‘Populaire webshops verplichten nog altijd dat klanten een account aanmaken’

Photo by TheDigitalArtist on Pixabay

Een aantal populaire webshops verplicht nog altijd dat klanten een account aanmaken om te kunnen bestellen. Dat meldde de Telegraaf onlangs. Men onderzocht dit naar aanleiding van het EDPB-standpunt dat dit niet zomaar mag onder de AVG. Al veel langer wordt hier tegen geageerd.

De Telegraaf noemt een aantal redenen waarom webshops dit doen, zoals dataprofielen kunnen monetizen en fraudepatronen detecteren. Winkels zelf noemen het de ‘winkelervaring gemakkelijker en prettiger’ maken, maar zelfs ChatGPT wist niet wat dat betekent. Niet steeds je adres invoeren, denk ik.

Voor mij is ook een belangrijke reden dat veel webshopsoftware standaard op deze manier is ingesteld, en dat winkels geen prikkel hebben om het aan te passen. (Is er een xkcd over de impact van een achteloos gemaakte standaardinstelling?)

Maar goed, de vraag is natuurlijk of dat mag. Dit telt als verwerking van persoonsgegevens, want er gaan namen, adressen, contactgegevens, bestelhistorie en wat al niet meer in. Je zou denken dat dat onder de grondslag “nodig uitvoering overeenkomst” valt, maar dat gaat me te ver: je adres is wel nodig om déze bestelling bij jou te krijgen, maar je adres bewaren in een account, valt buiten deze bestelling.

De AVG-toezichthouders, verenigd in de EDPB, zien dit ook zo. Wanneer mensen een abonnement afnemen, lijkt een account wél te kunnen als noodzakelijke voorwaarde. Dit is redelijk wanneer men regelmatig bij de geabonneerde content of dienst moet kunnen, of wanneer historie daaromtrent moet worden opgebouwd.

Ook ziet men ruimte voor accounts voor vaste klanten die daarmee recht hebben op voordeeltjes zoals exclusieve aanbiedingen. Het account is dan zeg maar het bewijs dat je vaste klant bent. Ik vind die op het randje.

In de meeste andere gevallen zul je je moeten beroepen op het gerechtvaardigd belang. Commerciële belangen zoals tracking of gepersonaliseerde aanbiedingen tellen daarin zeker mee, maar de rechtvaardiging daarvan ten opzichte van de privacy van de klant lijkt me lastig. Je komt al heel snel uit bij “een account mag, maar hoeft niet” en dat is eigenlijk hetzelfde als gewoon toestemming vragen “wilt u een account?”

Een interessant geval is fraudedetectie. Het idee is dat als je een historie hebt van een klant, en aanvullende klantgegevens, dat je dan makkelijker afwijkingen in zijn gedrag kunt spotten. Genoeg webwinkels bieden de optie voor op krediet kopen als je een historie hebt opgebouwd, bijvoorbeeld.

Die noodzaak ziet de EDPB echter niet:

Regarding necessity under Article 6(1)(f) GDPR, many e-commerce websites do not require the creation of an account, and a purchase and usage history is actually not available when a customer account is used for the first time. In addition, the relevance of the anti-fraud measures allowed when imposing the creation of an account is questionable as changes in the delivery address usually happen right before an order is placed, users often use different devices, and software updates, which are necessary for security purposes, lead to different browser fingerprints and may be misinterpreted as an indicator of fraud.
Mij lijkt ook dat je bij iedere bestelling een fraudedetectie doet, waarbij het minder relevant is hoe eerdere bestellingen gingen. En mensen herkennen op basis van hun profiel is inderdaad lastig genoeg.

De toezichthouders wijzen nog op het principe van privacy-by-design, wat ook al impliceert dat een account vrijwillig moet zijn. En dat deed me eraan denken dat het soms toch jammer is dat de AVG alleen geldt voor partijen die gegevens verwerken. Als de PBD verplichting ook gold voor softwarebouwers (dus niet shop-hosters), dan zou je zo centraal deze partijen kunnen aanspreken en afdwingen dat veelgebruikte webshopsoftware altijd een account als optie implementeert.

Arnoud

 

 

Mag je nog zeuren als je in de algemene voorwaarden akkoord ging met gebruik van je data?

Photo by Markus Winkler on Unsplash

Een lezer vroeg me:

In discussies over hoeveel informatie sociale media van je mogen gebruiken, wordt er vaak gezegd dat je niet moet zeuren dat ze je gegevens gebruiken en doorspelen naar derden, omdat je daarmee akkoord bent gegaan op het moment dat je op ‘agree’ klikte toen de gebruikersvoorwaarden werden gepresenteerd.

Zitten er aan die gebruikersvoorwaarden nog grenzen over wat redelijk is, vooral op het gebied van privacy en bescherming van persoonsgegevens, of mag een bedrijf min of meer alles van je verkopen omdat je nou eenmaal in hebt gestemd met hun voorwaarden?

Voor deze vraag moeten we het concept ‘gegevens’ in twee splitsen, omdat het Europese juridische kader onderscheid maakt tussen persoonsgegevens (gegevens over mensen) en niet-persoonsgegevens (alle andere).

Voor niet-persoonsgegevens zijn er vrij weinig regels, afgezien van de recente Datawet (Data Act), een Europese verordening uit 2025 over toegang tot data. Dit raakt aan data uit slimme apparaten, maar ook voor data opgeslagen in clouddiensten. De Datawet zegt echter niets over wat de dienstverlener met je data mag, behalve enkele specifieke verboden:

  • Alleen doen wat je in de voorwaarden hebt gezegd (en ‘alles dat ik wil’ zeggen is niet toegestaan)
  • Geen gebruik om de commerciële positie van de gebruiker te ondermijnen (het Amazon-jat-je-product probleem)
  • Geen doorverkoop of verstrekking aan derden behalve voor zover nodig voor de dienst zelf
Hier zijn dus de voorwaarden inderdaad leidend, en bestaat er een redelijkheidstoets bij wat die voorwaarden mogen zeggen. Jurisprudentie daarover is er (nog) niet.

Voor persoonsgegevens is het hard en simpel: het is juridisch niet mogelijk om in gebruiksvoorwaarden, terms of service of hoe je wilt noemen toestemming te bedingen voor welk gebruik van persoonsgegevens dan ook. Volgens de AVG moet een dergelijke toestemming ‘specifiek’ worden gegeven, en een toestemmingsbeding in voorwaarden is dat haast per definitie niet. Daarnaast eist artikel 7 lid 2 dat

het verzoek om toestemming in een begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke vorm en in duidelijke en eenvoudige taal zodanig gepresenteerd dat een duidelijk onderscheid kan worden gemaakt met de andere aangelegenheden.
Een juridisch artikel in voorwaarden haalt deze lat eigenlijk nooit. Je ontkomt dus niet aan een apart vinkje. En dat moet specifiek zijn ook “Wij mogen je gegevens verkopen” is dat niet – er moet bij staan aan wie.

De vervolgreactie in discussies als deze is dan “je moet sowieso de voorwaarden lezen, en als je dan zulke rare -of zelfs verboden- dingen toch leest, dan moet je de dienst niet gebruiken”. Begrijpelijk, maar ik heb daar structureel moeite mee: we zijn compleet doodgegooid als maatschappij met zulke voorwaarden, het is irreëel te verwachten dat mensen dat allemaal lezen. En dat zeg ik als jurist.

Belangrijker: het wettelijk systeem in Europa is dat je het  niet hoeft te lezen. Voorwaarden gelden ook als je ze niet leest, maar daar tegenover staat dat ze makkelijk van tafel te vegen zijn (“vernietigbaar”) wanneer ze rare dingen bevatten (“onredelijk bezwarend”). De regel is dus niet “je moet ze lezen en dan gewoon niet gebruiken” maar “rare dingen in de voorwaarden mag je negeren, zijn niet bindend”.

Natuurlijk zal zo’n bedrijf zich daar niets van aantrekken, ook niet na een formele brief van een advocaat die hierbij per direct de vernietiging uitspreekt van het onredelijk bezwarend beding krachtens relevante Europese richtlijnen en artikel 6:233 Burgerlijk Wetboek. Maar dat is een algemener probleem: het uitoefenen van je juridische rechten, zeker als consument, is duur en tijdrovend, en toezichthouders zitten hier niet altijd bovenop. Dat kan ook niet altijd, zeker niet bij niet-Europese bedrijven.

Meta en Google zijn aansprakelijk voor schade door verslaving aan sociale media

Photo by cottonbro studio on Pexels

De jury in een rechtszaak in de VS heeft Google en Meta aansprakelijk gesteld voor de schade die een 20-jarige vrouw leed door verslaving aan sociale media. Dat meldde Tweakers vorige week. De vergoeding is zes miljoen dollar en uiteraard komt er hoger beroep. Maar toch.

Bij The Conversation hebben ze de achtergrond:

KGM – now 20 years old – said she began using YouTube at age six and Instagram at age nine, and allegedly developed compulsive use patterns, including up to 16 hours in a single day on Instagram. The platforms’ design features, she argued, contributed to her anxiety, depression, body dysmorphia, and suicidal ideation.
En niet alleen wist men tot op het hoogste niveau bij Meta en Google van deze effecten, men maakte op dat niveau de vergelijking met drugs en gokken. Dat soort uitspraken komen via de discovery-regels dan naar buiten bij een rechtszaak, en de jury concludeerde hieruit dat er bewust ingezet is op de dienst verslavend maken:
In addition, a YouTube memo reportedly described “viewer addiction” as a goal, and an Instagram employee wrote the company was staffed by “basically pushers”.
Mag ik even kwijt dat hiermee het argument “jamaar de ouders moeten hun kinderen in de gaten houden op internet” definitief naar de prullenbak mag. Het is -zoals ik al lang roep- niet realistisch om van individuele mensen te verwachten dat die op kunnen tegen het marketinggeweld van enorme bedrijven die alle tijd en geld hebben om hun misleiding te optimaliseren.

Arnoud

 

Is een Franse uitspraak tegen SHA-256 een bindend precedent bij ons voor informatiebeveiliging?

Bron: Enrique Santos, Wikimedia Commons

Een lezer vroeg me:

Recent heeft de Franse AVG-toezichthouder (CNIL) een boete van 3,5 miljoen euro opgelegd. Deel daarvan was een inadequate beveiliging door gebruik van SHA-256. Heeft dit precedentwerking, oftewel mogen we nu stellen dat deze hashingtechniek daadwerkelijk niet meer passend is voor beveiligen van persoonsgegevens?
Op 30 december 2025 heeft de CNIL een boete van 3,5 miljoen euro opgelegd aan een niet nader genoemd Frans bedrijf voor het doorgeven van de gegevens van leden van hun loyaliteitsprogramma aan een sociaal netwerk voor gerichte reclamedoeleinden, zonder geldige toestemming. Inderdaad was inadequate beveiliging een deel van de grondslag.

Het bedrijf gebruikte SHA256 voor het hashen van wachtwoorden (met salt, dat wel). Dat vond de CNIL bezwaarlijk, omdat de collega’s van het ANSSI (Nationaal Agentschap voor Informatiesysteembeveiliging) hadden gezegd dat

Aanbevolen cryptografische hashfuncties, zoals de SHA2-familie, zijn zeer snel in uitvoering, wat in de context van wachtwoordopslag een voordeel is voor aanvallers, omdat ze hierdoor veel wachtwoorden kunnen testen (d.w.z. hashes kunnen berekenen).
Men wijst op algoritmes zoals Argon2, die mede ontworpen zijn om resistent tegen dergelijke brute force aanvallen te zijn, zelfs met moderde apparatuur. Het bedrijf had in de tussentijd ook al gewisseld naar Argon2.

De uitspraak over de ongeschiktheid van SHA-256 wordt hier vrij algemeen gedaan, en men wijst op eerdere aanbevelingen sinds 2020. Bij het berekenen van de boete wordt dan ook herhaaldelijk geërgerd gewezen op eerdere publicaties:

Bovendien moet met betrekking tot de schending van artikel 32 van de AVG worden opgemerkt dat de Commissie regelmatig communiceert over het belang van authenticatiemaatregelen voor de beveiliging, dat haar aanbevelingen met betrekking tot het wachtwoordbeleid al bekend waren ten tijde van de audits, en dat zij sinds december 2022 organisaties via haar website een tool ter beschikking heeft gesteld waarmee zij eenvoudig de sterkte van een wachtwoord kunnen controleren. De Commissie herinnert er ook aan dat zij regelmatig financiële sancties heeft opgelegd voor schendingen van artikel 32 van de AVG wegens onvoldoende maatregelen om de beveiliging van de verwerkte gegevens te waarborgen, met name in haar besluiten nr. SAN-2019-007 van 18 juli 2019, nr. SAN-2022-018 van 8 september 2022, nr. SAN-2023-023 van 29 december 2023 en nr. SAN-2024-002 van 31 januari 2024.
Dit klinkt voor mij alsof de CNIL hier een hard punt van gaat blijven maken. En terecht, gezien het securityprobleem dat hier onder zit.

Een beslissing van de CNIL is bindend in Frankrijk (tenzij de rechter ze terugfluit, maar dat zie ik hier niet gebeuren). Voor andere toezichthouders geldt dat niet, maar onder het zogeheten coherentiemechanisme van artikel 63 AVG moeten toezichthouders wel met elkaar samenwerken en hun inzichten op elkaar afstemmen. Het zou raar zijn als in Duitsland SHA256 gewoon aanbevolen wordt terwijl je in Frankrijk daar een dikke boete voor krijgt, bijvoorbeeld.

In de praktijk zie je daarom ook regelmatig dat toezichthouders wijzen op publicaties van collega’s, waarbij de CNIL voorop loopt als het gaat om inzichten rondom cybersecurity. Ook in Nederland zou ik dus maar vast gaan nadenken waarom voor jou SHA256 wél een veilige opslag van wachtwoord-hashes zou zijn. (Of migreren naar Argon2 of vergelijkbaar, dat is minder werk.)

Arnoud

Als je opzettelijk een AVG-inbreuk uitlokt, heb je geen recht op vergoeding van de schade

Photo by Maxim Ilyahov on Unsplash

Merkwaardige zaken geven merkwaardige uitspraken, is een oud juridisch motto. Zo ook hier in Brillen Rottler: wie een AVG-inbreuk uitlokt door opzettelijk persoonsgegevens aan te bieden en dan de ander aan te spreken op noncompliance, kan wegens misbruik van recht worden tegengehouden.

De achtergrond van de zaak klinkt als iets dat ik vaker heb gezien. De eisende partij had zich ingeschreven voor de nieuwsbrief van opticien Brillen Rottler, en vervolgens een inzageverzoek gedaan met de kennelijke hoop de opticien op een inbreuk te kunnen betrappen.

Brillen Rottler herkende de man (kennelijk wordt er breed geroepen dat dit een professioneel AVG-inbreukspeurder is) en weigerde zijn verzoek met een beroep op misbruik van recht. Waarop de man 1000 euro schadevergoeding eiste bij de rechter wegens geen gehoor geven aan zijn inzageverzoek.

Dat eindigde dus bij de hoogste Europese rechter, die nu bepaalt dat dat wel degelijk een vorm van misbruik is.

Allereerst: waar staat dat in de wet? Artikel 12 lid 5 AVG geeft als enige grond dat “kennelijk ongegronde of buitensporige” verzoeken mogen worden afgewezen. Dit was één verzoek, dus moeilijk dat ‘buitensporig’ te noemen zou je denken. Maar het Hof ziet dit als een kwalitatief en niet een kwantitatief criterium: ook één verzoek kan buitensporig zijn, mits aan twee eisen is voldaan:

[T]en eerste een reeks objectieve omstandigheden waaruit blijkt dat, ondanks de formele naleving van de voorwaarden van de Uniewetgeving, het doel van die wetgeving niet is bereikt; en ten tweede een subjectief element, bestaande uit de intentie van de betrokkene om een ??voordeel te behalen uit de Uniewetgeving door kunstmatig de voorwaarden te scheppen om dat voordeel te verkrijgen.
Allereerst moet je verzoek dus niet een ‘echt’ AVG-doel dienen. Dat gaat bij inzage met name om het kunnen controleren en zo nodig laten corrigeren van je gegevens. Dat was hier niet echt aan de orde: je weet wat je invulde bij de nieuwsbriefinschrijving.

Het tweede element is subjectiever: “kunstmatig de voorwaarden scheppen” om mensen op een inbreuk te betrappen. Daarbij mag je meenemen dat meneer dit vaker doet, zodat de indruk duidelijker is dat hij het niet om dat ‘echte’ doel doet.

De zaak is terugverwezen voor de benodigde feitelijke inschatting, maar de hint is wel duidelijk dat deze meneer niet 1000 euro rijker de zaal zal verlaten.

Arnoud

Chatapps mogen vanaf april in EU niet meer scannen op beelden van kindermisbruik

Alexandra_Koch / Pixabay

Chatdiensten zoals WhatsApp mogen vanaf 3 april berichten niet langer scannen op beelden van kindermisbruik, las ik bij Tweakers. De ophef ging toch over of ze dat móesten? Inderdaad, maar dit is een ander aspect van de discussie.

Al sinds 2022 is er ophef over een EU-wetsvoorstel dat communicatiedienstverleners zoals chatdiensten wil verplichten om berichten (en daar bij behorende afbeeldingen) te screenen op misbruik. Dit impliceert namelijk onder meer het moeten doorbreken van end-to-end encryptie en het lezen van alle berichten, wat laten we zeggen een tikje ver gaat.

Het communicatiegeheim bij dit soort diensten is verankerd in de stokoude ePrivacy-richtlijn, artikel 5 lid 1:

De lidstaten garanderen via nationale wetgeving het vertrouwelijke karakter van de communicatie en de daarmee verband houdende verkeersgegevens via openbare communicatienetwerken en via openbare elektronische-communicatiediensten. Zij verbieden met name het afluisteren, aftappen, opslaan of anderszins onderscheppen of controleren van de communicatie en de daarmee verband houdende verkeersgegevens door anderen dan de gebruikers, indien de betrokken gebruikers daarin niet hebben toegestemd, tenzij dat bij wet is toegestaan overeenkomstig artikel 15, lid 1.
Om het mogelijk te maken dat aanbieders dergelijke scans kunnen doen, bestond er sinds 2021 een tijdelijke verordening die een wettelijke basis hiervoor creëerde om zo de “tenzij dat bij wet is voorzien”-uitzondering te triggeren.

De uitzondering stond meelezen en controleren toe voor zover dat “strikt noodzakelijk is” voor

het gebruik van specifieke technologie met als enig doel onlinemateriaal betreffende seksueel misbruik van kinderen op te sporen, te verwijderen en te melden aan rechtshandhavingsinstanties en organisaties die in het algemeen belang optreden tegen seksueel misbruik van kinderen, en het benaderen van kinderen op te sporen en te melden aan rechtshandhavingsinstanties of organisaties die in het algemeen belang optreden tegen seksueel misbruik van kinderen;
Dit was ingestoken als een tijdelijke regeling, die af zou lopen op 3 april 2024 maar werd verlengd tot en met komende 3 april.

Een nieuwe verlenging stond in de steigers, maar is dus vastgelopen in politieke discussie. Het voorstel uit maart van het Europees Parlement lijkt daar splijtzwam in te zijn geweest. Tweakers legt uit:

Zo wil het [Europees] Parlement niet dat het scannen geldt voor berichten die eind-tot-eind versleuteld zijn. Het Parlement wil ook niet dat ieders berichten gescand kunnen worden, maar alleen die van mensen waarvan een rechter vermoedt dat ze verbonden zijn aan het maken of verspreiden van kindermisbruikmateriaal.
De kern hierachter is dat men massasurveillance wilde verbieden. Maar technisch is het lastig om onderscheid te maken tussen gewone mensen en mensen met enige verdenking dat ze misbruikmateriaal uitwisselen. Natuurlijk, als er een justitiële verdenking geldt dan kun je daarop acteren maar dan ben je niet meer aan het scannen – dan werk je mee aan een gericht onderzoek. Scannen is bedoeld om een breder net uit te werpen.

Wijzigingen van dit niveau vereisen instemming van de Raad van Ministers, maar die wilde er niet aan. Nieuwe gesprekken zullen niet op tijd iets opleveren, dus per 3 april vervalt dan de mogelijkheid om op vrijwillige basis te scannen.

Of iedereen daar daadwerkelijk mee stopt, is een open vraag. Het belang is vrij duidelijk, en de infrastructuur draait al jaren prima. Tussen de regels door lees ik dat we een paar maanden later een nieuwe tijdelijke verlenging mogen verwachten, wat tijdelijk stoppen dan helemaal onzinnig maakt.

Arnoud

Bits of Freedom krijgt ook in hoger beroep gelijk over keuzevrijheid op Instagram

Photo by Zhivko Minkov on Unsplash

Nederlanders behouden de keuzevrijheid om zelf te bepalen hoe hun tijdlijnen op Instagram en Facebook eruitzien, zo meldde Nu.nl vorige week. In hoger beroep bepaalde het Gerechtshof Amsterdam dat Meta gewoon moet zorgen voor een keuze tussen een algoritmische en een ‘gewone’ tijdlijn. En dat dus dankzij Bits of Freedom.

Vorig jaar oordeelde de rechter dat Meta de gebruikerskeuze moet respecteren:

In dit geval ging het om wat het vonnis “aanbevelingssystemen” noemt, zeg maar je feed met berichten. Vroegâh was dat simpel omgekeerd-chronologisch: de nieuwste eerst. Nu gebruikt men termen als “for you”, “Most relevant” of “hot” en moet je maar hopen dat je alles ziet dat je wil zien.
Het probleem was toen niet zozeer dat er geen nieuwste-eerst feed was, maar dat die lastig aan te zetten was en ook nog eens vanzelf terugfloepte naar een algoritmische doomscrolling feed. Dat mocht dus niet van de Digital Services Act uit 2022 en och jeetje kermde Meta toen, dat kunnen wij écht niet in een paar weken inbouwen.

Dat leidde tot een executiegeschil een maand later, dat weinig opleverde voor het databedrijf. Daarop was men in hoger beroep gegaan, waar begin deze maand uitspraak werd gedaan. En ook hier blijft alles bij de originele uitspraak.

Vooruit, Meta kreeg gelijk dat haar “v-knopje” voor het keuzemenu wel degelijk voldoet. Volgens BoF was dat niet duidelijk genoeg, maar het Hof vindt dat het “v” symbool een gebruikelijk symbool voor een keuzemenu is.

Wel weer heel mooi: het Hof ziet dat dwangsommen voor Big Tech problematisch zijn, wat men eufemistisch “de financiële toestand van Meta Ierland” noemt. Meestal impliceert die term dat iemand te weinig geld heeft. Maar hier is de zorg dat de dwangsommen te snel het plafond raken en dat Facebook dan niets meer zal doen. Daarom verhoogt men dat plafond gelijk maar even naar tien (was vijf) miljoen Euro.

Arnoud

 

“Ruim 60 procent gemeentewebsites deelt illegaal data met Google”

Photo by Caleb on Unsplash

Ruim 60 procent van de websites van Nederlandse gemeenten deelt data met Google, zoals IP-adressen van bezoekers, voordat gebruikers toestemming hebben gegeven. Dat meldde Tweakers onlangs. Het gaat onder meer om YouTube-embeds en Google Fonts.

Het bericht is gebaseerd op onderzoek van Nixon Digital. Zo wordt gemeld:

In meer dan de helft van de gevallen ging het om YouTube-embeds met trackingcookies. Die sturen data door, zelfs als bezoekers de video niet afspelen. Dat is te voorkomen door de embed vanaf een ‘nocookie’-domein te serveren. Ook Google Fonts en Google Analytics kwamen veel voor. Fonts kunnen sitebeheerders zelf hosten.
En dit is precies de kern van het probleem. Nee, dit mag niet – er gaan dan persoonsgegevens naar de VS zonder duidelijke AVG-grondslag. Terwijl er een technisch prima alternatief is, zoals hier genoemd. Dit “illegaal” noemen is een groot woord, maar juridisch-technisch niet onjuist. Maar het is ook de bestaande praktijk.

Voor mij is dit een evident symptoom van hetzelfde probleem als waarom we niet naar soevereine, Europese dienstverlening gaan. Die is er niet, althans niet met het gemak en de bekendheid (en dus lage kosten) waarmee Big Tech nu beschikbaar is. Een oplossing op basis van Google rol je zo uit.

De alternatieven vereisen werk en dus tijd en geld, met een lastig verhaal waarom. En dan houdt het snel op. Zeker in kleinere organisaties zoals gemeentes, waar de technische kennis toch al schaars is en de prioriteiten (terecht hoor) niet liggen bij datasoevereiniteit en AVG-compliance van je Wmo-aanvraagformulier.

Ik vrees dat hier geen eenvoudige oplossing voor is. Van iedere individuele organisatie is niet te verwachten dat ze ‘gewoon’ over gaan, want die tijd en kosten zijn lastig te rechtvaardigen.

We moeten het collectief doen. En dat kan maar op één manier, namelijk door wetgeving die dit verplicht mét een mechanisme voor dwang. En dan bedoel ik niet “de AVG”, want die is er al en die helpt niet. Een inkoopverbod voor overheden bij niet-Europese leveranciers zou wel helpen. Maar eenvoudig zal het niet zijn.

Arnoud

 

Mag je een gesprek met de leraar op school ongevraagd opnemen? Ja, maar soms is het niet verstandig

Onlangs was er in Zwolle commotie over een vader die een gesprek met de school van zijn dochter wilde opnemen, zo bracht het ND onlangs. De school weigerde gesprekken te voeren als hij dat zou doen. En dat is een pijnpunt dat velen zullen herkennen.

De zaak kwam bij de Landelijke Klachtencommissie Onderwijs (LKC) die eind januari uitspraak deed. De samenvatting van de klacht is recht voor z’n raap:

Klager klaagt erover dat het schoolbestuur instemt met het besluit van de schooldirecteur om geen gesprek met hem aan te gaan, vanwege de uitdrukkelijke wens van klager om een geluidsopname van het gesprek te maken.
De discussie over als burger of consument gesprekken opnemen met bedrijven of instanties loopt al een hele tijd. Dat is niet strafbaar, ook niet als je het niet meldt. Maar organisaties verweren zich er vaak toch tegen, bijvoorbeeld door zoals hier te stellen dat ze dan het gesprek niet wensen te voeren.

Nou kan dat – de privacy van de betrokken medewerkers is óók een grondrecht – maar een onderbouwing daarvan kom ik maar niet tegen. De vader had wél een verhaal:

Klager hecht eraan een gesprek op te nemen, zodat hij op een later moment terug kan luisteren wat er is gezegd, ter ondersteuning van zijn herinnering. Het kunnen terugluisteren van een gesprek schept duidelijkheid voor alle betrokken partijen en kan bijdragen aan het opbouwen en behouden van vertrouwen in elkaar.
Cynisch als ik soms ben, vrees ik dat “schept duidelijkheid en bouwt en behoudt vertrouwen” in angstgedreven organisaties ongewenst is. In een gesprek kun je informeel iets zeggen dat dan opgepakt wordt als formele toezegging of harde belofte. Achteraf op schrift zetten wat je éigenlijk wilde toezeggen is dan comfortabeler.

De school had ook een argument:

Het opnemen van gesprekken tussen ouders en medewerkers van de school past niet bij de wijze waarop de school gesprekken wil voeren met ouders. Het getuigt volgens de school niet van vertrouwen en samenwerking en komt het gevoel van veiligheid niet ten goede. … Wanneer een gesprek wordt opgenomen, brengt dit een bepaalde sfeer mee. De gespreksdeelnemers zullen, bewust of onbewust, minder vrijuit spreken.
Ook waren er zorgen over het openbaar worden van de opnames, waar de vader al van had aangegeven dat zéker niet te doen.

De argumenten van de school zijn echter algemeen. De LKO bepaalt echter dat de argumenten specifiek over dát gesprek moeten gaan. Waarom is dit onderwerp te gevoelig, waarom komt hier de privacy van de medewerker in het geding of worden de belangen van de leerling in kwestie onevenredig geschonden.

De school had dus niet met enkel deze algemene woorden mogen weigeren het gesprek te voeren. Ook wordt het ze verweten geen beleid te hebben:

De Commissie merkt tot slot op dat van een professionele onderwijsinstelling mag worden verwacht dat zij, gelet op de maatschappelijke ontwikkelingen, rekening houdt met en voorbereid is op de wens van ouders om gesprekken op te nemen en dat zij daar zorgvuldig en concreet onderbouwd mee omgaat.
Veel scholen zijn daar al, en ik juich dat ook zeer toe. De wens om duidelijkheid en behouden van vertrouwen zie ik als een zeer legitieme. Maar inderdaad moet je hier beleid over maken zodat je categorieën kunt onderscheiden. Een gesprek over je eigen kind opnemen voelt ergens anders dan een gesprek over het functioneren van de leerkracht die tegenover je zit. Dán kan dat veel eerder overkomen als aanvallen (“en we nemen het op ook mannetje”), dus dat zou ik als leerkracht weigeren.

Meelezende ouders, heeft jullie school beleid over opnemen van oudergesprekken?

Arnoud

Microsoft moet stoppen met volgen van scholier via trackingcookies, ook bij ons?

Photo by Ali Dashti on Pexels

Een lezer vroeg me:

Onlangs heeft een scholier in Oostenrijk bij zijn nationale toezichthouder (DSB) geklaagd én gelijk gekregen over het gebruik van trackingcookies in Microsoft 365 Education. De toezichthouder stelde dat Microsoft niet over de vereiste wettelijke grondslag beschikt om door middel van trackingcookies de gegevens van de scholier te verwerken en moet het hiermee binnen vier weken stoppen. Als ik me hier in Nederland op beroep, moet mijn onderwijsinstelling dan ook stoppen met mij tracken? Deze software zit vaak vol met verplichte trackers en rommel.
Deze scholier, bijgestaan door het bekende noyb van Max Schrems, heeft inderdaad bij de Oostenrijkse Autoriteit Persoonsgegevens een uitspraak afgedwongen dat Microsoft deze minderjarige niet mag volgen. De grondslag daarvoor was niet zozeer de AVG, als wel de cookiewet (ePrivacy richtlijn) die veel strenger is en eigenlijk altijd toestemming eist, tenzij de cookies strikt noodzakelijk zijn voor de gevraagde dienst.

Tracking is in dat verband nooit noodzakelijk, want als je dat uitzet dan werkt je dienst nog steeds. Noodzaak wordt bekeken vanuit het perspectief van de gebruiker, niet van de dienstverlener. Dus “zonder tracking leren we niets en kunnen we als bedrijf niet verbeteren” is geen argument. En natuurlijk moet de noodzaak onderbouwd zijn, enkel roepen dat iemand dit wil vanwege een prettiger gebruikservaring is verre van voldoende.

Toestemming was niet gevraagd, kennelijk omdat men zich wilde beroepen op het eigen gerechtvaardigd belang. Het ging alleen om first party cookies en beperkte tracking binnen de eigen software. Dus dat beroep zie ik wel. Maar dat mag niet, want cookies kunnen alléén met toestemming geplaatst als ze niet technisch nodig zijn.

In Nederland is er iets bijzonders aan de hand: onze cookiewet bevat een nationale ‘kop’ die toestemmingsloze tracking toestaat “om informatie te verkrijgen over de kwaliteit of effectiviteit van een geleverde dienst van de informatiemaatschappij”, zeg maar first-party tracking.

Vereist daarbij is dat “dit geen of geringe gevolgen heeft voor de persoonlijke levenssfeer van de betrokken abonnee of gebruiker”. Dat is in feite een wettelijk vastgelegde regeling van gerechtvaardigd belang.

Deze zaak zou in Nederland dus waarschijnlijk anders uitpakken bij dezelfde soort first-party tracking cookies zonder wezenlijke privacy-impact. Toestemming is niet nodig, want het gebruik is toegestaan binnen dat scherpe kader. Uiteraard moet de onderwijsinstelling wel kunnen onderbouwen dát de privacy niet of slechts gering wordt geraakt.

(Zelf heb ik altijd enige twijfels gehad bij of Nederland dit wel mág, die scherpe regel uit de Europese ePrivacy richtlijn zo afzwakken. Daar is nooit over geprocedeerd, en dat zal ook niet snel gebeuren.)

Arnoud