Meningsuiting op internet ook grondwettelijk beschermd

| AE 1078 | Ondernemingsvrijheid, Uitingsvrijheid | 18 reacties

Grondrechten gelden ook gewoon op internet. Dat lijkt logisch, maar het is toch goed om te zien dat dat principe ook in de rechtspraak gevolgd wordt. In een recent vonnis van de Europese strafkamer van de rechtbank Amsterdam wordt een uitlating op internet als “minder openbaar” aangemerkt dan bijvoorbeeld radio of televisie. Daarom zal er bij uitlatingen op internet minder snel sprake zijn van strafbare belediging of discriminatie.

Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is het belangrijkste verdrag voor grondrechten in Europa. Het recht op vrije meningsuiting wordt in dit verdrag gegarandeerd. Een inbreuk daarop mag alleen als dat bij wet geregeld is, de inbreuk noodzakelijk is om de goede naam of rechten van anderen te beschermen, en de maatregel ook nog eens de best passende (minst erge) remedie is om die anderen te beschermen.

Belediging, smaad, laster, haatzaaien en dergelijke zijn in het Wetboek van Strafrecht verboden. Een strafrechtelijke vervolging mag dus in principe, maar de staat moet hier wel heel terughoudend mee zijn. Het is tenslotte een zeer zwaar middel. In veel gevallen kun je het beter overlaten aan de beledigde of besmade persoon zelf om bij de rechter actie te ondernemen (of niet natuurlijk). En de vervolging moet ook nog eens noodzakelijk zijn om die anderen te beschermen. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens legt dit strikt uit: er moet een “dringende maatschappelijke noodzaak” zijn, een dringend algemeen belang, om op te treden tegen een meningsuiting. Dat zal er niet snel zijn – zeker als het gaat om politieke discussie mag je erg veel zeggen.

In deze zaak vond de rechtbank dat de uitlatingen wel degelijk beledigend bedoeld waren. Het waren vooral grove woorden zonder dat daar nu enige bijdrage aan een debat uit op te maken was. Maar: deze werden geuit op een forum, en voor strafbare belediging moet je in het openbaar gesproken of gepubliceerd hebben. En dat was hier niet het geval. De rechtbank vroeg zich af

of de groepen in kwestie redelijkerwijs tegen de beledigende uitlatingen konden aanlopen, en dus ongevraagd met de uitlatingen geconfronteerd konden worden, zonder zich daartegen te kunnen beschermen. Als verdachte de uitlatingen in zodanige openbaarheid had gedaan dat mensen er onverhoeds tegenaan zouden lopen, zou het opzet op de openbaarheid zonder meer zijn komen vast te staan. Aannemelijk is echter dat verdachte juist door de keuze voor het forum [naam forum] in de veronderstelling verkeerde – en ook de bedoeling had – dat zijn uitlatingen slechts door een klein groepje gelijkgestemden zouden worden gelezen. Zijn opzet was derhalve gericht op een beperkte mate van openbaarheid.

Je moest met andere woorden echt actief op zoek naar deze uitlating. Het was zelfs nodig om je te registreren op het forum voordat je het kon lezen. Je kon er niet onverhoeds tegenaan lopen, aldus de rechtbank. Daarmee vindt de rechtbank deze uitlating wezenlijk anders dan een mededeling op radio of televisie, waar je zomaar onverhoeds tijdens het zappen tegenaan kunt lopen.

Deze Europese strafkamer heeft nog meer uitspraken waarin aan het EVRM werd getoetst, gedaan. En dat is ook precies het doel van deze afdeling van de rechtbank: in het verleden werd niet altijd even expliciet nagegaan of een inbreuk op een grondrecht eigenlijk wel mocht gezien het EVRM. Vandaar dit samenwerkingsverband tussen de afdelingen strafrecht van de rechtbanken van Amsterdam, Alkmaar en Haarlem.

(Bedankt, Piter!)

Arnoud

Deel dit artikel

  1. En de vervolging moet ook nog eens noodzakelijk zijn om die anderen te beschermen. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens legt dit strikt uit: er moet een ???dringende maatschappelijke noodzaak??? zijn, een dringend algemeen belang, om op te treden tegen een meningsuiting. Dat zal er niet snel zijn – zeker als het gaat om politieke discussie mag je erg veel zeggen.

    Dit gelezen hebbende plaatst het de aktie van het OM tegen Nekschot in een nog meer apart daglicht dan het al stond.

  2. Komop, Arnoud, lees die uitspraak goed. De rechtbank heeft hier opzichtig geblunderd. Natuurlijk betrof het hier een openbaar forum (kijk eens bij de voorbeelden die wikipedia geeft van populaire internetfora bij “internetforum”. geen onomstreden bron natuurlijk, maar toch). Je hoefde je alleen te registreren om berichten te PLAATSEN, niet om ze te lezen. Verder heeft de rechtbank blijkbaar nog nooit van google gehoord (een ongelukkige combinatie van zoektermen en hop je zat op polinco) of van hyperlinks. Ten slotte heeft de rechtbank blijkbaar geen flauw idee van hoe het Meldpunt (whats in a name?) Discriminatie Internet werkt. Het speuren op internet naar discriminatie behoort nadrukkelijk niet tot hun takenpakket en werkwijze (zie meldpunt.nl). Het MDI heeft aangifte gedaan nav van meldingen en vertegenwoordigde daarmee natuurlijk wel beledigde individu?n, in tegenstelling tot wat de rechtbank blijkbaar denkt.

    Deze uitspraak zal in hoger beroep geen stand houden. Zeker niet nu de rechtbank behalve de openbaarheid alle noodzakelijk onderdelen voor een veroordeling wel aanwezig achtte (de uitlatingen waren “onmiskenbaar beledigend en onnodig grievend” en ook de opzet was gericht op de belediging als zodanig en niet op bijvoorbeeld enige bijdrage aan een maaschappelijk debat).

    Van europees recht hadden de drie rechters vast veel verstand, van internet zeker niet! En dat heeft geresulteerd in wellicht de meest stupide rechterlijke uitspraak over internet(vooral lachen dat schermen met popups en ‘gemaskeerde links’) die ik ooit gelezen heb.

  3. Inderdaad, je kon het lezen zonder registratie. Dat maakt het argument iets zwakker, maar toch. Hoe typ je per ongeluk een zoekopdracht in bij Google? Je ziet dan bovendien hooguit een fragmentje, en je moet zelf klikken om kennis te nemen van het hele bericht.

    Hoe komt de rechtbank erbij dat het Meldpunt actief internet afspeurt? Dat moet iemand ze verteld hebben. Raar dat daar niemand tegen geprotesteerd heeft dan.

    Het stukje over popups en cloaked links vond ik wat vergezocht, maar stupide? Nee. Er zijn genoeg spams en phishing attacks die van dat soort trucs gebruik maken. Als ik op die manier ongewenste pagina’s op mijn scherm krijg, is goed te verdedigen dat de verantwoordelijke mij die mening aan het opdringen is.

    Hoe dan ook, de cruciale vraag blijft: hoe openbaar is de uitlating? En ik vind het terecht dat een internetforum minder openbaar is dan een televisieprogramma.

  4. Natuurlijk valt over de werking van google te discussi?ren. Maar je moet bedenken dat een forum met veel deelnemers, veel activiteit en waar veel naar gelinkt wordt, standaard hoog in de zoekresultaten van google komt. Als je op zoek bent naar informatie over een bepaald onderwerp en juist die zoekterm komt op polinco voor, is de kans groot dat je dat forum bezoekt omdat je denkt dat daar de informatie te halen is, niet wetende wat voor ranzigheid er verder op dat forum staat. Dat lees je pas als je er al bent, maar dan heb je al ‘onverhoeds’ kennis genomen van de informatie. Natuurlijk zijn er manieren om informatie actiever en agressiever op te dringen, maar dat doet niet af aan het feit dat ook een internetforum openbaar is.

    Overigens is in de rechtspraak mbt openbaarheid in de zin van art.137c e.v. in de afgelopen 50 jaar een ander criterium doorslaggevend geweest. Opzet op de openbaarheid is al aangetoond als willens en wetens het risico is genomen dat anderen tegen hun wil geconfronteerd worden met de beledigende uitlating. Als iemand een beledigend spandoek uit zijn raam hangt, dan is de opzet op de openbaarheid al aangetoond door het risico dat gelopen wordt dat iemand die uiting zal zien. OF iemand daadwerkelijk de tekst op het sandoek heeft gelezen, is eigenlijk al niet meer relevant. In dit geval had polinco de openbaarheid simpel kunnen voorkomen door een password op het forum te zetten. Doordat joshadam wist dat polinco dat niet had, het forum dus openbaar te lezen was en hij er toch voor koos zijn denkbeelden op dat forum openbaar te maken, zou toch genoeg moeten zijn om de opzet op de openbaarheid aan te tonen. Misschien ook aardig om te weten dat anderhalf jaar geleden een zeeuwse rechter de webmaster van een zeeuws gabberforum heeft veroordeeld ondanks het feit dat hij een password op het forum had. Het forum (vol met racisme en discriminatie) was niet te vinden via google of anderszins, alleen gaf hij iedereen die het wilde het password, zodoende had een groep van 30 mensen die hij niet persoonlijk kende toegang. Daar stelde de rechter ook vast dat het forum openbaar is. Een aardige tegenstelling met de Amsterdamse rechters..

    Ik weet niet of de rol van het Meldpunt Discriminatie Internet niet goed is weersproken. Ik weet dat de OvJ in zijn requisitoir de rol van het MDI correct heeft uitgelegd. Daarbij hebben rechters natuurlijk ook een eigen onderzoeksplicht en als de werkwijze van het MDI zo cruciaal is (en daar heeft het alle schijn van), dan hadden ze best even op de website van het MDI kunnen kijken.

    Ten slotte de vergelijking met de tv. Een televisieprogramma is ongetwijfeld de ultieme vorm van openbaarheid (al hangt dat ook weer af van het tijdstip en de zender etc. Een uiting gedaan om 4.30 op een dinsdagavond op een regionale friese zender is wellicht minder openbaar dan een uiting op prime time nederland 1). Wellicht is een internetforum minder openbaar dan een tv-programma. Maar dat maakt niet uit. Het gaat om openbaar of niet openbaar. Niet om meer of minder openbaar. Iemand die midden op de dam gaat schreeuwen dat alle negers dood moeten heeft ongetwijfeld ook een kleiner bereik dan menig tv-programma, terwijl we daar niet twijfelen aan de openbaarheid, nietwaar? Iets als semi-openbaar bestaat m.i. niet. Wel zou de rechter bijvoorbeeld de hoeveelheid mensen die bereikt is met een uiting mee kunnen wegen in de strafmaat. Maar in eerste instantie lijkt mij de vraag OF de uiting openbaar is en pas eventueel bij de strafmaat HOE openbaar de uiting was zodat een straf kan worden uitgekozen die passend is bij de mate waarin de rechtsorde is aangetast.

  5. In het bericht van Niels komt dit ook al tot uitdrukking, maar het ging de rechtbank niet zozeer om de vraag of het internetforum openbaar was, maar of het opzet mede was gericht op het bestanddeel “in het openbaar”.

    (Dat dit nodig is volgt overigens niet uit de tekst van art. 137c Sr waarin “in het openbaar” vooraf gaat aan “opzettelijk”. Uit de jurisprudentie van de HR volgt echter dat er ook opzet moet zijn op “in het openbaar”. HR 30 september 2003, NJ 2004, 189, LJN AG3813.)

    Ik ben het met Niels eens dat het niet gaat om de “mate” van openbaarheid. (Auw, ik zie nu dat het vonnis het daar inderdaad echt over heeft.) Een internetforum dat zonder registratie is te lezen is zonder meer openbaar.

    Er lijkt mij ook duidelijk sprake van opzet op “in het openbaar” in de vorm van noodzakelijkheidsbewustzijn. Misschien zijn de teksten niet geplaatst met de bedoeling om door het publiek te worden gelezen, maar de schrijver moet zich ervan bewust zijn geweest dat de plaatsing van de teksten noodzakelijkerwijs tot gevolg had dat deze teksten op het internetforum te lezen waren.

    Ik vind het vonnis uitermate moeilijk te volgen. De rechters lijken vooral te worstelen met de toepassing van art. 10 EVRM. Een logische lijn kan ik in ieder geval niet ontdekken. Hoe verklaar je dat in 3.3 wordt geconcludeerd dat er slechts opzet was op een beetje openbaar, en dat daaruit in 3.4 wordt geconcludeerd dat de teksten zelf niet beledigend zijn, althans niet als zodanig mogen worden gekwalificeerd? De rechtbank laat vaten communiceren die niet kunnen communiceren.

    De rechtbank leest in art. 137c Sr allerlei extra voorwaarden in, blijkbaar onder het mom van art. 10 EVRM maar zonder goede uitleg. Het resultaat is voor mij onbegrijpelijk.

    Wat de rechtbank m.i. had moeten doen is heel simpel: 1. Stel vast of aan de voorwaarden van art. 137c Sr is voldaan. Zo nee, vrijspraak. 2. Zo ja, stel vast of een veroordeling in strijd zou zijn met art. 10 EVRM. 3. Zo ja, laat art. 137c Sr buiten toepassing (art. 94 Grondwet) met ontslag van alle rechtsvervolging tot gevolg. 4. Zo nee, veroordeel.

    Complicatie is dat ook de HR bij zijn uitleg van art. 137c Sr al lijkt rekening te houden met de eisen van art. 10 EVRM, maar dan door iets pas een belediging in de zin van art. 137c Sr te noemen als de context daar ook aanleiding toe geeft. De rechtbank probeert ook zoiets, maar het vonnis staat vol met ongerijmdheden. Neem de laatste zin van de 1e alinea van rov. 3.3. Dat het opzet van de verdachte ergens op was gericht moet uit de bewijsmiddelen volgen, niet uit de jurisprudentie van het EHRM!

    En dat “in het licht van het EVRM” het er voor opzet op “in het openbaar” iets toe doet dat het Meldpunt op zoek zou zijn gegaan, of dat de teksten de getroffen groepen niet zou hebben bereikt, is ook onbegrijpelijk. Of verandert het EVRM iets aan de normale betekenis van “in het openbaar”? Dan moet de rechtbank dat helder uitleggen (inclusief verwijzingen naar die jurisprudentie).

    Overigens vind ik de obligatoir aandoende opmerking over het “niet van enig gevoel voor medemenselijkheid of respect getuigen” persoonlijk nogal storend.

  6. Men toetst inderdaad nogal indirect of aan 137c is voldaan. De route is precies andersom dan jij schetst: men kijkt of voldaan is aan de beperkingen die artikel 10 EVRM toestaat, en omdat dat niet het geval is, kan er geen sprake zijn van overtreding van art. 137c Strafrecht.

    Ik las het als volgt. Een uitleg van “in het openbaar” die er toe leidt dat een internetforum zoals polinco “openbaar” is, is niet noodzakelijk in een democratische samenleving. Het begrip ‘openbaar’ wordt dan disproportioneel opgerekt, meer dan nodig is om de rechten van anderen te beschermen. Daarmee mag die uitleg niet. “Openbaar” moet je dus meer lezen als televisie-achtige openbaarheid. En zulke openbaarheid is niet bewezen, zodat aan 137c niet is voldaan.

    Ik vind daar wel wat inzitten. Je moet actief op zoek gaan naar zo’n uitlating. Op polinco kom je niet zomaar. Om dan te zeggen “een spandoek op straat is een openbaarmaking, dus een forum op internet ook” gaat mij echt te snel. Al was het maar omdat mensen ongevraagd met een spandoek geconfronteerd worden, terwijl je voor een uitlating op een forum echt zelf op dingen moet klikken.

    Een betere vergelijking zou zijn een bord in mijn achtertuin. Je kunt door het tuinhekje naar binnen, maar vanwege de hoge schutting kun je op straat niet zien wat er op dat bord staat. Het lijkt me niet dat dat openbaar is. Je moet zelf actief mijn tuin betreden om het bord te zien. Dan neem je een risico dat je iets onwelgevalligs zult lezen. Gezien de anarchistische pamfletten en graffiti op de schutting, en de punkmuziek die uit de tuin opklinkt, kun je je wellicht een beeld vormen van wat dat gaat zijn. Ik vind het dan niet nodig om dat bord als strafbare belediging te kwalificeren.

    Staat het in mijn voortuin, dan is het een ander verhaal. Daar komen fietsers langs die van niets weten en ineens die mening zien.

    Je opmerking over de laatste alinea van 3.3 begrip ik niet. De rechtbank betitelt de uitlatingen als “niet bijdragen[d] aan het maatschappelijk debat” en “met het gebruik van particularly strong terms”. Goed, ze zetten er niet letterlijk bij waarom, maar uit die twee criteria volgt volgens vaste EHRM-jurisprudentie inderdaad dat vermoeden van “aanranding van de goede naam van anderen”. Er was kennelijk niets om dat vermoeden te weerleggen, dus de opzet van verdachte was gericht op beledigen.

  7. Misschien heb ik me niet duidelijk genoeg gemaakt. Op polinco kwam je dus wel zomaar. Ik heb de rol van google in mijn eerste alinea van het vorige stuk al uitgelegd. Ook bij onschuldige zoektermen kon je met gemak op polinco terecht komen (het was immers een groot en actief forum en er werd veel naar gelinkt dus hoge notering in de zoekresultaten) en al lezend in een topic ongevraagd en onverwacht met de beledigende uitingen worden geconfronteerd.

    Ook gaat daarom de vergelijking met je achtertuin mank. Je kunt bij gebruik van google simpelweg niet weten wat voor forum polinco is. In algemene geldt dat: je kunt de relevantie van zoekresulaten pas plaatsen als je op de site hebt gekeken en je hebt vergwist van de aangeboden informatie. Ook bij polinco: pas nadat je de extreem racistische en beledigende teksten hebt gelezen heb je een idee van de aard van de site. Maar dan is het al te laat en ben je ‘onverhoeds’ met de uitingen geconfronteerd. Jouw tuin-voorbeeld veronderstelt dat iemand die op polinco kwam WIST wat voor forum dat zou zijn en daarom ZOU MOETEN WETEN dat daar beledigende teksten zouden kunnen staan. Die veronderstelling is simpelweg onjuist en mede daarom de veronderstelling dat je actief naar de uitlatingen op polinco op zoek moest gaan.

  8. “Goed, ze zetten er niet letterlijk bij waarom, maar uit die twee criteria volgt volgens vaste EHRM-jurisprudentie inderdaad dat vermoeden van ???aanranding van de goede naam van anderen???.”

    Ik zie niet in hoe uit EHRM-jurisprudentie een bewijsvermoeden kan volgen. Wat in ieder geval onmogelijk is, is dat dit vermoeden uit art. 10 EVRM volgt. Art. 10 EVRM en de daarop gebaseerde jurisprudentie kan slechts ten gunste en nooit ten nadele werken van de persoon die een beroep doet op vrijheid van meningsuiting.

    Art. 10 lid 2 EVRM vormt een beperking van het recht op vrije meningsuiting, maar kan onmogelijk in de nationale rechtsorde doorwerken als een verbod of bewijsvermoeden of iets dergelijks.

  9. @Niels: sorry, maar bij elk zoekresultaat moet je zelf klikken om de tekst te zien te krijgen. Dat is wat anders dan op straat een spandoek zien hangen, daar hoef je niets voor te doen. Bij het voorbeeld van mijn achtertuin moet je ook een tuinhekje openen om te zien wat ik op dat bord heb staan. En als jij willekeurige sites gaat aanklikken, tsja, dan neem je zelf een risico dat je iets onwelgevalligs te zien krijgt.

    Ik was nog benieuwd wat voor onschuldige zoekwoorden iemand zou kunnen intypen om resultaten van Polinco op pagina 1 te krijgen?

    @bona fides: art. 10 lid 2 EVRM geeft gronden waarop de vrije meningsuiting ingeperkt mag worden. Daar speelt onder andere de vraag of de inperking ‘noodzakelijk’ is. Het EHRM heeft daarbij criteria als “bijdrage aan het maatschappelijk debat” en “particularly strong terms” ontwikkeld. Een “offensive” uitlating in “particularly strong terms” die geen bijdrage aan dat debat levert, mag al snel worden ingeperkt als deze andermans rechten schendt.

    Uit de EHRM-jurisprudentie kan dus de conclusie volgen dat een verbod op deze uiting gerechtvaardigd en noodzakelijk is. Dat kan dus prima een bewijsvermoeden opleveren voor ‘beledigend’: als het noodzakelijk is om deze in sterke en nodeloos kwetsende mening in te perken, zou dat best kunnen zijn omdat het beledigend is.

    Nogmaals, men begint hier bij artikel 10 en niet volgens de door jou geschetste systematiek van eerst 137c toetsen en dan artikel 10 als excuusbrief opvoeren. Eigenlijk vind ik deze aanpak wel zuiverder. Artikel 10 EVRM gaat tenslotte altijd boven ons nationaal strafrecht. Het doet raar aan om dan te constateren dat iets een strafbare belediging is en vervolgens deze toch toe te laten omdat artikel 10 de uitlating beschermt. Dan heb ik liever een uitleg van 137c Strafrecht die ervoor zorgt dat beschermde uitlatingen per definitie geen belediging kunnen zijn.

  10. @Arnoud: natuurlijk moet je klikken binnen de google-zoekresultaten om de tekst te zien te krijgen op een site. Maar dat betekent niet dat je dan weet of moet weten wat er zich op de site bevindt. Zoals je zelf zegt kan je maar een paar regels lezen. Mbt zoektermen is het bekendste voorbeeld de zoekterm “jew”. Als je dat in google intikt, is het derde zoekresultaat jewwatch.com. Dat is een site die gericht is tegen de joden en waarschuwt tegen een joodse samenzwering en staat vol met beledigende uitingen gericht tegen joden. Maar dat weet je pas als je die site leest en niet als je de twee regels binnen google leest. Je bent dan toch niet actief op zoek naar beledigende uitingen?

    Dat je op deze manier met uitingen geconfronteerd wordt, is toch juist de ultieme vorm van openbaarheid? Jouw redenering volgend zou iedereen al vooraf moeten (kunnen) weten welke informatie zich op een website bevindt, bijvoorbeeld adhv die paar regels bij de google-zoekresultaten. Maar dat is dus niet zo.

    Tegen de redenering “als je willekeurige sites gaat aanklikken, dan loop je het risico dat je iets onwelgevalligs te zien krijgt” valt niets in te brengen. Natuurlijk is dat zo. Maar je kunt ook zeggen: als je willekeurige borden gaat lezen bij mensen in tuinen, loop je het risico dat je iets onwelgevalligs te zien krijgt. Als je willekeurige televisieprogramma’s gaat bekijken loop je het risico dat je iets onwelgevalligs te zien krijgt. Als je je in het maatschappelijk verkeer begeeft loop je het risico dat je mensen tegen het lijf loopt die onwelgevallige dingen zeggen. Vind je daadwerkelijk dat deze stelling mee mag wegen om de openbaarheid van een uiting te bepalen?

  11. @Niels: ik vind dat de mate van actief handelen die je moet doen om een uitlating te zien te krijgen, zeker mee moet wegen bij de bepaling of de uitlating strafbaar moet zijn. Hoe meer moeite je moet doen, hoe minder snel de uitlating strafbaar zou moeten zijn.

    Ik zie dus nogal een verschil tussen een spandoek midden op straat of een bord in mijn achtertuin (waar een schutting omheen staat). Bij het bord moet je eerst naar binnen, en ja dan neem je een risico dat je iets onwelgevalligs te zien krijgt. Bij het spandoek op straat hoef je niets te doen, sterker nog daar kun je zomaar tegenaan lopen. Dat vind ik dus een heel stuk kwalijker. Je moet mensen niet je mening opdringen, zeker niet als die kwetsend of schokkend kan zijn. Aan de andere kant, als mensen zelf actief op zoek gaan, moeten ze weten dat ze rare dingen tegen kunnen komen. Het is dan niet aan de site-eigenaar om dat te voorkomen, maar aan de bezoekers om een dikke huid te hebben.

    (Gaat de site-eigenaar hard proberen om mensen naar binnen te lokken met misleidende teksten, dan zou dat anders worden. Je kent ongetwijfeld de Goatse-truc en de Rickroll. Wie dat soort ongein uithaalt met discriminerende of beledigende informatie, zou vervolgd moeten kunnen worden.)

    Jewwatch kende ik niet, maar alleen door aan die naam had ik wel een vermoeden wat voor site dat zou zijn. Even aanklikken bevestigde dat. Ik zag op de homepage geen evident antisemitische uitlatingen, maar de teneur van de site is natuurlijk bijzonder kwalijk. Als ik zou doorklikken, zou ik vast in Nederland strafbare uitlatingen vinden. Maar dat doe ik dan niet.

    Zeg jij nu dat deze site van internet moet omdat op bepaalde pagina’s strafbare antisemitische uitlatingen te vinden zijn?

  12. @Arnoud: ik geloof dat ik je argument begrijp. Ik ga ervan uit dat je het eens bent dat uit een EVRM-artikel dat het recht op vrije meningsuiting beschermd geen beperking van de vrije meningsuiting worden gehaald. Dat is een juridische onmogelijkheid. (Dus een beperking van het recht op vrije meningsuiting in de zin van lid 2 is zelf nog geen beperking van de vrije meningsuiting.)

    “Uit de EHRM-jurisprudentie kan dus de conclusie volgen dat een verbod op deze uiting gerechtvaardigd en noodzakelijk is. Dat kan dus prima een bewijsvermoeden opleveren voor ???beledigend???: als het noodzakelijk is om deze in sterke en nodeloos kwetsende mening in te perken, zou dat best kunnen zijn omdat het beledigend is.”

    Als ik het goed begrijp is jouw redenering: we weten dat “A dus B” en dat “B”. Nu mag je vermoeden dat “A”.

    Er zijn situaties waarin zo’n redenering van nut kan zijn (iemand is niet door een natuurlijke oorzaak gestorven, dan mag je vermoeden dat hij door misdrijf om het leven is gekomen). Maar in dit geval is de redenering niet erg zinnig.

    Stel namelijk dat de uitlating bestraft mag worden omdat zij beledigend is. Als je nu op een of andere manier hebt beredeneerd dat de uitlating bestraft mag worden, dan kun je door die redenering terug te lezen weten of je op “mag bestraft worden” uitkomt omdat de uitlating beledigend was, of om een andere reden.

    Als er twee routes van A naar B leiden, ??n via C en ??n via D, dan kun je uit het feit dat iemand in B uitkomt een “vermoeden” afleiden dat die persoon in C is geweest. Maar als je noodzakelijkerwijs de afgelegde route al kent, dan is het onzinning om uit “B” af te leiden dat “C” een mogelijkheid is. Nee, je kijkt gewoon naar de afgelegde route en leest daarin ofwel “C” ofwel “D”.

    En als je weet dat de persoon via “D” is gereden, dan zegt het feit dat hij in “B” is aangekomen niet of hij ooit in “C” is geweest of niet. Dus als uit de redenering in het vonnis waaruit blijkt dat de uitlating bestraft mag worden niet blijkt dat de uitlating beledigend is, dan zegt de uitkomst van die redenering ook niets meer over wel/niet beledigend.


    Ik zal ook uitleggen waarom ik de toepassing van art. 10 EVRM juist niet zuiver vind. De doorwerking van internationale verdragen is gebaseerd op art. 93 en 94 EVRM. Een bepaling als art. 137c Sr is nog niet ongeldig of onverbindend als deze (soms) in strijd is met art. 10 EVRM. Maar in een specifiek geval waarin art. 137c Sr leidt tot een schending van art. 10 EVRM, zorgt art. 94 Gw ervoor dat art. 137c Sr buiten toepassing blijft. Dan heb je wel een bewezenverklaring (aan de tenlastelegging is voldaan), maar geen kwalificatie als strafbaar feit en dus ontslag van alle rechtsvervolging.

    Wat de rechtbank doet is op zich ook mogelijk: art. 137c Sr zo uitleggen dat de bepaling nooit strijd oplevert met art. 10 EVRM. Maar zoals de rechtbank dat doet is heel raar. De rechtbank lijkt alle bestanddelen van art. 137c Sr ten opzichte van elkaar af te wegen en komt dan omdat aan de ene kant er “niet voldoende openbaarheid” is, aan de andere kant uit op “geen belediging”. Maar zo gaat dat niet. Een strafbepaling bestaat uit bestanddelen. Aan ieder bestanddeel moet zijn voldaan om een strafbare gedraging te komen. Of aan een bestanddeel is voldaan is een kwestie van “ja” of “nee”, niet een kwestie van “een beetje ja” waarbij twee beetjes ja resulteert in nee.

    Art. 10 EVRM wordt soms ook gebruikt om een inbreuk op het auteursrecht te neutraliseren. Stel je voor dat de rechter sommige teksten niet als “werk” in de zin van de Auteurswet gaat bestempelen om zo een inbreuk op het auteursrecht die in strijd zou zijn met art. 10 EVRM te voorkomen! Op OT III zit geen auteursrecht, want dat zegt het EVRM? Of het op een website zetten van OT III is geen openbaarmaking, want anders krijg je strijd met het EVRM?

    Daar komt de manier van redeneren van de rechtbank in feite op neer: “het op een website zetten” is in het licht van het EVRM “een beetje openbaarmaken”, op “OT III” zit “een beetje auteursrecht”, en bij elkaar is het niet voldoende voor een inbreuk op het auteursrecht.

    Die redenering is geen redenering maar gatenkaas.

    Het afwegen van de verschillende factoren hoort bij de toetsing aan art. 10 EVRM, niet bij de toetsing aan art. 137c Sr of de Auteurswet.

    (Wel kun je de uitlegging van “beledigend” in art. 137c Sr laten afhangen van de context waarin de uitlating is gedaan, en op die manier al een afweging maken die deels tegemoet komt aan art. 10 EVRM. Dat is wat de HR doet in zijn jurisprudentie, maar niet wat de rechtbank doet.)

  13. En zoals verwacht is het vonnis in hoger beroep vernietigd, zie: http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BK4139

    “Ten aanzien van verdachtes opzet op de openbaarheid overweegt het hof als volgt. Het hof heeft al eerder bepaald dat door gebruik te maken van internet welbewust wordt gekozen voor een medium met een groot potentieel publieksbereik (Hof Amsterdam 20 juni 2008, LJN BD7024). Daaraan doet niet af dat internetgebruikers de Polincowebsite moesten aanklikken en aldus niet ???ongevraagd??? met verdachtes uitlatingen in aanraking kwamen. Toegang tot de feitelijke inhoud van de website, in casu de gewraakte teksten, was vrij en werd niet met een wachtwoord beschermd. Bovendien blijkt uit zich in het dossier bevindende teksten dat de verdachte op de Polincowebsite meermalen heeft gewezen op de openbaarheid daarvan (blz. 64 en 70 van het dossier). Verdachtes opzet staat derhalve genoegzaam vast.”

Laat een reactie achter

Handige HTML: <a href=""> voor hyperlinks, <blockquote> om te citeren en <em> en <strong> voor italics en vet.

(verplicht)

Volg de reacties per RSS