Vakantieblog: De wet is Turing-compleet, maar niet zoals jij denkt

Photo by Alexandre Debiève on Unsplash

Vanwege mijn zomervakantie is de gewone blog gepauzeerd. Vandaag een herpublicatie van een al wat ouder Tweakers Plus-artikel, waar ik graag met jullie op terugkijk.

“Beta-georiënteerde mensen, of techneuten, beschouwen de wet vaak als een beperking op hun vrijheid. Ze zien de wet als iets wat hen tegenhoudt om te doen wat ze willen, in plaats van iets wat hen beschermt.” Dat leverde mijn AI-schrijfassistent me toen ik vroeg om een opzet voor een artikel over hoe techneuten de wet beschouwen en wat ze zouden moeten weten. Ik vind “bèta-georiënteerde mensen” wel een mooi alternatief voor ‘techneut’ (of nog erger: nerd) maar voor de rest klopt er weinig van. Dat gezegd hebbende: ik had vorige keer beloofd te schrijven over hoe techneuten tegen de wet aankijken en waarom implementeren van wetten in technologie zo moeizaam is, dus dat gaan we doen ook.

Ethisch besef

Ik heb niet het gevoel dat techneuten, of zal ik zeggen tweakers, zo veel vaker de wet als hindernis zien. Sterker nog, de meeste tweakers die ik ken zijn méér dan gemiddeld ethisch gevormd en houden zich aan wetten waar extroverte alfa’s zonder moeite overheen lopen.

Toch zit er wel iets van een kern van waarheid in. Want juist tweakers, techneuten (ik moet een keuze maken) zijn bovengemiddeld vaak bezig met dingen die wettelijk problematisch zijn. Wie zijn koffiezetter alleen aan en uit zet, komt juridisch lang niet zo snel in de problemen als degene die er Doom op laat draaien. Want dan gaan juristen moeilijk doen over EULA’s, reverse engineering van API’s, verveelvoudiging van firmware of verval van de garantie.

Dit soort botsingen wordt ook vaak in verband gebracht met de aard van hackers, wat ook terugkomt in de hacker ethic zoals door Steven Levy samengevat:

  1. Toegang tot technologie moet onbeperkt en totaal zijn.
  2. Alle informatie moet vrij zijn.
  3. Wantrouw autoriteit – bevorder decentralisatie.
  4. Hackers moeten worden beoordeeld op hun hacking skills, niet op valse criteria zoals diploma’s, leeftijd, ras of positie.
  5. Je kunt kunst en schoonheid creëren op een computer.
  6. Computers kunnen het leven ten goede veranderen.
Aangezien wetten naar hun aard gericht zijn op het handhaven van de status quo, het beschermen van eigendom en het afremmen van onbesuisd gedrag, is het potentieel voor botsing zeer aanwezig. Maar dat is niet anders dan in andere maatschappelijke of beroepsgroepen, zij het dat hackers als unieke meerwaarde hebben dat ze zijn gaan bouwen wat ze bepleiten.

Gesophisticeerd denken

Oh ja, nog eentje van mijn AI: “Jouw denken over de wet mag dan gesophisticeerd zijn, maar het is niet noodzakelijk zo compleet als je denkt. De wet is namelijk Turing-compleet. Dit betekent dat de wet in principe alle berekeningen kan uitvoeren die een Turing-machine kan uitvoeren.” Dat was mijn tweede uitvoer, en toen besloot ik weer zelf te schrijven. Dit is zeg maar de sjieke versie van “kan de wet Doom draaien”.

Kan dat? Nou ja, je kunt natuurlijk instructies bij wet vastleggen. Als je kunt vaststellen dat auto’s rechts rijden (art. 3 lid 1 RVV 1990) dan kun je ook vaststellen dat een eindigetoestandsautomaat in toestand P leest wat er op een band staat en dat K noemt. En als je een Turing machine hebt, kun je er Doom op spelen. Alleen is er nog een actor nodig, laten we zeggen de Koning (art. 24 Grondwet) en dan draait de wet Doom. Dat laatste is natuurlijk waar het op misgaat, want waarom zou die dat doen?

Waarmee ik maar wil zeggen: wetten zijn gemaakt voor mensen, en daarmee ook bedoeld om door mensen geïnterpreteerd te worden. En dat is wél een puntje van aandacht, met name voor mensen die gewend zijn aan computers – die doen wat je zegt, letterlijk en bij voorkeur op zo’n manier dat je zo veel mogelijk data kwijtraakt. Daar word je wel scherp op fouten en inconsistenties van.

Wetten zijn, laten we zeggen, iets losser geformuleerd, omdat de wetgever weet dat mensen deze gaan toepassen en daarbij hun eigen interpretatievermogen toepassen. Ook in situaties die nog niet voorzien zijn, vandaar vaak de keuze voor open normen of oplossingsrichtingen. Die regel over rechts houden zegt bijvoorbeeld “Bestuurders zijn verplicht zoveel mogelijk rechts te houden” en als bestuurder word je dan geacht zelf na te denken of je echt links moet houden.

Natuurlijk zijn er soms ook harde grenzen, maar die komen pragmatisch tot stand. Zo bepaalde datzelfde RVV 1990 vroeger dat in je in een woonerf “stapvoets” moet rijden, wat zo veel discussie bleek te geven dat de Hoge Raad uiteindelijk nodig was om keihard “oké klaar, het is 15 per uur” te zeggen. Dat staat nu ook zo in de wet (art. 45 RVV). De achterliggende redenering was overigens interessant: de bedoeling was dat auto’s net zo langzaam als een voetganger zouden rijden, maar omdat ze dat technisch niet kunnen, is die 15 gekozen als de langzaamste snelheid die een auto wel zou kunnen. Interpreteren is een kunst, maar dus ook aan tijd gebonden: had er nu nog stapvoets in de wet gestaan, dan had je met je auto nu wellicht wél 5 km/uur moeten rijden omdat ze dat tegenwoordig wel kunnen. Wetten veranderen dus met de tijd.

De flexibiliteit van de wet

Wetten blijken ook anders afhankelijk van wie je het vraagt. In maart 2009 plaatste een jongen een doodsbedreiging tegen zijn school op /b/. Dat werd zeer serieus opgepakt, en hij kreeg naast bedreiging ook computervredebreuk ten laste gelegd. Dat laatste omdat hij het draadloos netwerk van de buren had gebruikt om het bericht te plaatsen. Tot veler verrassing werd hij vrijgesproken: weliswaar had hij onbevoegd het wachtwoord van het burennetwerk gebruikt, computervredebreuk is dat niet. Daarvoor was (destijds) nodig een “geautomatiseerd werk”, wat werd gedefinieerd als een inrichting die bestemd is om langs elektronische weg gegevens op te slaan, te verwerken en over te dragen. Klinkt als een typische generieke definitie van ‘computer’, maar de rechter (en het gerechtshof in hoger beroep) las het zeer specifiek: een consumentenrouter voldoet niet aan die “en”, die verwerkt en draagt over maar slaat niets op.

De Hoge Raad zag het uiteindelijk anders: het netwerk zelf, het samenstel van router en computers in iemands huis, kun je ook zien als een “geautomatiseerd werk”. De router verwerkt en draagt over, de laptop van de buurman slaat op, aan de definitie is voldaan. Gelukkig, zou je zeggen. Maar dat voelde toch wat spannend. Daarom werd mede vanwege deze zaak de wet op dit punt (art. 80sexies Strafrecht) aangepast, tegenwoordig spreken we van een geautomatiseerd werk “een apparaat of groep van onderling verbonden of samenhangende apparaten, waarvan er één of meer op basis van een programma automatisch computergegevens verwerken.”

Het recht heeft alleen geen unit tests, zodat we er pas in 2020 achter kwamen dat deze tekst toch een fout bevatte: een website valt er (kennelijk) niet onder. Dat bepaalde het Hof Den Haag in dat jaar, en dat het geen slordigheidje was bleek in 2022 toen ze dezelfde uitspraak nog eens deed. De redenering: een website is een abstractie, een verzameling bits, en geen apparaat. Valt wat voor te zeggen – mijn oude prof informatica definieerde hardware als “dat deel van de computer dat wél pijn doet als het op je voet valt” – maar wel zeer onbevredigend. En vooral: het voelt inconsistent, dat je de ene keer wél een term mag oprekken en er al dan niet aanwezige laptops bij kunt rekenen, en de andere keer de wel degelijk aanwezige serverhardware kennelijk moet negeren.

Juridische discussietechnieken

Ik blogde destijds dat deze uitspraak fout is, maar kreeg diverse juristen tegenover me die het een keurige uitspraak binnen de lijntjes vinden. Daar had een bloglezer grote moeite mee, zhij mailde me dat “het wel lijkt of de wet interpreteren alleen maar een kwestie is van wie het hardste roept dat hij gelijk heeft”. En nou ja, daar had deze persoon wel een punt. Interpreteren van wetgeving is een kwestie van discussie; wat heeft de wetgever bedoeld, hoe moet je dit binnen de context lezen, welk van deze twee artikelen is belangrijker, wat is het 2022 equivalent van deze term uit 1990. Kom je er niet uit, dan vraag je het de rechter, en zo nodig gaat men in hoger beroep.

Maar helemáál alleen maar zo hard mogelijk roepen of mensen dood copypasten met arresten, zo makkelijk gaat het niet in de juristerij. Hoofdregel is natuurlijk wat de wet zelf zegt, eventueel met een (juridisch) woordenboek erbij om te kijken wat een term betekent. Juristen noemen dit de grammaticale methode, hoewel je meestal niet echt naar de grammatica zelf kijkt. Een voorbeeld van deze methode is router-als-netwerk arrest van hierboven.

Minstens zo belangrijk is de wetsgeschiedenis: wat was de bedoeling van de wetgever toen hij dit schreef. Met die interpretatiemethode bepaalde het Gerechtshof Arnhem ooit dat bedrijven zich nooit mogen beroepen op reflexwerking bij colportage: bij invoering van de Colportagewet was expliciet bepaald dat deze alleen voor consumenten bedoeld was. Juristen kennen daarnaast ook de rechtshistorische interpretatiemethode: dan ga je niet alleen kijken naar wat er bij deze wet bedoeld was, maar ook hoe de wet binnen de maatschappij en andere wetgeving past. Virtuele goederen steelbaar verklaren is hiermee verdedigbaar, want diefstal van goederen is niet de bedoeling binnen de historie van de wetgeving rond eigendom. Dat gaat dus wat verder dan “wat was de bedoeling bij dit wetsartikel”.

Met de systematische methode ga je na wat de bedoeling is gezien de context van de wet: waar staat hij in het wetboek, wat voor functie hebben de naburige artikelen. Je kunt ook vergelijken wat de wet in andere situaties bepaalt. Zo werd het stelen van software onmogelijk verklaard in de jurisprudentie, omdat we hierover al in de Auteurswet iets geregeld hebben. Aanverwant is de de teleologische methode, waarbij je kijkt naar het doel van de wet. Daarmee kun je randgevallen er al of niet onder laten vallen. Bijvoorbeeld: moeten we anno 2022 een e-mail “schriftelijk” vinden als we het hebben over aanmaningen? Het doel van die eis is dat mensen een duidelijke, formele aanzegging hebben van hun schuld en de te verwachten stappen. E-mail is informeel en kan relatief snel kwijtraken: nee, liever niet. E-mail bereikt de ontvanger snel genoeg en wordt vaker gelezen dan post: ja, dat kan.

Uiteindelijk is er echter nooit één methode die per definitie juist is. De eiser kan menen dat de wetshistorie duidelijk in zijn voordeel is, en de gedaagde kan wijzen op de systematiek die pleit voor zijn standpunt, plus er is ondertussen een Europese richtlijn die óók zijn standpunt onderstreept. En als al het andere faalt, is er altijd nog de redelijkheid en billijkheid, oftewel “ja maar nou kom óp zeg” en zijn broertje “dit kan toch niet wáár zijn”. En dan komen we bij het aloude citaat: als de wet aan jou kant staat, dan zaag je door over de wet. Staan de feiten aan jouw kant, zaag dan door over de feiten. Staan geen van beiden aan jouw kant? Zaag dan de tafel door. De Engelse tekst is beter, sorry.)

Deze technieken zijn allemaal nogal ongrijpbaar, zeker als je er niet aan gewend bent. In de praktijk zie je dan ook dat juristen juridische debatten vaak winnen, wat ergens logisch is omdat ze ook de spelregels van die debatten bepalen. Maar de techneuten hebben hun eigen manier gevonden om het debat te winnen: ze herprogrammeren de maatschappij zodanig dat dit gebeurt.

De techneut als wetgever

De jurist Lawrence Lessig is bekend van zijn uitspraak “code is law”, of eigenlijk de visie “code as law”, de code werkt net zoals de wet. In 1998 verbreedde hij een en ander tot een bredere theorie, namelijk dat de burger onderworpen is aan vier verschillende regulerende factoren: de wet, sociale normen, architectuur en de markt. De burger is in het midden van die vier stuiterballen slechts een pathetic dot, een zielige stip die heen en weer wordt geduwd door die factoren.

Deze theorie is natuurlijk algemeen toepasbaar, en niet uniek voor internet. Ook een automobilist wordt bijvoorbeeld door deze vier factoren beïnvloed. De wet zegt hoe hard hij mag rijden en waar linksaf verboden is. Sociale normen zeggen dat men rustig rijdt naast een basisschool en oude dametjes met rollator laat oversteken. De markt zegt dat je echt een semi-zelfrijdende auto wilt, of een elektrisch voertuig. En de architectuur regelt dat je niet over het weiland of de voetgangersbrug kan – er staan paaltjes in de weg of de grond is simpelweg te zacht.

Het unieke aan informatie- en communicatietechnologie is dat hier de architectuur volledig door mensen ontworpen en gebouwd wordt. Dit in tegenstelling tot de gewone wereld, waar de architectuur volgt uit de wetten van de natuurkunde of biologie bijvoorbeeld. De factor architectuur wordt dus veel meer beïnvloedbaar. Daarnaast heeft de architectuur een veel directere invloed op het menselijk handelen: waar je best een dag kunt wandelen zonder te hoeven interacteren met elementen uit het landschap, zul je met moderne techniek op ieder moment een door architectuur beïnvloede actie moeten nemen. Ergens op klikken, iets activeren, iets downloaden, ga zo maar door.

Die ontwerpers, die programmeurs hebben dan ook een normscheppende taak: zij verzinnen wat er moet kunnen en wat niet, en dat worden automatisch regels nadat het geprogrammeerd is. En daar lopen we tegen een praktisch probleem aan: wie software wil schrijven die raakt aan wettelijk gereguleerd gedrag, die moet de benodigde normen concreet maken. Onder het auteursrecht is het bijvoorbeeld toegestaan een “kort stukje” van een werk over te nemen in het kader van een citaat (art. 15a Auteurswet). Wat kort is, kan de rechter dan beoordelen op basis van de omstandigheden van het geval. Maar wie een citaat-uitzondering wil inbouwen in een uploadfilter, die heeft een hard criterium nodig: hoe veel woorden uit dit boek zijn ‘kort’, is dat 26 woorden ongeacht de lengte van de tekst, of houden we het bij 1% van het geheel?

Je zou kunnen denken, nou prima, dat bedrijf schrijft de code, die heeft de dienst, die maakt de regels die het beste passen bij de situatie. Sectorspecifieke regels en zelfregulering kennen we ook al langer, via cao’s worden arbeidsvoorwaarden per bedrijfstak vastgelegd, is dat nu zo wezenlijk anders? Zeker wel. Het is al lang niet meer zo dat software een daadwerkelijke consensus van alle betrokkenen vertegenwoordigt. Een bedrijf schrijft de code en de gebruiker heeft deze maar te gebruiken. Veel keus is er niet, en aanpassen al helemaal niet. Dan blijft alleen nog het negeren over, wetende dat men terug kan vallen op het formele recht. Alleen: dat heeft direct negatieve consequenties – het werkt niet meer, of wat je wel wil dat kan niet – en de uitspraak van de rechter zal nog lang op zich laten wachten. Of is disproportioneel duur, zoals bij het consumentenrecht. Onze maatschappij verdient dus beter.

Een bijkomend probleem is dat code as law een hinderlijke eigenschap heeft die law as law niet heeft. Een computer doet wat je zegt, een rechter zegt wat de wet bedoelt. Zaken als redelijkheid en billijkheid wegen bij die rechter mee – maar de computer rekent uit wat het moet zijn, of dat nou redelijk is of niet. En als de programmeur iets vergeten is, dan is dat jammer maar dan staat de software het niet toe. Terwijl een rechter dan nog genoeg noodgrepen heeft: naast die interpretatiemethoden kan hij altijd terugvallen op de redelijkheid en billijkheid of zaken als overmacht. Maar dan krijg je het probleem dat je niet zomaar voor alles naar de rechter gaat, omdat je het liefst je software zo bouwt dat die doet wat de wet voorschrijft (of toelaat). En dat gaat dus fundamenteel niet.

Tijd voor een rewrite van de wet?

Wordt het niet tijd voor een rewrite vanaf nul van de wet, vroeg iemand in een eerder artikel in deze reeks. En toegeven: de structuur is een zootje. Er draaien drie verschillende besturingssystemen in dezelfde adresruimte (Europa, Nederland en het geheel aan internationale verdragen). Naast de recente updates uit 1815 hebben we nog fors wat Napoleontische legacy systemen, en zijn er delen die teruggaan tot 1792 voor Christus. Niemand controleert bij invoering van een nieuwe wet of deze overlapt of botst met een oude, bij de rechter aangetroffen fouten worden zelden gecorrigeerd met een nieuwe wet, en vaak genoeg is een nieuwe wet zo open dat we alsnog vele jaren onduidelijkheid krijgen.

Het lastige is alleen: het systeem volledig opnieuw ontwerpen is net zo min haalbaar als bij computersoftware. Er zijn vele voorbeelden van bedrijven die ten onder gingen aan version 2.0 syndrome, maar ik ken er geen die met succes een volledig herschreven pakket op de markt brachten. Bovendien kunnen we de maatschappij niet even uitzetten of rebooten.

Moet je dan als programmeur maar mr in de rechten worden, is een vraag die wellicht nu bij jullie opkomt. (Grappig genoeg hoor je dat veel minder vaker dan “moeten juristen leren programmeren”, maar dat terzijde.) Ik zie er wel wat in. Vaak zie je dat zaken juridisch nét rammelen, of naar Amerikaans voorbeeld ingericht worden. En dat is niet alleen irritant voor juristen die het toevallig zien (ik heb tegenwoordig speciale sloffen waar mijn tenen in kunnen krommen) maar ook gewoon kostbaar voor je klant of werkgever.

Tegelijk loop je dan het risico dat je al die nét anders werkende dingen tegen gaat komen, van juristen die het kromme recht praten tot situaties waarin het duidelijk links is maar niemand bereid is die stap te maken. Dat is frustrerend.

Vakantieblog: Hoe politiek en recht worstelt met technologie

"Technology Is Not Technology" by lgb06 is licensed under CC BY-NC 2.0

Vanwege mijn zomervakantie is de gewone blog gepauzeerd. Vandaag een herpublicatie van een al wat ouder Tweakers Plus-artikel, waar ik graag met jullie op terugkijk.

“Any sufficiently advanced technology is indistinguishable from magic”, zei de Britse sciencefictionschrijver Arthur C. Clarke ooit. Dat onderscheid lijken politici en rechters in ieder geval maar moeilijk te kunnen maken. Met enige regelmaat zien we wetsvoorstellen of vonnissen waarin een maatschappelijk probleem richting de techniek wordt geduwd, in de volle verwachting dat die weten waar de C-x M-c M-butterfly zit en het op kunnen lossen. Of juist andersom, dat technische bezwaren geheel gepasseerd worden omdat er “vast een slimme oplossing te bedenken is”. Of een wet blijft bij vage, multi-interpretabele regels die je dan maar moet zien te operationaliseren, terwijl je weet dat hier juridisch gedoe over gaat komen. Wat is dat toch met die relatie tussen politiek, recht en technologie?

Wij vertrouwen stemcomputers niet

Een klassieker van techno-optimisme is het fenomeen van de stemcomputer. Handmatig tellen van stemmen duurt heel lang, computers kunnen snel tellen, dus laten een computer stemmen laten tellen. Dat dit een heel slecht idee is, hoef ik hier denk ik niet uit te leggen, maar voor de landelijke en lokale politiek was het volkomen logisch: al in de jaren negentig kon men via computers stemmen uitbrengen. Waarschuwingen van techneuten (met name Rop Gonggrijp) kregen geen gehoor. Pas in 2006 kon zijn actiegroep ‘Wij vertrouwen stemcomputers niet’ de politiek overtuigen hoe onveilig deze apparaten zijn.

Goed, kan gebeuren zou je zeggen: het verhaal is technisch complex, de leverancier – die toch ook overkomt als goed onderlegd – had stevig weerwoord, dus dan duurt het even voordat men er uit is. Maar het punt is dus: in 2012 kwam doodleuk het idee weer terug, terwijl er nog geen enkele reden was om aan te nemen dat wat men wilde, nu ineens wél zou kunnen. ‘Het is toch jammer dat moderne middelen niet worden gebruikt’ aldus burgemeester van Haarlem Bernt Schneiders destijds. Ik lees daar achter: dit moet toch gewoon veilig kunnen, we gaan het gewoon opnieuw proberen, hoe moeilijk kan het zijn?

De voorstellen sindsdien zijn gelukkig nooit verder gekomen dan de tekentafel (of moet ik zeggen: borreltafel) maar hoe zou dat juridisch ingekleed worden, stel dat het daadwerkelijk ingevoerd zou worden. Dan komen we bij het fenomeen van delegatie, de juridische constructie waarbij je problemen een stukje inkadert en de rest overlaat aan de afdeling onder je.

Van wetten, besluiten en regels

Iedere Nederlander wordt geacht de wet te kennen. Dit staat in geen enkele wet, maar als dat wel zo zou zijn dan zou het de Grondwet moeten zijn. Want dit is zo’n generieke uitspraak dat hij alleen als algemeen beginsel, grondbeginsel kan dienen. Daarop voortbouwend krijgen we de ‘echte’ wetten, die grote onderwerpen op hoofdlijnen regelen. Een voorbeeld is de Wegenverkeerswet: die regelt hoe iedereen in het verkeer zich moet gedragen. Die wet wordt door de verantwoordelijke minister voorgesteld, de Tweede Kamer stemt erover, daarna de Eerste Kamer ter controle nog eens, en dan komt de wet in het Staatsblad en is zij van kracht.

Lang niet alle punten zijn zo belangrijk dat je ze door die hele procedure heen wil hebben. Moet de Kamer echt stemmen over waar brommobielen thuishoren, of wat een elektrische step precies is? De wet delegeert dan ook dat stukje regelgeving aan de ministerraad, die in het Reglement Verkeersregels en verkeerstekens (RVV) dit nader uitwerkt (“op de weg, tenzij” en “een bijzondere bromfiets” respectievelijk). Voor details die daar dan weer te klein voor zijn, is er de ministeriële regeling (zoals wanneer je wel of geen helm op de bromfiets op moet).

En zo komt de vraag “moet ik een helm op bij een elektrische scooter” dus van een heel algemene regel tot een concreet voorschrift. En het kan nog specifieker; de partij die een regel handhaaft, kan beleid maken, een nadere invulling van de regels die op zeer concrete situaties ingaat maar waar zo nodig wel van afgeweken kan worden. Kom je er écht niet uit, dan is de rechter de achtervang die dan concreet gaat invullen, hopelijk op een manier die mooie jurisprudentie vindt voor toekomstige gevallen. Voor wie in vak Cynisch meeschrijft: inderdaad, als je er niet uitkomt, dan schets je het en delegeer je de rest naar het volgende niveau: “Here a miracle occurs, the details are left as an exercise for the reader”.

Historisch gezien is dit niet heel raar. De wetgever richt zich op grote lijnen, en hoe het technisch uit moet gaan werken was eigenlijk nooit deel van die algemene discussie. Dat is het probleem van de uitvoering. Waar een bromfiets aan moet voldoen, dat kunnen de techneuten bij de RDW prima bedenken, dus daar hoeft de wet niets over te zeggen. En dat was lange tijd helemaal prima. Techniek wás lange tijd een sluitstuk, een praktische realisatie van een algemene regel. Vandaag de dag ligt dat wel anders, maar de insteek is nog steeds dat een wet grote lijnen doet en implementatiedetails zoals “maar hoe bóuw je dat dan” tegen het einde bij een ander loket wordt afgehandeld. En anders kan de rechter wel toetsen of een oplossing werkt.

DWIM compilers

Laten we het eens over die rechters hebben. Ik noem ze altijd de “do what I mean”-compilers van het recht. Zij moeten de regels van het recht toepassen op een concrete situatie, ook als die niet duidelijk toepasbaar is of zelfs voordat die situatie überhaupt kon bestaan. Dan zoek je als rechter de bedoeling van de wet, en vertaal je die naar de huidige situatie. Bijvoorbeeld: is een iPad een ‘computer’ of een ‘communicatiemiddel’? Dat was in 2010 onvoorzien (de iPad was er net) maar in 2015 werd het een ding om werknemers die eentje te geven, onder de fiscaal gunstige regeling voor mobiele telefoons. Dus dan wordt de vraag: wat zou men in 2010 bedoeld hebben? (Antwoord: het is een computer want mensen bellen niet met iPads. Ja, in 2021 werd dat weer anders.)

Bij dit interpreteren van de wet zit dus een flink stuk eigen inzicht: wat is hier logisch, wat zou men hiermee bedoeld hebben, en welke argumenten weeg ik hoe zwaar mee. Dat noemen we de rechtsvormende taak van de rechter. Daar wordt soms negatief tegenaan gekeken – de rechter moet alleen de wet toepassen, en geen nieuwe dingen bedenken, is dan het argument. Die opvatting is heel klassiek, “De rechters zijn slechts spreekbuis van de wet” zoals rechtsfilosoof Montesquieu het in 1748 formuleerde. Maar de afgelopen dertig jaar is dat wel anders geworden: wetgeving en rechtspraak zijn “partners in the business of law”, zoals de beroemde hoogleraar Jan Vranken het ooit omschreef. Zowel de wetgever als de rechter bepalen wat de wet is, en hebben allebei ruimte om nieuwe dingen toe te voegen.

Ergens is dat maar goed ook. Wetgevingsprocessen duren jaren, en zijn naar hun aard op hoofdlijnen gericht. Rechters richten zich op de korte termijn, de concrete gevallen, en kunnen daar dus beter kortetermijnoplossingen voor verzinnen. Indien nodig kan de wetgever de wet aanpassen als die oplossingen niet wenselijk (meer) zijn. Het feit dat in de praktijk er maar zéér zelden een wetswijziging is gemaakt om jurisprudentie-regels om te buigen, laat wel zien dat dit systeem gewoon goed werkt.

Een rechter hoeft echter niet perse een algemene regel te formuleren of de algemene regel uit de wet te verduidelijken. Waar het uiteindelijk om gaat, is hoe die wettelijke regel leest op de situatie die voor hem of haar ligt. Het is dan prima als je zegt “in dit geval is het X, omdat factoren A en B hier opwegen tegen C en D”. Mits je natuurlijk weet hoe je factoren A-D moet duiden, en dat is nog wel eens een ding bij rechtspraak.

De laatste updates

“Wie is Ed dan?” Voor juristen een bekende anekdote: in een ict-zaak legt de advocaat uit dat er gemaild is met het e-mailadres piet@gmail.com. Waarop de rechter zich dus afvraagt wat meneer Ed met Gmail te doen heeft. Het gebrek aan technische kennis of inzicht bij juristen (maar ook politici) is al sinds jaar en dag een grote bron van ergernis bij techneuten. Wat mij betreft inmiddels al lang ten onrechte: de overgrote meerderheid van de rechters snappen prima hoe moderne technologie werkt, en ik zie dat ook terug in vonnissen over ict-kwesties.

Het is wel belangrijk om te beseffen dat rechters terughoudend zijn met eigen onderzoek of eigen kennis. Dat mag namelijk niet; de (advocaten van) partijen moeten aandragen wat belangrijk is en betwisten wat de ander zegt dat niet klopt. Als beide partijen zeggen dat Notepad de beste sourcecodeeditor is, dan zal de rechter dat gewoon volgen. Bij twijfel kan hij een deskundige laten opdraven (iets dat ik zelf met enige regelmaat doe), en die legt dan nader uit hoe het werkt. Wederom, in mijn ervaring krijg je dan discussies die getuigen van inhoudelijke grip op de materie. Maar uiteindelijk moeten rechters het recht toepassen, en daarvoor is het veel belangrijker dat je de argumentatie kunt volgen. Lees eens dit vonnis doorspekt van jargon (“barkie bol of gooi ik btc?”) waarbij je heel duidelijk ziet dat de rechter weet wat ze schrijft.

Daar komt bij dat rechters in een bepaald kader zitten. Ze moeten oordelen binnen de wet, en als die zwaar één kant op helt dan zal een uitspraak al snel die ene kant op gaan. Een mooi voorbeeld zijn de diverse rechtszaken over modchips. In 2014 bepaalde het Hof van Justitie kort gezegd dat modchips verhandelen illegaal is, tenzij blijkt dat er daadwerkelijk een grootschalige community is die legitiem andersoortig gebruik van de hardware maakt waarbij die modchips nodig is. In die situatie win je dus als modchip-handelaar alléén als je bewijs hebt van zo’n community. Argumenten over gebrekkige technische beveiliging door de hardwareverkoper hebben bijvoorbeeld geen enkele zin. De rechter zal dat snel terzijde schuiven. Dat wil niet zeggen dat hij niet begrijpt hoe zeer die beveiliging tekortschiet, het is gewoon niet relevant omdat het juridisch kader daar niet over gaat.

Juridisch rekenen en hyperlinks

Hoe veel is 500 keer 30, juridisch gezien? 5000.

In 2012 werd een spammer op een forum veroordeeld tot betalen van een boete wegens overtreding van de huisregels (natuurlijk het beding tegen spammen). In die huisregels stond een boete van 500 euro per bericht, en er waren 30 spamberichten aangedragen. Natuurlijk kom je dan op 15.000 euro boete, maar de rechter maakte er zonder al te veel problemen 5.000 van. De rechter mag namelijk een contractuele boete matigen als deze onbillijk hoog uitpakt.

Dit is een van die features uit het recht die frustrerend kunnen zijn. Is een wet juist eens logisch en berekenbaar, gaat daar een dikke streep doorheen omdat “het rechtsgevoel” anders vergt. Maar dit is een belangrijk onderdeel van wat rechters doen: recht spreken vereist ook rechtvaardigheid, zorgen dat het klopt met wat we maatschappelijk vinden. Je ziet dit in ict-vonnissen met name terug bij hyperlink- en torrentzaken.

De juridische status van hyperlinks is zo’n kwestie waar het recht eigenlijk geen antwoord op heeft. Heel lang is die kwestie vooruit geschoven, maar naarmate het aantal links naar auteursrechtelijk beschermde inhoud explosief toenam (met dank aan The Pirate Bay en haar marketingafdeling, ja ik ben nog steeds boos) werd het prangender, en dus kregen rechters het op het bord. Zeg het maar, mag je een aanklikbare link maken naar inbreukmakende muziek en zo ja of nee welke factoren spelen dan een rol?

Natuurlijk was dit altijd een vraag voor de politiek geweest. Dit is het soort algemene kwestie dat eigenlijk gewoon in een wet geregeld had moeten worden, waarbij je dan als parlement kunt discussiëren over hoe ver auteursrecht zou moeten gaan, hoe je dat afweegt tegen zeg privacy of uitingsvrijheid en of er een principieel verschil is tussen TPB en Facebook. Dat is dus blijven liggen – mijn gevoel is omdat het auteursrecht/downloaden-debat een enorm hoofdpijndossier is want heel veel kiezers hebben daar een mening over, net als een berg lobbyisten van de contentindustrie.

Maar goed, als het dan op de spits gedreven wordt dan komt het bij de rechter. Die moet dan constateren dat er eigenlijk geen regels zijn, en dan terugvallen op een paar juridische noodgrepen. In dit geval werd de argumentatie gebaseerd op wat de “maatschappelijke zorgvuldigheid” heet, een norm die in 1919 werd verzonnen door de Hoge Raad “ter voorkoming van kortsluiting tussen het maatschappelijk leven en het recht”. De kern: als iets niet wettelijk verboden is maar zó ongewenst wordt ervaren dat het verboden zou moeten worden, dan is het dus alsnog verboden. Do what I mean inderdaad.

Vervolgens kun je dus als advocaat pleiten wat je wilt over de bedoeling van het openbaarmakingsrecht, het verschil tussen een spot op FTD, een magnetlink en een hyperlink, of aandragen dat een verbod op een hyperlink neerkomt op het illegaal verklaren van een getal, maar voor de rechter is de vraag: behoort dit te kunnen of gaat men hier gewoon écht te ver. Dat is dus niet “de rechter snapt de techniek niet”, zhij vindt het gewoon niet relevant want het gaat om wat er uiteindelijk in de maatschappij gebeurt.

Het geworstel van de politiek

Goed, dat waren de rechters, de achtervang in het systeem. Die zitten in een juridisch kader, mogen geen eigen kennis toepassen en moeten werken met open normen waarbij andere belangen ze gedicteerd worden. Laten we het dan eens hebben over de entiteit die ze met die beperkingen heeft opgezadeld: de politiek.

Politici zijn over het algemeen behoorlijk techno-optimistisch: nieuwe innovaties zijn leuk, handig, goed voor de maatschappij en een oplossing voor problemen waar we nu mee zitten. Dat leidt soms tot frustrerende discussies, zoals dus de stemcomputer hierboven. En om een nóg vervelender voorbeeld te noemen: kraakbare encryptie, of encryptie met achterdeurtjes. Deze discussie komt sinds de jaren negentig periodiek terug, alle betogen dat het fundamenteel niet kan ten spijt. Mijn theorie is dat politici “can do”-types zijn: als er geen oplossing is, dan heb je niet lang genoeg gekeken. En tel daarbij op dat de ict-sector continu met dingen komt die een paar jaar eerder nog magie leken, en dan snap ik wel dat de politiek denkt, ook dit moet lukken als er maar genoeg aandacht voor komt.

Ongetwijfeld zal ook meespelen dat men niet altijd de technologie goed begrijpt. In mei kwam bijvoorbeeld voorgestelde Europese regelgeving voorbij waarin werd voorgesteld met machine learning CSAM te herkennen zodat men dit kon weren of ingrijpen. Deel van dat wetsvoorstel was een classifier te bouwen die uitsluitend getraind zou worden op CSAM zelf, wat zeg maar niet is hoe classifiers werken. Dat is wat je krijgt als je managers technische specificaties laat schrijven.

Het omgekeerde zie je ook: wetgevers die een norm bewust open houden, en er vanuit gaan dat men dit in de praktijk wel oplost. Een voorbeeld hiervan is het uploadfilter, dat recent in stand werd gehouden door het Hof van Justitie. In de wet staat dat platforms filters moeten bouwen, maar geen algemene screening hoeven uit te voeren, waarbij illegale uploads moeten worden tegengehouden maar legale zaken (zoals parodieën) er gewoon doorheen moeten komen. Die regels zijn het gevolg van lang en hard lobbyen; alle klagende partijen iets geven totdat een wetsvoorstel genoeg stemmen vóór krijgt.

Is dat onwil de techniek te begrijpen? Misschien. Maar er zit vaak een veel belangrijker factor bij: wetten zijn steeds vaker een uitkomst van intens lobbywerk, waarbij compromissen moeten worden gezocht tussen standpunten die vér uit elkaar staan. Een vage norm waarbij “de techneuten het wel oplossen” is dan een logische uitkomst. Zeker als je bedenkt dat die techneuten óók deel van het lobbywerk zijn en dus graag een vage norm krijgen. Daar kun je namelijk alle kanten mee op, waardoor je het zo kunt inrichten als jij wilt en dan zeggen dat je je aan de wet houdt. En kunnen zeggen dat je een nieuwe wet naleeft zonder dat je je echt hoeft aan te passen, wie wil dat nou niet?

Gaat dit ooit veranderen?

Dit is niet bepaald een hoopgevend verhaal, dat besef ik. Het gaat om fundamentele problemen, waarbij de unieke rol die technologie heeft zich een plek moet vechten binnen een politiek systeem dat grofweg al 200 jaar op deze manier opereert. Politiek gaat niet perse over oplossingen, maar over visie en algemene normen, en is fundamenteel dus niet in staat een concrete technische oplossing te bedenken. Althans, zo lang dat niet hoeft: graag. Rechters kunnen daar vervolgens best mee omgaan, het punt is daar vooral dat dit een achteraftoetsing is die niet perse uitgaat van de voordelen van de technologische oplossing.

Voor de meelezende juristen: de volgende keer gaat het over hoe techneuten tegen de wet aankijken en waarom implementeren van wetten in technologie zo moeizaam is.

 

 

Vakantieblog: Het tijdperk van Big Data en AI

Photo by Anete Lusina on Pexels

Vanwege mijn zomervakantie is de gewone blog gepauzeerd. Vandaag wederom een voorpublicatie uit mijn boek ICT & Recht.

De term big data is begin jaren tien in zwang gekomen als aanduiding voor de ondertussen immens gegroeide dataverzamelingen. Zo groot dat ze met normale tools niet meer te beheersen was. De datahonger van bedrijven had daar wel voor gezorgd: beter iets te veel vastleggen dan te weinig, cloudopslag is immers onbeperkt, en later zien we wel wat we ermee kunnen. Het ging hand in hand met de opkomst van het profileren van bezoekers, wat met name ingegeven was door de behoefte om gepersonaliseerde advertenties te tonen. Aan de basis van dit alles lag een minieme toevoeging aan het world wide web: het cookie.

Van cookies en tracking

In 1994 introduceerde Netscape het zogeheten cookie: een klein stukje informatie dat websites aan browsers konden sturen, die het vervolgens bij ieder bezoek mee terug stuurde. Dit was een enorme verandering voor website-eigenaren. Het web was namelijk ontworpen om stateless te werken: iedere opvraging van een webpagina, iedere klik op een link, stond volledig los van alle andere opvragingen. Dit is de technisch eenvoudigste oplossing maar had als nadeel dat bijvoorbeeld online winkelen niet echt mogelijk is: hoe kun je een winkelmandje beheren als bij iedere klik alles tot dan toe wordt vergeten?

Cookies boden een oplossing voor dat probleem. Iedere nieuwe bezoeker kreeg een code toegewezen, en in een database op de server werd elk uitgekozen product geregistreerd in combinatie met die code. Bij de kassa kon zo direct worden gezien wat men wilde kopen, zodat de transactie kon worden afgerond. Evenzo kon men met een cookie iemand laten inloggen en afgeschermde pagina’s laten bezoeken, zonder dat deze bij elke pagina opnieuw moest inloggen. Hiermee werden op internet ineens zaken als discussieforums maar ook betaalmuren voor archieven mogelijk.

De opkomst van reclame gaf echter aanleiding tot nog een andere toepassing van cookies: tracking. Een visuele reclameboodschap – een banner in het jargon – is technisch gezien een aanklikbare afbeelding. Een website-eigenaar plaatste die afbeeldingen niet zelf, maar liet het advertentienetwerk de afbeelding dynamisch invoegen met speciale HTML-code. Bij die afbeelding kan een cookie worden meegestuurd, net zoals bij de eigenlijke webpagina. Dit noemen we een third-party cookie, een cookie van een derde. En dat heeft een uniek effect: bij een bezoek aan iedere website waar dat advertentienetwerk reclameboodschappen plaatst, stuurt de browser braaf het cookie op bij het opvragen van de reclameboodschap. Zo krijgt het netwerk dus een beeld van al die websites die de persoon achter de browser bezoekt. Het concept van tracking, van volgen op internet, was geboren.

De groei van profileren

Het analyseren van klantinformatie en -gedrag is natuurlijk niet dankzij internet geboren. Een groot deel van de gegevensverwerking bij bedrijven was altijd al gericht op het voorspellen van wat klanten (of potentiële klanten) interessant of leuk zouden vinden. Al in 1992 werd ‘personalisatie’ als vijfde toegevoegd aan de klassieke “vier P’s” van marketing (Product, Prijs, Plaats, Promotie). En veel van de discussies over handel in data uit de jaren zeventig en tachtig – zoals het kopen van videotapehuurgedrag – kwamen voort uit precies de zorg over wat er met dergelijke analyses mogelijk zou zijn.

Iemand volgen is één ding, je moet er natuurlijk wel wat mee doen. Dat heet in het jargon ‘profileren’, het opbouwen van een profiel met bijvoorbeeld interesses (voor e-commerce) of risico’s (voor oplichting of wanbetaling). Een profiel bestaat uit simpelweg een lijstje gegevens gekoppeld aan een identificatie – en cookies zijn precies dat. Maar ook met andere middelen is tracking mogelijk, denk aan RFID tags of Bluetooth serienummers. Waar het om gaat is dat een persoon te reduceren is tot een nummer, waarna gegevens over dat nummer kunnen worden opgevraagd om zo een uitspraak over de persoon te doen: interesse in nieuwe laarsjes, betaalrisico 3%, extra bagagecontrole, salarisverhoging 2%.

De voornaamste reden voor de enorme groei van tracking was de eenvoud. Waar men voorheen vragenlijsten moest uitsturen of uitgebreid onderzoek doen, liepen de gegevens hier als vanzelf de databank binnen. En betrouwbaarder was het ook: het website-klikgedrag is echt wat mensen doen, geen sociaal wenselijk antwoord of voor de grap ingevulde vragenlijst. Het werd hierdoor steeds makkelijker om op de persoon toegesneden profielen op te bouwen, waarmee bijvoorbeeld gerichte advertenties mogelijk werden. Dit waren klassieke technieken uit de informatietechnologie, maar op veel grotere gegevensverzamelingen.

Deze enorme groei in data maakte nieuwe inzichten mogelijk, en liet een scherpe groei zien in de effectiviteit van advertenties. Het aantal trackers is dan ook explosief toegenomen vanaf begin jaren nul.Tegenwoordig gebruikt vrijwel elk marketingbedrijf of -afdeling wel een vorm van gepersonaliseerd adverteren.Tegelijk heeft gepersonaliseerd adverteren ook een keerzijde: veel mensen ervaren een stuk ongemak bij al te persoonlijke advertenties. Dat ongemak zit hem in ‘gezien worden’ wanneer men denkt privé bezig te zijn, de onthulling dat een bedrijf weet wat men wil – een inbreuk op de privacy van gedachten en gevoelens. Ook zijn er meer indirecte beperkingen, zoals ‘gestuurd worden’ door aanbevelingen en een beperkt zicht op het totaalaanbod hebben.

Dit gevoel nam alleen maar toe naarmate de grote platforms van Web 2.0 in omvang groeiden. Want die wisten nog veel meer te verzamelen dan zelfs de grootste advertentienetwerken: mensen vertellen immers zelf aan Facebook wat ze leuk vinden en wie hun vrienden zijn, en die dan weer wat zij leuk vinden. Daarmee konden deze platforms nog scherpere profielen opstellen en gericht reclame maken. Of informatie extraheren voor het beïnvloeden van het Brexit-referendum, zoals in het Cambridge Analytica-schandaal. Big Data, zoals het ondertussen was gaan heten, had dan ook altijd een dubbele ondertoon.

Van big data naar AI

De omarming van het concept big data opende de deur voor een nog verder gaande ontwikkeling, namelijk de inzet van artificial intelligence. Hierbij neemt een systeem zelf besluiten, variërend van het aanpassen van getoonde advertenties tot het goed- of afkeuren van transacties of zelfs overheidsmaatregelen zoals fraude-onderzoeken of weigeren van visa. Hierover meer in hoofdstuk 8.

Vanuit privacy- en gegevensbeschermingsoogpunt zijn AI-systemen een risicovolle ontwikkeling. Machine learning systemen, en meer algemeen AI systemen, leiden redeneerregels af uit de data en passen die vervolgens toe op nieuwe situaties. Bijvoorbeeld: de data laat zien dat een gasrekening van meer dan 150 euro vaak samengaat met fraudeurschap, net als een leeftijd hebben tussen de 18 en 32 jaar. De redeneerregel wordt dan: als de gasrekening boven de 150 euro is of de leeftijd is 18-32, dan nader onderzoeken op toeslagenfraude. In dit voorbeeld is de leeftijdscategorie een toevallige samenloop met fraudeurschap, maar het systeem heeft hier wel de regel mede op gebaseerd omdat de data dit laat zien. Zo’n afgeleide regel is dus fundamenteel anders dan de deductieve regels; zij zijn niet gebaseerd op algemene regels of beginselen maar volgen zonder context uit de data.

Dit verschil raakt aan de uitlegbaarheid van uitspraken en beslissingen van AI. Redeneerregels van menselijke beslissers zijn te motiveren, omdat de algemene regels beschikbaar zijn. Uit inductie verkregen regels zijn dat niet: het algoritme weet dat de leeftijdscategorie 18-32 relevant is, maar kan daar geen waarom aan koppelen. Hoewel wetgeving (zoals de AVG, artikel 13 lid 2 sub f) eist dat uitleg over de onderliggende logica gegeven wordt bij automatische beslissingen zoals deze, is dat in de praktijk dus zo goed als onmogelijk. Dat maakt inzet van AI fundamenteel problematisch. De AVG hanteert dan ook als hoofdregel dat zulke beoordelingen eigenlijk alleen mogen met toestemming van de betrokkene (artikel 22 AVG).

Een belangrijk probleem bij analyse van datasets is vooringenomenheid oftewel bias. Dit is het verschijnsel dat een ML systeem patronen in de data heeft gevonden die negatief uitpakken voor bepaalde groepen. Een ML systeem handelt zuiver op basis van de data, en zoekt de verdeling die het beste past bij het gestelde doel. Er is voor ML geen verschil tussen “geen” uit het veld “werkervaring” of “vrouwentennis” uit het veld hobby’s correleren aan “afgewezen sollicitant”  – bits hebben geen kleur. Voor mensen is het onderscheid tussen deze informatie-elementen echter enorm: het is niet de bedoeling dat we mensen afwijzen omdat ze vrouw zijn. Ook niet als het systeem daar niet expliciet op stuurt – ook indirecte discriminatie is immers verboden (art. 1 lid 1 sub c Algemene wet gelijke behandeling).

Vanwege de zorgen over de risico’s van AI-inzet werkt de Europese Unie op dit moment aan de AI Act, een Verordening die alle gebruik van AI moet gaan reguleren. De insteek is zuiver risicogebaseerd: het doet er niet toe of men werkt met ML, expertsystemen of met een filter in Excel, waar het om gaat is of er risico’s ontstaan voor mensen. AI met zeer hoge risico’s (zoals social credit scoring) wordt verboden, bij hoge risico’s (zoals screenen van sollicitanten) moet de leverancier zware maatregelen nemen om deze in te perken. Deze aanpak heeft het voordeel van daadwerkelijke technologie-neutraliteit: het maakt niet uit hoe het werkt, als het maar veilig is.

De AI Act is daarmee een stap voorwaarts ten opzichte van de AVG. Deze kent weliswaar een verbod tegen geautomatiseerde besluitvorming (art. 22 AVG), maar hier zijn uitzonderingen op mogelijk. Ook wordt de bal wel erg bij het individu gelegd: ga maar de uitleg lezen, maak maar bezwaar, toon maar aan waarom de AI niet eerlijk handelde jegens jou. Dat is zeker bij die kwetsbare groepen geen reële verwachting. De AI Act introduceert een verantwoordingsplicht voor exploitanten van AI-systemen, met actieve informatieplichten en de mogelijkheid van collectieve claims door betrokkenen of stichtingen die hen vertegenwoordigen. Dat zal veel eerder partijen bij de les houden.

Vakantieblog: De groei van gegevensverwerking

Photo by Anete Lusina on Pexels

Vanwege mijn zomervakantie is de gewone blog gepauzeerd. Vandaag wederom een voorpublicatie uit mijn boek ICT & Recht.

Het vergaren van gegevens om daarmee als overheid of bedrijf beter te handelen, is natuurlijk al millennia oud. Meestal ging het dan om getalsmatige data, die door rekenaars (computers) werden bijgehouden. Vanaf het begin van de twintigste eeuw groeide de handmatige gegevensverwerking bedrijven en vooral overheden boven het hoofd. Dit was een gevolg van de tweede industriële revolutie, waardoor grote groepen mensen naar de steden trokken om te werken in de grote fabrieken. Als overheid getalsmatige uitspraken doen – statistiek – was een manier om grip te krijgen op deze grote verandering.

Automatische gegevensverwerking

Volkstellingen zijn de grootste en zichtbaarste manier waarop overheden gegevens over hun burgers verzamelen. In Nederland werden al in de zestiende eeuw regionale volkstellingen gehouden, met de eerste landelijke in 1829.[iii] Vele Westerse landen deden hetzelfde, maar liepen allen tegen het probleem aan dat de gegevensverzameling steeds arbeidsintensiever werd en de verwerking daarna steeds complexer.

Een doorbraak was de Amerikaanse volkstelling van 1890, waarbij zoveel informatie verzameld zou worden dat iedereen inzag dat dit handmatig onmogelijk te verwerken was. Volksteller en ingenieur Herman Hollerith ontwikkelde een geautomatiseerd systeem dat werkte met ponskaarten: door met een soort typemachine op de juiste plek gaatjes te slaan in een kartonnen kaart, werd informatie vastgelegd zoals geslacht of geboortejaar. Telmachines – mechanische computers –konden dan in een stapel kaarten dan met een set pinnetjes zoeken naar alle kaarten met bijvoorbeeld het gaatje bij ‘vrouw’ en ‘1880’ om alle vrouwen geboren in dat jaar te vinden. Het systeem van Hollerith werd een groot succes, dat al snel door vele overheidsinstanties werd overgenomen. (Het bedrijf Hollerith groeide snel en veranderde haar naam in 1924 in International Business Machines of IBM.)

Ponskaarten en automatische, mechanische gegevensverwerking werd enorm populair bij overheden en grote bedrijven. Een veelgehoorde klacht in die tijd was wel dat hiermee de menselijke maat verdween: met rekenmachines kon men op grote schaal abstracte uitspraken doen zoals wie er wel of geen uitkering kon krijgen of wie moest verhuizen vanwege nieuwe gebiedsontwikkeling. De telmachines van Hollerith werden ook in Nazi-Duitsland veel gebruikt; de volkstelling van 1933 werd hiermee vastgelegd, en vandaar konden efficiënt en automatisch mensen worden geselecteerd voor de concentratiekampen.

Gegevens en informatie

In eerdere hoofdstukken is het begrip ‘informatie’ al geïntroduceerd. In de communicatietechnologie is de definitie van Shannon leidend: informatie zijn de bits die ondanks de ruis bij een ontvanger aankomen. In de informatietechnologie wordt informatie anders bekeken, en geldt een onderscheid tussen informatie en gegevens. Gegevens of data zijn de ruwe grondstoffen van de informatiemaatschappij. Hieruit wordt informatie gewonnen door betekenis aan de gegevens te geven. Hiervoor zijn niet perse computers nodig: met de hand een tabel van debiteuren doorlopen en Dit is niet perse de meest kansrijke incassozaken uitzoeken, is een vorm van informatieverwerving uit data. Mechanische en later digitale computers hebben het proces wel fors versneld.

De term informatietechnologie verwijst in brede zin naar alle technieken voor verwerking van informatie. Dit omvat zo ongeveer alle apparaten met een chip of een geheugen, waardoor eigenlijk alles IT zou zijn. Nuttiger is dan ook de beperktere definitie die Leavitt en Whisler in 1958 formuleerden: informatietechnologie is technologie voor verwerking van grote hoeveelheden informatie, voor informatiegebaseerde besluitvorming en voor simulatie van “denken van hogere orde”. Dat laatste raakte aan het net opkomende vakgebied van artificial intelligence, waarover later in dit hoofdstuk meer. Het inzicht van Leavitt en Whisler vestigde de aandacht op het belang van informatie in bedrijfsprocessen, wat goed aansloot bij een nieuwe technologische innovatie: de databank.

De relationele databank

Een databank of database is een gestructureerd geheel van gegevens, dat doorzoekbaar is op diverse criteria (vergelijk art. 4 lid 6 AVG voor het ‘bestand’). Databanken werden mogelijk in de jaren zestig na de uitvinding van de direct access opslagmedia, wat we nu harde schijven noemen. Hiermee konden opgeslagen gegevens in willekeurige volgorde worden benaderd, in plaats van alleen van begin tot einde zoals bij tapes of ponskaarten.

In 1970 ontwikkelde Edgar Codd het relationele model voor databanken. Dit model maakte het mogelijk om relaties tussen gegevens vast te leggen, zoals tussen namen, geboortedata en woonplaats van personen of tussen ingrediënten van voorverpakte maaltijden. Hiermee kon informatie op basis van die relaties worden doorzocht of geselecteerd (“alle mensen geboren op 1-1-1970” of “alle maaltijden met rucola en avocado met houdbaarheidsdatum meer dan twee dagen geleden”). Deze uitvinding maakte het organiseren en correct houden van gegevens een stuk eenvoudiger. In dit model worden gegevens gekoppeld met zogeheten sleutels. Uitgangspunt daarbij is dat gegevens slechts eenmalig worden opgeslagen, en dat men met sleutels verwijst naar overige informatie.

Het grote voordeel voor de automatische gegevensverwerking is dat vrijwel alle bewerkingen plaatsvinden op tabellen, met relatief weinig gegevens. Dat kan snel en efficiënt, ook in een beperkt werkgeheugen. Voeg daar een gestructureerde set instructies voor databasebeheer aan toe – structured query language of SQL – en de mogelijkheden zijn eindeloos.

Een explosie van databanken

Relationele databanken en SQL (en aanverwante technieken) maakten dat het aantal gegevensverzamelingen – en alle bedrijven en overheden die er gebruik van maakten – snel groeide. Dat leidde weer tot een grotere gegevenshonger, want als er zo veel kan dan is er snel behoefte aan meer. Dat gaf aanleiding tot meer zorgen en protesten over de bescherming van de burger, die zich bijvoorbeeld niet kon verweren tegen fouten in een databank. Een simpele reden was omdat hij niet wist dat hij erin stond. Maar minstens zo hardnekkig was – en is – de overtuiging dat ‘de computer gelijk heeft’, gegevens in een databank hebben een aura van juistheid.

Een tegenbeweging met meer utopische visie op dataverwerking ontstond rondom bibliotheken, die dankzij ponskaarten en mechanische rekenaars juist mogelijkheden zagen om informatie te koppelen en ontsluiten. Het idee van hypertext (zie hoofdstuk 2) is ook in deze tijd geboren. Ook de snel groeiende hobby-computerbeweging zag mogelijkheden in databases. Vanaf de jaren tachtig raakte de databank ingeburgerd in de computerwereld. Via diensten zoals CompuServe kon men online databanken raadplegen, en na de uitvinding van de cd-rom was het zelfs mogelijk een databank in huis te hebben. De opkomst van internet maakte het nog makkelijker om databanken te ontsluiten.

De populariteit van databases explodeerde in 1979 toen het obscure bedrijf Ashton Tate het pakket dBase II op de markt bracht. Hun geniale marketingstrategie was de software weggeven aan kopers van de nieuwe personal computer, in plaats van zoals iedereen te mikken op de grote computers, de mainframes. Omdat dBase II ook beschikte over een simpele programmeertaal, kon ineens een enorme groep mensen nu databases opzetten en beheren.

Maar ook de groei van spreadsheets (Lotus 1-2-3 en vooral Microsoft Excel) en hun invloed op gegevensverwerking moet niet worden genegeerd.Hoewel deze tools primair waren ontworpen voor berekeningen, was het zeer eenvoudig om ook lijsten met gegevens bij te houden en daarin te zoeken en filteren, wat voorheen alleen kon met grote databanksoftware waarvoor gespecialiseerde kennis nodig was. Voor kleine ondernemingen (of beperkte toepassingen bij grote ondernemingen) waren spreadsheets dus meer dan genoeg. Vandaag de dag zijn spreadsheets een onmisbare tool bij grote en kleine ondernemingen.

Vakantieblog: De opkomst van handel in informatie

Vanwege mijn zomervakantie is de gewone blog gepauzeerd. Vandaag wederom een voorpublicatie uit mijn boek ICT & Recht.

Online ondernemen heeft sinds de jaren negentig een forse groei gemaakt in de handel in informatie, naast fysieke producten en diensten. “Data is het nieuwe goud” was het motto: wie data had, kon inzichten krijgen of marketing optimaliseren, en wie data nodig had, was bereid daarvoor te betalen.

De groei van Web 2.0 na de internetbubbel

De sterke groei in aandacht voor technologiebedrijven leidde tot een ware hype in 1999 en 2000, waarbij beurskoersen enorm stegen en veel investeerders instapten zonder dat de bedrijven duidelijke plannen konden laten zien. Deze was het uitvloeisel van een bredere trend: de dot-com bubble, die wordt gerekend van 1995 tot 2000. Steeds meer bedrijven gingen “iets met internet” doen, zonder heel concreet te worden over wat dan precies of hoe men daar geld mee zou verdienen.

In 2000 gebeurden een aantal dingen tegelijk die samen de bubbel zouden hebben doen barsten. (…) De mislukte beursgang van World Online in 2000 wordt in Nederland gezien als het einde van de hype. Daarna was het zeer zeker niet afgelopen met internet. Integendeel: er deed zich een Cambrische explosie aan diensten voor. In de periode tot 2010 werd de overgrote meerderheid opgericht van de diensten die we vandaag nog gebruiken: iTunes, Wikipedia, Facebook, YouTube, LinkedIn, World of Warcraft en nog veel meer. Ook in Nederland zagen veel nieuwe diensten het licht: profielensites Hyves en CU2, verkoopsite Marktplaats, internetcolofon Startpagina en blogsites zoals Web-log.nl.

De groei van application software provisioning, standaardisatie van API’s en ontwikkelingen op het gebied van data-opslag en verwerking maakte dat steeds complexere diensten mogelijk werden, waarbij interactie en gebruiksgemak voorop kwamen te staan. Het werd eenvoudig om zelf dingen te publiceren (zoals op blogs), links bij elkaar brengen en van metadata te voorzien (zoals op Digg of Startpagina) of elkaar te ontmoeten (CU2, Hyves, TheFacebook, Friendster, LinkedIn, Myspace en nog veel meer).

Deze ontwikkeling kreeg in 2002 een eigen naam: Web 2.0. De term ‘2.0’ komt uit de softwarewereld, waar software van tijd tot tijd herzien wordt en dan een nieuw versienummer krijgt. Web 2.0 ging over het sociale aspect, het Web als dienst waarin mensen samenwerken en informatie koppelen, in plaats van Web 1.0 waarin men individueel kennis tot zich neemt vanuit afgesloten silo’s van aparte aanbieders. (We zitten anno 2022 bij Web 3.0, waarin decentralisatie, blockchain en financiële aspecten centraal staan

De mislukking van micropayments

Web 2.0-diensten waren vrijwel altijd gratis beschikbaar. Dat had een simpele reden: het ontbrak aan een efficiënte manier om te betalen, en advertenties boden een acceptabel alternatief. Weliswaar waren er creditcards en sinds 2002 de internetbetaaldienst PayPal, maar de transactiekosten waren te hoog om de kleine bedragen te kunnen rechtvaardigen die passende prijzen voor een online dienst zouden zijn. Dit nog los van de angst om aan een willekeurige website je creditcardgegevens te moeten verstrekken. Abonnementen waren in de Amerikaanse cultuur niet ingeburgerd, en daarom deden weinig softwareleveranciers moeite om hier infrastructuur voor te ontwikkelen.

Micropayments zouden het antwoord moeten zijn geweest. Vele internetondernemers doken op de kans om de wereldstandaard te worden voor betalingen van enkele centen (of fracties daarvan). Technologisch was er veel mogelijk, hoewel de meeste oplossingen verre van gebruikersvriendelijk waren. Nederland bood wellicht een oplossing: een plan voor invoering van rekeningrijden in 2000 gaf aanleiding tot de oprichting van het Amsterdamse bedrijf DigiCash, dat veelbelovend leek. Oprichter David Chaum was een briljant wiskundige, die al in 1993 een systeem voor digitaal betalen (‘ecash’) had uitgevonden. Maar zijn zakelijke opstelling gecombineerd met koudwatervrees bij de grote banken maakte dat ook dit systeem niet aansloeg. De uitvinding van Bitcoin in 2008 verwees expliciet naar DigiCash, maar ook deze volledig anonieme decentrale munt zou niet het betalingssucces blijken waar de bedenker(s) op rekenden.

De enige echte uitzondering was de Europese vinding van betalen via sms: een dienstverlener ontving zo zijn geld transparant via de telefonieprovider, en de consument hoefde zich geen zorgen te maken over de veiligheid van betaalgegevens. De beperking was dan weer dat de dienst primair via de telefoon geleverd werd, wat het buiten ringtones en dergelijke weinig populair maakte.

Adverteerders bleken daarentegen makkelijker te regelen en veel lucratiever, en vele systemen voor adverteren op websites doken al snel op. Een trendsetter was het Amerikaanse advertentiebedrijf DoubleClick, dat het volgen van bezoekers over meerdere websites heen op grote schaal populariseerde. Bij elke website met een DoubleClick-banner werd een cookie van DoubleClick geplaatst of uitgelezen door het bedrijf. Hiermee kon zij veel effectiever bijpassende advertenties selecteren. Dat gaf de nodige ophef bij privacy-activisten, maar een onderzoek door de markttoezichthouder FTC liet zien dat geen Amerikaanse privacywetgeving werd overtreden. Deze zaak laat het essentiële verschil tussen de Amerikaanse en Europese visie op persoonsgegevens zien: in de VS zijn gegevens pas een persoonsgegeven wanneer zij de betrokkene direct identificeren, met name door een naam of contactgegevens. Hierover meer in het volgende hoofdstuk.

Handel in informatie

Informatie wil vrij zijn – maar ook duur. Dit dualisme van hacker en The WELL-oprichter Stewart Brand ligt aan de basis van vrijwel alle conflicten omtrent toegang en handel in informatie. Het auteursrecht is vanuit dit perspectief een poging informatie duur te maken door handel aan banden te leggen: alleen met toestemming van de rechthebbende. Maar waar het om gaat, is dat het maken van informatie veel geld of moeite kan kosten, terwijl beschikbare informatie met één klik kan worden gedeeld. Hoe kan iemand dan ondernemen als informatie-producent?

Economen Shapiro en Varian bekijken in hun standaardwerk Information Rules uit 1999 de informatiemaatschappij vanuit ondernemersperspectief. Het is een schoolvoorbeeld van ‘omdenken’ voor ondernemers. In plaats van je bezig te houden informatie onder controle te houden, moet je op zoek naar redenen waarom mensen bereid zijn te betalen voor informatie.  Het boek bepleit een aantal strategieën die door de grote technologiebedrijven werden toegepast. Wees de eerste en beste, bijvoorbeeld: in veel gevallen ontdekken mensen een bepaald type dienst bij de eerste aanbieder, en als het bevalt dan blijven ze zitten. Wees agressief naar opkomende concurrenten, aarzel niet je prijs te verlagen. Verzamel zo veel mogelijk informatie over je klanten, experimenteer met verschillende prijzen en personaliseer je aanbod. Allemaal zaken die op grote schaal zijn overgenomen door internetondernemers.

Lock-in en netwerkeffecten

Een belangrijk probleem bij technologie is de zogeheten lock-in: wie kiest voor een bepaald systeem, zit daar vaak lange tijd aan vast. Overstappen is niet eenvoudig of betekent dat alle investeringen weggegooid kunnen worden. Wie bijvoorbeeld zijn bedrijf op Microsoft Windows heeft gestandaardiseerd, kan niet eenvoudig deze overzetten naar de software van Apple. Bij internetdiensten lijkt dit probleem minder aanwezig te zijn, omdat overstappen van de ene naar de andere zoekmachine heel wat minder voeten in de aarde heeft. Dat is een nadeel voor informatie-ondernemers: de klanten kunnen zomaar weg zijn.

Er staat echter een ander effect tegenover dat veel krachtiger is, namelijk het netwerkeffect. Een dienst heeft een netwerkeffect wanneer deze waardevoller wordt naarmate er meer mensen gebruik van maken. De telefoon heeft een netwerkeffect: hoe meer mensen je kunt bellen, hoe handiger het is om een telefoon te hebben. De figuur hieronder illustreert dit: één persoon extra in het netwerk betekent potentieel De personal computer heeft dan weer geen netwerkeffect: het feit dat de buurman er ook een heeft, voegt voor mij weinig toe.

Wanneer een ondernemer zijn dienst kan voorzien van een netwerkeffect, kan dat van enorme waarde zijn. Waar lock-in ervoor zorgt dat mensen moeten blijven, zorgt het netwerkeffect ervoor dat gebruikers willen blijven. Het is bijvoorbeeld technisch of juridisch geen enkel probleem om van chatdienst WhatsApp naar concurrent Telegram of Signal over te stappen. Maar niemand doet het, omdat niemand het doet. Juridisch duiden van het netwerkeffect is lastig, omdat het geen echte parallel kent. Het meest voor de hand liggend is de aanname dat een dienst met een netwerkeffect haar exploitant marktmacht geeft in de zin van het mededingingsrecht. Dit is echter nog nooit als argument in een handhavingsprocedure erkend.

Bij sociale media is het netwerkeffect van Shapiro en Varian natuurlijk enorm: iedereen zit op Facebook want iedereen zit op Facebook. Over nieuws klets je op Twitter want daar is het nieuws, daar gebeurt het en iedereen praat erover. Dit gaf de bedrijven achter deze socialemediadiensten een enorme marktmacht. Sinds een consolidatieslag zijn er nog maar een paar grote bedrijven over: Facebook (thans Meta), Twitter en LinkedIn, alle drie grote Amerikaanse bedrijven met ongekende klantenaantallen.

Data is alles, maar ook niets

“Data is de nieuwe olie.” “Data is het nieuwe goud.” Data geeft zelfs een nieuw wereldbeeld: het dataïsme. Met statements als deze proberen economen en zakenanalisten te benadrukken waarom een bedrijf zo veel mogelijk data over klanten en producten moet verzamelen. Met data kun je informatie genereren: wat verkoopt goed, wat is populair, wat willen de klanten en waar moeten wij heen. Dit was een uitvloeisel uit de noodzaak om gratis diensten aan te bieden: het logische alternatief is dan om met advertenties te werken, en hoe gerichter je de doelgroep kunt presenteren, hoe meer adverteerders willen betalen voor een advertentie. Dit heeft geleid tot een enorme wildgroei aan tussenpersonen die zo veel mogelijk te weten willen komen. Hierover in het volgende hoofdstuk meer.

Datahonger is echter niet alleen ingegeven door adverteerders. Wie meer weet over klanten of bezoekers, kan ook de diensten daar beter op afstemmen. Een sociaal netwerk dat de juiste berichten aanbeveelt, zal vaker gebruikers terug zien komen die deze gaan lezen. Maar om te weten wat ‘juist’ is, moet je wel weten wat de gebruikers interessant vinden. Winkels kunnen met data hun shopping experience of customer journey aanpassen, tot en met gepersonaliseerd prijzen aan toe: u werkt met een Macbook Pro en u wilt op vrijdagavond een nieuwe televisie kopen, dan kan de prijs wel iets omhoog, zo blijkt uit onze analyse.

Data is aldus een kernaspect geworden van dienstverlening, wat bovengenoemde exuberante uitspraken over het nieuwe goud verklaart. Tegelijkertijd is data vanuit juridisch perspectief niets: de wet erkent alleen eigendom op fysieke zaken (art. 5:1 BW) en niet op hun digitaal equivalent. Dat is opmerkelijk, gezien data een enorme waarde vertegenwoordigt voor zowel ondernemers als burgers. Data is vaak onvervangbaar. Tien jaar aan bonnetjes kwijt zijn is voor een ondernemer een enorme ramp; tien jaar aan familiefoto’s kwijtraken is het equivalent in de persoonlijke sfeer.

Van tijd tot tijd duikt het voorstel op om het concept eigendom uit te breiden naar data. Daarbij wordt vaak gewezen op het Runescape-arrest uit 2012, dat virtuele objecten uit een online spel tot “goed” verklaarde. Dit arrest komt echter uit het strafrecht: de kwalificatie als goed opende de weg tot een veroordeling wegens beroving (diefstal met geweld). Gezien de functie van het strafrecht is dat goed te begrijpen, het stelen van een waardevol virtueel goed heeft dezelfde impact op het slachtoffer en de maatschappij als het stelen van een fysiek goed.

Het arrest was een breuk met de oudere lijn uit 1996, toen de Hoge Raad bepaalde dat computergegevens algemeen niet weggenomen (gestolen) konden worden. Mede hierom werd in de Wet computercriminaliteit het wegnemen van computergegevens apart strafbaar gesteld. De kern van de motivatie van de HR was dat voor wegnemen nodig is dat “degene die de feitelijke macht daarover heeft deze noodzakelijkerwijze verliest als een ander zich de macht erover verschaft”. Dat is bij computergegevens niet het geval: die worden gekopieerd, niet weggenomen. Voor economisch eigendom is dat wel van cruciaal belang. Als eigendommen onbeperkt kunnen worden gekopieerd, welke waarde vertegenwoordigt het eigendomsrecht dan nog?

 

Vakantieblog: Informatie zenden, ontvangen en zoeken – het internetrecht

Photo by Vincent van Zalinge on Unsplash

Vanwege mijn zomervakantie is de gewone blog gepauzeerd. Vandaag wederom een voorpublicatie uit mijn boek ICT & Recht.

Het decentrale en pakketgestuurde internet maakte een enorme deling aan informatie mogelijk. Iedereen kon zonder noemenswaardige moeite online gaan en vertellen wat hij of zij te melden had: een e-mail naar een discussielijst, een bericht op een bbs, een bestand in een Gopher-bibliotheek en vanaf 1991 een site op het World-Wide Web. Deze uitvinding van Tim Berners-Lee was een enorme stap vooruit door zijn toepassing van hypertext: aanklikbare links waarmee de lezer van de ene naar de andere informatiebron kon gaan.

Het recht informatie te verspreiden

“De persvrijheid geldt alleen voor hij die er een bezit”, zoals journalist A.J. Liebling het ooit treffend omschreef. Het was door vele decennia massamedia een vanzelfsprekendheid dat er zenders en ontvangers waren: de journalist bracht het nieuws, de lezer consumeerde dat. Idem voor televisie en radio, er waren producenten en kijkers of luisteraars. Wie zijn geluid wilde laten horen, moest hopen op een interview of ingezonden brief – of genoeg geld verzamelen om een eigen uitgeverij te beginnen en zich in te vechten in het establishment. Wat vaak geen sinecure was, de regels waren (en zijn) zo complex dat beginners er zelden doorheen komen.

Door de opkomst van het www kon nu iedereen met een toetsenbord een website bouwen en daarop melden wat volgens hem of haar het melden waard was. Enige kennis van de webbouwtaal HTML en webserversoftware was vereist, maar al snel verschenen tools waarmee ook zonder enige technische kennis publicatie mogelijk was. Abonnementen bij hostingproviders waren goedkoop, of via verenigingen en belangenorganisaties soms zelfs gratis, waardoor iedereen zijn gang kon gaan.

En dat gebeurde. “[Dankzij internet is] ook voor particulieren de mogelijkheid ontstaan zich buiten de tot dan toe bestaande media tot een breed publiek te richten,” aldus de Hoge Raad in 2008. En in 2015 noemde het Europese Hof voor de Rechten van de Mens internet zelfs “one of the principal means” voor informatievoorziening, op gelijke voet met de krant en de radio en televisie. Opmerkelijk; jurisprudentie over uitingsvrijheid of toegang tot informatie ging tot die tijd primair over professionele journalistiek. De pers had een maatschappelijke waakhondfunctie en dat verdiende een hoge mate van bescherming. Maar of dat ook zo was voor gewone burgers, was geen uitgemaakte zaak.

Het bovenstaande wil niet zeggen dat alle jurisprudentie over de klassieke media automatisch op dezelfde manier uit moet pakken bij ict- of internetcasussen. Het medium kent unieke kenmerken, die in een juridische beoordeling van uitingsdelicten of onrechtmatige uitingen moeten worden meegewogen.[vi] Een voorbeeld van zo’n uniek aspect is het gegeven dat internetpublicaties eerder worden gevonden dan actief gecommuniceerd. Oudere uitingen kunnen zo sneller naar voren komen. De zoekfunctie (zoeken en al dan niet gevonden worden) van het informatierecht is dus veel groter in het ict-recht.

Internet als ideeën- en informatieverspreider past perfect in de klassieke functie van de informatievrijheid, het mogen zenden van informatie. Iedereen mag zijn mening geven, feiten aan het licht brengen, en de marktplace of ideas zorgt ervoor dat de waarheid, het belangrijke, het interessante bij iedereen terecht komt. Ook – of misschien wel juist – voor de meer controversiële randgroepen, van politieke splinterbewegingen tot niet-mainstream seksuele voorkeuren. Internet bleek dan ook uitermate geschikt voor activisten en marge-groepen die via de normale kanalen elkaar niet goed konden bereiken.

Het recht niet gevonden te worden

Dankzij internet kunnen ook archieven worden ontsloten, en dat is een groot goed voor de mensheid. Informatie wordt doorzoekbaar en kan op steeds meer manieren worden gebruikt, van inzicht krijgen in historische trends tot genealogisch onderzoek of het breder onderbouwen van sociologische bevindingen. Maar het toegankelijk maken van archieven heeft ook nadelen: er kunnen gegevens over mensen in die archieven staan, en die worden dan ineens toegankelijk terwijl dat voorheen nooit het geval was. Zeker dankzij zoekmachines konden anderen wel héél makkelijk die gegevens vinden, met alle gevolgen van dien.

Het ontsluiten van archieven is een invulling van het recht van informatie verspreiden. Het belang van een compleet en integer archief weegt dan ook zeer zwaar, aldus het EHRM in 2009. Dit is een belangrijke secundaire functie van de informatievrijheid, het beschikbaar blijven van informatie. In 2013 noemde men het zelfs “rewriting history” als een archief berichten zou moeten verwijderen. Ook in Nederland zien we dat terug in de oudere rechtspraak aangespannen door getroffen internetters tegen krantenarchieven.

Dit is een fundamentele botsing middenin het ict-recht zoals we dat in het vorige hoofdstuk definieerden: de informatievrijheid van de een (de krant met haar archief) tegenover de privacy van de ander (de betrokkene over wie een oud bericht ging). Door een technologische innovatie (het ontsluiten van archieven en de kracht van zoekmachines) wordt de informatievrijheid een stuk groter, en dat botst op een nieuwe manier met dat grondrecht van de privacy.

Hoe dat op te lossen? In 2014 worstelde het Europese Hof van Justitie met deze kwestie. Een Spaanse ondernemer merkte dat potentiële klanten vaak een oud krantenbericht over hem vonden – hij was in 1998 onder curatele gesteld en zijn huis was bij opbod verkocht. Inmiddels was dat allemaal alweer voorbij, maar dit kostte hem klanten en de websites met de aankondigingen weigerden deze te verwijderen. Maar de ondernemer had een nieuwe insteek gekozen: hij klaagde niet de krant aan waar dit in stond, maar zoekmachine Google omdat die de krant online zo makkelijk doorzoekbaar maakte.

Tot veler verrassing oordeelde het Hof dat Google inderdaad mee moest werken aan een filtering van zoekopdrachten voor de naam van deze man. Zijn recht op privacy moest worden gebalanceerd tegen de ondernemingsvrijheid van Google (het vierde grondrecht uit de definitie van ict-recht). Dat komt erop neer dat wanneer de gepubliceerde informatie verouderd of irrelevant is ten tijde van de zoekopdracht, de pagina’s moeten worden weggelaten uit de resultaten. Niet bij iedere zoekopdracht: wie bijvoorbeeld vroeg om “ondernemer faillissement spanje 1998”, eventueel met ’s mans naam erbij, zou gewoon de resultaten moeten krijgen inclusief de informatie over de eiser in deze zaak. Dat is dan een relevant resultaat voor een zoekopdracht gericht op 1998 immers. Maar wel als men nu alleen zijn naam intypt, of zelfs het woord “failliet” erbij – hij is immers nu niet failliet, en een artikel uit 1998 tonen dat suggereert van wel, doet dan enorme schade.

Deze uitspraak laat een diepgaand begrip van de impact van internet zien. Het Hof zoekt een balans tussen privacy en informatievrijheid, en neemt daarbij de unieke eigenschappen van zoekmachine Google in ogenschouw. Weinig mensen zullen de moeite nemen alle krantenarchieven van het land door te nemen op zoek naar een mogelijk oud bericht over een ondernemer. Maar even snel iemand “door Google halen” gebeurt iedere dag, en dáár komt dan de pijn door. Google maakt het te makkelijk, en Google moet dan dus aan de bak om het op te lossen.

Sinds deze uitspraak zijn er vele, vele zaken geweest waarin mensen proberen onwelgevallige berichten te weren uit zoekresultaatpagina’s. Meestal zonder succes, omdat het gaat om door hen gepleegde misdrijven of recente geschiedenis die veel ophef gaf. Maar uitgesloten is het zeker niet. Het recht op vergetelheid – zoals dit is gaan heten – is ook vastgelegd in de Algemene Verordening Gegevensbescherming, waarover meer in hoofdstuk 5.

Het recht informatie te ontvangen

Wie op de markt naar informatie wil luisteren, kan er gewoon heen wandelen. Op internet is dat iets lastiger: daar heb je in ieder geval een toegangsprovider nodig, een bedrijf zoals Ziggo of KPN dat je computer verbinding laat maken met internet. Ook voor de informatie-aanbieder geldt dat: de server met de informatie in kwestie moet verbonden zijn met internet, en er moet minstens één route zijn tussen beide punten.

Dit raakt aan het tweede aspect van de informatievrijheid, namelijk het recht om informatie te mogen ontvangen. In eerste instantie gaat ook dat aspect over de rol van de overheid: die kan informatiediensten laten blokkeren, of zelfs heel internet. Dat is al heel snel in strijd met de informatievrijheid, zo bepaalde het EHRM al vele malen.  Ook een internet- of websiteblokkade dient te voldoen aan het hierboven geschetste kader. Waar het meestal op mis gaat, is de proportionaliteit:

  • Bij blokkades op IP-adres worden ook andere websites vanaf diezelfde server geblokkeerd. Dit is een probleem met proportionaliteit.
  • Bij blokkades op domeinnaam kan de gewraakte aanbieder met een andere naam het verbod omzeilen. Dit raakt aan effectiviteit.
  • Bij blokkades van één specifieke uiting (zoals een pagina of pdf-bestand) blokkeren hostingproviders soms de hele site. Zij hebben namelijk lang niet altijd toegang tot de database achter de site waardoor ze de specifieke pagina niet offline kunnen halen.
  • Bij autoritaire regimes wordt nog wel eens het hele internet geblokkeerd. Dit is uiteraard ook niet proportioneel.
Maar hoe zit dat met internetproviders? Wie een website (of welke dienst dan ook) wil bezoeken om informatie te ontvangen, moet eerst het internet op. Een provider kan dat blokkeren, duurder maken of op andere manier hinderen. Is dat een schending van het recht informatie te mogen ontvangen? Dat is een lastige. Het gaat hier om private partijen, providers zijn (meestal) bedrijven en zeker geen overheden. We spreken dan van horizontale werking: kan dit grondrecht tussen burgers onderling worden uitgeoefend? Kun je je tegen een ander beroepen op jouw recht informatie te ontvangen?

Het pijnlijke antwoord is: nee, dat kan niet. Er is geen horizontale werking van de informatievrijheid. In de jaren tachtig speelde deze kwestie bijvoorbeeld bij de vraag of verslaggevers toegang moesten krijgen tot voetbalstadions, dit op grond van het recht van informatiegaring. De gebouwen zijn eigendom van de voetbalclubs, maar in principe kan iedereen (tegen betaling) naar binnen gaan. Mag de voetbalclub dan de voorwaarde stellen dat men alleen naar binnen mag indien men niet filmt? De Hoge Raad oordeelde van wel. Ook al is de interesse in voetbalwedstrijden groot, het eigendomsrecht behoort boven de vrije informatiegaring te gaan. De stadions waren opgesteld voor publiek, maar nog steeds privé-eigendom. Die lijn geldt ook voor websites en internetproviders.

Indirect kan de informatievrijheid wel worden ingeroepen tegen private partijen, namelijk door deze toe te passen bij de uitleg van een norm uit een ander wetsartikel. Een voorbeeld is het citaatrecht (artikel 15a Auteurswet), dat gebruik van stukjes uit andermans werk toestaat als dat “naar de regels van het maatschappelijk verkeer redelijkerwijs geoorloofd” is. Het argument is dan, hoe belangrijker de uiting, hoe meer geoorloofd behoort te zijn, dus hoe meer er mag worden geciteerd.

Het belang van de informatievrijheid kan soms wel zo ver gaan dat een zogeheten positieve verplichting ontstaat voor de overheid om deze mogelijk te maken. Met een wet of vergelijkbaar instrument regelt de overheid waar de grenzen liggen voor andere private partijen bij iemands informatiegaring. In de Appleby-zaak bepaalde het EHRM bijvoorbeeld dat een private partij gehouden kan zijn andermans uitingen te tolereren in de uitzonderlijke situatie dat een beroep op eigendomsrechten “[would prevent] any effectieve exercise of freedom of expression or [if] it can be said that the essence of the right has been destroyed”. Maar let wel: de overheid moet dan dus een wet maken waarin wordt geregeld wat er dan getolereerd moet worden en onder welke voorwaarden.

Een concreet voorbeeld van hoe zo’n positieve verplichting uitpakt is de ontwikkeling rond netneutraliteit: het beginsel dat internetproviders geen verkeer mogen bevoor- of benadelen. Dat lijkt raar, hun core business is het toegang geven tot internet. Echter, het verdienmodel van providers – abonnementen, eventueel met toeslagen voor dataverkeer – staat al decennia stevig onder druk omdat steeds meer diensten heel veel data versturen. Netflix veroorzaakt in zijn eentje bijvoorbeeld zo’n 15% van alle internetverkeer. Providers moeten investeren in technologie en onderhoud om dit mogelijk te blijven maken, maar dat kan lastig uit van abonnementsprijzen alleen. Vandaar dat providers op zoek zijn naar nieuwe inkomstenbronnen, bijvoorbeeld bijbetalen voor bepaalde populaire diensten of betere kwaliteit.

In 2011 ontstond ophef toen bekend werd dat internetaanbieder KPN mobiel internetverkeer scande, om zo verschillend verkeer apart te kunnen factureren.  Een lobby van internetactivisten Bits of Freedom was een groot succes: Nederland werd het tweede land ter wereld (na Chili) waar netneutraliteit in de wet verankerd werd. In de definitie van het ict-recht is hiermee een botsing tussen informatievrijheid en ondernemingsvrijheid (hoofdstuk 4) beslecht door een ingreep vanuit regulering (hoofdstuk 6). De Wet netneutraliteit werd in 2016 overigens vervangen door een Europese Verordening. Meer over dit onderwerp in hoofdstuk 6.

De discussie over toegang kent echter nóg een dimensie; naast de providers die toegang tot internet verschaffen, zijn minstens zo belangrijk de zoekmachines zoals Google en de platforms zoals Facebook die de inhoud vindbaar maken.

Het recht informatie te zoeken

Met die enorme informatie-explosie door de groei van internet ontstond een probleem: welke websites moest je hebben, waar stond de relevante informatie? Dit gaf aanleiding tot overzichtssites, zoals in Nederland Startpagina.nl en in de VS Yahoo, die per onderwerp de relevante websites rubriceerden. Dit bleek ook al snel moeilijk te beheren, vandaar dat een andere dienst veel populairder werd: de zoekmachine. En met de groei van Web 2.0 kwam daar nog een dienst bij: het platform, de plek waar je moet zijn om informatie aan te bieden én te vinden.

Als we het hebben over het recht om informatie te zoeken, dan komt dat automatisch neer op de discussie over de tussenpersonen, de partijen die tussen zender en ontvanger in staan. Die beschikken over een essentiële positie, die in de literatuur over informatievrijheid wel die van gatekeeper of poortwachter wordt genoemd. Zij beslissen welke informatie bovenaan komt in zoekresultaten of overzichtspagina’s, welke informatie wel of niet gewenst is en welke suggesties men krijgt als bladerende bezoeker. Dit geeft ze een enorme zeggenschap over de invulling van de informatievrijheid van hun bezoekers en gebruikers.

De eerste zoekmachines werkten relatief eenvoudig. Zij indexeerden alle webpagina’s die ze konden vinden (vaak via die overzichtssites, en alle hyperlinks volgend die ze op de gevonden pagina’s vonden, het zogeheten crawlen) en lieten mensen zoeken op trefwoorden. De pagina die het vaakst die trefwoorden gebruikte, kwam dan bovenaan in de zoekresultaten.

Niet iedereen was blij met zoekmachines: ze konden op hol slaan en websites overbelasten. Anderen vreesden voor kwaliteitsverlies: een door mensen gemaakte overzichtssite zou altijd kwalitatief beter zijn. En weer anderen wilden simpelweg niet gevonden worden, althans niet zomaar in een zoekmachine. Maar voor de meeste mensen waren zoekmachines eindelijk hét middel om op internet te vinden wat je nodig had.

In 1998 verscheen er een nieuwe zoekmachine, die uiteindelijk de wereld zou beheersen. Stanford-student Larry Page had in 1998 een uniek inzicht: je moet webpagina’s niet alleen sorteren op gebruik van trefwoorden, maar ook op relevantie. En dat laatste kun je meten: hoe vaker mensen linken naar een website, hoe relevanter die is voor het gelinkte onderwerp. De zoekmachine die hij samen met collega-student Sergej Brin bouwde, heette Google en werd een stormachtig succes: eindelijk een zoekmachine die gewoon werkt.

In 2000 kwam Google met een unieke innovatie genaamd AdWords, waarmee adverteerders eindelijk de zoekers konden bereiken. En, uniek, afgestemd op de zoekopdrachten en (later) op een profiel van de zoeker. De omzet die men hiermee wist te realiseren, maakte Google tot het grootste en machtigste internetbedrijf ter wereld: zonder Google ben je onvindbaar.

De situatie werd na de groei van Web 2.0 oftewel het sociale web nog ingewikkelder. Wie iemand wilde zijn, moest op het juiste platform zijn: Myspace, Facebook, Hyves, Linkedin, Twitter en nog vele andere. Voor elke niche en elke uiting was er wel een platform. En het mooie was: elk platform had een groot publiek, dat dankzij overzichts- en zoekfuncties makkelijk ook jouw bijdragen kon vinden. Dat was een stuk eenvoudiger dan je eigen website moeten onderhouden. Logisch dus dat vele mensen naar deze platforms trokken. Maar hiermee werden de platforms natuurlijk zeer machtig, misschien wel machtiger dan zoekmachine Google: zonder Google ben je onvindbaar, maar zonder Facebook besta je niet.

Vakantieblog: Internet als drukpers van de informatiemaatschappij

Photo by Vincent van Zalinge on Unsplash

Vanwege mijn zomervakantie heb ik een blogpauze tot 7 augustus. Deze week trakteer ik dan ook op een longread afkomstig uit hoofdstuk 2 van mijn boek ICT & Recht.

Dat internet tegen een nucleaire aanval bestand is, of ongrijpbaar voor kwaadwillende overheden, is een hardnekkige mythe. Het internet is in de praktijk niet eens in staat een onoplettende eekhoorn te weerstaan. Maar het idee was goed: een volledig decentraal netwerk waarmee academische instellingen gemakkelijk informatie konden uitwisselen. Na een commercialisatieslag die begon in 1995 kon werkelijk iedereen zijn mening uiten. Het centrale thema daarbij werd toegang: wat mag je zeggen, wie mag bepalen wie wat zegt, en is er daarbij onderscheid tussen overheden en private partijen?

“Internet is de drukpers van de informatiemaatschappij”, zo formuleerde Netscape-directeur James Barksdale het in de zomer van 1996. Webstekbladeraar Netscape was in die vergelijking dan de bladwijzer, het hulpmiddel om te navigeren in die enorme explosie van informatie. Barksdale zei dat niet zomaar: in februari had de Amerikaanse overheid de Communications Decency Act aangenomen, een hele brede wet die het een ieder verbood om personen onder de 18 jaar online “obscene of onfatsoenlijke” inhoud te laten zien. De ophef was enorm: dit zou alle websites treffen, ongeacht of die zich richtten op kinderen en ongeacht de legaliteit van de inhoud – “onfatsoenlijk” is heel wat vager immers dan “onrechtmatig”.

Van drukpers naar website

Gelukkig voor Barksdale en alle andere internetters vernietigde de Supreme Court een jaar later deze fatsoensregel: ouders moeten zelf kunnen beslissen wat kinderen kunnen zien op internet, deze overheidsbemoeienis beperkt hun informatievrijheid te zeer. De uitspraak was een opsteker voor de internetgemeenschap, die al ruim tien jaar het wereldwijde communicatiemedium zag als de nieuwe, ware “marktplaats voor ideeën”, vrij van de dwang van massamedia. Net als hoe de drukpers sinds 1450 de maatschappij onherroepelijk had veranderd.

Overheden hebben sinds de opkomst van het gedrukte boek flink geworsteld met grip op dit nieuwe medium. Met allerlei regelingen en verboden op het drukken of verkopen van bepaalde werken – censuur – werd geprobeerd dingen nog enigszins binnen de perken te houden. Maar echt haalbaar bleek dat vaak niet. En waar men het al te hard probeerde, was de kritiek niet mals. De Nederlandse geleerde Dirck Coornhert formuleerde het in 1582 al als: “Goede boeken verbieden om de waarheid te onderdrukken … dat is echt tirannie”. Dat van de waarheid was trouwens nog een lastige: het begrip fake news is zeker niet uniek voor internet. Al in de 18e eeuw werd een Nederlandse uitgever (Gerard Lodewijk van der Macht) tot vier maal toe gestraft met verbanning voor het publiceren van verzonnen berichten.

De drukpers was hét middel om informatie te verspreiden: per boek, per krant of per pamflet. Daarom kreeg de vrijheid van drukpers al sinds de Franse Revolutie (1789) in vele landen een centrale plaats tussen de grondrechten. In Nederland is eigenlijk sinds de 19e eeuw een brede formulering gehanteerd (art. 7 Grondwet): geen voorafgaande censuur bij de drukpers, wel kan de rechter achteraf toetsen aan strafwetbepalingen zoals over smaad. De Amerikaanse Grondwet (opgesteld in 1787) kent in het First Amendment een vrijwel absolute bescherming voor free speech. Weliswaar is ook hier een achteraftoets mogelijk bij de rechter, maar de lat ligt – zeker voor Europese begrippen – buitengewoon hoog. Het is belangrijk te beseffen dat het deze norm is die zich heeft geworteld in informatiegemeenschappen zoals op internet. Ook hun oorsprong is Amerikaans, de eerste voorvechters voor online vrijheden zijn Amerikaans en alle vroege literatuur over online rechten is gebaseerd op Amerikaanse opvattingen.

De opkomst van de radio

In 1880 vond Alexander Graham Bell de telefoon uit. Kort daarna (1895) introduceerde Guglielmo Marconi de draadloze telegraaf. Beide media waren nog gericht op één-op-één communicatie tussen een specifieke zender en een ontvanger. Maar de draadloze telegraaf groeide in de dertig jaar daarna uit tot iets fundamenteel nieuws: de radio. Inherent aan draadloze communicatie is namelijk dat iedereen met de juiste ontvanger het kan opvangen, mits het signaal sterk genoeg is. Dat was een probleem met de originele telegraaf: die was alleen geschikt om Morse-codeberichten via een draad te versturen.

De introductie van de vacuümbuis in 1906 maakte veel krachtiger transmissies mogelijk. De Nederlandse uitvinder Hanso Idzerda wist als eerste in 1919 een werkend systeem te realiseren waarbij de menselijke stem en omgevingsgeluid direct van zender naar ontvanger verstuurd kon worden. In de jaren twintig werden radio-uitzendingen snel populair. Het ging met name om muziek en nieuwsberichten, die al vanaf het begin werden voorzien van reclameberichten: de commercials. Althans, door bedrijven die geld wilden verdienen met radio.

Radio zien we namelijk vandaag als een van de massamedia, maar ook dit medium begon vrijwel volledig organisch, door enthousiaste amateurs die diep in de techniek zaten en tot laat in de avond de ether vol kletsten. En ondertussen aan hun apparatuur sleutelden, want een goede ontvangst tussen al die andere zendamateurs was niet eenvoudig. (Wellicht ligt hier een analogie met de car tuning hobbygemeenschap, de zelfbouw-pc enthousiasteling of de hacker community.) Sommigen zagen zelfs een utopie ontstaan waarin individuele burgers direct contact konden leggen, afspraken konden maken of zelfs hun bestuur met elkaar konden regelen.

Het geweld van het grote geld – de commerciële radiozenders – wist aan dit alles een eind te maken. De amateurzenders verstoorden nogal eens overheids- of militaire uitzendingen, al dan niet opzettelijk, wat een goed argument gaf voor regulering: radiofrequenties zijn een schaars goed en moeten worden beschermd tegen overlast en misbruik. De amateurs werden snel verdreven naar ‘vrije’ frequentiebanden met weinig bereik, maar bleven knutselen en hun enthousiasme delen. Hier werden de zaadjes geplant voor de hacker-gemeenschappen die bbs’en en later internet groot maakten.

Arnoud

Zijn voorwaarden duurzaam beschikbaar als ze in Uw Jouw Mijn Omgeving downloadbaar zijn?

"Login" by BuildArk is licensed under CC BY-SA 2.0

Een lezer vroeg me:

Recent oordeelde het Kifid dat een verzekeraar voldoet aan de eis voorwaarden “op een duurzame drager” aan te leveren als ze deze op een stabiele URL in haar Mijn Omgeving aanbiedt. Kun je daar je juridisch licht eens over laten schijnen?
De wet eist bij overeenkomsten op afstand (zoals via een website een verzekering afsluiten) dat je bepaalde informatie op een “duurzame gegevensdrager” krijgt (art. 6:230v lid 7 BW). Het idee is dat je het dan wel elektronisch hebt, maar er toch langdurig over kunt beschikken.

Een “duurzame gegevensdrager” is gedefinieerd als (art. 6:230g(1)(h) BW):

ieder hulpmiddel dat de consument of de handelaar in staat stelt om persoonlijk aan hem gerichte informatie op te slaan op een wijze die deze informatie toegankelijk maakt voor toekomstig gebruik gedurende een periode die is aangepast aan het doel waarvoor de informatie is bestemd, en die een ongewijzigde weergave van de opgeslagen informatie mogelijk maakt;
De eis is dus dat de informatie toegankelijk is voor gebruik gedurende de periode dat je deze nodig hebt, en dat je deze probleemloos kunt reproduceren. Dat suggereert misschien “usb-stick” (meelezende archivarissen benadrukken nu de duurzaamheid van zuurvrij papier), maar is dus breder. En ja, ik zie hoe “stabiele URL op een website” hier aan kan voldoen. Als die URL de komende tien jaar blijft werken en altijd dezelfde algemene-voorwaarden.pdf oplevert, dan klopt het.

Inderdaad: als. Want ik voorzie vele manieren waarop dit mis kan gaan. Men ziet wat kleine wijzigingen (of zelfs een typefout) en past dat even aan. De brochure moet in een nieuwe huisstijl, en vanwege de overgang naar het nieuwe CMS komt er toch een nieuwe URL maar we regelen wel een redirect.

Dat is dus niet de bedoeling: “ongewijzigde reproductie” betekent letterlijk datzelfde document, dus niet de nieuwe huisstijl, niet die taalfout gecorrigeerd, niet die herziene regeling die in het voordeel van de consument is, gewoon dát document van toen.

Een bijkomend punt is dat het “duurzame gegevensdrager”-criterium gaat over je informatieplichten. Maar specifiek bij algemene voorwaarden speelt er nog iets: die moeten ter hand worden gesteld (art. 6:234 BW) en daar geldt een andere formulering:

langs elektronische weg ter beschikking heeft gesteld op een zodanige wijze dat deze door haar kunnen worden opgeslagen en voor haar toegankelijk zijn ten behoeve van latere kennisneming
Deze formulering lijkt sterk op het “duurzame gegevensdrager”-criterium en laat op zich toe dat je algemene voorwaarden downloadbaar aanbiedt. Ik denk dus dat het zeker mogelijk is, áls je een stabiele URL aan kunt bieden die ook daadwerkelijk (zeg de komende tien jaar) niet inhoudelijk verandert.

De vraagsteller refereert naar de Uw Jouw Mijn omgeving waar je dan moet inloggen om dingen te kunnen downloaden. Op zich maakt dat niet uit voor de analyse, en het biedt de mogelijkheid van loggen of en wanneer de voorwaarden zijn opgevraagd, nieuwe versies zijn aangeboden et cetera.

Mijn enige twijfel bij zulke portalen is altijd dat je de toegang kan worden ontzegd, en dan is de URL met de voorwaarden ineens niet meer stabiel.

Arnoud

‘Nederlanders mogen gokschulden terugvorderen’

Photo by Aidan Howe on Unsplash

De rechtbank Overijssel heeft besloten dat Unibet een Nederlander zijn gokschulden van ongeveer 8.600 euro moet terugbetalen. Dat meldde Emerce vorige week. Het vonnis zelf is niet direct te vinden: er is alleen een persbericht van de advocaat van de gelukkige gokker. Het lijkt dus een tikje prematuur om te stellen dat iedereen nu zijn geld terug kan krijgen van een illegale goksite, maar er zit meer achter.

De betrokken advocaat doet dit vaker, en met succes. Alle zaken komen min of meer op hetzelfde neer: een Nederlandse consument ging een kansspelovereenkomst aan met een partij die in Nederland geen vergunning heeft. Naar Nederlands recht is zo’n overeenkomst dan nietig/vernietigbaar (strijd met openbare orde, 3:40 BW). Het geld is dan betaald zonder rechtsgrond en moet dan terug.

In al die zaken (lees deze of deze als voorbeeld) zie je dat rechters zich actief sterk maken voor de consument. Het is altijd duidelijk zat dat die sites zich (ook) richten op Nederland, de forumkeuzebedingen gaan linea recta de prullenbank in en ik zie zelfs “litigation bullying” als verwijst naar de goksites als die al te veel processtappen nemen.

De meeste vonnissen zijn tussenvonnissen om punten zoals bevoegdheid of gebondenheid aan Nederland uit te maken. Er zijn ook een paar uitspraken die wel eindvonnis zijn, zoals deze met als terug te betalen bedrag € 128.415,76, dus de nettoschuld die de consument nog had als je zijn winsten van de inleg afhaalt. In deze zaak ging het om € 93.210,71 en dat zijn forse bedragen.

En ja, dit is te verhalen: het casino zit op Curaçao, dat is gewoon deel van hetzelfde Koninkrijk als Nederland. Ook bij een casino in zeg Malta (waar er veel online gevestigd zijn) is dat mogelijk, vanwege Europese regels over tenuitvoerlegging. De enige vraag is of de deurwaarder een bankrekening kunt vinden waar het geld op staat.

Arnoud

 

Ruim 1000 klachten in een jaar over slimme deurbel: ‘Mensen voelen zich bespied’

“Fermax doorbell with camera, Schiebroek, Rotterdam (2020) 01” by Donald Trung Quoc Don (Ch? Hán: ???) licensed under CC BY-SA 4.0

De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) maakt zich grote zorgen over het toenemende aantal privacyklachten over slimme deurbellen, las ik bij RTL Nieuws. Het gaat om 200 klachten meer, over een inmiddels totaal van 1,2 miljoen deurbellen met camera in het land. En intrigerend: de meldingen zijn van burgers die dachten dat een particuliere camera zoals een slimme deurbel in de buurt meer filmde dan is toegestaan.

Het bericht haakt natuurlijk mooi in op die recente discussie over politievorderingen van beelden van deurbelcamera’s, waarbij ook al langs kwam dat je niet zomaar de openbare weg mag filmen. Het feit dat de politie impliciet die camera’s goedkeurt ‘irriteert’ de AP.

“Het is niet toegestaan dat de slimme deurbel de openbare ruimten filmt of bezittingen van anderen, legt de woordvoerder van de AP uit”, zo lees ik dan. Dat is mij wat te kort door de bocht, want er kúnnen redenen zijn dat het wel mag, maar als reactie op die vele extra klachten snap ik wel dat je er scherp in gaat.

De vraag is alleen wel wat de toezichthouder doet met die klachten:

“Bij de meeste meldingen kunnen mensen er onderling uitkomen, bijvoorbeeld door de camera anders in te stellen zodat die wel aan de eisen voldoet.” Een andere optie is dat de AP een brief stuurt om de regels nogmaals toe te lichten. In het uiterste geval kunnen mensen naar de rechter stappen.
Ik mis hier de stap dat de AP een boete of bevel geeft voor een illegaal opgehangen camera, want dat “mensen” naar de rechter moeten impliceert dat de AP niet zelf gaat handhaven. En natuurlijk, die “heeft niet de capaciteit om in alle gevallen te handhaven”, maar juist hier denk ik: twee handhavende acties met enige publiciteit zouden best een stevig signaal kunnen geven.

Arnoud