Over bewijs in het recht

| AE 4691 | Informatiemaatschappij | 32 reacties

De term ‘bewijs’ en wat bewijs bewijst, kwam vorige week in de whatsappvonnisdiscussie langs. Daarbij kreeg ik een gevoel dat ik al vaker had: mensen lezen iets over “bewijs”, constateren dat wat de rechter zegt niet per se 100% altijd juist is en concluderen dat de rechter dús digibeet is, dat het vonnis geen stand zal houden en/of dat de rechtspraak belachelijk is. Ehm.

De term “bewijs” kennen we uit de wetenschap. Als iets bewezen is, dan is het zo. Daar kan geen twijfel over zijn; wie het wil verifiëren kan zijn gang gaan want een wetenschappelijke stelling moet falsifieerbaar zijn. Ik werd vroeger aan de TU doodgegooid met discussies over dat je van software kunt bewijzen dat deze foutloos is. Of dat kan, weet ik nog steeds niet, maar ik heb er wel een onbedwingbare neiging aan overgehouden om bij elke IT-gerelateerde kwestie te gaan zoeken naar foutjes, afwijkende situaties, uitzonderingen en bijzondere gevallen.

En volgens mij doet elke IT-er dat. Er is een flauwe grap over wat voor antwoord je krijgt als je een formule op het bord tekent. De wiskundige: “Wat mooi!” De natuurkundige: “Wat betekent dit in de praktijk?” De econoom: “Hoe kun je daar geld mee verdienen?” De IT-er: “Als je X=-5/8 invult, deel je door nul.” (En, oké, extra flauw: de taalwetenschapper: “Wilt u daar frietjes bij?”)

Het recht is echter geen wetenschap (maar een kunst) en hanteert dan ook niet die wetenschappelijke definitie. Iets bewijzen in het recht komt neer op de rechter mee laten gaan in jouw standpunt, meer niet. Hij moet er redelijkerwijs van overtuigd zijn dat je gelijk hebt. Of nou ja, in het civiele recht – wat wij hier meestal bespreken. Dus wanneer is er sprake van een contract, wanneer is er schade aangericht, wie is aansprakelijk voor welke handeling, etcetera. In het strafrecht (foei je gaat de cel in als je dat doet) geldt een strengere regel: wettig en overtuigend bewijs. De rechter moet ervan overtuigd zijn dat de verdachte schuldig is, er mag geen redelijke twijfel meer zijn.

Een bijzonder aspect daarbij is dat de rechter eigenlijk alleen mag werken met het bewijs dat de partijen hem aandragen. Plus, als partijen het ééns zijn over een bepaald feit, dan moet de rechter daarin meegaan. Hij mag niet zomaar dat feit zelf ter discussie stellen. Dus in de Whatsapp-situatie van vorige week: stel de werkgever had gezegd “ja dat bericht zal ongetwijfeld zijn binnengekomen maar in het arbeidscontract staat duidelijk dat je moet béllen” dan is bewezen dat het bericht is aangekomen. De rechter mag dan niet zelf zeggen “hoor eens, we wéten helemaal niet of dat bericht is aangekomen want twee vinkjes zegt niets”, ook niet met een beroep op Danny Mékic 😉 De partijen zijn het dan eens en dús moet de rechter mee.

Uitzondering daar weer op is als de partijen er niet over gáán, over dat feit. Als eiser en gedaagde samen zeggen dat ze getrouwd zijn, maar uit het bevolkingsregister blijkt van niet, dan zijn ze toch niet getrouwd. Maar dat is zelden aan de orde.

Verder zijn -in tegenstelling tot in de IT- theoretische problemen geen issue. Pas als er aanwijzingen zijn dat het probleem zich wérkelijk voordoet (in de telefoon van werkgever is het berichtje niet aanwezig) dan gaan we kijken waar dat door kan komen. Ik vind dat ook wel zo praktisch: waarom problemen erbij gaan zoeken als je al met een groot probleem (namelijk een rechtszaak) zit?

Bewijs in het recht heeft dus niets te maken met bewijs in de wiskunde. Het is niet meer dan “wie klinkt het meest geloofwaardig”. Dat mag je een risico vinden, maar in de zaak kunnen beide partijen dat prima betogen (al dan niet met deskundigen erbij) en een oplossing zoeken. Als ze daar behoefte aan hebben.

Arnoud

Deel dit artikel

  1. Grappig dat je hier vandaag over schrijft. Vorige week las ik net dat ‘men’ in Nederland, net als sommige andere landen in Europa meer richting prove-driven rechtspraak wil gaan. Ik weet alleen niet meer waar ik dat heb gelezen. Of wat het nu precies inhoudt. En dat ging waarschijnlijk over strafrecht.

    • Inderdaad. Móet aannemen, zelfs. Hij mag niet zelf dan tegenbewijs gaan zoeken maar moet formeel de wederpartij dan uitnodigen te reageren (“Goh eiser zegt X, heb ik dat goed begrepen meneer gedaagde?”).

      Uitzondering is dus als de partijen daar niet over gaan. Stel eiser zegt dat hij getrouwd is met gedaagde, die dat neit ontkent. Dat is niet hun beslissing, dus dat mag de rechter zelfstandig besluiten te negeren.

      • In de Whats-app zaak gaan beide partijen er tog ook niet over wat nou precies 2 vinkjes betekenen? De maker van Whats-app heeft dat bepaald.

        Mag de rechter wel zelf onderzoek doen om te bepalen of de partijen zeggenschap over iets hebben? Dat de staat gaat over wie getrouwd is en wie niet, weet bijna iedereen, maar er kunnen ook gevallen zijn dat iemand niet uit zijn hoofd weet wie waarover gaat.

        • Ik was niet helemaal precies: het gaat om rechtsgevolgen die niet vrij door partijen bepaald mogen worden. Wat twee vinkjes betekenen, is een feit en geen rechtsgevolg. Het rechtsgevolg zou zijn “de ziekmelding heeft de werkgever bereikt” (als je art. 3:37 BW er naast legt). En dat rechtsgevolg is te bepalen door de partijen.

          Dit lijkt me typisch iets waar de rechter wat sturender moet zijn: “ik hoor u nu zeggen, wij zijn getrouwd, maar dat kunt u niet zomaar bepalen, waar is de akte?”

          Een andere voorbeeld is als je met een mediator werkt en contractueel afspreekt dat deze strikte geheimhouding betracht en niet als getuige bij een rechtszaak mag optreden. Als de rechter hem tóch wil horen dan moet hij. En dan is dus de vraag, mogen partijen afspreken dat iemand geen getuige mag zijn? Zie deze zaak voor een analyse van de dilemma’s.

          • Laten we het leuker maken: beide partijen beweren “God bestaat niet” tijdens een proces. Dat gaat nog leuk worden als een (atheistische) rechter dit in het vonnis meeneemt. Ik zie de kranten al voor me “Rechter: God bestaat niet.”

            Of misschien beweren beiden iets dat politiek erg incorrect is maar dat niet direct als vals bewezen kan worden. “Blanken zijn dom”, “Socialisten maken misbruik van de domheid van kiezers” of “Hetero’s zijn minderwaardig”.

            • Het kan nog leuker. De ene partij beweert een buitenaards wezen te zijn uit een naburig zonnestelsel. De tegenpartij weerspreekt dit niet maar beweert dat deze buitenaardse persoon desondanks zich aan de Nederlandse wetgeving dient te houden en dus direct de rondreis om de maan moet aanbieden of anders wil hij de 50 Euro aanbetaling terug… Dan sta je als rechter wel heel vreemd te kijken en moet je dus beslissen of de wet inderdaad op buitenaardse personen van toepassing is, anders ben je als rechter niet bevoegd om in die zaak te oordelen… 🙂

              • Ik zou als rechter daar pragmatisch omheen fietsen: Wat er ook zij van de beweerde afkomst van gedaagde, feit is dat de overeenkomst beheerst wordt door Nederlands recht. Immers de prestatie op grond waarvan betaling wordt gevorderd is in Nederland geleverd. Verder is deze rechtbank bevoegd want gedaagde heeft geen verdrag aangewezen dat een andere rechtbank bevoegd zou verklaren.

                Ook zou de rechtbank als feit van algemene bekendheid kunnen opvoeren dat er geen aliens op Aarde zijn, en daarmee alsnog de stelling van gedaagde onderuit halen. (En nee, vage aluhoedjessite halen dat feit niet onderuit.)

              • Die aanklacht tegen de Orthodoxe kerk in Roemenie is daarbij wel interessant, zeker als deze bij een Atheistische Rechter wordt neergelegd. 🙂 In die kwestie twijfelen de eiser en de gedaagte ook niet over het bestaan van een God. Het probleem is alleen dat de eiser van mening is dat deze God had moeten voorkomen dat de eiser door de duivel bezeten werd, want hij was toch een vrome gelovige? Dus dat hij iemand vermoord heeft en daarvoor 20 jaar de cel in moest is niet zijn schuld, maar de schuld van God en zijn vertegenwoordigers hier op aarde, te weten de Orthodoxe kerk. Het is een interessante kwestie die in Nederland een keer zou moeten plaatsvinden. De kerk doet immers beloftes namens God en indien deze beloftes kennelijk niet worden nagekomen, is de kerk dan verantwoordelijk voor de schade? Of om het anders te stellen: De kerk kondigt aan dat de Wereld door God vernietigd zal worden op 12 December 2012. Veel gelovigen besluiten dan ook om meteen hun baan op te zeggen, verkopen al hun spullen om proviant in te slaan om de acopalyps door te komen of om nog een donatie te doen aan de kerk in de hoop dat God hen dan opneemt in de hemel. En dan is het 13 December en de wereld is nog steeds niet vergaan. Oeps! Is de kerk dan verantwoordelijk te stellen voor al die schade? Maar goed, dan kun je dit ook doortrekken naar een andere situatie. Een aantal wetenschappers probeert de schade te voorspellen die ontstaan door aardbevingen. Ze voorspellen dat er een aardbeving aankomt maar dat deze wel mee zal vallen. Okay, er is een kleine foutmarge dat het toch erger wordt, maar waarschijnlijk vallen er wat schilderijen van muren en zo. De aardbeving komt en blijkt veel verwoestender dan verwacht, met enorme schade en verlies van levens. Zijn deze wetenschappers dan verantwoordelijk voor het feit dat er geen veiligheidsmaatregelen waren genomen? De rechter heeft in Italie bepaalt dat ze inderdaad verantwoordelijk zijn… Godsdienst is eigenlijk net zoiets. Mensen doen aannames dat er een God is en in al die tienduizenden eeuwen zijn er aannames op aannames bij gekomen. Vanaf het Agnostische “er is een God maar verder weten we niets” tot het absolute van moderne religies “Wij weten wat God wil en jullie moeten luisteren of anders gaan jullie koppen rollen”, het blijven allemaal kwesties vol aannames en onzekerheden. Zelf hou ik het erop dat ik na mijn bord wakker word voor een of ander high-tech apparaat dat zegt: “Game over. Your score is 10.534.866.431.955. Insert quarter to play again…” waarbij ik hoop dat ik dan nog een kwartje op zak heb. 🙂

        • Ik weet 99% zeker dat zo’n beslisboom onmogelijk is. Ja, er is de tak van de rechtsinformatica die zulke dingen wil doen, en over intelligent agents in het recht worden ook regelmatig dure congressen gehouden maar in de praktijk kom je niet verder dan de simpele gevallen waar toch niemand over gaat procederen.. En daarna loop je vast op de moeilijke gevallen.

          Om een voorbeeld te noemen: de rechter mag iedere uitkomst anders maken als hij meent dat de uitkomst naar redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Implementeer dát maar eens.

        • @Siegert: Mr en LL.M. zijn universitaire titels. Een ‘wetenschappelijke’ titel bestaat niet.

          Wel vind ik dat Arnoud het erg zwart-wit, of eigenlijk Angelsaksisch, stelt. Voor die ‘kunsten’ gebruiken we in het Nederlands wel degelijk regelmatig de term ‘wetenschappen’, en wel ‘alfawetenschappen’. Die worden in Angelsaksische landen inderdaad aangeduid als ‘arts’ en als je een universitaire graad daarin haalt dan ben je ‘Master of Arts’. Wat jij de kunstacademie noemt, dat zijn eigenlijk ‘vrije kunsten’, ofwel ‘liberal arts’.

          Betawetenschappen worden aangeduid als ‘science’ en onze ingenieur (ir.) is dan ook een ‘Master of Science’.

          Rechten en psychologie noemen we ‘gammawetenschappen’ en die zitten tussen de alfa- en betawetenschappen in. In Angelsaksische landen ben je na je universitaire gammawetenschappelijke opleiding inderdaad ‘Master of Arts’. Maar om nou heel die tak van sport via die route weer tot ‘kunst’ te benoemen, dan gaat er wel wat lost in translation.

            • Dat hangt ervanaf Niels,

              In Psychology the differences between and an M.A. and an M.S often varies depending on the school conferring the degree, but as a general rule an MA curriculum will focus more on theoretical and applied topics while an M.S. focuses more on rigorous empirical research. An MSW is offered by some schools with a specialization in clinical psychology.
              http://www.alleydog.com/psychology-degrees.php

              • @Richard: En het overgrote merendeel van de psychologen is MSc vanwege de nadruk op statistiek en empirisch onderzoek, óók in de klinische psychologie. @Arnoud: “Op mijn diploma van de UVA staat dat ik me naast mr. ook “Master of Laws” (LL.M.) mag noemen, en niets over “master of arts” of “master of science”. Mis ik nu iets? (Ik ben óók M.Sc. maar vanwege mijn TU-opleiding eind jaren negentig.)” Nee, LLM is de titel die ‘mr.’ moet gaan vervangen met de overgang naar het Bachelor-Master stelsel, zodat ‘buutnlaanders’ ook snappen wat je doet en op welk niveau dat is. Een advocaat mag dus de titel MA of MSc niet voeren, tenzij die een bijbehorende opleiding heeft gevolgd. Andersom mag ik als psycholoog geen LLM of MA voeren, maar is dat ‘gewoon’ MSc (zodra ik mijn master heb afgerond dan ;).).

  2. Inderdaad. Daarbij zou ik nog willen toevoegen dat in het civiele recht een onderscheid wordt gemaakt tussen het stellen van feiten/rechten en het bewijzen van die feiten/rechten. De rechter mag alleen feiten en rechten in zijn beslissing als grondslag nemen, als die feiten/rechten in het proces aan zijn kennis is gekomen. Hoofdregel is dat de rechter gestelde feiten/rechten (“Whatsapp bericht is aangekomen”) als vast staand moet beschouwen als deze niet of niet voldoende worden betwist. In het vonnis zie je in zo’n geval terug komen dat de wederpartij “onvoldoende heeft betwist” dat er sprake zou zijn van, bijvoorbeeld, ontvangst van een Whatsapp bericht. Soms is alleen het stellen van feiten niet voldoende, en moet je ook bewijs leveren (“Kijk, ik heb twee vinkjes achter het Whatsapp bericht). Zo’n feit staat dan ook vast, tenzij de wederpartij tegenbewijs kan leveren (“Ja, kan wel zijn dat je twee vinkjes hebt, maar je hebt het naar je moeder gestuurd en niet naar mij”). Als de wederpartij dat niet doet dan zal een rechter beslissen dat “onvoldoende bewezen is” dat er sprake zou zijn van een bepaald feit/recht.

  3. Goed stuk, bedankt. Ik zou er nog aan willen toevoegen dat ook bewijs in de wetenschap niet helemaal zwart-wit is. Over het algemeen wordt er in de wetenschap gesproken over “statistisch significant” of “de p-waarde is kleiner dan 0.05”. Kortom, in de wetenschap en rechtspraak wordt met verschillende regeltjes gewerkt over wat een bewijs is (en deze regeltjes worden in de wetenschap opgeschreven door wetenschapsfilosofen, en in de rechtspraak door de wetgever). Dat er verschillende regeltjes zijn is logisch: het doel is namelijk anders. Het doel van rechtspraak is tot een uitspraak te komen. Het doel in de wetenschap is kennis te verzamelen. In de wetenschap is het te accepteren als de zoektocht een paar generaties kost, in de rechtspraak heeft een uitspraak na een paar generaties over het algemeen niet zoveel zin meer.

Laat een reactie achter

Handige HTML: <a href=""> voor hyperlinks, <blockquote> om te citeren en <em> en <strong> voor italics en vet.

(verplicht)

Volg de reacties per RSS