Verslag juridische studiemiddag over Internetrecht 2.0

| AE 649 | Informatiemaatschappij | 1 reactie

Vandaag was ik bij de studiemiddag Internetrecht 2.0 van de Vereniging voor Media- en Communicatierecht. Voor iedereen die helaas niet in kon gaan op mijn uitnodiging hierbij een verslag.

User-generated content

habbopliesie Mr. Kamiel Koelman (Bousie Advocaten) opende de middag met het onderwerp user-generated content. Hieronder wordt verstaan muziek, films maar ook bijvoorbeeld kleding of meubi’s voor virtuele werelden zoals Second Life of Habbo. Ook op zulke content rust natuurlijk auteursrecht, en dat biedt mogelijkheden om gebruik en misbruik van zulke objecten te bestrijden.

De lezing was vooral een samenvatting van de jurisprudentie rond aansprakelijkheid voor dienstverleners. Een beetje jammer, want het zou toch ook gaan over keiharde euro’s voor virtuele objecten, eigendom en virtuele diefstal?

Zoekmachines en privacy

<BR/>Privacy
Mr. Madeleine McLaggan-van Roon van het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) bespreekt de juridische dilemma’s rond persoonsgegevens op internet.

Nieuwe vormen van communicatie, het gebruik van zoekmachines en het toenemend gebruik van internet waren aanleiding voor het CBP om concept-richtsnoeren over persoonsgegevens op internet uit te geven. Ook is men van plan om via de site Mijnprivacy modelbrieven en praktische informatie over privacy op internet te publiceren. Zou dat genoeg zijn? Het CBP treedt niet op in individuele gevallen maar richt zich op de grote lijn. Wie vindt dat zijn privacy geschonden is, zal dus naar de rechter moeten.

Persoonsgegevens mogen in principe alleen met toestemming van de persoon in kwestie (de betrokkene) worden verwerkt. Zonder toestemming moet er echt een zwaarwegende noodzaak zijn, zoals bijvoorbeeld beveiliging. Minderjarigen (mensen onder de 16) moeten hun ouders om toestemming vragen voordat zij op forums, weblogs of andere sites mee mogen doen.

Ook moet de verantwoordelijke de betrokkenen informeren over het doel van de verwerking, en daarnaast zijn eigen identiteit melden. Dat is lastig voor sites door particulieren. De concept-Richtsnoeren stellen als compromis voor dat in dit geval het publiceren van een in Nederland uitgegeven e-mailadres voldoende is.

De uitzondering voor journalisme bleek een lastig spanningsveld. Journalisten hoeven namelijk minder rekening te houden met de regels van de WBP. Zij mogen dus persoonsgegevens in artikelen publiceren, ook op internet. En terwijl gewone sites persoonsgegevens moeten weghalen zodra ze niet meer nodig zijn, hoeft de media dat niet.

Er ontstond nog enige consternatie bij de aanwezige journalisten toen mevrouw McLaggan-van Roon leek te suggereren dat bij journalisme een “recht op repliek” zou horen, en dat het CBP dit zou gaan afdwingen. Dat was niet de bedoeling: volgens McLaggan was het recht op repliek slechts één van de aanwijzingen om te bepalen of iemand onder die uitzondering voor journalisme zou vallen. Een site zonder deze mogelijkheid zou zich gewoon aan de volledige set regels van de WBP moeten houden, en niet het lichtere regime voor journalisten. In hoeverre de WBP zich daarin verhoudt met de vrije nieuwsgaring (art. 10 EVRM) is iets dat zich door jurisprudentie moet ontwikkelen, maar je moet ergens beginnen, aldus McLaggan.

Aansprakelijkheid van providers

Na de pauze opende Christiaan Alberdingk Thijm (SOLV Advocaten) de discussie over aansprakelijkheidsvraagstukken bij Web 2.0 met een quiz: wat hebben Pulp Fiction, L. Ron Hubbard en een plastic alien-masker met elkaar gemeen en waarom is dat belangrijk voor providers? Precies. En dank voor de fles wijn.

Een provider die als puur doorgeefluik opereert, is niet aansprakelijk voor wat hij doorgeeft zolang hij maar niet filtert wat er langskomt. Een provider kan dus niet worden aangesproken voor e-mail, peer-to-peer filesharing en andere dingen die klanten verzenden. Voor een hosting provider geldt hetzelfde, maar hij wordt aansprakelijk als hij dan niet optreedt zodra iemand een overtuigend klinkend verhaal van inbreuk door een klant vertelt.

In de jurisprudentie is daar nog bij verzonnen dat providers hun klanten moeten identificeren als de klant iets onrechtmatigs doet (waar het Europese Hof van Justitie nog iets van gaat vinden binnenkort). Nog onduidelijk is de vraag of providers klanten moeten kunnen identificeren.

Hoe zit dat nu met zoekmachines? In principe zijn die niet aansprakelijk voor zoekresultaten, omdat zij niet redelijkerwijs kunnen nagaan of de informatie in zoekresultaten correct is. Mensen die onjuiste informatie publiceren, kunnen wel veroordeeld worden om deze uit Google te laten halen.

Ondertussen ontwikkelen providers als XS4All en eBay een systeem van “notice and takedown“, een procedure waarmee klachten van rechthebbenden worden behandeld. Niet alleen voor inbreuk op auteursrecht of smaad, maar ook bijvoorbeeld bij verkoop van namaak op Marktplaats.

Audiovisuele media op internet

<BR/>WWW
Als laatste sprak Inge Brakman (voorzitter Commissariaat voor de Media) over de nieuwe richtlijn voor audiovisuele mediadiensten. Deze richtlijn zal ook gaan gelden voor audiovisuele mediadiensten die via het internet worden aangeboden, zoals bijvoorbeeld Flickr of Youtube.

Doel van deze richtlijn is namelijk technologie-onafhankelijke regels te stellen. Het gaat niet meer om televisieprogramma’s, maar over audiovisuele mediadiensten. Daaraan worden, afhankelijk van een aantal kenmerken, verschillende regels gesteld. Is er bijvoorbeeld sprake van massamedia, wordt het gratis en zonder advertenties aangeboden en in hoeverre kan de kijker invloed uitoefenen op wat hij zal zien?

De richtlijn liberaliseert het regime rond reclame; er mag meer, alleen product placement mag nog steeds niet. Bij kinderprogramma’s blijven wel strenge regels gelden. Regels over advertentie- en popupblokkeersoftware gingen net iets te ver. Wel interessant is het verbod op al te luide reclame.

Ook een belangrijke vraag is welk land het recht moet krijgen om een bepaalde zender, pardon mediadienst te reguleren. Het land waar het materiaal gemaakt wordt? Waar de BV gevestigd is? Waar het materiaal gehost wordt? Waar de inhoud zich op richt? Waar het meest naar de dienst gekeken wordt? Waar het in strijd is met lokale wetgeving?

Voor Nederland zijn dit allemaal lastige kwesties. Onze mediawet en -regels zijn relatief soepel, zeker vergeleken met sommige andere landen. Wij hechten veel waarde aan zelfregulering. Hoe kunnen we dat systeem blijven handhaven met deze nieuwe richtlijn? Met die vraag -en een plaatje met een toezichthoudende helikopter- sloot mevrouw Brakman haar lezing af.

Na een interessante discussie konden we allemaal gezellig aan de borrel. Hoi Madeleine! 🙂

Arnoud

Deel dit artikel

Laat een reactie achter

Handige HTML: <a href=""> voor hyperlinks, <blockquote> om te citeren en <em> en <strong> voor italics en vet.

(verplicht)

Volg de reacties per RSS