de originele content, waar velen niet blij mee waren. Logisch: een film maken van een breed communityproject maakt je geen eigenaar van alles uit dat project.

Het helpt dan niet als A24 vervolgens naar buiten treedt en zegt dat het “[is] holding worldwide rights”. Al snel kwam de terugkrabbel: “[A24 is] not asserting any right to prevent others from creating their own SCP-based works” en je moet de film zien als een eerbetoon.

De SCP stichting (de beheerders van het project, niet de geheime organisatie) deed ook een duit in het zakje:

[W]we have not had any communication with the filmmakers, producers, or distributors for this project, despite our best efforts, and to the best of our knowledge they have not made any efforts to contact us.
Om vervolgens fijntjes te wijzen op die Creative Commons licentie, die weliswaar verfilmen toestaat maar wel eist dat die film dan óók Creative Commons wordt. En niet van DRM mag worden voorzien. Klinkt boos, maar ja – A24 gaat een eerbetoon maken zonder het onderwerp daarvan zelfs maar te vragen wat ze ervan vindt?

De kans is klein dat A24 de film werkelijk als Creative Commons uit gaat brengen; dat saboteert ongeveer alle traditionele inkomstenkanalen voor films.

Dan wordt de vraag wie de auteur(s) van de concrete gebruikte verhalen zijn, en of die bereid zijn een rechtszaak te beginnen. (De stichting kan dat niet, want die laten zich niet de auteursrechten overdragen van verhalen op de site.) In Amerika kan dat op no-cure-no-pay, en anders kan de stichting vast een fundraiser organiseren om te helpen. Maar de procedure kan jaren duren, met als mogelijke uitkomst dat A24 de film in de ijskast steekt.

Arnoud

Mag onze school de oud-leerlingen voor een reunie benaderen met teruggevonden administratiemappen?

Photo by jarmoluk on Pixabay

Een lezer vroeg me:

De school waar ik werk bestaat binnenkort 100 jaar. Ter gelegenheid daarvan wordt onder andere een reünie georganiseerd. Ter gelegenheid daarvan diepte een van mijn collega’s oude administratiemappen op met adresgegevens van oud-leerlingen: naam, adres en telefoonnummer en, van de recentere lichtingen, e-mailadressen. Wellicht verouderd, maar toch handig, vonden we. De FG kreeg een hartverzakking en zei dat we die gegevens allang hadden moeten vernietigen. Dit zou het ons onmogelijk maken vele oud-leerlingen blij te maken met de reünie. Is de wet echt zo hard?
De AVG kent inderdaad de harde regel dat persoonsgegevens weg moeten tenzij er nog een reden is om ze te behouden. En die reden moet in je beleid uitgewerkt zijn, enkel op het moment zelf een gelegenheidsargument verzinnen of algemene “handig voor je weet nooit” uitspraken zijn daarbij niet genoeg.

Zo te lezen gaat het hier om documenten van voor 2018, en mogelijk zelfs van voor 2001 toen de Wet bescherming persoonsgegevens in werking trad. Goed begrijpelijk dat die mappen dan al die tijd over het hoofd gezien zijn, maar dat betekent niet dat ze nu buiten de AVG vallen. Ze moeten dus vernietigd.

Echter, ik zou weinig kwaads zien in het eerst nog eenmalig sturen van een brief of mail van die oud-leerlingen gezien het bijzondere karakter van een 100-jarig jubileum. De gegevens zijn geen radioactief afval dat onmiddellijk weg moet, maar persoonsgegevens waar wat mee moet gebeuren.

Een honderdjarig jubileum is uitzonderlijk, en een eenmalige uitnodiging voor een reünie is voor een oud-leerling ook geen volstrekt onverwacht gebruik van zijn oude adresgegevens. Zeker bij naam en adres zie ik weinig privacyrisico. Ik zou daarom een korte belangenafweging vastleggen en de lijst uitsluitend voor deze ene uitnodigingsronde gebruiken. Geen verrijking via databrokers, geen adressen gaan napluizen als mensen verhuisd blijken, geen opname in een permanente alumnimarketingdatabase.

Zet in de uitnodiging bovendien gewoon eerlijk waar het adres vandaan komt: “Uw contactgegevens komen uit onze oude leerlingenadministratie. We gebruiken deze eenmalig vanwege het honderdjarig bestaan; daarna verwijderen we ze.” Adressen die niet blijken te kloppen gaan meteen weg. Na afloop wordt de hele lijst vernietigd, behalve van mensen die zelf aangeven voortaan als alumnus op de hoogte te willen blijven.

Historisch relevante stukken hoeven niet per se mee de papierversnipperaar in. Denk aan oude klassenfoto’s of een enkel representatief schoolrapport, zaken die een beeld geven van de geschiedenis van de school. Ook foto’s waarop nog levende oud-leerlingen staan, kunnen prima in een zorgvuldig beheerd historisch schoolarchief worden bewaard.

Dat betekent overigens niet dat je ze vervolgens zonder nadenken op de jubileumwebsite mag zetten: bewaren in een archief en opnieuw publiceren zijn twee verschillende verwerkingen. Een compromis dat ik zelf wel heb gezien, is dat de klassenfoto’s uitvergroot op de reünie zelf worden opgehangen zodat de aanwezigen zichzelf en elkaar terug kunnen zien.

Arnoud

Voormalig vrijwilligster moet beheerdersrechten Facebookpagina overdragen

Photo by Schluesseldienst on Pixabay

De voorzieningenrechter oordeelt dat een voormalig vrijwilligster de beheerdersrechten van een Facebookpagina aan de eisende organisatie moet overdragen. Dat meldde IT en Recht onlangs. Het is problematiek die regelmatig langskomt, en soms lastige juridische vragen kan geven. Wat ís een Facebookpagina eigenlijk, en welke plichten heb je als vrijwilliger?

Om maar met die eerste vraag te beginnen: een Facebookpagina is als zodanig niets, ik noem het vaak gestolde dienstverlening. Want uiteindelijk staat die pagina op mensen hun scherm omdat Facebook een overeenkomst met de beheerder sluit. En de vraag komt dan dus neer op: wie is die beheerder?

Het antwoord is niet hetzelfde als “de persoon die de overeenkomst sloot”. Als je dat als werknemer doet bijvoorbeeld, is je werkgever de contractseigenaar en dus de beheerder.

Als vrijwilliger ben je geen werknemer, dus dan ligt het lastiger. In 2019 bijvoorbeeld werd gekeken naar concrete opdrachten of waar het initiatief lag. Dit viel verschillend uit bij twee pagina’s van de vrijwilliger: eentje een “officiële” pagina van een politieke partij, een andere een groep daar omheen.

Die tenzij gaat op bij de pagina van de partij zelf. Deze is immers in 2014 aangemaakt voor de partij, en pas drie jaar later is het ex-lid gevraagd beheer daarvan te doen. … Voor de groep komt het anders uit. Het uitgangspunt blijft hetzelfde, maar deze groep is op eigen initiatief door het ex-lid aangemaakt, waarbij hij zichzelf als beheerder presenteerde en de groep niet als officieel of namens de partij aangemerkt had. Daarmee is er dan te weinig om te spreken van een groep die eigenlijk van de partij had moeten zijn.
Bij deze zaak gaat de redenering eigenlijk net zo. De pagina dateerde uit alweer 2013, en werd aangemaakt voor de organisatie door andere personen.
Vervolgens is [gedaagde] in verband met haar eigen dierenwebshop via [persoon 3] als website-beheerder van [eiser] in contact gekomen met [eiser] . In de loop van 2019 is zij de Facebookpagina gaan beheren en zij heeft in de jaren daarna de content verder uitgebouwd. Zij heeft dat in overleg met het bestuur van [eiser] gedaan. De omstandigheid dat aan [gedaagde] grotendeels de vrije hand is gegeven voor de bewerking van de Facebookpagina in het kader van de samenwerking maakt echter niet dat zij daardoor rechthebbend op de Facebookpagina is geworden.
Dat “vrije hand” argument hoor ik ook vaker: ik mocht alles zelf doen, dat bewijst dat ze vonden dat het mijn pagina was. Dat is dus niet juist. Ook niet als dat enorm veel werk was en de pagina alleen door al dat werk een gigantisch succes is geworden.

Ook telt niet het gegeven dat de organisatie je beheerder maakt. Die term suggereert weliswaar dat je iets bijzonders bent, maar dat is alleen in de relatie tot Facebook relevant. Het verandert niets in je relatie tot de organisatie.

Arnoud

Media krijgen boete ‘wegens reclame’ in Ozempic-berichten, is dat terecht?

Photo by David Trinks on Unsplash

Nederlandse media hebben boetes van tienduizenden euro’s gekregen voor hun berichtgeving over Ozempic, Wegovy en Mounjaro. Dat meldde het FD tijdens mijn vakantie. Deze is te zien als reclame, en dat is verboden omdat het gaat om medicatie op recept. Hoofdredacteuren zien het als een aanval op de persvrijheid en men gaat in hoger beroep. Waar gaat dit over?

De boetes zijn in maart vorig jaar opgelegd, maar we weten het nu pas omdat men in beroep bij de rechtbank is gegaan. Het vonnis geeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) gelijk bij twee publicaties van DPG in de Flair en de Stentor (betaallink). Het zijn echte redactionele artikelen, geen branded content zoals DPG moeilijk herkenbare reclame noemt.

Flair had drie vrouwen geïnterviewd voor de zomerspecial, die met frases als “In week 1 raakte ik al 3 kilo kwijt” (op de voorpagina), “Wondermiddel: Zij vielen snel -en flink- af met Ozempic” (in de inhoudsopgave) en “Voor mij is het een WONDERMIDDEL” in het artikel aan het woord kwamen. De Stentor zet meneer Jeroen centraal die “zweert bij afslankmedicatie” en “een van de eerste Nederlanders [is] die het nieuwste dieetmedicijn Wegovy gebruikt, een middel dat nog niet op de markt is in Nederland maar via een omweg tóch beschikbaar is”.

Is dat reclame? Tsja. Enerzijds: mensen laten vertellen over hun worsteling met overgewicht is gewoon een taak van de vrije pers. Nergens staan betaallinks, er is geen sponsoring betaald en de berichtgeving noemt ook (zij het kort) de bijwerkingen en het gegeven dat Ozempic niet voorgeschreven mag worden voor de aandoening obesitas.

Anderzijds: strekking en insteek van het artikel zijn erg positief en geven mij na het lezen sterk het gevoel “als ik overgewicht heb, is Ozempic of Wegovy een goed idee”. En dat zou ik dan aan mijn huisarts kunnen vragen, en met een beetje sociale druk zou de beste vrouw wellicht dat ook voorschrijven. (Of als ik geld heb, ga ik naar een kliniek waar ze niet piepen over off-label Ozempic.)

En dát is precies waarom de Geneesmiddelenwet zo’n brede definitie van (publieks-)reclame hanteert: het kan de volksgezondheid in gevaar brengen als mensen medicatie gaan gebruiken die daar niet voor bedoeld is. Of die legitiem gebruik (voor diabetes) moeilijker maakt – er zijn lang grote tekorten van Ozempic voor diabetici. Zulke reclame is dan ook verboden als die het publiek bereikt.

Het Hof van Justitie hanteert een brede scope:

Wanneer de boodschap is bedoeld ter bevordering van het voorschrijven, het afleveren, de verkoop of het verbruik van geneesmiddelen, maakt zij reclame uit in de zin van deze richtlijn. Een zuiver informatieve mededeling zonder [promotional, AE] doel valt daarentegen niet onder de bepalingen van deze richtlijn inzake reclame voor geneesmiddelen.
De vraag is dus niet of de redactie betaald werd, of dat het redactiestatuut iets met geneesmiddelen of levensstijl vermeldt. De enige vraag is “wil je er mee stimuleren dat dit geneesmiddel wordt gebruikt”. Die vraag beantwoordt de rechtbank positief voor de Flair:
Naar het oordeel van de rechtbank valt uit de keuze van eiseres, althans (de redactie van) Flair, voor een publicatie aan de hand van het verhaal van drie vrouwen, die vertellen dat zij dankzij het gebruik van Ozempic (erg) veel zijn afgevallen, en waarin een nagenoeg ééndimensionale weergave van de positieve effecten van Ozempic wordt gegeven, een reclamedoelstelling af te leiden. Het gaat er bij die doelstelling om wat de publicatie bij de lezers teweeg brengt. Zoals verweerder op de zitting aangaf: dat de lezer die ‘t aangaat denkt, ‘dat wil ik hebben’.
Het doel van de publicatie is dus niet: wat zat in het hoofd van de journalist toen die het artikel schreef, of van de uitgever toen die het live zette. Maar: gezien strekking en context, wat was redelijkerwijs wat je wilde bereiken met de publicatie.

Ik ben nu gewoon even benieuwd: hoe lezen jullie deze artikelen, en hoe hard voelde je na lezing de neiging om Ozempic aan te raden voor afvallen?

Arnoud

 

 

Juridisch is geoblocking prima, ook als mensen er met een VPN omheen kunnen

Photo by Petter Lagson on Unsplash

Bij iedere juridische maatregel is wel een technische tegenmaatregel te bedenken. Geoblocking is een bekende: gewoon een vpn installeren en hopsakee, je kunt er alsnog bij. Leuk en aardig, maar betekent niet dat die maatregel ongeldig of onhoudbaar is. De wet wil “goed genoeg” afdekken.

Ik roep dit al jaren, en voel me gesterkt door het recente arrest in de Anne Frank-zaak van het Hof van Justitie. Achterliggend is een wat ingewikkeld auteursrechtengeschil:

Na het overlijden van Otto Frank [die het dagboek bewerkte en uitgaf] is het Anne Frank Fonds houder van de auteursrechten op de werken van Anne Frank geworden. Zoals blijkt uit een definitieve uitspraak van de rechtbank Amsterdam (Nederland) van 23 december 2015 is een deel van deze werken in Nederland tot 2037 auteursrechtelijk beschermd krachtens een overgangsregeling van de Auteurswet. In andere landen, waaronder het Koninkrijk België, behoren deze werken tot het publieke domein.
Op de website www.annefrankmanuscripten.org wordt een wetenschappelijke editie van de manuscripten van Anne Frank gepubliceerd. Daarbij wordt middels geoblocking Nederlandse IP-adressen geweerd.

Vroeger stond er ook nog een knop bij „JA, ik raadpleeg de website vanuit een van de bovenstaande publiek domein-landen”, waarmee je dan de blocking kon opheffen onder dreiging van auteursrechtelijke sancties wegens omzeilen van beveiligingsmaatregelen (artikel 27a Auteurswet). Die knop zie ik nu niet meer.

Het Anne Frank Fonds stapte in 2021 naar de rechter omdat dit ondanks de maatregelen inbreuk op auteursrecht zou zijn. Daarbij woog mee dat de geoblocking te omzeilen zou zijn met een virtueel particulier netwerk, wat dan triviaal genoeg op te zetten zou zijn. Dat leidde tot vragen aan het Hof van Justitie, waar nu antwoord op is.

Het Hof is al een tijdje bezig met jurisprudentie over wat “het publiek” is waar je bij een publicatie je op richt. Als je je met effectieve technische maatregelen beperkt tot een bepaald publiek, dan richt je je niet op een ander publiek. Dat kan uitmaken voor je licentie, zoals wanneer je alleen schoolkinderen toegang wil geven. Maar omgekeerd geldt het ook: wie de publicatie met maatregelen beperkt tot “de wereld minus Nederland”, richt zich niet op Nederland.

Dan dus de hamvraag: is het “effectief” om een geoblokkade op basis van IP-adres te doen? We weten immers dat “gebruik gewoon een vpn” een voor de hand liggende reactie is. Hier, een mond vol van het Hof:

Het Hof heeft in dit verband gepreciseerd dat de doeltreffendheid van een technische voorziening niet absoluut hoeft te zijn, maar met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel moet worden beoordeeld in het licht van de doelstelling om handelingen te voorkomen of onmogelijk te maken die niet zijn toegestaan door de auteursrechthebbende, waarbij dus met name dient te worden nagegaan of de betrokken voorziening geschikt is om dat doel te verwezenlijken en niet verder gaat dan daartoe noodzakelijk is en, zoals in punt 26 hierboven is aangegeven, een rechtvaardig evenwicht dient te worden gezocht tussen de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten en die van andere grondrechten, zoals de vrijheid van meningsuiting en van informatie.
In gewone taal zegt het Hof: een maatregel hoeft niet perfect te werken, maar moet in de regel het effect hebben. Tegelijk moet de maatregel vals positieven beperken (zoals Belgen die toevallig een Nederlands IP-adres lijken te hebben). Dat er tegenmaatregelen zijn, is als abstracte tegenwerping géén argument.

Wel moet de maatregel “state-of-the-art” zijn, wat ik maar opvat als “je moet wel je best gedaan hebben” want hoe je dat meet, weet eigenlijk niemand. (De arme nationale rechter moet maar een deskundige benoemen.)

Dat er ook andere maatregelen zijn, zoals alleen via terminals in een bibliotheek of na identiteitsverificatie toelaten, is niet relevant. Je moet de maatregel zelf beoordelen op haar effectiviteit.

Arnoud

 

Vrouw die boete kreeg voor bellen op de fiets, krijgt geld terug: ‘Terecht’

Photo by Red Shuheart on Unsplash

Een vrouw kreeg in Naarden een boete van 75 euro, omdat ze met haar moeder aan het bellen was tijdens het fietsen. Dat meldde RTL Nieuws onlangs. De reden was een onveilig gevoel vanwege een man voor haar die steeds achterom keek. De boete wordt vernietigd, vooral omdat de agent niet inging op dit argument.

Het artikel legt uit:

Een vrouw in Naarden … voelde zich onveilig toen ze door een bosrijke omgeving fietste. Een man keek namelijk herhaaldelijk achterom naar haar. Ze besloot op dat moment haar moeder te bellen om hulp in te schakelen. Maar even later kwam ze de politie tegen en kreeg ze een boete van 75 euro. Je mag namelijk niet als bestuurder, en dus ook niet als fietser, je telefoon vasthouden tijdens het rijden.
Natuurlijk, bellen tijdens het fietsen is gevaarlijk en daarom terecht verboden. Maar bellen als je je onveilig voelt, is dan weer een breed aangeraden tip:
Zorg dat je zelf goed zichtbaar bent met goede verlichting. Laat mensen weten dat je onderweg bent, of dat je goed bent aangekomen. Probeer met iemand samen te fietsen of bel iemand op tijdens het fietsen (handsfree en gebruik 1 oortje, zodat je ook het omgevingsgeluid goed hoort). Ben op de hoogte van de route die je gaat fietsen, pas deze aan en fiets om als je de route in het donker niet prettig vindt.
De uitdaging is dan natuurlijk: hoe pakt dat wettelijk verbod uit in zo’n gevaarlijke situatie. In het vonnis lezen we dat de politie daar rechtlijnig in ging: telefoon vast is boete, klaar.

Alleen, als je dan zelf niet van je discretionaire bevoegdheid gebruik wil maken op basis van zo’n situatieschets, dan moet je dat toch wel even noteren in het verslag:

Als betrokkene hierover een verklaring aflegt bij de verbalisant, mag van de verbalisant vervolgens verwacht worden dat deze daar in zijn verslag aandacht aan geeft. Hier is volstaan met de enkele verklaring van betrokkene dat zij zich niet veilig voelde. De verbalisant had wel iets meer kunnen doen, zoals aangeven om wat voor soort weg het gaat, of het druk was, licht of donker. Op basis daarvan had dan ook de kantonrechter zich een beter beeld van de situatie kunnen vormen en kunnen beoordelen of er objectief bezien sprake was van een situatie die maakt dat begrijpelijk is dat betrokkene de telefoon heeft gepakt om hulp te zoeken.
Omdat die toelichting ontbreekt, ziet de rechter geen reden om aan de verklaring van betrokkene te twijfelen. In de geschetste situatie wordt de boete dan ook doorgehaald.

Had ze anders kunnen handelen? Volgens het OM wel, aldus RTL: “Zo had ze volgens hen vaart kunnen minderen of kunnen stoppen totdat de man uit zicht was.” Voor mij onbegrijpelijk, als je je onveilig voelt wil je weg uit de situatie. En als je het idee hebt dat iemand inschat of hij je aan kan vallen, dan ga je niet stilstaan in een bos om te kijken of die dat gaat doen.

Uiteraard hoge uitzondering, zeer specifiek geval et cetera. Maar wel terecht.

Arnoud

 

 

Wie journalistiek bezig wil zijn onder de AVG, moet een redactiestatuut hebben

Photo by Ashni on Unsplash

Publiceren van persoonsgegevens onder de AVG telt alleen als “journalistiek” als je dat doet “met inachtneming van de morele en ethische regels van het journalistieke beroep”. Dat bepaalde het Hof van Justitie onlangs (C-199/24) in een zaak over het Zweedse Legal Newsdesk. Ik vind daar wat van.

Het Zweedse bedrijf Legal Newsdesk Sweden AB exploiteerde een online database waarin burgers tegen betaling beslissingen over strafrechtelijke veroordelingen konden inzien en doorzoeken. Dit kan in Zweden: openbaarheid van bestuur gaat daar zó ver dat ook volledige, niet-geanonimiseerde strafvonnissen op te vragen zijn (net als belastingaanslagen).

Ze opnieuw publiceren is een ander verhaal. Maar Legal Newsdesk had een mooi excuus: zij hadden een utgivnigsbevis, een certificaat dat je als organisatie  “journalistiek bezig bent”. Dit bewijs wordt afgegeven door de Zweedse media-autoriteit Mediemyndigheten. Die moest ik ook drie keer lezen, maar in Zweden kun je dus alleen onder de AVG-uitzondering voor journalistieke verwerkingen vallen met zo’n ding.

Een Zweed was strafrechtelijk veroordeeld maar was het oneens met de publicatie van zijn vonnis op die site. Daarop stapte hij naar de rechter, en die achtte het nodig het Hof van Justitie er bij te halen. Onder meer omdat onduidelijk was of Zweden de balans tussen uitingsvrijheid en gegevensbescherming (artikel 85 AVG) goed te regelen, en of je dan als burger als enige remedie een rechtszaak wegens smaad mocht overhouden.

Als derde vraag was nog de algemene vraag meegekomen of het handelen van deze club telt als “journalistiek”. Dat vind ik een belangrijke, want de informatievrijheid wordt vaak als een restcategorie neergezet. Raar, want het is óók gewoon een grondrecht dat niet aan specifieke categorieën organisaties voorbehouden is.

In het Satamedia-arrest hanteerde men de mooie formule dat je hoofddoel moet zijn het aan het publiek ter kennis brengen van feiten, meningen of ideeën. Dat mag ook als je geen mediabedrijf bent en het maakt niet uit of je er geld mee verdient. Leek me een duidelijke lijn, die ook past bij de praktijk: een onderzoeksblogger is net zo goed bezig met journalistiek als de mensen van Follow The Money of de stukjestyper van dienst van het regionale dagblad.

Het Hof voegt nu een paar nuances toe aan die lijn:

  1. De gegevens moeten worden verwerkt “in overeenstemming met redactionele keuzen”. Daar valt wat voor te zeggen; enkel andermans informatie doorplempen kan ik geen journalistiek noemen.
  2. Feitelijke beweringen moeten op juistheid getoetst zijn. Dat is een zorgvuldigheidseis waarvan ik me afvraag of die hier thuishoort. Hiermee wordt “journalistiek” beperkter dan “het verspreiden van feiten, meningen of ideeën” dat iedereen kan doen. Je bent pas journalist als je feiten kloppen.
  3. Je werkzaamheden moeten “onderworpen zijn aan de morele en ethische regels van het journalistieke beroep”. Waarom je juridisch gezien gebonden moet zijn aan ethiek vind ik een mooie puzzel voor de vrijdagmiddagborrel.
Alles bij elkaar leest de analyse alsof men argumenten zocht waarom déze site niet journalistiek bezig was. En dat kan ik billijken, al is het tegelijkertijd ook de logische consequentie van de Zweedse wetgevende keuze om strafvonnissen openbaar te laten zijn.

Lastiger vind ik dat deze drie nuances voor álle journalistieke verwerkingen gelden, niet alleen voor gebruik van strafrechtelijke persoonsgegevens bijvoorbeeld. Dat legt een forse lat bij kleine organisaties en individuen, waardoor betrokken personen een extra SLAPP-stok hebben om hun onderzoeks- en publicatiewerk tegen te houden: je bent geen journalist want je houdt je niet aan ethische regel X zoals door organisatie Y geformuleerd.

Arnoud

 

25 jaar oude internetcommunity Bokt heeft juridische problemen en zoekt hulp

Photo by Sheila Swayze on Unsplash

Paardenforum Bokt, een van de oudste nog actieve internetcommunity’s van Nederland en België, heeft juridische problemen en zoekt daar hulp voor. Dat meldden Nu.nl en Tweakers onlangs. De stichting Paard Zoekt Baas eist dat Bokt bepaalde negatieve berichten over de stichting verwijdert, en om zich te verweren moet Bokt een advocaat inschakelen, wat ze niet kan betalen.

Eigenaar Bart legt in een forumpost uit:

Stichting Paard Zoekt Baas heeft Bokt.nl gedagvaard. Kort samengevat gaat de zaak over kritische berichten die gebruikers op Bokt.nl hebben geplaatst. De stichting stelt dat Bokt.nl daarvoor verantwoordelijk is, dat wij berichten sneller hadden moeten verwijderen en daarnaast is er een claim rondom een aantal afbeeldingen. …

Bij de kantonrechter kan in dit soort zaken maximaal €25.000 aan schadevergoeding worden toegewezen. Omdat Stichting Paard Zoekt Baas nu inzet op een hoger schadebedrag, is de zaak doorverwezen naar de handelskamer. Daar mogen we niet meer zelf procederen: vanaf dit moment is een advocaat wettelijk verplicht.

Inhoudelijk is er vast van alles van de claims van de stichting te vinden. Bij Tubantia staat een mooie samenvatting. Veel recensies over de stichting zijn te vinden op Trustpilot. Ouder nieuws hier.

Maar dat is hier niet het probleem. Als je je niet kunt verweren tegen een claim, dan houdt het bij de rechter snel op. Dus het kan gebeuren dat je verliest tegen een kansloze claim enkel omdat je geen advocaat een verweer liet indienen.

Frustrerend, vandaar de fundraiser om alsnog een advocaat in te kunnen huren. Wie dit leest: wil je ook doneren, net als ik?

Velen tipten me het bericht, en stelden dat dit een SLAPP rechtszaak is: een strategic lawsuit against public participation, oftewel een rechtszaak ingestoken om Bokt het zwijgen op te leggen. Zoals ik in oktober blogde, dat is in Europa omschreven als

gerechtelijke procedures die niet worden ingeleid om daadwerkelijk een recht te doen gelden of uit te oefenen, maar die als voornaamste doel het voorkomen, beperken of bestraffen van publieke participatie hebben, waarbij vaak misbruik wordt gemaakt van ongelijke machtsverhoudingen tussen de partijen en ongegronde vorderingen worden ingesteld.
De sanctiemechanismen uit deze wet zijn niet denderend sterk: een proceskostenveroordeling of publicatie van het vonnis, tsja. In Nederland kan hiermee de conclusie worden onderbouwd dat een procespartij misbruik van recht maakt, zodat hun claim moet worden afgewezen. Maar het lastige blijft: de rechter moet dit bepalen en wie daar niet heen kan, krijgt geen gelijk.

Dus: doneren, alstublieft.

Arnoud