Verweesde werken onder voorwaarden te gebruiken zonder toestemming

| AE 7101 | Intellectuele rechten | 29 reacties

vraagteken-zoeken-weeswerk-orphan-workSinds gisteren is het onder voorwaarden toegestaan om zogeheten ‘weeswerken’ (orphan works), waarvan de auteursrechthebbenden niet te vinden zijn, te gebruiken zonder toestemming. Dergelijke werken zijn nu lastig te archiveren of digitaliseren, omdat dit alleen mag met toestemming en die niet te krijgen is als je niet weet wie de rechthebbenden zijn. Nu kunnen deze werken worden behouden voor de maatschappij en daar ben ik blij mee.

Natuurlijk zitten er aan dit recht voorwaarden. De belangrijkste is dat het kort gezegd moet gaan om een erfgoedinstelling, wat gedefinieerd is als:

voor het publiek toegankelijke bibliotheken, onderwijsinstellingen en musea, alsmede archieven en instellingen voor cinematografisch of audiovisueel erfgoed die niet het behalen van een direct of indirect economisch of commercieel voordeel nastreven

Ten tweede moet de beschikbaarstelling plaatsvinden

in het kader van de uitoefening van een publieke taak, in het bijzonder het behouden en restaureren van de werken en het verstrekken van voor culturele en onderwijsdoeleinden bestemde toegang tot de werken uit de eigen verzameling van de hiervoor bedoelde organisaties.

En het belangrijkste is dat er een “zorgvuldig onderzoek” naar de rechthebbenden moet hebben plaatsgevonden zonder succes. Dat onderzoek is gedefinieerd in artikel 16p, en in een Besluit dat daarbij hoort staat welke bronnen je op zijn minst hoort te hanteren. Onder meer moet je in de KB hebben gezocht, in databanken van makersorganisaties als Pictoright en het media-archief uit de Mediawet. Verder moet je na je onderzoek het resultaat aanmelden bij het ministerie.

Als echter de rechthebbende later alsnog opduikt, dan moet het weeshuis, pardon de erfgoedinstelling alsnog het gebruik van het werk staken en bovendien een billijke vergoeding betalen aan die rechthebbende (art. 16q). Dat voelt ergens wel een tikje vervelend: heb je dat werk opgeknapt ondanks een maker die er niet meer naar omkeek, mag je alsnog stoppen en hem nog geld betalen ook.

Maar al met al toch een aardige verbetering ten opzichte van wat er nu mag, namelijk niets. Ik hoop dat hier breed gebruik van gemaakt gaat worden.

Arnoud

Britten introduceren weeswerkenwet

| AE 5460 | Intellectuele rechten | 14 reacties

Met de Enterprise and Regulatory Reform Bill hebben de Britten een weeswerkenwet met “seismic repercussions” voor fotografen, meldde BJP gisteren. Deze wet bepaalt dat werken waarvan de maker niet te achterhalen is, via een collectief licentiesysteem gebruikt mogen worden. En de aardschok voor fotografen zit hem in wanneer een werk een weeswerk is.

Een weeswerk is algemeen gesproken een werk waarvan de rechthebbende niet kan worden achterhaald, maar dat nog geen publiek domein is. Gebruiken van een weeswerk mag dus niet (behalve onder citeren of thuisgebruik, et cetera) maar toestemming vragen is niet mogelijk. En dat leidt tot vervelende situaties, zeker als het werk in een verouderd formaat is en dus moet worden gedigitaliseerd of bewerkt om het te behouden. Of zelfs maar wanneer je als bibliotheek het werk beschikbaar wil stellen aan het publiek, zoals je altijd doet als bieb.

Iedereen is het er eigenlijk wel over eens dat dit weeswerkenprobleem moet worden opgelost. Maar hoe dat moet gebeuren, weet eigenlijk niemand. Het probleem is namelijk fundamenteel dat je een ontkenning moet bewijzen als gebruiker: de rechthebbende moet onmogelijk te vinden zijn. Maar dat jij hem of haar niet hebt gevonden, kan ook betekenen dat je niet hard genoeg hebt gezocht. Dus hoe trek je daar de grens?

Het klinkt dan als een oplossing om te zeggen dat je een “diligent search”, oftewel stevig je zoekbest, moet hebben gedaan en dan niets hebt gevonden. Maar wat is een ‘diligent’ search? Wanneer heb je genoeg je best gedaan bij een foto die je ergens op een website vond?

Het FUD-verhaal van Andrew Orlowski dat nu rondzingt op Slashdot en elders, komt er op neer dat als er geen metadata in de foto staat, je meteen mag stoppen met zoeken. En omdat Instagram en collega’s bij het uploaden alle metadata strippen, zijn alle foto’s op social media nu publiek domein. Eh, nee. Dát staat niet in die wet. Zonder metadata is je zoektocht moeilijker, maar even de foto in Google Afbeeldingen gooien is nul moeite en levert vaak meteen zeer nuttige resultaten. Ik zou dus zeggen dat wie géén zoekresultaten van Google (en TinEye) kan overleggen, niet ‘diligent’ handelde.

De achterliggende discussie specifiek voor foto’s vind ik eigenlijk nog interessanter. Ik riep al eens het failliet van het plaatjesauteursrecht uit, en ik zie nu weer precies dezelfde argumenten langskomen: plaatjes zijn de olie, de grondstof van de internetcultuur en die moet iedereen kunnen gebruiken – versus, foto’s maken kost geld en vereist deskundigheid en ervaring, dat wordt nu onmogelijk dus je maakt een branche kapot op deze manier.

In de comments zei ik toen: als de overgrote meerderheid van de bevolking iets vindt, dan moet je daar als wetgever wat mee doen. Niet per se het volk haar zin geven, maar blijven zitten op een uitgangspunt uit 1912 is echt onwenselijk.

Voorbeeld: fietsers reden massaal rechtsaf door rood. Dat was tegen de wet, maar het gebeurde zó massaal en het verbod werd zo onzinnig geacht, dat daar nu een wettelijke uitzondering voor is gemaakt (art. 68 RVV, moet wel met bordje aangegeven zijn).

Fietsers reden ook massaal zonder licht ‘s nachts. Dat werd door fietsers óók onzinnig geacht (auto’s hebben zelf toch licht, en er staan lantaarnpalen, en de automobilist is toch aansprakelijk) maar daar is de wet niet op veranderd. Nou ja, een beetje: volgens art. 35 RVV is naast verlichting op de fiets ook toegestaan dat “de bestuurder een wit of geel licht voert op zijn borst” en/of dat “de bestuurder of een achter de bestuurder gezeten passagier een rood licht voert op zijn rug.”

Daarnaast is er flink geïnvesteerd in campagnes om fietsers licht te laten voeren, en zijn daarna intensieve boetecampagnes opgezet. En zo creëer je draagvlak, ik zie nu véél minder fietsers die fietsen zonder licht (no pun intended).

Beide keuzes zijn democratisch gezien legitiem. Een vergelijking in het auteursrecht zou kunnen zijn dat je bv. nietcommercieel hergebruik toestaat, of dat je een heffing bij providers neerlegt die het dan weer aan klanten kunnen doorberekenen (“Nu Hyves Premium met recht om drie filmpjes te plaatsen”). Of alle auteursrechten onder Buma/Stemra schuiven en zo één loket bieden. Maar er moet íets gebeuren.

Arnoud

Recensie: Orphan Works – De zoektocht naar een internationaal werkbaar model

| AE 2012 | Innovatie, Intellectuele rechten | 10 reacties

sterenborg-boek-orphan-works-weeswerken.pngEen groot maar lastig zichtbaar probleem in het auteursrecht zijn de zogeheten weeswerken: boeken en andere werken waarvan de rechtensituatie onduidelijk is maar waar (waarschijnlijk) nog wel auteursrecht op rust. Het herpubliceren of op internet zetten daarvan is een groot risico. Mocht de auteur zich alsnog melden, dan kan hij forse schadeclaims neerleggen. Als gevolg daarvan blijven veel archieven onontsloten en gaan zulke werken soms zelfs fysiek verloren omdat inscannen of restaureren dan niet zinvol is zolang het juridisch risico niet te regelen is.

Hoe dit probleem op te lossen is het onderwerp van het boek Orphan Works – De zoektocht naar een internationaal werkbaar model van jurist Daniël Sterenborg. In een uitgebreid overzicht bespreekt hij de problemen en de voor- en nadelen van diverse voorgestelde oplossingen.

Sterenborg signaleert drie essentiële knelpunten: het formaliteitenverbod uit de Berner Conventie, de territoriale werking van wetten en de wijze waarop auteurs (en rechthebbenden) zich (niet) hebben georganiseerd.

Omdat de Berner Conventie het verbiedt om auteursrecht pas te verlenen als een of andere formaliteit is vervuld, is het onmogelijk om een verplicht register op te bouwen waar alle werken in terecht moeten komen. (En nee, die Berner Conventie gaat voorlopig nog niet weg want hij zit verankerd in diverse internationale handelsverdragen.)

Binnen deze beperking zijn allerlei creatieve oplossingen bedacht, die Sterenborg overzichtelijk op een rijtje zet en toetst aan acht criteria om hun haalbaarheid te bepalen. Alle juridische constructies die ik ken, plus een aantal nieuwe, krijgen uitgebreid de aandacht. De praktische oplossingen neigen meestal naar collectieve vertegenwoordiging, zodat gebruikers zich bij een centraal loket kunnen melden om de gebruiksvoorwaarden en vergoeding te kunnen regelen. Zo’n loket kan opereren op vrijwillige basis, bijvoorbeeld zoals stichting Foto Anoniem die gebruikers in staat stelt de rechten bij foto’s van onbekende fotografen af te kopen tegen een gepaste vergoeding. De stichting vrijwaart dan de gebruiker van claims mocht de fotograaf toch opduiken.

Controversieel is de optie om zo’n afkoopsysteem verplicht te stellen. Dat zou namelijk betekenen dat in feite iedere auteur, fotograaf of muzikant lid moet worden van de betreffende organisatie (of zelfs overheidsinstantie). Daar is tot nog toe slechts in bepaalde landen een organisatie voor (in West-Europa), in het merendeel van de landen is dit het geheel niet georganiseerd. Bovendien gaat daarmee in feite het gehele auteursrecht op de kop.

Ook zijn wettelijke oplossingen voorgesteld. In de VS overweegt men het begrip fair use uit te breiden of vast te leggen dat niet meer dan “reasonable compensation” kan worden verlangd van een inbreukmaker die zijn best gedaan heeft de auteur te zoeken en daarbij een “qualifying search in good faith” heeft uitgevoerd. Naar Europees recht (civil law) ligt een specifieke wettelijke uitzondering voor orphan works meer voor de hand. Maar die voorstellen stuiten op veel weerstand en zullen niet snel wereldwijd worden doorgevoerd. Zoals Sterenborg al zegt, “Als er al wetgeving komt, wordt deze volop belobbyd door de georganiseerde industrieën die een lang en alomvattend auteursrecht voorstaan.”

Volgens Sterenborg is er geen internationaal wettelijke oplossing op korte termijn te verwachten. In de praktijk lijkt er echter consensus te ontstaan over een open norm die de “diligent search” centraal stelt. Open, omdat wat die search precies inhoudt, nader ingevuld moet worden. Als deze norm voldoende steun in de praktijk krijgt, kan zij doorwerken in de wet. In de VS kan dat via haar open norm van fair use. In Europa zal daar nadere wetgeving voor nodig zijn.

Een ietwat onbevredigende oplossing, omdat er veel onzekerheid zal blijven bestaan. Maar iets beters is er niet binnen het systeem van de huidige auteurswet.

Arnoud