Twitterbedreiger krijgt 80 uur werkstraf

twitter-scheld-dreig.pngDe 36-jarige man die op Twitter de dochter van politica Femke Halsema bedreigde is dinsdag door de rechtbank in Rotterdam veroordeeld tot een celstraf van 17 dagen, meldde Nu.nl gistermiddag. Dat is minder dan geëist, en vanwege voorarrest blijft daar weinig van over. Effectief krijgt hij alleen 80 uur werkstraf. En dat vanwege een toch behoorlijk bedreigende tweet.

In september 2010 had de 36-jarige man op Twitter de dochter van Halsema bedreigd in niet mis te verstane bewoordingen. Zijn verweer bij de rechtbank luidde dat de tweet satirisch bedoeld was, maar daar gaat de rechtbank niet in mee. Voor satire is wel iets van een context vereist, en dat is bij Twitter natuurlijk moeilijk te achterhalen. Zeker in dit geval:

Daar komt nog bij dat de tweet rechtstreeks aan [Halsema] is gericht en redelijkerwijs niet van haar kon worden verwacht dat zij zich van enige specifieke context waarin de tweet zou zijn verstuurd (zou dat al het geval zijn geweest) zou vergewissen.

Wil je dus satirisch of ironisch bezig zijn, zorg er dan voor dat dat uit de tweet zelf al duidelijk is. Of kies een medium waar je wél ruimte hebt om die context te bieden, zoals een blog. Of hang je bedreiging vol met smileys en krijg vrijspraak.

Dat het ‘maar’ Twitter was, is ook geen argument. Ook elektronische media vallen onder de strafwet, en het maakt echt niet uit of je e-mail, forums, blogs of Twitter gebruikt om iemand te bedreigen. Sterker nog, de rechtbank lijkt het anonieme en kernachtige karakter van Twitter te gebruiken om juist de bedreiging ernstiger op te vatten:

[de bedreiging was reëel] met name gelet op de grove inhoud van de tweet alsmede gelet op het feit dat het twitter-account van verdachte anoniem was als gevolg waarvan het voor (aangever 2) volstrekt oncontroleerbaar was met wie zij te maken had.

Een volstrekt logische redenering, en het verbaast me ook een beetje dat er zo veel heisa werd gemaakt over het feit dat het hier om een dreigtweet ging. Is het zó verbazingwekkend dat een twitterbericht telt als openbaar, en dat een bedreiging daarin gewoon strafbaar is?

Arnoud

Is TNT Post aansprakelijk voor kwijtgeraakte internetbestellingen?

Een lezer vroeg me

Recent had ik wat besteld bij een webwinkel. Na drie weken had ik het nog niet in huis, en de webwinkel meldde me dat het dan in de post moet zijn kwijtgeraakt. Volgens haar algemene voorwaarden had ik geen recht op vergoeding, ik moest het maar bij TNT Post gaan verhalen. Hoe stel ik nu TNT aansprakelijk?

TNT Post aansprakelijk stellen voor kwijtgeraakte post is erg moeilijk. Wie hun algemene voorwaarden erop naslaat, zie dat ze alleen aansprakelijk zijn voor aangetekende zendingen (50 euro bij post en 500 euro bij pakketjes).

Belangrijker: de Postwet 2009 bepaalt dat TNT niet aansprakelijk is voor kwijtgeraakte post, tenzij deze aangetekend of verzekerd verstuurd is. Of als TNT zelf opzettelijk, roekeloos of grof nalatig heeft gehandeld.

Als consumentklant heb je echter hiermee niets te maken. Je bestelt bij een webwinkel, en die moet het risico dragen dat het pakket kwijtraakt. Bij wie de schuld van het kwijtraken ligt, is voor jou niet relevant: de winkel moet een nieuw pakket opsturen als het niet aangekomen is.

De enige uitzondering is als je zèlf tegen de webwinkel zegt dat TNT goed genoeg is. Als je namelijk zelf een vervoerder aandraagt, kan de webwinkel niet aansprakelijk zijn voor kwijtraken bij gebruik van die vervoerder. Dat is dus niet hetzelfde als TNT uit een lijstje kiezen: je moet echt zelf gemaild hebben “jouw vervoerders zijn me te duur, gooi het maar in de brievenbus” om hieronder te vallen.

Bij een particuliere verkoper ligt het iets moeilijker. Het hangt daar af van wat er besproken is: wie heeft gezegd dat het met de post verzonden kan worden, is er gesproken over kwijtraken of over verzendkosten?

Arnoud

Wiens verantwoordelijkheid is een mobiel abonnement met computer?

typhone.pngAls je bij een telecomshop een actiecombinatie bestelt van een mobiel abonnement, een telefoon en een computer, wie moet dan zorgen dat je die alledrie krijgt? Dat was de vraag waar de kantonrechter in Rotterdam zich over moest buigen. Een consument had bij Typhone.nl een Vodafoneabonnement gesloten, omdat hij dan een gratis multimediacomputer zou krijgen. Die zat alleen niet in het pakket dat hij per post geleverd kreeg, waarop hij de bestelling annuleerde. Vodafone verwees toen naar Typhone: die hadden de computer beloofd, niet zij.

Voor veel mensen is het moeilijk te achterhalen met wie je nu zaken doet in telecomland. Partijen zoals Typhone bieden allerlei pakketten en allerlei combinaties aan, maar treden daarbij vaak op als tussenpersoon of bemiddelaar tussen de telecomprovider (Vodafone in dit geval) en de consument. Het contract wordt dan dus met de provider gesloten, niet met de telecomshop. Aanleiding tot de rechtszaak was het feit dat de “actiecombinatie” die de klant had uitgezocht, bleek te bestaan uit een abonnement met telefoon te leveren door Vodafone en een computer door Typhone zelf.

De afwezigheid van de computer was voor deze consument reden om het abonnement te annuleren: er kon niet binnen afzienbare tijd worden geleverd, dus er was sprake van wanprestatie en dan mag je annuleren. Vodafone was het daar mee oneens, en meldde meneer meteen maar aan bij het BKR en Preventel wegens wanbetaling. Gezellig. (Update 17/7/2013 in andere zaak werd die praktijk stevig afgekeurd door de rechter.)

De rechter ziet in het contract duidelijk staan dat de contractspartijen de consument en Vodafone zijn. Typhone is slechts tussenpersoon en “valt er tussenuit” zoals dat heet. De computer stond niet in dat contract genoemd, dus wiens probleem was die nu?

[Vodafone] heeft niet weersproken dat Typhone.nl aan [gedaagde] in verband met het afsluiten van de overeenkomst mobiele telefonie een gratis multimediacomputer heeft toegezegd. Dit cadeau is zozeer verbonden aan het afsluiten van de overeenkomst, dat [gedaagde] er vanuit mocht gaan dat deze computer een onderdeel van de overeenkomst met Vodafone vormde.

Nergens was duidelijk gezegd dat de computer een apart kadootje van Typhone was dat apart geleverd werd. De onduidelijkheid die dat oplevert, komt dan voor rekening van Vodafone omdat Typhone hun tussenpersoon is. Dat blijkt uit de wet (art. 3:66 BW), die bepaalt dat rechtshandelingen van de tussenpersoon in principe voor rekening van de principaal (achterman) moeten komen.

Omdat de computer niet werd geleverd, en een Vodafone-medewerker meldde dat dit ook niet binnen afzienbare tijd zou gebeuren, mocht de consument per direct het abonnement annuleren. Een dergelijke situatie telt als “tijdelijke onmogelijkheid in de nakoming”, zoals dat heet, en dat is grond voor ontbinding. Er hoeft niets te worden terugbetaald, want de consument had de bestelling geweigerd en dus niet van de diensten gebruik gemaakt.

Ook moeten de BKR- en Preventel-registraties ongedaan worden gemaakt. De schadeclaim van de consument daarbij wordt echter afgewezen, omdat hij niet kan bewijzen welke schade hij heeft geleden. Ook claimde hij in zijn persoon te zijn aangetast, maar die reputatieschade is ook niet onderbouwd. Formeel juist maar wel een tikje irritant. Misschien wordt het tijd dat het BKR een regel invoert dat een bedrijf dat ten onrechte een consument aanmeldt, een boete moet betalen als dat uitkomt?

Arnoud

Politie vraagt verwijdering opruiende tekst, mag dat wel?

politie-verzoek-verwijderen-bevelDe Nationale Recherche eist dat Publicintelligence.net stopt met het publiceren van het magazine Inspire, meldde Webwereld gisteren. De site zou opruiende informatie publiceren, die volgens de KLPD tegen de wet is. Als de publicatie niet vrijwillig gestaakt wordt, zal de server offline gehaald worden, dreigt de brief. Alleen: dat mag de politie helemaal niet.

In de takedownbrief (stijlloze spiegel) is te lezen dat het gaat om een magazine “Inspire” dat opruiende inhoud gerelateerd aan Al-Qa’ida zou hebben. Dergelijke inhoud kan strafbaar zijn, als deze concreet aanzet of oproept tot geweld. In 2007 werd een vrouw veroordeeld voor opruiing omdat ze had gelinkt naar vergelijkbare teksten.

Zoals al bij de Crimesite-zaak van januari aan de orde kwam: de politie mag niet vrijwillig vragen om dingen te verwijderen of af te geven. Haar bevoegdheden (en die van het OM) zijn geregeld in de strafwet, en ze moeten daar gebruik van maken. Vrijwillig vragen om iets dat ze niet mogen vorderen botst daarmee. Dat blijkt onder meer uit een arrest uit 2007 van de Hoge Raad. (Toegegeven, dat ging om persoonsgegevens en niet om publicaties, maar het gaat om het principe.)

In dit geval is de enige grondslag artikel 54a Strafrecht, dat de Officier van Justitie (na machtiging van de rechter-commissaris) de bevoegdheid geeft verwijdering te eisen. De politie heeft géén bevoegdheid om dit te doen. En wat ze niet mag vorderen, mag ze ook niet vragen. Terecht dan ook dat hostingpartij EuroVPS weigert de site te sluiten.

Arnoud

Heeft opt-in wel zin bij cookies?

Naar aanleiding van de recente discussie over het cookierapport van TNO en IViR verscheen bij Netkwesties het artikel Vergaande spraakverwarring over opt-in en opt-out. In het kader van de discussie over de nieuwe Europese cookiewet had TNO ontdekt dat veel bedrijven de huidige wet schenden, omdat volgens hen het Besluit Universele Dienstverlening en Eindgebruikersbelangen (BUDE) een opt-in voor cookies zou eisen.

Netkwesties vroeg mijn commentaar op de spraakverwarring, en enige frustratie gaf het volgende antwoord:

Persoonlijk geloof ik niet in opt-in en maar gedeeltelijk in opt-out. De meeste mensen weten niet hoe dit soort systemen werken, en zóuden dit ook niet hoeven weten. Het idee van opt-in = controle vind ik een illusie. Want met de simpelste belofte krijgen bedrijven wel een opt-in, maar mensen hebben geen idee wat de implicaties van hun toestemming zijn.

Als bepaald gedrag als fundamenteel ongewenst ervaren wordt, dan moet de wet worden aangepast om het gedrag op het juiste spoor te krijgen. Dus niet een opt-in voor tracking cookies voor het volgen van surfgedrag maar een verbod op tracking cookies.

Als we vinden dat tracking moet kunnen maar dat de getrackte persoon invloed moet hebben, dan moet de wet voorschrijven dat er zo’n invloedmechanisme komt.

De wet moet dan over de implicaties gaan en niet over die illusie.

Wat vinden jullie?

Arnoud

LinkedIn-contact toevoegen levert 10.000 euro boete op wegens schending relatiebeding

linkedin-relaties-contacten-connectieHet toevoegen van een relatie uit je vorige werkkring aan je LinkedIn-netwerk kan wel eens flinke financiële gevolgen hebben voor vele werknemers, las ik bij Jobbroker. De rechtbank Arnhem had namelijk gevonnist dat een werknemer een boete van 10.000 euro moest betalen omdat hij het relatiebeding had geschonden door iemand toe te voegen aan zijn LinkedIn-netwerk.

Een relatiebeding is een bepaling in een arbeidsovereenkomst waarin wordt afgesproken onder welke voorwaarden na afloop wel of niet relaties van de ex-werkgever mogen worden benaderd. Een relatiebeding moet schriftelijk en individueel worden afgesproken. En natuurlijk mag een relatiebeding niet zomaar contact met “iedereen tot in de eeuwigheid” verbieden. Er moeten redelijke grenzen worden gesteld. Zo zal een relatiebeding veelal beperkt zijn tot één of twee jaar na afloop van de arbeidsovereenkomst, en worden soms expliciet bedrijven genoemd waarmee nadrukkelijk geen contact gezocht mag worden.

In het arbeidscontract was in deze zaak een zeer breed relatiebeding voor vijf bedrijven opgenomen, waarin het de werknemer werd verboden na beëindiging van het contract

als particulier, als zelfstandig ondernemer, als werknemer in dienst van derden of in welke hoedanigheid dan ook, direct of indirect, rechtstreeks of zijdelings contact te hebben of te onderhouden, één en ander in de ruimste zin des woords, met de volgende (leverancier)relaties van werkgever [lijst van vijf].

De werknemer had op zeker moment een LinkedIn-connectie gelegd met een werknemer van een van die vijf bedrijven. Wanneer exact was onderwerp van discussie: de werknemer stelde dat dit nog tijdens het dienstverband was, en de werkgever dat dit pas na de beëindiging had gebeurd. Bij LinkedIn-profielen kun je niet eenvoudig de datum van een verbinding zien. Het enige dat je hebt, is de homepage met alle updates, waar in dit geval “32 minutes ago” stond. Maar door de wel genoemde data van andere updates te analyseren, komt de rechter tot de conclusie dat de update in september 2010 heeft plaatsgevonden. En dat was ná de datum van beëindiging (31 maart 2010).

De rechter ziet het geaccepteerde contactverzoek als een overtreding van het relatiebeding. Naar de letter van het beding is dat juist: iemand op LinkedIn toevoegen is “in welke hoedanigheid dan ook, direct of indirect, rechtstreeks of zijdelings contact hebben” met die iemand. Al was het maar omdat LinkedIn een updatemail stuurt dat je connectverzoek is geaccepteerd.

Of daarmee élke LinkedIn-verbinding een schending van een relatiebeding oplevert, betwijfel ik. Vonnissen bij arbeidsrecht zijn altijd heel erg gebaseerd op de specifieke feiten – en vaak ook het gevolg van reeds flink uit de hand gelopen ruzies en misstanden. Dit vonnis was een vervolg op een eerder vonnis waarbij óók al geoordeeld werd dat het relatiebeding was overtreden. Ik kan me goed voorstellen dat een rechter dan strenger vonnist, zeker bij een kort geding waarbij niet al te diep op de feiten ingegaan kan worden.

Ook moet je bij elk relatiebeding apart analyseren of het wel redelijk geformuleerd is en of deze specifieke connect een overtreding daarvan zal zijn. Een relatiebeding dat vijf bedrijven specifiek noemt, zal eerder redelijk zijn dan “verboden met enige relatie contact op te nemen”.

Wel zul je als ex-werknemer extra voorzichtig moeten zijn met het opnemen van relaties in je netwerk die eigenlijk van je werkgever zijn. Zeker als ze op zo’n expliciete lijst staan. Maar dat is niet LinkedIn-specifiek: dat mocht je ook al niet met de Rolodex met visitekaartjes tien jaar geleden.

Update het Hof Arnhem vindt ziet ook geen problemen in LinkedIn onder een concurrentiebeding/relatiebeding rekenen:

zal het hof de gedeeltelijke schorsing van het concurrentiebeding zo formuleren dat het [A] verboden is (blijft) zakelijk contact te onderhouden met klanten van Smeba. Daarbij maakt het niet uit van wie dat contact uitgaat en waarover het contact gaat, zodat ook het hebben van contact via een zakelijk netwerkmedium als LinkedIn onder dat verbod valt. Alleen contact dat zuiver in de privésfeer ligt valt niet onder het verbod.

Arnoud

Marketingbranche verslikt zich in OPTA’s cookierapport

Branchepartijen BVA, DDMA, IAB, NUV en Thuiswinkel.org hebben grote kritiek op het door TNO en IViR opgestelde rapport “A bite too big, Dillema’s bij de implementatie van de cookiewet in Nederland“, las ik bij Marketingfacts. Het rapport bevat volgens de branchepartijen grove fouten en is met slechts acht respondenten niet representatief voor de sector. We pakken het rapport er dus eens bij.

Bij Marketingfacts zegt de DDMA:

DDMA voorzitter Henry Meijdam staat versteld: “dat men in de samenvatting zegt dat toestemming voor cookies op basis van de huidige wetgeving is vereist, is onbegrijpelijk. Het schetst bovendien het onterechte beeld dat organisaties nu illegaal bezig zijn wanneer zij cookies plaatsen.”

In de samenvatting van het rapport zie ik staan

De regels over het plaatsen van cookies zijn op Europees niveau gewijzigd van een op-out naar een opt-in procedure. Hierdoor is degene die een cookie plaatst verplicht de internetgebruiker voor of tijdens het plaatsen van een cookie te informeren over het plaatsen van het cookie en het doel van de gegevensverzameling. Ook dient hij hiervoor toestemming te vragen.

Dit gaat echter duidelijk over de nieuwe regels omtrekt cookies, die wet moeten worden maar dat nu nog niet zijn. Bij lezing van het rapport valt me op dat men de oude en de nieuwe situatie regelmatig door elkaar bespreekt en niet duidelijk aangeeft of men met “verboden” bedoelt “onder de huidige wet” of “onder de Richtlijn waar we binnenkort wet van gaan maken”.

Voor mij erg verrassend was de volgende opmerking in het rapport:

Door de implementatie van deze wijziging in de Telecommunicatiewet verandert er weinig in de Nederlandse situatie aangezien de huidige implementatie van de oude regels in het Besluit Universele Dienstverlening en Eindgebruikersbelangen (BUDE) reeds een opt-in systeem kent.

Een opt-in voor cookies was nieuw voor mij, dus gauw het huidige BUDE erbij gepakt. Artikel 4.1 BUDE noemt deze eisen:

  • op een duidelijke en nauwkeurige wijze te informeren omtrent de doeleinden waarvoor men toegang wenst te verkrijgen tot de desbetreffende gegevens dan wel waarvoor men gegevens wenst op te slaan
  • op voldoende kenbare wijze gelegenheid te bieden de desbetreffende handeling te weigeren.

(Deze regels gelden niet als de cookies de verzending van communicatie over een openbaar elektronisch communicatienetwerk uit te voeren of te vergemakkelijken, of nodig zijn om een dienst te leveren – dus login cookies, shoppingcartcookies en sessiecookies vallen buiten deze regels en mogen ook zonder nadere toelichting of opt-out.)

Ik ben toch geneigd dat eerder als een informatieplicht en een opt-outmogelijkheid te lezen. De woordkeuze voor “weigeren” wijst er volgens mij op dat er niet echt om toestemming moet worden gevraagd. Of nou ja, het is semantiek uiteindelijk – is er verschil tussen zelf aanvinken “ja ik wil” of juist het weghalen van een vinkje bij die tekst?

Ook kreeg ik vragen van de passage over respawning cookies, waarbij een weggehaald HTTP cookie wordt hersteld via een kopie daarvan uit de Flash-cookiejar. Het rapport zegt:

Opvallend is dat een klein aantal respondenten aangeeft gebruik te maken van respawning, terwijl dit in strijd is met artikel 4.1 van het Besluit Universele Dienstverlening en Eindgebruikersbelangen (BUDE).

Waar deze strijd zit, wordt niet toegelicht. Ik vermoed dat men bedoelt dat niemand uitlegt dat men respawning gebruikt, laat staan dat gebruikers het kunnen weigeren. Maar dat zou ik niet formuleren als “respawnen is verboden”. Overigens staan Flash cookies bij Adobe in een slecht licht, en heeft ook de IAB zich hiertegen verklaard. Ik mag hopen dat dat betekent dat ze bij inwerkingtreding van de nieuwe telecommunicatiewet verboden worden.

Oh ja, en dat van die acht respondenten: in een gedetailleerde reactie wordt dit toegelicht (pdf) als

Het aantal (relevante) respondenten in dit onderzoek bedraagt n=56. Bij de vragen die zich specifiek richten op Online Behavioral Advertising is de steekproef heel klein, namelijk n=7. In totaal geven vijf respondenten aan de gegevens verkregen via cookies te gebruiken om bezoekers te segmenteren.

En dat klopt wel, zie figuur 2, pagina 31 van het rapport waar men toelicht hoe de (overigens 74) respondenten zijn opgebouwd. Zeven is inderdaad best klein. Maar zijn er zo veel advertentienetwerken dan?

Alles bij elkaar vind ik het rapport nogal een gemiste kans. Tijd dus voor een nieuw onderzoek als de nieuwe wet er is.

Arnoud

DollarRevenue-affiliate krijgt 14.000 euro boete voor verspreiden reclameworm

Een affiliate van het beruchte DollarRevenue heeft van de rechtbank een boete van 14.000 euro gekregen, meldde Webwereld vorige week. De OPTA kwam tijdens het onderzoek naar spyware van DollarRevenue de namen tegen van twee Nederlanders die als affiliate stonden geregistreerd bij het bedrijf. Zij verspreidden tegen betaling de DollarRevenue-software, en de OPTA merkte ze daarom aan als zelfstandig verspreiders van spyware.

Eén van de beboete personen ging in beroep, maar ook de rechtbank acht hem schuldig. Alleen de hoogte van de boete wordt ietwat gematigd (van 16.000 naar 14.000 euro) omdat onvoldoende rekening was gehouden met het feit dat hij ten tijde van de overtreding psychisch in de war was.

Het maakte niet uit dat deze personen ‘slechts’ affiliates waren en dus andermans software promootten. Hun handelingen zorgden er namelijk voor dat de software werd geïnstalleerd op computers van eindgebruikers, en dat mag niet als daar niet expliciet toestemming voor is gekregen. Het boetebesluit van de OPTA legt uit hoe de affiliates werkten:

[E]en argeloze gebruiker kreeg een link toegestuurd naar de kwaadaardige software via één van de contactpersonen uit zijn MSN-contactenlijst. De gebruiker dacht dat dit een persoonlijke boodschap betrof met een link naar een foto. Zodra hij de link opende, werd advertentie- en verspreidingssoftware op zijn computer geïnstalleerd. De volgende keer dat de gebruiker het chatprogramma MSN opstartte, werd automatisch aan al zijn contactpersonen in de contactenlijst dezelfde link toegestuurd.

Dat is dus niets meer of minder dan een ordinaire worm die zichzelf verspreidt. En of je nu je eigen of andermans worm loslaat, het is en blijft een overtreding van de wet.

Zestien- of veertienduizend: het blijven forse boetes. Bij deze zaken krijg je wel altijd de vraag of ze echt effectief zijn. Deze spyware is op 180.000 computers geïnstalleerd en volgens Tech’n Security kreeg je

30 cents per install in the USA, 20 cents per install in Canada, 10 cents in the UK, 1 cent in China and .02 cents in other countries

Volgens Pay per Install geldt die “.02 cents” voor Azië, dus ik aarzel nu wat het Nederlandse bedrag is. Bij 10 cent per installatie (analoog aan de UK) is de revenue dus 18.000 dollar, maar bij 2 cent is het slechts 3600 dollar en dan heeft de boete toch wel aardige impact.

Arnoud

Retourrecht ook van toepassing bij ‘koop’ van gas of elektriciteit

Merkwaardig. Hoewel de wet het formeel niet toestaat, hebben twee kantonrechters nu geoordeeld dat je als consument recht hebt op de afkoelingsperiode van zeven werkdagen bij het afsluiten van energieleveringscontracten. En omdat de leveranciers hun klanten daarover niet hebben geïnformeerd, mochten de gedaagde consumenten hun contract tot drie maanden na de afsluitdatum opzeggen. (Met dank aan IT en Recht en eerder al Menno Weij die het signaleerden.)

Zowel de kantonrechter in Leeuwarden als die in Assen kregen een zaak voor zich over een telefonisch gesloten overeenkomst tot energielevering (beiden bij de NEM). In beide zaken betwistten de consumenten dat ze een overeenkomst hadden gesloten, en in beide zaken vindt de rechter de oplossing in het retourrecht of afkoelingsrecht dat je hebt bij aankopen via internet. Binnen zeven werkdagen na contractsluiting of na ontvangst van de zaak mag je deze retourneren en de koop ongedaan maken.

Een tikje merkwaardig is het wel dat de rechter deze regeling ook op gas en elektra van toepassing verklaart. Volgens de wet mag je ook bij leveringscontracten voor gas en elektriciteit (maar weer niet water via de waterleiding trouwens) spreken van “koop” (art. 7:5 BW). Maar er zit een beperking op het recht van retour: bestellingen van zaken die “naar hun aard” niet teruggezonden kunnen worden, mogen niet worden geannuleerd (art. 7:46d lid 4 sub d.3 BW). Mijn collega Sara besprak vorig jaar wat die uitzondering inhoudt:

Onder ‘naar zijn aard niet kunnen worden teruggezonden” vallen alleen producten waarvan het echt fysiek onmogelijk is deze aan de verkoper terug te sturen. Een geneesmiddel komt per post en kan dan natuurlijk ook weer per post worden teruggestuurd. Deze uitkomst is voor het merendeel van de webwinkeliers dan ook waarschijnlijk teleurstellend: naast elektriciteit en leidingwater is het mij echter nog niet gelukt een ander product te bedenken wat onder deze uitsluiting zou kunnen vallen.

De NEM doet het dus precies goed, zou je zeggen. Maar nee, de kantonrechters zien dat toch anders:

Bij een overeenkomst tot levering van gas en elektra gaat het echter niet om een eenmalig geleverde prestatie, maar is sprake van een duurovereenkomst. Door ontbinding kan verdere levering ongedaan worden gemaakt. Daarnaast valt niet in te zien dat een consument tot ontbinding van zo’n overeenkomst zou wensen over te gaan omdat de geleverde zaak hem bij nader inzien niet bevalt en dat met die ontbinding zou worden beoogd om datgene wat aan gas en elektra al is geleverd terug te geven.

Het komt er ongeveer op neer dat als je niet één zaak (één molecuul gas of één elektron) bestelt maar meerdere, je ook na ontvangst van de eerste paar zaken nog mag annuleren zolang je maar binnen de zeven werkdagen zit. En daarom is het niet logisch dat het recht van retour niet zou gelden voor levering van gas en elektriciteit.

Dat de al geleverde zaken niet teruggestuurd kunnen worden, maakt daarbij niet uit. Het al betaalde abonnementsgeld dient als compensatie daarvoor. Op zich kan dat, de regels voor ontbinding bepalen dat als ongedaan maken onmogelijk is, er een verplichting tot schadevergoeding ter waarde van de geleverde prestatie ontstaat (art. 6:272 BW).

Hoewel ik fan ben van consumentenbescherming heb ik moeite met deze redenering. De wet zet hier duidelijke grenzen, en als rechters dan zelf gaan verzinnen dat deze soms toch niet gelden, dan open je de deur om in feite het hele retourrecht van geval tot geval te beoordelen en al of niet buiten toepassing te laten.

Arnoud

Mag Hyves ranken op Facebook?

maffe-hyves-facebook-vergelijking.pngVia Twitter werd ik gewezen op een wel héél merkwaardig zoekresultaat: zoeken op “jacob de wit school facebook” levert niet alleen resultaten van Facebook op, maar ook een pagina van die school op Hyves, met de merknaam Facebook in de URL. Het lijkt erop dat Hyves die naam zelf toevoegt, zodat de Hyvespagina van de school hoger scoort in Google. Mag dat?

Update (12:17) Hyves meldt hieronder dat zij deze url zeker al 5 jaar gebruikt sinds die (almanak) feature er is. Hyves: “Dat is ver voordat Facebook uberhaupt open en internationaal was, de suggesties hierboven zijn dan ook echt verkeerd.”

Om zeker te weten dat dit niet een toevallige eenmalige gebeurtenis is, heb ik zelf even gezocht met de top 5 scholen die Hyves zelf noemt op haar almanak met scholen – en ja die is bereikbaar op de URL www.hyves.nl/facebook/. Van alle vijf blijkt inderdaad zo’n speciaal geprepareerde URL beschikbaar te zijn (zie screenshot hiernaast). En ook van diverse andere scholen blijkt standaard zo’n URL beschikbaar: probeert u het eens zelf met uw eigen scholen en meld de resultaten hieronder!

Het doet me denken aan het Google/Vuitton-arrest waarbij geoordeeld werd dat sprake is van merkinbreuk als je advertenties laat tonen bij andermans merk. In dat arrest staat deze overweging:

Indien advertentielinks naar sites met waren of diensten van concurrenten van de merkhouder naast of boven de natuurlijke resultaten van de zoekactie verschijnen, kan de internetgebruiker deze dus zien als een alternatief voor de waren of diensten van de merkhouder, voor zover hij ze niet meteen als irrelevant afdoet en ze niet verwart met die van de merkhouder.

Nu zijn dit strikt gesproken geen advertentielinks (“gesponsorde koppelingen”) maar het komt wel héél dicht in de buurt. En het lijkt me ook duidelijk dat Hyves met deze linkconstructie de indruk wil wekken dat ze een alternatief heeft voor de Facebookpagina van de betreffende school.

In het Tempur-vonnis van eind december werd op dit arrest voorgeborduurd en werden Adwords-advertenties als vergelijkende reclame aangemerkt:

Onder vergelijkende reclame in de zin van die bepaling valt elke vorm van reclame waarbij een concurrent of de door een concurrent aangeboden producten uitdrukkelijk of impliciet worden genoemd. In dit verband is het van weinig belang of de producten van de adverteerder worden vergeleken met die van de concurrent (…)

Je zou deze URL als vergelijkende reclame kunnen zien, als je zegt dat Hyves reclame maakt voor haar schoolpagina’s door zo’n speciaal geconstrueerde URL door Google in de organische zoekresultaten te laten opnemen. Het gaat me wat ver, ik kan een scholenhyve moeilijk een advertentie voor Hyves noemen. Maar dat ze heel dicht tegen de grenzen aanschurken is wel duidelijk.

Als dit vergelijkende reclame is, dan is het wel een verboden vorm: op de Hyvespagina achter de hyperlink is geen enkele opmerking over Facebook opgenomen, laat staan een of andere vorm van vergelijking tussen Facebook-schoolpagina’s en Hyves-schoolboekpagina’s. En dat is toch echt verplicht bij vergelijkende reclame.

Hyves neemt hier dus een groot juridisch risico. Hoewel ik daar persoonlijk wel blij mee ben, meer jurisprudentie over wat wel en niet mag in URL’s is dringend gewenst. Dus joehoe legal@Facebook.com, wanneer komt de dagvaarding? 🙂

Arnoud