Van wie is die website (met CMS)

Weer een regelmatig terugkerende kwestie: mensen laten een website bouwen, denken daar eigenaar van te zijn maar er blijkt een door de sitebouwer zelf ontwikkeld CMS achter te liggen. En artikel 18.3 van diens algemene voorwaarden bepaalt dat het eigendom daarvan “ten alle tijde” (sic) bij hem ligt. Ja, dat is rechtsgeldig ondanks die taalfout.

Hoofdregel uit het auteursrecht is dat degene die een werk maakt, de rechten daarop heeft. Ook als deze in opdracht werkt, hét grote misverstand bij online auteursrechten (oké, naast “het staat op internet en is dus vrij van rechten”). Als je dus een site laat bouwen, is die niet van jou. De site is van de ontwikkelaar en hij staat jou toe deze te gebruiken voor het doel dat in de offerte is benoemd, meer niet.

Natuurlijk kun je daar andere afspraken over maken in het contract. Een zin als “het (intellectueel) eigendom van de site ligt bij Klant” is genoeg, mits de passage ondertekend wordt en duidelijk is om welke site het gaat.

Dan is er nog één probleem: het contentmanagementsysteem oftewel CMS waarmee de site is gebouwd. Er zijn bergen opensourcecontentmanagementsystemen (zie plaatje) waarmee dit zou kunnen, maar menig ontwikkelbedrijf voelt de onbedwingbare neiging om toch zelf een CMS te bouwen. Goed, dat mag, maar het gevolg is wél dat je als klant alsnog vastzit aan dat ontwikkelbedrijf. Je zou haast gaan denken dat ze het erom doen.

De eigendom van het CMS opeisen kan, maar dan moet je wel een aparte bijzin opnemen “inclusief het achterliggende CMS” in die zin die ik daarnet noemde. Maar of de ontwikkelaar daarmee akkoord gaat, betwijfel ik. Hij kan dan immers het CMS aan niemand anders meer beschikbaar stellen. Mogelijk komt ie zelfs in de problemen met bestaande klanten die het CMS al gebruiken (hoewel dat op zich prima te regelen is met een licentie terug).

Dit probleem voorkomen kan maar op één manier: vooraf vragen met welk CMS de site gebouwd gaat worden en hoe het zit met eigendom daarvan. En dat behoort net zo’n logische vraag te worden als de verborgen gebreken bij huizen.

Arnoud

Wat moet er nou wel en niet in een e-mail handtekening

emaildisclaimerMet enige regelmaat maak ik me er boos over, maar het blijft terugkomen: mensen die hele lappen tekst onderaan hun e-mail hangen. “Dat is onze huisstijl” of “dat moet van de bedrijfsjurist” krijg ik dan als reactie. Juridisch gezien volslagen onzin – grotendeels dan.

Een e-mail verzonden door een bedrijf is correspondentie, en voor formele zakelijke correspondentie gelden bepaalde informatieplichten. Zo ben je verplicht je bedrijfsnaam en KVK nummer te vermelden op alle “uitgaande brieven, orders, facturen, offertes en andere aankondigingen” (art. 27 Handelsregisterwet). Doe je zaken via internet, dan moet je onder meer je naam, vestigingsadres, telefoonnummer en e-mailadres staan, plus je BTW-nummer “gemakkelijk, rechtstreeks en permanent toegankelijk” maken (art. 3:15d BW). Gebruik je e-mail voor acquisitie of offertes dan zal dat in je e-mail moeten allemaal.

Bij gewone zakelijke mails (bv. discussie met een klant) hoeft dit allemaal niet, maar het is op zich niet verkeerd. Hooguit kan het irritatie opwekken om elke keer een hele trits gegevens langs te zien komen, zeker als er óók nog eens een serie socialmediaccounts achteraan komt, een waarschuwing om de mail niet zomaar te printen en een lange disclaimer, liefst in twee talen.

Over die disclaimers kan ik kort zijn: die hebben nul en generlei waarde. Een disclaimer is alleen juridisch bindend als dat zo afgesproken is, en dat is bij e-maildisclaimers nooit het geval. Ja, als je vooraf een geheimhoudingsverklaring tekent waarin staat “iets is alleen geheim als er geheim op staat” dán zal er in de mail “GEHEIM” moeten staan. Maar het lijkt me dat je dat er dan met de hand even boven typt.

Heel misschien als je tot een beroepsgroep behoort met een wettelijk beroepsgeheim (advocaten, octrooigemachtigden, notarissen), dan zou je mensen kunnen herinneren aan dat beroepsgeheim met een standaardzin. Of als je als ambtenaar duidelijk wilt maken dat e-mail geen formeel communicatiekanaal met de overheid is. Mensen willen nog wel eens bezwaarschriften mailen naar de ambtenaar met wie ze eerder contact hadden, en dat is rechtsgeldig tenzij die heel duidelijk had aangegeven van niet.

De mooiste “káp nou met die disclaimers”-reden vond ik op TNW:

It makes it seem like you are regularly emailing random people sensitive information and it has happened so often that you are now ordered to include that statement by a judge who’s simply had it with your shit.

Dus. Káppen.

Arnoud

“Weg met die algemene voorwaarden!”

Gisteren blogde mijn broer (iedereen nog bedankt voor de verjaardagsmails trouwens) over een onderwerp dat mij aan het hart gaat, of beter gezegd het brood: Weg met die algemene voorwaarden!

Als je toch al een onpersoonlijke moloch bent, zo schrijft hij, dan oké dan snap ik dat je ook onpersoonlijke voorwaarden hebt. Maar wat nu als je gewoon een zzp’er bent? Dan sta je toch voor een persoonlijk gesprek:

[Kleine ondernemers] die standaard algemene voorwaarden hanteren, hebben een diepgegrond gebrek aan respect voor hun eigen klanten. Waarom bent u toch zo gemakzuchtig met uw algemene voorwaarden? Waarom durft u niet gewoon het gesprek aan te gaan met uw klant? Want uiteraard is het goed dat u van te voren helderheid wilt over allerlei zaken, maar dat kan toch juist prima in een goed gesprek met uw opdrachtgever? U kunt op deze manier laten zien dat u uw klant serieus neemt, en samen met uw klant oplossingen bedenkt bij mogelijke problemen. Die werkwijze hanteert u toch ook altijd als het gaat om de inhoud van het werk en de prijs? Waarom dan niet over de voorwaarden?

En inderdaad, eigenlijk zouden algemene voorwaarden niet nodig moeten zijn in deze situaties. Als we gewoon normaal tegen elkaar doen bij de offerte en uitvoering, dan is geneuzel in kleine lettertjes nergens voor nodig. Maar ja, dat de advocatuur en juristerij al eeuwenlang bestaat geeft wel aan dat het lang niet altijd goed gaat. En dan heb je een probleem want als je ruzie hebt én geen duidelijke regels over de exit dan wordt het knallen.

Als ik algemene voorwaarden schrijf, noem ik mezelf altijd professioneel doemdenker: wat kan er misgaan en hoe kunnen we dat pareren/voorkomen/inperken? Mensen denken liever niet na over zulke situaties, maar je moest eens weten hoe veel ruzies en gezeik wij langskrijgen die vermeden hadden kunnen worden als ze vooraf even drie regels op papier hadden gezet.

Algemene voorwaarden zijn net een stoma: je moet er niet aan denken en echt fris is het ook niet maar als het misgaat ben je er toch maar wat blij mee.

Overigens zijn veel voorwaarden zo respectloos omdat de ondernemer niet nadenkt wát hij in zijn voorwaarden wil hebben. Je pakt een model van de Kamer van Koophandel, je copypaste wat van de concurrent en je typt na elk akkefietje een “dat zal me niet nóg eens overkomen”-clausule erbij. Menig ondernemer heeft geen idee waaróm hij die clausules heeft: “dat stond zo in de tekst van onze advocaat” of “ik dacht dat zal juridisch wel zo moeten” – de slechtste redenen om een clausule te laten staan.

Hebben jullie wél nagedacht over het hebben van voorwaarden? En over waarom welke clausule erin staat?

Arnoud

Aansprakelijk voor schoonmaakkosten van een virus van je ebookleverancier

Even geen gratis e-books meer, las ik via Twitter bij de blog van Jan Willem Alphenaar. Hij had deze ondergebracht bij een externe site die het “betaal met een tweet”-principe voor hem implementeerde. Dus verplicht twitteren dat je het boek hebt, en dan gratis downloaden. Maar die site bleek rare software (‘Mystart Incredibar’) te installeren bij een geïnteresseerde in het e-book. En deze dreigt nu een factuur te sturen voor de uren van zijn ICT-er om deze weer te verwijderen. Eh, wacht, wát?

Na enig puzzelen bleek het probleem hem te zitten in dit schermpje:

Ziet u ook dat knopje “Download” rechts? Inderdaad, dat downloadt niet het e-book maar een gezellige browserbalk die héél hard blijft plakken. Malware dus. En die verwijderen is geen eenvoudige zaak.

Maar of je de rekening daarvoor bij Alphenaar kunt zeggen, betwijfel ik. Natuurlijk, had hij dit systeem niet gebruikt dan was de infectie niet opgetreden. Maar dat is niet genoeg om automatisch hem alle rekeningen te laten betalen.

Specifiek voor virussen is er een aparte strafbepaling in de wet (art. 350b Strafrecht): als het je te verwijten is dat er een virus (verder) verspreid werd, ben je strafbaar én civiel aansprakelijk voor de schade. Je hebt schuld aan de verspreiding als je de verspreiding had kunnen voorzien met de nodige veiligheidsmaatregelen of onderzoek, en het onzorgvuldig is dat je dat niet hebt gedaan.

Is browserbalkmalware een virus? In principe niet, want het heeft niet als doel schade aanrichten in de computer waar het geïnstalleerd is. Maar volgens het Kournikova-arrest hoeft het doel niet heel expliciet te zijn. Ook het per ongeluk laten vastlopen van systemen (bv. doordat het virus zich te enthousiast verspreidt) telt als ‘schade’. De kosten van het opruimen zijn echter geen ‘schade’ die die balk beoogt of indirect beoogt. De maker van die balk wil integendeel juist dat deze goed werkt, anders gaan mensen ‘m te snel verwijderen.

Echter ook als het geen virus is, gaat die norm van “had je het redelijkerwijs kunnen voorkomen” wel op in het civiele recht. Als die browserbalk in het e-book zelf zat, dan zou ik wel grond zien voor een claim: natuurlijk haal je zo’n e-book even door een scanner voordat je deze uploadt. Wie dat niet doet, is dus nalatig en moet de schade vergoeden.

Maar is het redelijk om te moeten voorzien dat je e-bookverspreider misleidende downloadknoppen toevoegt aan jouw schermpje met “betaal met een tweet”? Dat lijkt me toch niet. Ik kan me moeilijk voorstellen dat een verspreidingssite dit opzettelijk doet, dat kost ze hun reputatie. En googelen naar het bedrijf levert me geen resultaten op die wijzen op boze intenties.

Oké, ze kunnen per ongeluk zijn geïnfecteerd (dat overkomt zelfs Google) maar daar hoef je als e-bookuploadende gebruiker van die dienst geen rekening mee te houden. Dus ook dan zie ik geen grond voor een claim.

En nog iets anders: ik heb zelf een paar keer die “pay with a tweet”-diensten gebruikt maar nog nooit zo’n downloadknop aan de zijkant gezien. Je gaat je dan haast afvragen of een eerder stukje malware niet die webpagina bewerkt heeft.

Arnoud

Over bewijs in het recht

De term ‘bewijs’ en wat bewijs bewijst, kwam vorige week in de whatsappvonnisdiscussie langs. Daarbij kreeg ik een gevoel dat ik al vaker had: mensen lezen iets over “bewijs”, constateren dat wat de rechter zegt niet per se 100% altijd juist is en concluderen dat de rechter dús digibeet is, dat het vonnis geen stand zal houden en/of dat de rechtspraak belachelijk is. Ehm.

De term “bewijs” kennen we uit de wetenschap. Als iets bewezen is, dan is het zo. Daar kan geen twijfel over zijn; wie het wil verifiëren kan zijn gang gaan want een wetenschappelijke stelling moet falsifieerbaar zijn. Ik werd vroeger aan de TU doodgegooid met discussies over dat je van software kunt bewijzen dat deze foutloos is. Of dat kan, weet ik nog steeds niet, maar ik heb er wel een onbedwingbare neiging aan overgehouden om bij elke IT-gerelateerde kwestie te gaan zoeken naar foutjes, afwijkende situaties, uitzonderingen en bijzondere gevallen.

En volgens mij doet elke IT-er dat. Er is een flauwe grap over wat voor antwoord je krijgt als je een formule op het bord tekent. De wiskundige: “Wat mooi!” De natuurkundige: “Wat betekent dit in de praktijk?” De econoom: “Hoe kun je daar geld mee verdienen?” De IT-er: “Als je X=-5/8 invult, deel je door nul.” (En, oké, extra flauw: de taalwetenschapper: “Wilt u daar frietjes bij?”)

Het recht is echter geen wetenschap (maar een kunst) en hanteert dan ook niet die wetenschappelijke definitie. Iets bewijzen in het recht komt neer op de rechter mee laten gaan in jouw standpunt, meer niet. Hij moet er redelijkerwijs van overtuigd zijn dat je gelijk hebt. Of nou ja, in het civiele recht – wat wij hier meestal bespreken. Dus wanneer is er sprake van een contract, wanneer is er schade aangericht, wie is aansprakelijk voor welke handeling, etcetera. In het strafrecht (foei je gaat de cel in als je dat doet) geldt een strengere regel: wettig en overtuigend bewijs. De rechter moet ervan overtuigd zijn dat de verdachte schuldig is, er mag geen redelijke twijfel meer zijn.

Een bijzonder aspect daarbij is dat de rechter eigenlijk alleen mag werken met het bewijs dat de partijen hem aandragen. Plus, als partijen het ééns zijn over een bepaald feit, dan moet de rechter daarin meegaan. Hij mag niet zomaar dat feit zelf ter discussie stellen. Dus in de Whatsapp-situatie van vorige week: stel de werkgever had gezegd “ja dat bericht zal ongetwijfeld zijn binnengekomen maar in het arbeidscontract staat duidelijk dat je moet béllen” dan is bewezen dat het bericht is aangekomen. De rechter mag dan niet zelf zeggen “hoor eens, we wéten helemaal niet of dat bericht is aangekomen want twee vinkjes zegt niets”, ook niet met een beroep op Danny Mékic 😉 De partijen zijn het dan eens en dús moet de rechter mee.

Uitzondering daar weer op is als de partijen er niet over gáán, over dat feit. Als eiser en gedaagde samen zeggen dat ze getrouwd zijn, maar uit het bevolkingsregister blijkt van niet, dan zijn ze toch niet getrouwd. Maar dat is zelden aan de orde.

Verder zijn -in tegenstelling tot in de IT- theoretische problemen geen issue. Pas als er aanwijzingen zijn dat het probleem zich wérkelijk voordoet (in de telefoon van werkgever is het berichtje niet aanwezig) dan gaan we kijken waar dat door kan komen. Ik vind dat ook wel zo praktisch: waarom problemen erbij gaan zoeken als je al met een groot probleem (namelijk een rechtszaak) zit?

Bewijs in het recht heeft dus niets te maken met bewijs in de wiskunde. Het is niet meer dan “wie klinkt het meest geloofwaardig”. Dat mag je een risico vinden, maar in de zaak kunnen beide partijen dat prima betogen (al dan niet met deskundigen erbij) en een oplossing zoeken. Als ze daar behoefte aan hebben.

Arnoud

WhatsApp als bewijs van een gemoedstoestand

Dit vonnis gaat ongetwijfeld bekend worden als het WhatsApp-vonnis, want ja nieuwe technologie hè. Maar uiteraard gáát het niet om WhatsApp, net zo min als het ooit ging om de postduif als zodanig. Het gaat om ontslag: als een boze werknemer “Ik heb er geen zin meer in. Ik heb het hier gezien en ga weg.” zegt, mag je daar dan uit concluderen dat ze ontslag neemt? En WhatsApp speelt alleen de rol van ziekmeldingskanaal. Maar toch.

Werknemers die in een opwelling ontslag nemen zijn een belangrijk deel van het ontslagrecht. Heel kort door de bocht komt het erop neer dat je als werkgever in zo’n geval een onderzoeksplicht hebt of de werknemer het wel echt meende. Zeker als sprake is van wat heet een hevige gemoedstoestand. In zo’n geval zul je het even moeten laten bekoelen en navragen. Een dag later (zoals in dit vonnis) de bevestiging sturen is dus iets te enthousiast.

De werknemer had achteraf toegelicht dat zij op het moment van haar uitlatingen geïrriteerd was en zich geprovoceerd en geïntimideerd voelde door de vragen van de werkgever, die haar afleidde terwijl ze haar werk probeerde te doen. Het werd dus allemaal even te veel en in een opwelling flapte ze dat eruit. Niet verstandig, maar het gevoel “en krijg nú met z’n allen collectief jeuk op een gênante plaats” hebben we allemaal wel eens. Bovendien had ze zich de volgende ochtend ziek gemeld, en dat doe je niet als je écht weg wil.

Dat ziekmelden ging dus via WhatsApp. En de werkgever ontkende dan ook dit gehad te hebben. Maar WhatsApp geeft bij berichtjes keurig aan of ze zijn gelezen, en dat is dus prima bewijs van een en ander:

Uit het ter zake door [A] als productie 2 bij dagvaarding overgelegde productie blijkt immers dat er naast het bericht twee vinkjes zijn geplaatst. Op grond hiervan kan zonder meer worden aangenomen dat het bericht succesvol is afgeleverd op het apparaat van [B].

En dat klopt. Ze zijn er dus wel, rechters met ICT-clue (en twitteraccount). Hoewel ze bij Nu.nl in twijfel trekken of een bericht wel écht is aangekomen als WhatsApp zegt van wel. Bewijs dat het is gelézen krijg je er niet mee, maar dat hoeft ook niet. In het Nederlands recht is het genoeg dat je bewijst dat het aangekomen is, en vanaf dat moment is het (niet) lezen het risico van de andere partij.

Dat een brief wellicht netter was geweest, is voor de rechter irrelevant. En ik vind het wel wat hebben: je wilt zo snel mogelijk aangeven wat je werkelijke bedoeling was, dus waarom niet WhatsApp?

Arnoud<br/> Foto: Stichting Onjuist Spatiegebruik.

Data terugkrijgen uit een in beslag genomen wolk, kan dat?

Wie zijn data in de cloud opslaat, verliest daarmee zijn eigendomsrechten. De Amerikaanse overheid mag er dus gerust in graaien, vindt diezelfde overheid. Dat las ik bij de EFF. Zij vertegenwoordigen iemand die zijn (legitieme) data terug wil van de servers van Megaupload. De Amerikaanse overheid verzet zich daartegen, met onder meer het argument dat deze meneer niet kan bewijzen eigenaar te zijn van de bestanden op de Megaupload server. Oké, dat EFF-stuk is een pleitnota in een lopende rechtszaak, maar het is wél een actuele vraag: welke rechten heb je (of verlies je) als je data in de cloud opslaat en wat mag de overheid er dan mee doen.

Vanwege een strafrechtelijk onderzoek naar auteursrechtschendingen door Megaupload zijn alle servers van het bedrijf offline en in beslag genomen. Daarmee is ook alle legitieme (en minder legitieme) data opgeslagen op die servers onbereikbaar, en dat inspireert allerlei claims van mensen die daar toch wel weer toegang tot willen hebben.

De claim “het is mijn data en ik wil deze terug” gaat hem niet worden. Data “is” niets in de zin van de wet, en deze kan dus niet worden opgeëist.

“Ik heb er auteursrecht op”, wat deze meneer probeert, maakt ook weinig kans. Hebben van auteursrecht impliceert nog geen recht op afgifte van bitjes die een kopie van het werk representeren. Net zo min als het hebben van een kopie impliceert dat je daar wat mee mag.

“Ik heb betaald voor de hardware”. Ah kijk, nú komen we ergens. Als een server daar eigendom is van de klant, dan kan deze hem opeisen. Natuurlijk moet wel het strafrechtelijk onderzoek zijn afgerond, maar de klant is in dat geval een onschuldige derde-eigenaar en die heeft recht op zijn spullen terug. Maar bij de cloud koop je zelden de fysieke hardware (dedicated server).

“Ik húúr dat ding netjes”. Nee, als huurder heb je geen recht op toegang tot het gehuurde als de verhuurder in de problemen raakt. Je hebt recht op je eigendommen terug, maar dat zou hier dus die data zijn en die hadden we al gehad.

“Mijn contract bepaalt expliciet dat ik recht heb op mijn data in situaties als deze”. Dat is een hele mooie contractuele bepaling, en eigenlijk moet iedereen eisen die in het cloudcontract te krijgen. Alleen helpt het nu net heel weinig in deze situatie: de FBI heeft niets te maken met zo’n contract. Megaupload Inc wel, maar ja daar is weinig meer te halen.

Dus nee, ik zie hem niet. Het devies blijft net als bij mijn oude PC met 4.77 MHz 8088 processor: maak backups, je hebt nooit genoeg backups.

Arnoud

Kan een land Google News schatplichtig aan de uitgeefindustrie maken?

googlenewsGoogle verzet zich tegen wetsvoorstellen in Duitsland die de vrijheid om content door te plaatsen flink inperken, las ik bij Tweakers. De Duitse regering wil haar uitgeefindustrie steunen door wettelijk vast te leggen dat het soort overnemen dat Google doet, een vergoeding eist. Of die wet het gaat halen wordt betwijfeld, maar kán dit wel?

In Europa is auteursrecht vergaand geharmoniseerd. De basis is een Europese richtlijn uit 2001 die precies bepaalt welke rechten vallen onder het auteursrecht, en ook welke uitzonderingen landen mogen invoeren. Het is niet toegestaan om meer of andere uitzonderingen op het auteursrecht te creëren. Dit is de reden waarom fair use als uitbreiding op het citaatrecht zou moeten worden ingestoken: een aparte uitzondering opvoeren mág eenvoudigweg niet.

Die uitzondering zou er komen door vast te leggen dat het maken van user generated content valt onder een “met aankondigen of bespreken vergelijkbaar doel”, de frase uit het citaatrecht die bepaalt waarom iets geciteerd mag worden. En de Googlenewsbelasting zou hier ook op kunnen aanhaken: je legt eenvoudigweg vast dat het tonen van een overzicht van actueel nieuws nóóit een vergelijkbaar doel is. Daarmee is wat Google doet per definitie inbreuk, en vervolgens tuig je een systeem van collectieve licenties op. Of men bepaalt dat deze vorm van “aankondigen” alleen mag mits daar een vergoeding tegenover staat, dan ontneem je uitgevers het recht van weigeren (net zoals ze gewoon citeren niet mogen weigeren) maar ligt het recht op vergoeding wel vast.

De vraag is alleen of ze daarmee wegkomen. Want hoewel een richtlijn formeel geen wet is, maar slechts een instructie aan de nationale wetgevers om hun wet aan te passen, is het Europese Hof van Justitie stiekem toch heel hard bezig om één geharmoniseerd auteursrecht in te voeren door consequent te bepalen dat zij en zij alleen bepaalt hoe auteursrechtelijke terminologie wordt gedefinieerd. Zo werd in het Infopaq-arrest bepaald wanneer een werk beschermd is, en vervielen vanaf dat moment alle lokale criteria (zoals ons mooie “stempel van de maker”). Meer recent werd in het Premier League-arrest een definitie van “openbaarmaken” en “verveelvoudigen” gegeven, en in Usedsoft-arrest het uitputtingsrecht ook van toepassing verklaard op gedownloade software.

Mocht er zo’n Duitse (of Franse) wet komen, reken maar dat Google dan naar het Europese Hof wil om eens te vragen wat de raadsheren aldaar vinden dat “citeren” is. En goede kans dat die dan bepalen dat citeren technologieneutraal is en dus ook geldt voor zoekmachines die overzichten met snippets geven. Net zoals het ochtendnieuws de koppen uit de krant mag voorlezen.

Iets spannender wordt het wanneer Google besluit haar News-dienst te staken in Duitsland, of nog erger als ze organisaties gaat boycotten die dit recht zouden gaan inroepen. De news-dienst als zodanig sluiten kan denk ik nog wel, maar een nieuwssite weren uit de gewone Google-index vanwege ruzie over de News-index lijkt me niet te kunnen. Dat is misbruik van de economische machtspositie die Google heeft.

Wat denken jullie? Zou Google die stap aandurven?

Arnoud

Publiceren van stambomen versus de privacywet

stamboom privacy publicerenGenealogie is de discipline van de geschiedkunde die zich bezighoudt met voorouderonderzoek dan wel de afstamming van de familienaam. Internet is daarbij tegenwoordig een onmisbaar hulpmiddel, zowel voor het zoeken naar gegevens als voor het publiceren van eigen gegevens en bevindingen. Maar wie dat wil doen, loopt al snel tegen de privacywetgeving aan. Ook auteursrecht kan een rol spelen.

Op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens (“de privacywet” in informele taal) mag je als genealoog gegevens publiceren van overledenen maar niet van levende personen. Soms hanteren mensen regels als “de geboortedatum moet 100 jaar in het verleden liggen” of “iemand moet 10 jaar overleden zijn” maar dat staat niet in de wet. Zelfs één dag na de sterfdatum publiceren is toegestaan, mits je maar uitkijkt dat je niet (ook) gegevens over nog levende nabestaanden publiceert.

Soms weet je niet wat iemands sterfdatum is. Je neemt dan een risico door toch te publiceren. Dit risico inperken kan alleen door nader onderzoek (vaststellen sterfdatum) of te gokken dat iemand uit 1928 ondertussen wel overleden zal zijn, dan wel geen problemen zal maken. Maar juridisch gezien is het risico niet te vermijden. (Wel kun je je afvragen wat voor schadeclaim iemand kan indienen omdat hij in een stamboom staat als “vermoedelijk overleden”.)

Bij portretrecht geldt wél een nadere regel. Je moet tot tien jaar na overlijden wachten voordat je een portret mag publiceren. Tot die tijd moeten de nabestaanden toestemming geven.

Auteursrecht speelt met name bij publiceren van foto’s een rol. Het auteursrecht van de fotograaf geldt tot 70 jaar na diens overlijden, en dat staat natuurlijk los van hoe oud de foto is en of de geportretteerde overleden is. Het hebben van een fysiek exemplaar van de foto verandert daar niets aan: toestemming voor publicatie moet apart worden verkregen.

Op een stamboom of verzameling brongegevens zit geen auteursrecht. In theorie kan het databankenrecht een rol spelen als je een grote stamboom/dataverzameling ineens overneemt. Maar voor bescherming moet de maker een “substantiële investering” hebben gedaan in het opbouwen van de databank, en dat zal zelden het geval zijn.

En oh, als laatste: dit geldt ook als de informatie uit openbare bronnen gehaald wordt. Dat iets al online staat, betekent niet dat er geen privacy meer geldt.

Frustrerend lijkt me wel dat er zelden tot nooit iets gebeurt met wetsovertreders op dit gebied. Wie het netjes wil doen, moet dus lijdzaam toezien dat de concullega’s wél gewoon “vermoedelijk overleden” bij hun stambomen zetten, foto’s online zetten waarvan de fotograaf vast nog geen 70 jaar geleden overleden is en met veel moeite gevonden aktes gewoon overnemen.

Arnoud

De gebruiksvoorwaardenfail van Zappos

Shoppingsite Zappos ging de mist in met haar gebruiksvoorwaarden, bepaalde een Amerikaanse rechter onlangs. De site had een datalek gehad en werd daarvoor natuurlijk gesued, wat men pareerde met de bekende arbitragetruc waarmee class actions werden verboden. Die clausule blijkt echter ongeldig, aldus de rechter, omdat naar Amerikaans recht het onderaan op je site “Terms of Service” vermelden geen bindend contract oplevert.

In Amerika kennen ze het concept “algemene voorwaarden” niet. Contract is contract, of je nu alles eenzijdig dicteert dan wel het samen woord voor woord uitonderhandelt. Er zijn dus ook geen speciale regels zoals bij ons over dat algemene voorwaarden snel van toepassing zijn, ook als ze niet gelezen zijn. De regels zijn eigenlijk simpel: wijs mensen op het contract en bewijs dat ze akkoord zijn gegaan.

Een akkoord mag je uit allerlei omstandigheden afhandelen, maar enkel een linkje opnemen in je voeter is geen relevante omstandigheid, bepaalt deze rechter nu. Je moet op zijn minst mensen bij de registratie even wijzen op dat linkje, al dan niet met een aanvinkvakje ter bevestiging dat mensen deze gelezen (haha) hebben.

A party cannot assent to terms of which it has no knowledge or constructive notice, and a highly inconspicuous hyperlink buried among a sea of links does not provide such notice. Because Plaintiffs did not assent to the terms, no contract exists, and they cannot be compelled to arbitrate.

Ook met de eenzijdig-aanpasclausule van Zappos heeft de rechtbank heel veel moeite. Vrijwel iedere site hanteert zo’n clausule, maar de rechtbank vindt het toch echt best wel onredelijk bezwarend dat je als site op elk moment elke clausule mag aanpassen – met name de arbitrageclausule. Want zo kun je je bezoekers houden aan arbitrage, maar heb je er zelf geen zin in dan verander je het snel even in wat anders. Dat is “illusory and unenforceable” en ook daarom gaat het contract dus de prullenmand in.

Regelmatig krijg ik vragen of mensen hun Nederlandse voorwaarden zomaar kunnen vertalen naar het Engels om zo de Amerikaanse markt te betreden. Ze hebben dan vaak allerlei Amerikaanse voorbeelden van voorwaarden die véél botter zijn en alleen met zo’n linkje aangeboden worden. Die hebben dus maar bar weinig waarde, maar omgekeerd wie het op de Nederlandse manier doet (met linkje of vinkje én met een eerlijke wijzigingsclausule) zou geen problemen moeten hebben.

Arnoud