Facebook moet gegevens Nederlandse gebruiker doorgeven om chantage

| AE 8976 | Aansprakelijkheid, Privacy | 5 reacties

naam-handelsnaamFacebook moet gegevens van een gebruiker opsporen en doorgeven om vervolging van die persoon mogelijk te maken, meldde Nu.nl maandag. Het gaat om gegevens van iemand die dreigde intieme foto’s van een gebruiker te publiceren. De rechter bepaalde dat Facebook die moet afgeven. Opmerkelijk genoeg wel met de overweging dat Facebook terecht niet zelf die gegevens heeft afgegeven maar het op een rechtszaak liet aankomen. Ik mis even iets.

De eiseres had via Facebook een ander leren kennen op wie ze verliefd was geraakt, en die ander wist bij haar intieme beelden los te peuteren (in ruil voor nepbeelden terug). Op zeker moment ontstonden bij haar twijfels over of haar wederpartij wel echt was, waarop het gesprek explodeerde en de ander dreigde deze beelden van haar op internet te slingeren.

Een klassiek geval, en lastig aan te pakken want de politie ziet hier vaak weinig heil in (“niet strafbaar, had je maar geen naaktfoto’s moeten sturen”, is een klant van me eens verteld) en zelf een rechtszaak beginnen is toch een hele hoop tijd en moeite. Al is het maar omdat je dan op zijn minst een naam nodig hebt, en alleen Facebook heeft dergelijke informatie.

Naar de rechter dus en opeisen die gegevens. Lycos/Pessers biedt daar een grondslag voor: bij onrechtmatig handelen van een klant waarbij alleen Facebook diens identiteit kent én er geen andere optie is én de klant zijn privacy ondergeschikt is aan de claim, moeten deze gegevens worden afgegeven. Alleen: staat dan in voldoende mate vast dat hier sprake is van iets onrechtmatigs?

Natuurlijk, een dreigement om naaktfoto’s te publiceren is een strafbaar feit (smaad, schending van portretrecht en als er iets wordt gevraagd om het dreigement niet uit te voeren dan is het chantage) maar hoe weten we dat dat echt is uitgevoerd? Veel zal immers in privéberichten (of zelfs buiten Facebook om) gebeuren, dus dat is geen gelopen race.

De rechter in deze zaak kijkt niet naar dit arrest, maar formuleert een eigen norm toegespitst op dit soort gevallen:

Een vordering zoals ingesteld door [eiseres] kan slechts worden toegewezen, indien een gebruiker door middel van een valse identiteit tracht om in het bezit te komen van gegevens die niet voor hem of haar zijn bedoeld en die hij of zij, indien zijn of haar ware identiteit was gebruikt, niet zou hebben ontvangen.

Wanneer iemand dus met een nepprofiel gegevens probeert los te peuteren, handelt hij onrechtmatig. Dat biedt dan voldoende grondslag om tegen de dienstverlener te zeggen, afgeven wat je over deze persoon weet zodat het slachtoffer hem kan aanklagen.

Opmerkelijk vind ik dan dat de rechtbank zegt dat Facebook onrechtmatig handelt door die gegevens niet te geven, maar:

De voorzieningenrechter is van oordeel dat Facebook terecht niet op eerste verzoek van [eiseres] privacy gevoelige informatie van haar gebruikers heeft prijsgegeven, maar een uitspraak van de rechter over dit punt heeft afgewacht.

Onder het Lycos/Pessers arrest moet nu juist wél direct die gegevens worden verschaft. Dat is het hele idee van “onrechtmatig handelen door ze niet te geven”. Je richt schade aan door die gegevens achter te houden terwijl het duidelijk is dat ze afgegeven moeten worden. Ik denk dat de rechter tussen de regels door bedoelt dat het voor Facebook hier niet duidelijk genoeg was of sprake was van onrechtmatigheid, en in dat geval is inderdaad een rechterlijke toets nodig.

Maar het is wel jammer dat het zo geformuleerd staat, want dit wekt dan toch weer de indruk dat je als tussenpersoon altijd naar de rechter mag verwijzen. En dat is nadrukkelijk onjuist.

Arnoud

Deel dit artikel

  1. De eiseres is tevreden want heeft gekregen waar het om vroeg. Facebook zal het niet veel uitmaken, want dit gaat het resultaat toch worden.

    Dus niemand gaat hiervoor in hoger beroep om deze tegenstrijdigheid glad te strijken. Dit is dus aan partijen bij een volgende zaak om hierop te wijzen?

    • Ik vind het helemaal niet obsceen. Het doorgeefluik kan vaaak prima beoordelen of er sprake is van onrechtmatig handelen. Zeker als de onrechtmatige handeling bestaat uit informatie is gepubliceerd op het internet bij zoals bij bedreigingen, discriminerende zaken of plaatsen van naaktfoto’s of het illegaal verspreiden van films en muziek Het wordt lastiger als het gaat om zaken als oplichting/wanprestatie via het internet waarbij niet evident aan de informatie op het internet duidelijk is dat er onrechtmatig is gehandeld. Dan kun je als provider echter nog steeds bijvoorbeeld eerst contact opnemen met de persoon van wie de gegevens worden opgevraagd om te vragen waarom je de gegevens niet zou moeten afgeven aan de eiser.

  2. Ik vind het een minder goede uitspraak omdat de rechter nu een deel van de kosten voor rekening laat komen van de eiseres. Daardoor wordt naar mijn mening een te hoge extra drempel opgelegd om dergelijke rechtmatige informatie opvragingen te doen.

    Het bewijs lijkt te zitten het gebruik van een valse Facebook entiteit en de Facebook chatberichten die de eiseres heeft ingedient bij de rechtbank met daarin de dreiging om het compromiterende materiaal te publiceren op het internet. Hoe kan een dergelijk dreiging nou ooit rechtmatig zijn? Zou Facebook zelf uit een dergelijk dreiging om compromiterend materiaal te publiceren zelf echt niet uit kunnen beoordelen dan het hier om onrechtmatig handelen gaat ?

    Deze uitspraak zal alleen in mijn ogen alleen maar bevorderen dat Facebook stelselmatig rechtmatige verzoeken gaat afwijzen.

Laat een reactie achter

Handige HTML: <a href=""> voor hyperlinks, <blockquote> om te citeren en <em> en <strong> voor italics en vet.

(verplicht)

Volg de reacties per RSS