Gastpost: Netneutraliteit en de Mediawet

| AE 5778 | Ondernemingsvrijheid | 9 reacties

Deze en volgende week ben ik met vakantie. Daarom vandaag een gastpost van Michel Arts over een interessant probleem rond netneutraliteit: de Mediawet heeft daar ook nog wat over te zeggen.

Een veel gehoord misverstand is dat de Mediawet 2008 niet van toepassing is op omroepdiensten die via internet worden aangeboden. Dat is echter een misverstand. Een kabeltelevisienetwerk heet in de Mediawet 2008 een omroepnetwerk en is gedefinieerd als

openbaar elektronisch communicatienetwerk als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel h, van de Telecommunicatiewet, dat wordt gebruikt of mede wordt gebruikt om, hoofdzakelijk met gebruik van kabels, programma’s te verspreiden
Het internet valt dus ook onder die definitie als via internet live-streams verspreid worden (het begrip programma heeft alleen betrekking op live-uitzendingen). Nog expliciter staat het in artikel 6 van de bijlage bij de Mediaregeling 2008. In dat artikel wordt gesproken over toezichtskosten (dat zijn de jaarlijkse kosten die een commerciële omroep moet betalen aan het Commissariaat voor de Media) voor omroepdiensten die uitsluitend via het open internet verspreid worden. Dus ook voor een internetradiostation moet je toestemming hebben van het Commissariaat voor de Media. Ik heb echter de indruk dat het Commissariaat niet actief optreedt tegen internetradiostations die deze toestemming niet hebben.

Wat heeft het bovenstaande nu met netneutraliteit te maken? Volgens artikel 6.10 van de Mediawet 2008 mag de aanbieder van een omroepnetwerk (of omroepzender) geen programma’s verspreiden waarvoor degene die de programma’s verzorgt geen toestemming heeft op grond van de Mediawet 2008 of vergelijkbare buitenlandse regelgeving (voor zover die toestemming vereisen). Hiervoor is al aangegeven dat het internet een omroepnetwerk is als via internet programma’s worden verspreid. Op grond van artikel 6.10 is een internetprovider dus verplicht om omroepdiensten waarvoor geen toestemming is verleend te blokkeren. Dit is duidelijk in strijd met het beginsel van netneutraliteit (formeel niet omdat artikel 7.4a, lid 1, onderdeel d van de Telecommunicatiewet een uitzondering maakt op de netneutraliteit als dat noodzakelijk is ter uitvoering van een wettelijk voorschrift).

Het is duidelijk dat artikel 6.10 van de Mediawet 2008 geschreven is voor de traditionele kabelbedrijven. Deze stellen een zenderpakket samen en verspreiden dat via hun eigen netwerk. Dit zijn echter twee verschillende functies die door verschillende bedrijven uitgevoerd kunnen worden. Een voorbeeld was het, inmiddels failliete, Eindhovense bedrijf Iphion dat zenderpakketten aanbood die via het glasvezelnetwerk van OnsNetEindhoven verspreid werden. Volgens het beginsel van netneutraliteit zouden verplichtingen op grond van de Mediawet 2008 zich uitsluitend moeten richten tot de aanbieders van zenderpakketten en omroepdiensten maar niet tot de aanbieders van de fysieke infrastructuur.

De Tweede Kamer heeft zojuist de behandeling van een wetsvoorstel tot wijziging van de Mediawet 2008 afgerond (Kamerstukken 33426). Dat voorstel heeft betrekking op de regels voor de verspreiding van radio- en televisieprogramma’s. Een van de onderdelen is de introductie van het begrip pakketaanbieder waarmee de aanbieders van zenderpakketten aangeduid worden. Het kabinet en de de Tweede Kamer laten echter een kans liggen om het beginsel van netneutraliteit ook in de Mediawet 2008 vast te leggen. Artikel 6.10 blijft zich volgens dit wetsvoorstel richten tot de aanbieders van omroepnetwerken (en omroepzenders). Dus tot de aanbieders van de fysieke infrastructuur. De werking van het artikel wordt wel uitgebreid naar pakketaanbieders.

Hoe moet het dan wel? De Telecommunicatiewet kent het begrip omroepnetwerk niet meer sinds 2004. De netwerken voor telecommunicatie en verspreiding van radio- en televisieprogramma’s worden sindsdien aangeduid als (openbare) electronische communicatienetwerken. Voor de dienst die bestaat uit de verspreiding van programma’s gebruikt de telecommunicatiewet het begrip programmadienst. De Mediawet 2008 zou dezelfde aanpak kunnen volgen: artikel 6.10 zou dan alleen nog maar van toepassing moeten zijn op aanbieders van programmadiensten. Internetproviders blijven dan buiten schot als zij niet degenen zijn die de programma’s aanbieden.

Tenslotte: wat mij betreft zou de Mediawet 2008, voor wat betreft radio-omroep, alleen nog maar moeten gelden voor publieke omroepen (landelijk, regionaal en lokaal) en commerciële omroepen die uitzenden in de ether via omroepfrequenties.

Michel Arts heeft elektrotechniek gestudeerd aan de Technische Universiteit Eindhoven en is antenneontwerper bij ASTRON. Naast techniek gaat zijn persoonlijke belangstelling uit naar (de geschiedenis van) auteursrecht, mediarecht en telecommunicatierecht.

Deel dit artikel

  1. Hoe staat dit in verhouding tot wat Youtube, Spotify, NetFlix en Hulu doen? Zij bieden, weliswaar op vervoek, streaming audio en video ‘programma’s’ aan, maar er is ook de mogelijkheid om een soort radio aan te zetten, waarbij Spotify de plaatjes kiest. Is Spotify dan ook een omroepnetwerk?

    • Artikel 6.10 van de Mediawet heeft alleen betrekking op de verspreiding van programma-aanbod. Aanbieders van audiovisuele mediadiensten op verzoek (zoals NetFlix) vallen daar per definitie niet onder. Wel moeten aanbieders van dergelijke diensten zich registreren bij het Commissariaat voor de Media als zij volgens de Europese richtlijn Audiovisuele mediadiensten onder de bevoegdheid van Nederland vallen. Spotify speelt volgens mij alleen door de gebruiker samengestelde playlists af. Dus zou je kunnen denken dat dit ook een audiovisuele mediadienst op aanvraag is. Deze valt echter alleen onder de Mediawet en de Europese richtlijn Audiovisuele mediadiensten als er sprake is van bewegend beeld. Spotify kan trouwens sowieso nooit een omroepnetwerk zijn omdat het een dienstverlener is die geen eigen netwerk heeft.

  2. Compliment voor de interessante invalshoek. Een interessant stuk om te lezen. Toch mis ik iets in deze analyse. Wellicht ligt dat aan mijn beperkte kennis op dit vlak, maar het lijk me interessant de vraag te stellen (en het antwoord te horen).

    Een kabeltelevisienetwerk heet in de Mediawet 2008 een omroepnetwerk en is gedefinieerd als […]. Het internet valt dus ook onder die definitie […]
    Deze stelling kan ik niet zonder meer volgen. Het lijkt me niet uit te sluiten dat toegang tot het open internet een dienst is en niet een netwerk. De definitie van elektronisch communicatie netwerk in de Tw. lijkt juist gericht op infrastructuur:
    “transmissiesystemen, waaronder mede begrepen de schakel- of routeringsapparatuur, netwerkelementen die niet actief zijn en andere middelen, die het mogelijk maken signalen over te brengen via kabels, radiogolven, optische of andere elektromagnetische middelen, waaronder satellietnetwerken, vaste en mobiele terrestrische netwerken, elektriciteitsnetten”.
    Het begrip communicatiedienst ziet juist op het overbrengen van signalen over netwerken. Hoewel het begrijpelijk is om te denken over ‘het internet’ in de vorm van een fysieke infrastructuur lijkt dat dus niet de visie van de wetgever te zijn. In art. 7.4 Tw heeft de wetgever het dan (m.i. terecht) afzonderlijk over aanbieders van internettoegangsdiensten en de netwerken waarover deze diensten geleverd worden.

    Gebrek aan kennis op dit vlak gebiedt mij te oordelen of de conclusie van de auteur juist of onjuist is, maar er ontbreekt daardoor iets in de redenering van dit stuk:

    Volgens artikel 6.10 van de Mediawet 2008 mag de aanbieder van een omroepnetwerk (of omroepzender) geen programma’s verspreiden waarvoor degene die de programma’s verzorgt geen toestemming heeft op grond van de Mediawet 2008 of vergelijkbare buitenlandse regelgeving (voor zover die toestemming vereisen). Hiervoor is al aangegeven dat het internet een omroepnetwerk is als via internet programma’s worden verspreid.
    Gezien de bovenstaande opmerking over de definitie van netwerk en die van dienst vraag ik me het volgende af. Hoe verhoudt zich het bovenstaande met de zaak die momenteel aanhangig is bij het Hof van Justitie tussen UPC en de Gemeente Hilversum en de positie van de AG in die zaak?

    Los daarvan, is er echt wel sprake van een omroepnetwerk wanneer er een internettoegangsdienst wordt geleverd? Kan het niet zijn dat er voor dat deel sprake is van een OECN niet zijnde een omroepnetwerk, voor wat betreft de dienstverlening in het kader van de internettoegangsdienst?

    Is het onomstreden om een netwerkaanbieder die een internettoegangsdienst aanbiedt te kwalificeren als een omroepnetwerkaanbieder indien zijn activiteit evident niet gericht zijn op het verspreiden van programma’s, enkel omdat er mogelijk over het internet geleverde programma’s beschikbaar zijn?

    • Deze stelling kan ik niet zonder meer volgen. Het lijkt me niet uit te sluiten dat toegang tot het open internet een dienst is en niet een netwerk.

      Er moet inderdaad onderscheid gemaakt worden tussen het netwerk en de dienst die over het netwerk geleverd wordt. De Mediawet richt zich duidelijk tot de aanbieders van de netwerken. Er zijn aanbieders van internettoegangsdiensten die geen eigen netwerk hebben. Artikel 6.10 van de Mediawet is op hen dus niet van toepassing. De meeste internetaanbieders hebben ook een eigen netwerk (als je de lijst van registraties bij de ACM bekijkt, zie je dat veel internetaanbieders zowel als aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk en als aanbieder van een openbare elektronische communicatiedienst geregistreerd staan). Op deze aanbieders is artikel 6.10 van de Mediawet dus wel van toepassing omdat zij een eigen netwerk hebben.

      Gezien de bovenstaande opmerking over de definitie van netwerk en die van dienst vraag ik me het volgende af. Hoe verhoudt zich het bovenstaande met de zaak die momenteel aanhangig is bij het Hof van Justitie tussen UPC en de Gemeente Hilversum en de positie van de AG in die zaak?
      In die zaak heeft de AG geoordeeld dat verspreiding van programma’s over een openbaar elektronisch communicatienetwerk een openbare elektronische communicatiedienst is. Door de gemeente Hilversum werd dat betwist. Het ging daarbij om de vraag of een overeenkomst tussen de gemeente Hilversum en UPC in strijd is met de Europese telecomrichtlijnen omdat hier tariefafspraken in staan. UPC wilde van die afspraken af. De conclusie dat verspreiding van programma’s via een openbaar elektronisch communicatienetwerk een openbare elektronische communicatiedienst is, heeft voor de toepassing van de Mediawet geen consequenties.
      Los daarvan, is er echt wel sprake van een omroepnetwerk wanneer er een internettoegangsdienst wordt geleverd? Kan het niet zijn dat er voor dat deel sprake is van een OECN niet zijnde een omroepnetwerk, voor wat betreft de dienstverlening in het kader van de internettoegangsdienst?
      Veel aanbieders van een internettoegangsdienst hebben ook een eigen netwerk. Artikel 6.10 is op hen dus van toepassing. Zoals ik hierboven al schreef, is artikel 6.10 niet van toepassing op aanbieders van internettoegangsdiensten die geen eigen netwerk hebben.
      Is het onomstreden om een netwerkaanbieder die een internettoegangsdienst aanbiedt te kwalificeren als een omroepnetwerkaanbieder indien zijn activiteit evident niet gericht zijn op het verspreiden van programma’s, enkel omdat er mogelijk over het internet geleverde programma’s beschikbaar zijn?
      In de visie van de wetgever kan het open internet wel degelijk een omroepnetwerk zijn. Zoals ik in mijn bijdrage schreef, wordt in artikel 6 van de bijlage van de Mediaregeling 2008 gesproken over toezichtskosten voor omroepdiensten die via het open internet verspreid worden. Een onderdeel van de definitie van omroepdienst in de Mediawet is dat deze dienst via een omroepnetwerk of omroepzender wordt verspreid. Als het open internet geen omroepnetwerk is, kunnen er dus per definitie geen omroepdiensten via het open internet verspreid worden. Door in artikel 6 van de bijlage bij de Mediaregeling 2008 uitdrukkelijk te spreken over omroepdiensten die via het open internet worden verspreid, erkent de wetgever dus in feite dat het open internet een omroepnetwerk is.

  3. Ik vermoed het dat het hier geschetste probleem zich niet voordoet. Ik heb de parlementaire geschiedenis er niet op nageslagen, maar zou verwachten dat een elektronisch communicatienetwerk dat wordt gebruikt voor de levering van internettoegangsdiensten wordt, niet een omroepnetwerk wordt door het enkele feit dat een afnemer van die internettoegangdienst via zijn verbinding een door een derde geleverde omroepdienst afneemt. Een netwerk dus wordt pas een omroepnetwerk als de aanbieder van het netwerk er een omroepdienst over levert. Dit staat niet met zoveel woorden in de definitie van “omroepnetwerk”, maar volgt denk ik uit het woord “verspreiden”, wat een actieve handeling van de dienstaanbieder suggereert. Waar een triple-play ISP ook televisiediensten levert, “verspreidt” de ISP zelf de omroepsignalen. Waar een klant van een access provider via zijn verbinding livestreams van derden bekijkt, worden deze “verspreid” door die derde.

    • Dat is een goeie. Als voor “verspreiden” een actieve handeling vereist is, is de aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk waarover een internettoegangsdienst geleverd wordt, niet degene die een via internet aangeboden live-stream verspreidt. Dat is dan degene die de live-stream aanbiedt. Het betreffende netwerk is echter wel een omroepnetwerk. In de definitie van omroepnetwerk staat de passage “dat wordt gebruikt of mede wordt gebruikt om, hoofdzakelijk met gebruik van kabels, programma’s te verspreiden”. Er staat niet bij dat de aanbieder van het omroepnetwerk de programma’s zelf moet verspreiden.

      Toch denk ik dat bovenstaande interpretatie (helaas) niet die van de wetgever is. De Tweede Kamer heeft onlangs een wetsvoorstel aangenomen waarin de regels voor het verspreiden van programma’s gewijzigd worden (wetsvoorstel 33426). In dat wetsvoorstel wordt het nieuwe begrip pakketaanbieder gedefiniëerd als

      een natuurlijk persoon of rechtspersoon die een of meer programmapakketten tegen betaling verspreidt of laat verspreiden door middel van een omroepnetwerk of een omroepzender
      Artikel 6.10 blijft zich richten tot de aanbieders van omroepnetwerken en omroepzenders. De werking wordt wel uitgebreid naar pakketaanbieders. Opvallend is dat in de definitie van pakketaanbieder de formulering “verspreidt of laat verspreiden” gebruikt wordt. Ook in de rest van het wetsvoorstel wordt deze formulering consequent gebruikt in relatie met pakketaanbieders. Mijn interpretatie is dat “verspreidt” betrekking heeft op de situatie dat een pakketaanbieder een eigen netwerk heeft en “laat verspreiden” betrekking heeft op de situatie dat een pakketaanbieder geen eigen netwerk heeft. De verspreider van de programma’s is dan dus degene die het transport van het signaal verzorgt. Zou je de pakketaanbieder als verspreider beschouwen (omdat hij de actieve handeling verricht) dan heeft de toevoeging “laat verspreiden” geen zelfstandige betekenis meer. Ook het feit dat artikel 6.10 zich blijft richten tot de aanbieders van de omroepnetwerken en omroepzenders is een aanwijzing in die richting.

      • Er staat inderdaad niet expliciet bij dat de aanbieder van het omroepnetwerk de programma’s zelf moet verspreiden of laten verspreiden wil sprake zijn van een omroepnetwerk, maar zo moet je de definitie denk ik wel lezen. Anders wordt elk netwerk waarover iemand een livestream transporteert, daardoor een omroepnetwerk en dat is niet de bedoeling.

        In de oorspronkelijk geschetste casus (access provider levert internettoegang, klant kijkt naar een livestream van een derde) is sprake noch van “verspreiden” noch van “laten verspreiden” door de access provider. De access provider biedt passief toegang tot (alles op het internet en dus ook tot) andermans livestream en heeft geen relatie met de derde die de livestream aanbiedt. De access provider is daarmee geen aanbieder van een omroepnetwerk of een programmapakket en schendt niet artikel 6.10 door niet te voorkomen dat zijn klant van de livestream kennis kan nemen.

        Artikel 6.10 zegt alleen dat hij het programma zelf niet mag doorgeven als de aanbieder van het programma geen toestemming heeft. Waar de access provider dus wel zelf een rtv-pakket samenstelt en doorgeeft (en in zoverre dus meer is dan alleen een access provider), mag hij geen zenders in dat pakket opnemen die geen toestemming van het Commissariaat hebben.

        Ik zie hierin geen schending van netneutraliteit, omdat niet de aanbieder (en daarmee afnemer) van internettoegang wordt beperkt maar de aanbieder (en daarmee afnemer) van programmapakketten. Nog daargelaten dat inderdaad sprake is van de naleving van een wettelijke plicht als bedoeld in artikel 7.4a lid 1 sub d Tw.

        • Er staat inderdaad niet expliciet bij dat de aanbieder van het omroepnetwerk de programma’s zelf moet verspreiden of laten verspreiden wil sprake zijn van een omroepnetwerk, maar zo moet je de definitie denk ik wel lezen. Anders wordt elk netwerk waarover iemand een livestream transporteert, daardoor een omroepnetwerk en dat is niet de bedoeling.

          Hoe kijk je dan aan tegen artikel 6 van de bijlage bij de Mediaregeling 2008? Daar wordt expliciet gesproken over toezichtskosten voor omroepdiensten die via het open internet verspreid worden. Als het open internet in het geval van een live-stream geen omroepnetwerk is, kan er geen sprake zijn van een omroepdienst. In de defintie van omroepdienst staat namelijk dat het gaat om een dienst die via een omroepzender of omroepnetwerk verspreid wordt.

Laat een reactie achter

Handige HTML: <a href=""> voor hyperlinks, <blockquote> om te citeren en <em> en <strong> voor italics en vet.

(verplicht)

Volg de reacties per RSS