Sinds wanneer zijn Youtube-video’s bewijs van feiten van algemene bekendheid?

| AE 12016 | Regulering | 10 reacties

Wanneer mag de rechter internetbronnen gebruiken als bewijs, en maakt het daarbij uit of ze zoeken naar feiten van algemene bekendheid? Die vraag speelt al enige tijd, en in twee recente rechtszaken kwam de vraag weer langs. Daarom even de gelegenheid om een en ander weer op te frissen. Want als de raadsheren van de Hoge Raad nu ook al gaan kijken wat “you tube” zoal in de aanbieding heeft en wat dat strafrechtelijk zegt, dan moet ik daar ook wat van vinden volgens mij.

De directe aanleiding was deze strafzaak waarin de Hoge Raad ingaat op de overweging van het Gerechtshof dat “een contactslot van een scooter/bromfiets met bouten is vastgemaakt en eerst kan worden verwijderd en/of vervangen door de plastic kap van het voertuig los te schroeven” kan worden aangemerkt als een feit van algemene bekendheid. Dit was relevant omdat het opzettelijk verwijderen van een slot bijdraagt aan het bewijs dat de scooter gestolen is. Het Gerechtshof had eerder op Youtube gekeken (en noemt dat “you tube” in het arrest).

In een strafzaak moet wettig en overtuigend bewezen zijn dat je het gedaan hebt – in dit geval heling van die scooter. Sommige feiten zijn zo duidelijk dat ze geen bewijs nodig hebben. Dat noemen we feiten of omstandigheden van algemene bekendheid (art. 339 lid 2 Strafvordering). Kort gezegd gaat het om gegevens die ieder van de rechtstreeks bij het geding betrokkenen geacht moet worden te kennen of die zonder noemenswaardige moeite uit algemeen toegankelijke bronnen te achterhalen zijn. De achterliggende gedachte is dat processen eindeloos zouden worden als je ieder detail, hoe vanzelfsprekend ook, in de volste zin van het woord zou moeten bewijzen met een bron. (Waarom doet dat me nou aan trollende forumdiscussianten denken.)

Specifiek voor internetbronnen geldt (aldus eerder de HR) dat een gegeven dat aan een internetbron is ontleend “van algemene bekendheid” is wanneer dat gegeven geen specialistische kennis veronderstelt en de juistheid daarvan redelijkerwijs niet voor betwisting vatbaar is. In die zaak had het Gerechtshof geoordeeld dat Aloë capensis niet hetzelfde is al Aloë vera en dus niet mag worden ingevoerd. Het Gerechtshof had dit gebaseerd op gegevens die het had ontleend aan “bronnen op het internet die uit dien hoofde als algemeen bekend worden verondersteld althans in elk geval in de onderhavige procedure”.

In deze zaak bijvoorbeeld had het Hof via Google Maps de plaatselijke gesteldheid op of aan de openbare weg rondom een voor de zaak relevante plaats vastgesteld. Dit was een feit van algemene bekendheid (in casu: dat de woning van de getuige recht tegenover een schuifhek was gelegen waar een verdachte overheen geklommen was). Voor deze constatering was dus geen nader bewijs nodig. Logisch ook, de situatie op de weg is wat deze is, daar is verder geen discussie over mogelijk.

Echter, de enkele omstandigheid dat een bepaald gegeven aan openbare bronnen op het internet kan worden ontleend, brengt op zichzelf nog niet mee dat zo een gegeven daarom een feit of omstandigheid van algemene bekendheid is in de hier bedoelde zin. Gezien deze uitspraak is het logisch dat het Hof in de helingzaak de fout in was gegaan. Dat een Youtubevideo laat zien dat een contactslot van een bromfiets goed vastzit, is op zich een feit. Het voelt logisch om te concluderen dat het slot er dan niet zomaar af zal breken bij een val, maar dat is bij lange na nog niet hetzelfde als dat het een feit van algemene bekendheid is.

Wat moet je nou doen als rechter als je met een “feit van algemene bekendheid zit”? In principe niets: geen rechtsregel dwingt de rechter ertoe een algemeen bekend gegeven bij het onderzoek op de terechtzitting ter sprake te brengen. Maar als er ook maar enige twijfel is, dan moet de rechter dat gegeven aan de orde te stellen bij de behandeling van de zaak op de terechtzitting. Zo kunnen de partijen daarop reageren, bijvoorbeeld met tegenbewijs waarom het niét algemeen bekend is.

Dit volgt uit de ACAB-zaak uit 2011. In die zaak oordeelde het Hof dat de betekenis van de afkorting A.C.A.B. als “All Cops Are Bastards” als een feit van algemene bekendheid heeft te gelden. Dit had het Hof vastgesteld met een zoekopdracht in Google, maar niet vooraf met partijen besproken. Omdat de zaak speelde in 2007 en het Hof in 2009 had gegoogeld, ontstond daarbij ook nog eens de complicatie dat het aantal treffers niet doorslaggevend kon zijn: wat was immers de situatie ten tijde van het feit? Nieuws over deze zaak werd zo wijdverbreid opgepakt dat in een latere zaak over die afkorting de HR oordeelde dat ondertussen de betekenis van deze term wél algemeen bekend was.

Wanneer een rechtbank zelf uitgaat van bronnen van derden, en het betreft géén feiten van algemene bekendheid, dan schendt zij het beginsel van hoor en wederhoor wanneer zij dit pas in het vonnis voor het eerst meldt. In deze zaak ontbrak het Hof het aan feiten over een softwarepakket, waarop zij zelf ging zoeken (“De bewindvoerder heeft geen informatie overgelegd over de werking van het Smart FMS systeem, maar het internet (www.smartfms.nl) biedt wel enige informatie.”). Aldus had de bewindvoerder geen enkele kans gehad te protesteren tegen deze conclusie of te proberen te bewijzen dat dit wél een nuttig systeem voor zijn cliënt was.

In de praktijk lijkt mij het verstandigste om bij op internet gevonden informatie standaard deze aan partijen voor te leggen, tenzij het gaat om echt zuiver feitelijke informatie waarover geen discussie kan zijn. Dat is natuurlijk lastig als je pas ná de zitting ontdekt dat je een stukje feitelijkheid mist, maar ik zie geen andere oplossing.

Arnoud

Een kopie identiteitsbewijs bewijst niet dat je een contract sloot

| AE 11895 | Ondernemingsvrijheid | 42 reacties

Leuk als je via internet contracten sluit en mensen kopie identiteitsbewijs laat opsturen, maar het bewijst niets. Dat vonniste de rechtbank Rotterdam onlangs. Telecombedrijf Tele2 dacht zo’n 1800 euro te krijgen van een internetklant wegens niet-betaalde abonnementskosten en restprijs telefoon, maar liep tegen het bekende probleem aan dat iedereen wel via internet een contract kan afsluiten op andermans naam. Het is eigenlijk een wonder dat het zo vaak goed gaat met online contracteren, want als het misgaat dan heb je als bedrijf echt een serieus probleem.

De uitspraak opent als een standaardverhaal. Er was een contract gesloten voor mobiele telefonie met een telefoon op afbetaling, de rekeningen werden niet betaald dus er werd afgesloten en een incasso opgestart om het geld toch te krijgen. Dat komt vaker voor.

Nieuw was dat de abonnee nu stelde het contract nooit aangegaan te zijn. Niet hij, maar zijn ex-partner, zou dat hebben gedaan. Tele2 wees erop dat het webformulier voor het abonnement netjes was ingevuld, dat er een kopie identiteitsbewijs was ontvangen en dat er een cent was geïncasseerd vanaf de bankrekening van de gedaagde. Dat is standaard voor heel veel bedrijven en zou dus bewijs moeten zijn.

Toch niet. Want iedereen kan wel zo’n formulier invullen, dus dat bewijst niets. Sterker nog, in dit geval bleek een adres te zijn ingevuld waar de gedaagde niet woonde, dus welke check Tele2 uitvoert op die informatie is niet geheel duidelijk. Ook de kopie van identiteitsbewijs en bankpas leveren niets op: dat bewijst alleen dat de inzender daarvan die dingen had, niet dat hij de genoemde persoon is. Hetzelfde geldt voor de ene cent: bewijst dat Tele2 de incasso kon doen maar niet dat de eigenaar van die rekening het contract is aangegaan.

Oh ja, en bij de handtekening op het aanvraagformulier stond ook nog eens “i.o.”, waardoor je vrij zeker weet (als jurist dan) dat dit niet door de abonnee zelf getekend is. Het kan natuurlijk, dat je iemand machtigt om namens jou een abonnement af te sluiten, maar het is handig om dan even de machtiging op te vragen. Allemaal niet gebeurd.

Hoe moet het dan wel? Het is natuurlijk erg lastig als je niet bij de persoon zelf bent om vast te stellen met wie je te maken hebt. Alle stukken die je krijgt, zijn mogelijk vervalst of gestolen. Alle personen die je spreekt, kunnen onbekenden zijn die zich voordoen als de abonnee. Toegang tot het GBA heb je niet, dus je weet niet zeker naar welk adres je het contract moet sturen. En elke keer iemand langssturen die een identiteitscheck doet, is ook zo wat.

Ik blijf dus met de conclusie zitten dat e-commerce eigenlijk alleen maar goed gaat omdat de meeste mensen geen oplichters zijn.

Arnoud

Beter blijf je van je telefoon en WhatsApp af als de ACM binnenvalt

| AE 11666 | Regulering, Security | 20 reacties

De Autoriteit Consument & Markt (ACM) heeft aan een bedrijf een boete van 1.84 miljoen euro opgelegd omdat ze een onderzoek van de ACM heeft belemmerd. Dat meldde de toezichthouder onlangs. Medewerkers van het bedrijf dat wordt onderzocht voor het maken van concurrentievervalsende afspraken, hebben WhatsApp groepen verlaten en chats gewist tijdens een inval van de ACM. Die viel daar binnen omdat het bedrijf werd verdacht van overtreding van de Mededingingswet, zeg maar kartelvorming. En dan is het natuurlijk wel héél erg de bedoeling dat iedereen van zijn spullen afblijft en geen bewijs gaat zitten vernietigen.

De inval gebeurde in 2018, het bedrijf wordt niet genoemd omdat het onderliggende onderzoek naar die kartelvorming nog niet is afgerond. Het bedrijf zou met andere bedrijven samenspannen om de markt te verpesten, maar vanwege anonimisering is niet precies duidelijk op welke manier. Het zou bijvoorbeeld prijsafspraken kunnen zijn (samen gelijkluidende offertes maken, of afspreken dat de rest even wat hoger offreert zodat jij deze keer de opdracht krijgt), of samen coördineren hoe een concurrent uit de markt te houden, of ga zo maar door.

In ieder geval iets dat de ACM ernstig genoeg vond om een onaangekondigde inval te doen. Doel daarvan is om bewijs te vergaren om de zaak rond te krijgen, iets wat lastig is omdat dergelijke verboden afspraken (“onderling afgestemde feitelijke gedragingen”) natuurlijk niet formeel in notulen vastliggen. In dit geval bleken medewerkers dus WhatsApp in te zetten om af te stemmen met die andere partijen – althans waarschijnlijk, want vlak na de inval bleken mensen uit relevante groepen te zijn gestapt en chats te hebben gewist.

De ACM was daar natuurlijk niet blij mee, maar het is goed te lezen dat de directie zelf dat ook niet was:

Volgens de advocaat hebben zij, toen hij en de leidinggevende medewerker rond 13:30 uur erachter kwamen dat één van de hierboven genoemde werknemers chats had gewist, de relevante werknemers van de Onderneming onmiddellijk de instructie gegeven van al hun app-berichten af te blijven en uit geen enkele app-groep te stappen dan wel berichten te wissen.

Het bedrijf gaf vervolgens volledige medewerking aan het onderzoek en verstrekte zelfs meer informatie dan waar ze van de wet verplicht toe waren. Dat laat voor mij wel zien dat dit geen bewuste tactiek was om die berichten te laten wissen en dan te zeggen “ja sorry eigengereide medewerker, had niet mogen gebeuren”.

Desondanks kiest de ACM er voor om een boete van 1.8 miljoen euro op te leggen, als duidelijk signaal dat dit écht niet door de beugel kan. En vooral als signaal dat je als werkgever moet zorgen dat je werknemers dit niet kunnen doen, ook niet op eigen houtje. Ik verwacht dus dat de nodige bedrijven nu beleid gaan maken dat WhatsApp niet meer mag en/of dat de chats centraal gelogd moeten worden. Maar ja, als mensen de Mededingingswet willen gaan overtreden dan verzinnen ze daar ook weer een oplossing voor.

Arnoud

Mag de politie de telefoon van een getuige leegtrekken?

| AE 11564 | Regulering | 13 reacties

Via Twitter een ietwat verontrustend item van de BBC over speciale apparatuur waarmee de politie telefoons in één keer geheel uit kan lezen. Die technologie wordt ingezet bij arrestaties, maar kennelijk ook bij telefoons van getuigen. En dan heb ik het over alles, van foto’s tot chatberichten, cache-informatie en prullenbakbestanden. De journaliste vraagt zich af… Lees verder

Hoe bewijs je of een creditcard echt of vals gebruikt wordt?

| AE 11473 | Informatiemaatschappij | 8 reacties

Stel er wordt een creditcard op je naam aangevraagd en gebruikt, hoe bewijs je dan dat jij dat niet was? Met die vraag zag een man in Noord-Holland zich onlangs geconfronteerd, toen hij werd gedagvaard door American Express wegens het niet voldoen van de schuld die op die kaart was opgebouwd. De kaart was via… Lees verder

Politiekorpsen VS mogen Ring-video’s eeuwig bewaren en onbeperkt delen, en bij ons?

| AE 11469 | Privacy, Regulering | 7 reacties

Politiekorpsen in de VS die van buurtbewoners video’s ontvangen van slimme deurbel Ring mogen dat beeldmateriaal eeuwig bewaren en onbeperkt delen met bijvoorbeeld andere korpsen of overheidsinstanties. Dat las ik bij Tweakers. Het vervolgt eerdere berichten dat Ring in de afgelopen jaren samenwerkingsovereenkomsten heeft gesloten met vierhonderd korpsen in de VS, die zo toegang krijgen… Lees verder

Mijn mailadres was fout en de webwinkel stuurt me nu incassokosten!

| AE 11390 | Ondernemingsvrijheid | 9 reacties

Een lezer vroeg me: Een tijd geleden had ik wat besteld bij een webwinkel, maar kennelijk een typefout in mijn mailadres gemaakt. Het bestelde is geleverd, en nu twee maanden later krijg ik een brief van een incassobureau of ik even de prijs plus incassokosten wil betalen, anders gaan ze dagvaarden. Het klopt dat ik… Lees verder

Politie brengt app uit waarmee slachtoffer onderzoek kan doen naar misdrijf

| AE 11299 | Regulering | 14 reacties

De Nederlandse politie en het openbaar ministerie brengen op 1 juni een app uit waarmee burgers zelf onderzoek kunnen doen naar het misdrijf waar ze slachtoffer van zijn geworden. Dat meldde Tweakers maandag. Mensen kunnen onder andere getuigeninterviews afnemen en foto’s als bewijs uploaden. Het gaat om een kleinschalige proef in zes basisteams in vier… Lees verder