Mag een bedrijf zomaar alles in de privacyverklaring zetten?

| AE 9408 | Contracten | 9 reacties

“We may collect, use, transfer, sell and disclose non-personal information for any purpose.” Zomaar een zin uit zomaar een privacyverklaring? Nou nee, deze stond in de Unroll.me verklaring, een handig bedoelde nieuwsbriefafmeldapp die stiekem van taxibedrijf Uber afkomstig bleek. Uber gebruikte de app om te ontdekken wie er met concurrent Lyft reed, om zo het succes van Lyft te kunnen meten. Dat gaf de nodige ophef, omdat mensen dit best wel bespioneren vinden. Maar het stáát er toch gewoon, aldus Uber?

Uit diverse onderzoeken blijkt keer op keer dat mensen privacyverklaringen en algemene voorwaarden niet lezen. (En dat het 200 à 300 uur op een mensenleven zou kosten om dat wél te doen, en dat is dan zónder eventuele wijzigingen). Dat maakt de reactie van Uber (mooi gekarakteriseerd als “Sorry you’re upset”) maatschappelijk gezien wat twijfelachtig. Als je wéét dat mensen een tekst niet lezen, is het niet netjes om te verwijzen naar die tekst als enige rechtvaardiging.

Juridisch gezien klopte het natuurlijk wel, in ieder geval in de VS. Daar geldt: alles mag qua privacy, zolang je het vooraf maar netjes zegt. Privacyverklaringen putten zich daar ook altijd uit in lappen tekst met wat men doet en kan doen, en wijzigen wekelijks omdat ze wat nieuws erbij bedacht hebben.

In Europa mag dat niet zomaar: dingen met persoonsgegevens doen vereisen toestemming (of een rechtvaardiging onder een contract, plus nog wat uitzonderingen), en die kun je niet opeisen in een privacyverklaring of in algemene voorwaarden. Een privacyverklaring legt uit wat er gebeurt áls er toestemming is. Maar de toestemmingsvraag moet op zichzelf duidelijk en specifiek zijn. Dus ook “Ik geef toestemming voor alles uit de privacyverklaring” is niet genoeg.

Het probleem is vooral dat deze praktijken zijn ontstaan vanuit een tijd waar toestemming vragen – of privacyschendingen – een uitzondering was. Natuurlijk, in de jaren zestig ging je ook de openbare ruimte in: het café, de supermarkt en ga zo maar door. Logisch dat de caféeigenaar dan keek wat je deed, en de supermarkteigenaar kon wellicht bedenken dat als veel mensen bier kopen, het handig is de chips er naast te zetten. In die context is “hang even een bordje op als je rare dingen doet” heel begrijpelijk. En omdat het een uitzondering is, valt het op en dan leren mensen er ook weer wat van.

Met toestemming hetzelfde. Volgens mij is nooit voorzien bij het invoeren van wetgeving over persoonsgegevens dat iedereen dagelijks vele malen toestemming zou geven. Elke keer als ik de wettelijke eisen stel, moet ik denken aan het soort informed consent dat je als patiënt moet geven bij een medische behandeling. Duidelijke uitleg, een vrijwillige keuze en specifiek aangeven wat je wel of niet wilt. Bij internet-toestemming krijg je een folder van zes kantjes (met sticker “Let op: kan inhoudelijk afwijken van de werkelijkheid”) en blijken je nieren ineens tracking pixels te bevatten. Dat werkt niet helemaal, om het zachtjes te zeggen.

Alleen: hoe moet het dan wel? Wettelijke regulering, dus keihard opnoemen wat er wel en niet mag, lijkt me te blokkerend voor innovatie. De toezichthouder in abstracto laten oordelen over nieuwe ontwikkelingen? En dan vooraf of achteraf? Daar zie ik ook weer weinig in.

Arnoud