Bibliotheken mogen e-books net als papieren boeken uitlenen

| AE 9061 | Intellectuele rechten | 20 reacties

scanbook.png Openbare bibliotheken mogen e-books uitlenen aan leden, net zoals zij dat doen met papieren boeken. Dat las ik bij Nu.nl. Het Hof van Justitie oordeelde (zaak C-174/15) gisteren dat het uitleenrecht voor bibliotheken techniekneutraal is geformuleerd: niet alleen papieren boeken mogen worden uitgeleend, ook digitale. Wel moet de bieb dan analoog uitlenen simuleren.

De Nederlandse Vereniging Openbare Bibliotheken wilde in een rechtszaak duidelijkheid krijgen over het uitleenrecht rond e-books. Boeken uitlenen is natuurlijk het bestaansrecht van een bibliotheek, en het kunnen uitlenen van ebooks ligt dan ook keurig in die lijn. Alleen uitgevers zien dat anders: “Wie betaalt er nog voor een e-book als deze straks (vrijwel) gratis via de bibliotheek verkrijgbaar zijn?” Ja precies, want de markt voor papieren boeken is ook compleet ingestort sinds de bibliotheek uitgevonden werd.

Het georganiseerd uitlenen van boeken is formeel een inbreuk op auteursrecht. Daar staat dan wel weer meteen een uitzondering over in de wet, een voor het publiek toegankelijke instelling mag dit doen onder afdracht van een leenrechtvergoeding. En het cruciale punt daarbij was dat de betreffende Europese regels niet duidelijk waren over of dat nu alleen ging over fysieke exemplaren, of ook over digitale.

Het Hof van Justitie bijt de tanden stevig in de taalanalyse en komt tot de conclusie dat het uitleenrecht voor allebei moet gelden. Mede omdat er destijds wel moeite is gedaan om elektronisch uitlenen van films wél en van boeken niet te verbieden in de wet. En uiteindelijk gewoon omdat bibliotheken van belang zijn:

Gezien het belang van de openbare uitlening van digitale boeken en om zowel de nuttige werking van de in artikel 6, lid 1, van richtlijn 2006/115 vervatte afwijking ten behoeve van openbare uitlening (hierna: „uitzondering voor openbare uitlening”) als de bijdrage van deze uitzondering aan de bevordering van culturele activiteiten te beschermen, kan dus niet worden uitgesloten dat artikel 6, lid 1, van richtlijn 2006/115 ook van toepassing is in gevallen waarin de door een voor het publiek toegankelijke bibliotheek verrichte handeling, met name met het oog op de in artikel 2, lid 1, onder b), van die richtlijn vervatte voorwaarden, kenmerken vertoont die in wezen vergelijkbaar zijn met die van de uitlening van gedrukte werken.

Wel moet het uitleenproces zo worden ingericht dat het zo dicht mogelijk aansluit bij analoog uitlenen. Dus: één ebook aankopen betekent één persoon tegelijk dit laten lenen. Twee keer tegelijk laten lenen? Dan twee ebooks (licenties) kopen. Oké, dat is een tikje geforceerd maar als dat de prijs is voor ebooks lenen, dan moet dat maar.

Arnoud

Maakt linken van een GPL bibliotheek je software automatisch GPL?

| AE 7290 | Intellectuele rechten | 40 reacties

Intrigerende discussie in de comments vorige week: als je programma linkt tegen een GPL open source library, is je programma dan alleen onder de GPL te verspreiden? Immers, de GPL zegt dat je afgeleide werken alleen onder de GPL mag verspreiden. En wat is er nu meer afgeleid dan een programma dat noodzakelijkerwijs een library gebruikt? Het programma wérkt niet zonder de library. Maar Europees auteursrechtelijk waag ik dat toch te betwijfelen.

De term ‘afgeleid werk’ is een tikje ongelukkig. De term komt uit het Amerikaans auteursrecht; in Europa kennen we alleen de ‘verveelvoudiging in gewijzigde vorm’, oftewel een kopie, al dan niet aangepast, van (een deel van) het werk. Dat klinkt inderdaad wat beperkter, en dat is het volgens mij ook.

In de SAS/WPL-uitspraak heeft het Hof van Justitie de grenzen getrokken van het software-auteursrecht. In die zaak beriep SAS zich op een auteursrecht voor haar programmeertaal en functionaliteit daarin, maar gedaagde WPL kreeg gelijk, zo’n auteursrecht bestaat niet.

Auteursrecht op software bestaat volgens de hoogste Europese rechter alleen op de broncode en de daarvan afgeleide uitvoerbare code. Men noemt dit de ‘uitdrukkingswijzen’ en daaronder wordt alleen datgeen verstaan dat tot “reproductie van het computerprogramma of tot het computerprogramma zelf kunnen leiden”. Je moet dus, kort gezegd, met wat er overgenomen of gebruikt is in het andere werk, het originele programma zelf althans gedeeltelijk kunnen terugvinden.

Bij het gebruik van een software library roep je in je eigen programma een functie aan, waarna de implementatie van de library wordt uitgevoerd om de betreffende functionaliteit te realiseren. In het SAS/WPL arrest ging het om functies uit een programmeertaal, maar ik zie het verschil niet met een API van een specifieke bibliotheek. In feite is de implementatie van een programmeertaal ook een library (of set libraries) die je middels een API aanroept. Wil je in C een tekst op het scherm, dan zeg je printf("Hello, world!");, waarna libc de implementatie daarvan uitvoert, en wil je bij GNU readline een regel invoer verkrijgen dan zeg je readline(my_prompt);, waarna readline de implementatie daarvan uitvoert. Dat is technisch volgens mij dus hetzelfde.

Meer algemeen, als het aanroepen van een functie van een bibliotheek zou meebrengen dat je het auteursrecht op die bibliotheek schendt, dan zou het auteursrecht dus in feite de functionaliteit beschermen die achter de functie zit. En dát is nadrukkelijk niet de bedoeling in het Europese auteursrecht.

Gelet op deze overwegingen moet worden geconstateerd dat, wat de elementen van een computerprogramma betreft (…), noch de functionaliteit van een computerprogramma, noch de programmeertaal en de indeling van gegevensbestanden die in het kader van een computerprogramma worden gebruikt teneinde de functies daarvan te benutten, een uitdrukkingswijze van dit programma vormen in de zin van [het auteursrecht].

Het opnemen van een functie-aanroep in je programma (zoals printf("Hello, world!"); of readline(my_prompt);) kan dus niet leiden tot een auteursrechtinbreuk op libc of GNU readline, omdat die functie-aanroep nog geen uitdrukkingswijze van het programma libc dan wel readline vormt. Pas als je code zou overnemen, ook in gedeelten, zou er inbreuk kunnen ontstaan.

Wat de GPL of de FSF zeggen over afgeleide werken, linken of Complete Corresponding Source doet er hierbij volstrekt niet toe: je komt pas aan terminologie uit een licentie toe als er sprake is van inbreuk. Pas dan zou de aanroeper van de software immers hoeven te zeggen “geen inbreuk, ik heb een licentie”.

Het argument uit Oracle/Google dat het maken van de API zélf creatief is, gaat hierbij niet op. In die zaak werd Google’s API-kloon van Java inbreukmakend geacht omdat Oracle creatieve arbeid had gestoken in het definiëren daarvan. Maar dat was natuurlijk ook het geval bij de SAS programmeertaal waarvoor WPL programma’s maakte. De functionaliteit, dus ook hoe de functies heten, wat ze doen en welke parameters en return values daarbij horen, is geen “uitdrukkingswijze” van het programma.

Een complete reproductie van de API zou mogelijk wél inbreuk kunnen zijn. In de SAS/WPL uitspraak stond ook de eigen handleiding van WPL ter discussie, waarin elke functie was opgenomen (maar volgens mij ook stukken tekst uit de documentatie van SAS). Dit is iets dat de rechter per geval moet onderzoeken: hoe veel is er overgenomen en hoe creatief is hetgeen overgenomen is? Mogelijk dat bij een handleiding het citaatrecht nog een verweer kan zijn, maar bij een volledige overname met als doel een interface-compatibele kloon te schrijven twijfel ik zeer of dat opgaat. Maar wellicht biedt dit dan een lichtpuntje:

In deze context moet worden gepreciseerd dat indien een derde een gedeelte van de bron- of doelcode betreffende een voor een computerprogramma gebruikte programmeertaal of indeling van gegevensbestanden zou aanschaffen en hij met behulp van deze code soortgelijke elementen in zijn eigen computerprogramma zou creëren, deze handeling mogelijkerwijs een gedeeltelijke reproductie in de zin van [het auteursrecht] zou opleveren.

Het lijkt dus echt nodig dat er ook broncodes worden overgenomen. En puur de definities van de functies voldoen niet snel aan die eis.

Wat vinden jullie? Is er een wezenlijk verschil tussen een API van een of andere bibliotheek aanroepen versus de functies uit een programmeertaal? Maakt het uit of er maar één implementatie van die API+bibliotheek is? Of zijn er andere redenen om een API-aanroep toch inbreuk op het auteursrecht te noemen?

Arnoud

Britten introduceren weeswerkenwet

| AE 5460 | Intellectuele rechten | 14 reacties

Met de Enterprise and Regulatory Reform Bill hebben de Britten een weeswerkenwet met “seismic repercussions” voor fotografen, meldde BJP gisteren. Deze wet bepaalt dat werken waarvan de maker niet te achterhalen is, via een collectief licentiesysteem gebruikt mogen worden. En de aardschok voor fotografen zit hem in wanneer een werk een weeswerk is.

Een weeswerk is algemeen gesproken een werk waarvan de rechthebbende niet kan worden achterhaald, maar dat nog geen publiek domein is. Gebruiken van een weeswerk mag dus niet (behalve onder citeren of thuisgebruik, et cetera) maar toestemming vragen is niet mogelijk. En dat leidt tot vervelende situaties, zeker als het werk in een verouderd formaat is en dus moet worden gedigitaliseerd of bewerkt om het te behouden. Of zelfs maar wanneer je als bibliotheek het werk beschikbaar wil stellen aan het publiek, zoals je altijd doet als bieb.

Iedereen is het er eigenlijk wel over eens dat dit weeswerkenprobleem moet worden opgelost. Maar hoe dat moet gebeuren, weet eigenlijk niemand. Het probleem is namelijk fundamenteel dat je een ontkenning moet bewijzen als gebruiker: de rechthebbende moet onmogelijk te vinden zijn. Maar dat jij hem of haar niet hebt gevonden, kan ook betekenen dat je niet hard genoeg hebt gezocht. Dus hoe trek je daar de grens?

Het klinkt dan als een oplossing om te zeggen dat je een “diligent search”, oftewel stevig je zoekbest, moet hebben gedaan en dan niets hebt gevonden. Maar wat is een ‘diligent’ search? Wanneer heb je genoeg je best gedaan bij een foto die je ergens op een website vond?

Het FUD-verhaal van Andrew Orlowski dat nu rondzingt op Slashdot en elders, komt er op neer dat als er geen metadata in de foto staat, je meteen mag stoppen met zoeken. En omdat Instagram en collega’s bij het uploaden alle metadata strippen, zijn alle foto’s op social media nu publiek domein. Eh, nee. Dát staat niet in die wet. Zonder metadata is je zoektocht moeilijker, maar even de foto in Google Afbeeldingen gooien is nul moeite en levert vaak meteen zeer nuttige resultaten. Ik zou dus zeggen dat wie géén zoekresultaten van Google (en TinEye) kan overleggen, niet ‘diligent’ handelde.

De achterliggende discussie specifiek voor foto’s vind ik eigenlijk nog interessanter. Ik riep al eens het failliet van het plaatjesauteursrecht uit, en ik zie nu weer precies dezelfde argumenten langskomen: plaatjes zijn de olie, de grondstof van de internetcultuur en die moet iedereen kunnen gebruiken – versus, foto’s maken kost geld en vereist deskundigheid en ervaring, dat wordt nu onmogelijk dus je maakt een branche kapot op deze manier.

In de comments zei ik toen: als de overgrote meerderheid van de bevolking iets vindt, dan moet je daar als wetgever wat mee doen. Niet per se het volk haar zin geven, maar blijven zitten op een uitgangspunt uit 1912 is echt onwenselijk.

Voorbeeld: fietsers reden massaal rechtsaf door rood. Dat was tegen de wet, maar het gebeurde zó massaal en het verbod werd zo onzinnig geacht, dat daar nu een wettelijke uitzondering voor is gemaakt (art. 68 RVV, moet wel met bordje aangegeven zijn).

Fietsers reden ook massaal zonder licht ‘s nachts. Dat werd door fietsers óók onzinnig geacht (auto’s hebben zelf toch licht, en er staan lantaarnpalen, en de automobilist is toch aansprakelijk) maar daar is de wet niet op veranderd. Nou ja, een beetje: volgens art. 35 RVV is naast verlichting op de fiets ook toegestaan dat “de bestuurder een wit of geel licht voert op zijn borst” en/of dat “de bestuurder of een achter de bestuurder gezeten passagier een rood licht voert op zijn rug.”

Daarnaast is er flink geïnvesteerd in campagnes om fietsers licht te laten voeren, en zijn daarna intensieve boetecampagnes opgezet. En zo creëer je draagvlak, ik zie nu véél minder fietsers die fietsen zonder licht (no pun intended).

Beide keuzes zijn democratisch gezien legitiem. Een vergelijking in het auteursrecht zou kunnen zijn dat je bv. nietcommercieel hergebruik toestaat, of dat je een heffing bij providers neerlegt die het dan weer aan klanten kunnen doorberekenen (“Nu Hyves Premium met recht om drie filmpjes te plaatsen”). Of alle auteursrechten onder Buma/Stemra schuiven en zo één loket bieden. Maar er moet íets gebeuren.

Arnoud