Per wanneer geldt de wet-Van Dam voor bestaande contracten?

| AE 2703 | Informatiemaatschappij | 96 reacties

Op 1 december treedt de “wet-Van Dam” in werking: contracten en abonnementen mogen niet meer stilzwijgend verlengd worden met een jaar. Als een contract na 1 december stilzwijgend verlengd wordt, geldt daarbij een opzegtermijn van één maand. Dit zal veel stof doen opwerpen, met name wat er gebeurt met bestaande contracten die nog vermelden dat er met een jaar verlengd wordt.

In deze gastbijdrage licht professor Marco Loos, hoogleraar Privaatrecht, in het bijzonder Europees consumentenrecht, aan de Universiteit van Amsterdam, toe waarom de wet-Van Dam óók per 1 december geldt op bestaande contracten.

Update (2 oktober) Zoals beloofd: onze factsheet over de Wet Van Dam met concrete uitleg over de nieuwe regels over stilzwijgende verlenging.

Na langdurige parlementaire behandeling treedt vanaf 1 januari 2012 de zogenaamde wet-Van Dam in werking.1 Deze wet beoogt de stilzwijgende verlenging van lidmaatschappen van verenigingen, abonnementen en overige overeenkomsten aan banden te leggen. De wet is het resultaat van een initiatief-wetsvoorstel van het kamerlid Van Dam en het voormalig kamerlid Crone.2

De inwerkingtreding van de nieuwe wet is voorwerp van uitgebreide bespreking gebleken. Artikel III van de wet bepaalt dat de wet met ingang van de eerste dag van de dertiende kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. De wet is opgenomen in het Staatsblad van 30 november 2010. De dertiende kalendermaand na die datum is december 2011. Dat zou betekenen dat de wet vanaf 1 december 2011 in werking treedt.3 De wet bevat verder geen uitdrukkelijke bepaling over de toepasselijkheid ervan op bestaande overeenkomsten.

Dat lijkt mee te brengen dat het overgangsrecht bepaald wordt door de Overgangswet NBW.4 Met betrekking tot het lidmaatschap van verenigingen bepaalt art. 45 Overgangswet NBW dat ten aanzien van op het moment van inwerkingtreding al bestaande verenigingen, de wet niet van toepassing is op feiten die zijn voorgevallen voordat 3 jaren zijn verstreken na de inwerkingtreding. Ten aanzien van de algemenevoorwaardenregeling bepaalt art. 191 Overgangswet NBW dat afdeling 6.5.3 BW op algemene voorwaarden die op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet reeds door een partij in haar overeenkomsten wordt gebruikt, pas van toepassing wordt nadat een jaar is verstreken na de inwerkingtreding van de wet. Hetzelfde geldt voor al bestaande algemene voorwaarden die na de inwerkingtreding van de wet worden gewijzigd.

Naar verluid stelt het Ministerie van Veiligheid en Justitie zich op het standpunt dat deze bepalingen ook van toepassing zijn op de Wet-Van Dam.5 Art. 45 Overgangswet NBW heeft, zo deze bepaling al van toepassing is op de te vermelden informatie, feitelijk geen betekenis, omdat moeilijk denkbaar is dat de voor nieuwe leden wel van 1 december 2011 verplicht te vermelden informatie afgeschermd zou kunnen worden voor oude leden.

Dat ligt anders voor bestaande abonnementen: als de Overgangswet inderdaad van toepassing zou zijn, betekent dat voor al gesloten overeenkomsten een beding waarmee een abonnement op een tijdschrift stilzwijgend verlengd wordt met meer dan 3 maanden, nog tot en met 30 november 2012 niet zonder meer verboden is.6 Als de algemene voorwaarden van de uitgever bijvoorbeeld bepalen dat het abonnement jaarlijks op 1 september stilzwijgend met een jaar wordt verlengd, is dat beding in 2012 nog effectief. Pas bij de nieuwe verlenging, per 1 september 2013, gaat het dan om een onredelijk bezwarend beding (art. 6:236 sub p BW).

De vraag rijst of de toepassing van de bepalingen van de Overgangswet in dit geval wel juist is. Dat is niet het geval wanneer de nieuwe wet (hier: de Wet-Van Dam) zelf regelt wat het overgangsrechtelijke regime is, want dan gaat die regeling natuurlijk als lex specialis voor. Artikel III van de Wet-Van Dam gaat uitdrukkelijk uit van uitgestelde werking met ruim een jaar. Daarmee lijkt verdedigbaar dat het artikel niet alleen de inwerkingtreding regelt, maar ook ter vervanging van het overgangsrecht dient. Is dat het geval? De artikelgewijze toelichting bij het oorspronkelijke wetsontwerp lijkt in eerste instantie op het tegendeel te wijzen. Deze stelt letterlijk:

“Deze wijziging voorziet niet in overgangsrecht. Daardoor is deze wijziging ook van toepassing op reeds gesloten overeenkomsten.”7

De toepassing van de wet op bestaande overeenkomsten is echter wel degelijk voorwerp van discussie geweest. In het oorspronkelijke wetsvoorstel werd bepaald dat de wet in werking zou treden “met ingang van de eerste dag van de derde kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.”8 De Raad van State stelde daarop dat het wetsvoorstel in die vorm gebruikers van algemene voorwaarden slechts twee tot drie maanden de gelegenheid laat tot aanpassing. De Raad vervolgt:

“Nu de looptijd van overeenkomsten als de onderhavige veelal een jaar is, en nu artikel 191 Overgangswet Nieuw BW het Nieuw BW (eerst) na een jaar van toepassing verklaarde op algemene voorwaarden die ten tijde van de inwerkingtreding waren overeengekomen, adviseert de Raad de termijn tot een jaar te verlengen, dan wel een overgangsbepaling in de Overgangswet Nieuw BW op te nemen waarmee wordt voorzien in een overgangsperiode van een jaar.”9

In reactie daarop hebben Crone en Van Dam

“het wetsvoorstel zodanig aangepast, dat voorzien is in een overgangstermijn van een jaar.”10

In de aangepaste Memorie van Toelichting wordt het aangepaste Artikel III als volgt toegelicht:

“Deze wijziging voorziet niet in overgangsrecht. De wet zal namelijk in werking treden met ingang van de eerste dag van de dertiende kalendermaand na de uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Dit geeft betrokkenen een jaar de tijd om zich aan de nieuwe bepalingen aan te passen, hetgeen overgangsrecht overbodig maakt.”

Met de gewijzigde datum van inwerkingtreding hebben Crone en Van Dam ” op advies van de Raad van State ” dus aan de gebruikers van algemene voorwaarden een termijn van een jaar willen geven om hun algemene voorwaarden aan de nieuwe wettelijke regeling aan te passen. Dit uitgangspunt is vervolgens tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel ook niet bestreden.

Het lijkt dan ook in strijd met de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever om na de uitgestelde werking van een jaar, aan de uitgevers op basis van het overgangsrecht een extra termijn van een jaar toe te kennen. Het moge zo zijn dat gezien het ontbreken van een aanpassing van art. 191 Overgangswet NBW deze wet zich verzet tegen directe toepasselijkheid van de nieuwe bepalingen van de zwarte en grijze lijst op bestaande abonnementen. Niets verzet zich echter tegen anticiperende interpretatie van art. 6:233 sub a BW. Sterker nog: gezien de onmiskenbare bedoeling van de wetgever lijkt mij een dergelijke anticiperende interpretatie nogal voor de hand liggen.

Noten<br/>

  1. Wet van 26 november 2010, houdende wijziging van Boek 2 en Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (stilzwijgende verlenging en opzegtermijn bij lidmaatschappen, abonnementen en overige overeenkomsten), Stb. 2010, 789.
  2. Voorstel van wet van de leden Crone en Van Dam houdende wijziging van Boek 2 en Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (stilzwijgende verlenging en opzegtermijn bij lidmaatschappen, abonnementen en overige overeenkomsten), Bijl. H.TK. 2005-2006, 30520, nrs. 1-3.
  3. Deze datum lijkt te berusten op een fout bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Volgens kabinetsbeleid kan wet- en regelgeving in beginsel slechts op twee momenten in het jaar in werking treden: op 1 januari en op 1 juli. Bedoeling hiervan is het voorkomen van overmatige administratieve lasten voor het bedrijfsleven, zie Bijl. H.TK. 2006″2007, 29 515, nr. 181. De Staatssecretaris van (toen nog) Economische Zaken heeft de indiener van het wetsvoorstel verzocht eraan mee te werken dat de wet op een van die data in werking zou treden, zie Bijl. H.TK. 2009″2010, 30 520, nr. 18, p. 6. De indiener van het wetsvoorstel heeft in reactie op vragen van de Eerste Kamer laten weten hieraan mee te willen werken door een gerichte plaatsing in het Staatsblad, zie Bijl. H.EK. 2009″2010, 30 520, nr. C, p. 6. Met de aanvaarding van het wetsvoorstel door de Eerste Kamer op 5 oktober 2010 en de formele ondertekening van de wet door het staatshoofd op 26 november 2010 leek de gewenste datum van inwerkingtreding ook geen probleem op te zullen leveren. Door de plaatsing van de wet in het Staatsblad van 30 november 2010 in plaats van het eerstvolgende nummer van het Staatsblad is de datum van inwerkingtreding echter 1 december 2011 in plaats van 1 januari 2012 geworden.
  4. Wet van 3 april 1989, Stb. 1969, 167, zoals nadien gewijzigd.
  5. Zie ook de door B. Wessels, “Overgangsrecht in ontwikkeling”, NTBR 2001/1, p. 44, geciteerde opmerkingen in de brief van het Ministerie van (thans) Veiligheid en Justitie van 11 mei 1999: “De Ow bestrijkt (uiteraard) aanvullingen van de Boeken 3-8. De Ow bestrijkt echter ook wijzigingen van reeds bestaande bepalingen uit deze Boeken.

  6. Het is uiteraard niet uitgesloten dat een dergelijk beding bij toetsing aan de open norm van art. 6:233 sub a BW alsnog onredelijk bezwarend wordt geoordeeld.
  7. Bijl. H.TK. 2005″2006, 30 520, nr. 3, p. 6.
  8. Zie art. III van het oorspronkelijke ontwerp, Bijl.H.TK. 2005″2006, 30 520, nr. 2.
  9. Bijl. H.TK. 2005″2006, 30 520, nr. 4, p. 5.
  10. Idem.

Deze bijdrage is ontleend aan een eind dit jaar te verschijnen redactioneel artikel voor het Tijdschrift voor Consumentenrecht en handelspraktijken.

Deel dit artikel

  1. Sjonge wat een pittig stuk is dit! Van al die juridische vaktaal gaat het mij duizelen. Zou hier nogmaals een blogje aan gewijd kunnen worden waarin een en ander wat duidelijker uitgelegd wordt? Want wanneer gaat die wet nou precies in? Eerst lees ik 1 januari en even verderop 1 december. Maar ondanks alle vaktaal in dit stuk zou ik toch graag willen weten wat dat betekent als je bijvoorbeeld lid van een vereniging bent. Of als je penningmeester van die vereniging bent en dus de lidmaatschapsverlengingen moet regelen.

  2. [Smylie met hamer op zijn hoofd]. Heel leuk, en heel interessant.

    Maar met alle respect, ik snap hier vrijwel niets van! Zoals Ingrid al zij, “Van al die juridische vaktaal gaat het mij duizelen.”

    Wat ik mis is een conclusie, waarin duidelijk wordt gemaakt wat er nu precies gaat veranderen. En wat de gevolgen hiervan zijn, wanneer dit precies ingaat.

    En ook niet onbelangrijk, wat dit voor ICT diensten als domeinregistratie betekend.

  3. Ah, domeinregistratie… Komt gelijk de volgende vraag want geldt deze wet ook als je b.v. een domein registreert bij een Buitenlandse registrar? En geldt deze wet alleen voor consumenten maar is deze ook voor bedrijven toepasbaar? En geldt dit ook voor consumenten en bedrijven die van Cloud-oplossingen gebruik maken? (Want bij Cloud-oplossingen koop je niets maar betaal je regelmatig voor het verlengen van een licentie.)

  4. @Ingrid: Voor kranten en tijdschriften gaat een opzegtermijn van drie maanden gelden. Maar dit zijn alleen papieren tijdschriften, dus websiteabonnementen worden gewoon per maand opzegbaar na het eerste jaar.

    @Wim: Die reclamefolders worden neit verstuurd op grond van een abonnement maar op grond van de telecomwet. Deze staat toe dat je klanten gerelateerde mailings mag sturen. Je hebt wel recht van verzet, en dat geldt bij elk individueel bericht. Dus zodra je het niet meer wilt, neem je contact op en dan moeten zij alle toezendingen stoppen.

    @Sebastiaan: Ja sorry, dit is even een formeel juridisch punt dat dringend besproken moest worden. De wet gaat immers per 1 december in, maar als overheidssites dan gaan zeggen dat het voor bestaande contracten pas eind volgend jaar gaat gelden, dan hebben we een probleem.

    Loos’ analyse laat kort gezegd zien dat óók voor bestaande contracten de nieuwe opzegregels gelden en wel per direct. Het maakt dus niet uit wanneer je het contract bent aangegaan. Zit je in een verlenging dan mag je die na 1 december opzeggen met een maand vooraankondiging. Stuur je op 2 december de opzeggingsbrief, dan ben je er 2 januari vanaf.

    Heel binnenkort komen wij met een factsheet die dit alles in gewone taal samenvat, maar zonder de analyse van Loos durfde ik de vorige alinea niet te publiceren.

    @Wim: De wet geldt alleen voor consumenten, hoewel soms kleine zelfstandigen ook aanspraak kunnen maken hierop (via reflexwerking).

    Voor buitenlandse leveranciers geldt dit ook als de wederpartij een Nederlandse consument is, zie 6:247 BW onder lid 4. De wet Van Dam wordt geïmplementeerd als een wijziging van de grijze en zwarte lijst van algemene voorwaarden, en dus geldt ook deze regel over wanneer de grijze en zwarte lijsten gelden.

    Amazon hiervan overtuigen is een heel ander verhaal.

  5. “Deze wet beoogt de stilzwijgende verlenging van lidmaatschappen van verenigingen, abonnementen …”

    en reactie 2: “Voor verenigingen geldt de wet-Van Dam niet.”

    lijken mij tegengesteld. Geldt dit nu wel of niet voor verenigingen (ANWB, bijvoorbeeld)

    Daarnaast is dit verhaal voor mij werkelijk ondoorgrondelijk. Ik kan er niet uithalen wat nu wel, en wat nu niet mag. Er staat steeds ‘ze hebben willen bereiken…’, ‘het lijkt dat…’. Zeg nu gewoon wat wel en niet mag…

  6. @Jasper: Die titel is uit het oorspronkelijke concept en sindsdien niet meer aangepast vermoed ik. Voor verenigingen was oorspronkelijk dezelfde regeling gepland, maar dat is eruit gehaald met het argument dat zij via de ALV zelf kunnen bepalen welke opzeggingen moeten gelden. Wel is er een eis dat zij duidelijk moeten publiceren hoe je opzegt en wat de termijn is.

    Wij komen zeer binnenkort met een factsheet waar de regels in heldere taal worden toegelicht. Maar ik móest eerst deze analyse hebben om zeker te weten dat de regels ook gewoon meteen gelden voor bestaande contracten.

  7. Het is best eenvoudig: alle abonnementen die al lopen op 1 december 2011 vallen onder het huidige recht en mogen ook na 1 december onder het oude recht doorlopen (‘uitfaseren’). Alle abonnementen die op of na 1 december -al dan niet stilzwijgend- beginnen vallen onder de nieuwe regels. Dat betekent dat een abonnement dat in 2011 stilzwijgend met een jaar is verlengd ergens in 2012 zal aflopen. Bij een eventuele voortzetting -al dan niet stilzwijgend- van dat abonnement gaat dan de nieuwe wet gelden, net zoals een abonnement dat op of na die datum voor het eerst wordt afgesloten. Er zullen dus maar heel weinig abonnees zijn die pas in december 2012 een beroep kunnen doen op de nieuwe wet: dit gaat alleen op voor abonnementen die op 30 november 2011 zijn aangegaan. Alle overige abonnementen zullen ergens in december 2011 of gedurende 2012 eindigen, waarna direct de nieuwe regels gaan gelden. Overigens worden veel abonnementen kort voor of na de feestdagen afgesloten en de kans is dus aanwezig dat er direct na 1 december as al veel abonnementen onder het nieuwe regime gaan vallen. Hopelijk zien de Kamerleden die over het wetsvoorstel moeten besluiten in dat het op dermate korte termijn wijzigen van het overgangsrecht voor de aanbieders van abonnementen ernstige organisatorische problemen,zware administratieve lasten en hoge kosten met zich mee zou brengen. En dit terwijl de meeste abonnementen dus echt niet meer zo lang meer zullen doorlopen na 1 december 2011 en het consumentenbelang dus beperkt is. Zeker nu allerlei instanties zoals de Consumentenautoriteit en het ministerie van ELI al uitgebreid hebben gecommuniceerd dat de wet alleen geldt voor abonnementen die op of na 1 december 2011 beginnen zijn consumenten daar al op voorbereid. Het is logisch om abonnementen volgens oud recht door te laten lopen, omdat anders een soort terugwerkende kracht wordt gecreeerd.

    Tot slot: @Arnoud Je schrijft ‘Voor kranten en tijdschriften gaat een opzegtermijn van drie maanden gelden. Maar dit zijn alleen papieren tijdschriften, dus websiteabonnementen worden gewoon per maand opzegbaar na het eerste jaar’. De wet bevat echter geen definitie van ‘dag, nieuws- en weekbladen en tijdschriften’ en nergens staat dat het moet gaan om een papieren uitgave. Een digitale uitgave kan dan ook gewoon onder de uitzondering voor kranten en tijdschriften vallen, mits er sprake is van periodieke levering. De wet bevat overigens alleen een opzegtermijn van max. 3 maanden voor zgn. laagfrequente bladen die minder dan maandelijks verschijnen. Voor abonnementen op kranten en tijdschriften mag wél een stilzwijgende verlengtermijn worden afgesproken. Dat is iets anders dan een opzegtermijn.

    Zie voor uitgebreide informatie over de nieuwe wet ook http://www.nuv.nl/onderwerpen/abonnementen.2.38.lynkx

  8. @Arnoud, kan gewoon geen abonnementsvorm bedenken waar geen kosten aan verbonden zijn. 🙂 Nou ja, misschien als providers gratis internet-abonnementen gaan aanbieden waarbij ze webpagina’s verrijken met advertenties of zo. Of een telecom-bedrijf dat een gartis mobieltje biedt maar dan krijg je -voor je gaat bellen- wel steeds een stukje reclame te horen. Zijn er andere abonnementsvormen te bedenken zonder kosten? Gratis webhosting misschien? Wat WordPress bijvoorbeeld aanbiedt… Of een gratis mobiel abonnement voor topsporters als ze sporten in kleding met logo van telecom-bedrijf? In ieder geval, als je een contractvorm of abonnement hebt waarbij geen financiele transacties vereist zijn maar in plaats daarvan een tegenprestatie, geldt de wet dan nog?

  9. @Miranda: Dank je voor de toelichting. Ik ben terughoudender dan jij in het websites rekenen onder “kranten en tijdschriften”. Hoe zie jij “periodieke levering” bij websites? De toegang daaris toch gewoon 24/7 voor de gehele inhoud, en niet een wekelijks toegezonden nieuwsbrief of zo.

    Ik zou zeggen: een website is een dienst, en dus per maand opzegbaar. Niet per kwartaal.

    En zeg je nu dat voor bestaande contracten men wél moet wachten tot december om zich op de nieuwe regel te beroepen?

    Even voor de helderheid, ben je het eens met deze conclusies?

    1) Eerste contract op 1/9/2011. Verlenging is per 1/9/2012, daarop geldt nieuwe wet dus per maand opzegbaar per 1/9/2012. 2) Eerste contract op 1/9/2010, stilzwijgend verlengd in 1/9/2011 met een jaar. Daarop geldt per 1/12/2011 de nieuwe wet dus vanaf 1/12/2011 opzegbaar per maand.

    Het lijkt erop dat jij bij 2 zegt dat dit contract pas per 1/9/2012 per maand op te zeggen is. Dat is dus -op gezag van Loos- onjuist. Dit contract mag al per 1/12/2011 opgezegd worden.

  10. @Arnoud Voor zover er sprake is van periodieke levering, zoals dat bij een app soms gebeurt, kan een digitale uitgave worden gezien als een dag, nieuws- en weekblad of tijdschrift in de zin van de wet. Niet elke digitale uitgave valt dan onder de uitzonderingsregeling voor kranten en tijdschriften, maar ongetwijfeld wel een deel daarvan.

    Ik ga ervan uit dat de ministeries van V&J en ELI en de Consumentenautoriteit de enige correcte interpretatie hanteren en dat de nieuwe wet dus alleen van toepassing is op abonnementen die op of na 1 december 2011 beginnen.

    Mijn reactie op jouw voorbeelden:

    1) Eerste contract op 1/9/2011. Verlenging is per 1/9/2012, daarop geldt nieuwe wet dus per maand opzegbaar per 1/9/2012. –> Ja, tenzij de uitgever in de abonnementsvoorwaarden een stilzwijgende verlenging met maximaal 3 maanden heeft geregeld, dan wordt het abonnement steeds weer met 3 maanden verlengd tot de abonnee opzegt met maximaal 1 maand opzegtermijn (voorafgaand aan het einde van de drie maanden termijn) 2) Eerste contract op 1/9/2010, stilzwijgend verlengd in 1/9/2011 met een jaar. Daarop geldt per 1/12/2011 de nieuwe wet dus vanaf 1/12/2011 opzegbaar per maand. –> Nee, dit abonnement is al stilzwijgend verlengd voor 1 december 2011 en mag dus doorlopen tot 1-9-2012; een eventueel daarop volgend abonnement mag bij stuilzwijgende verlenging maximaal 3 maanden duren en bij voortzetting voor onbepaalde tijd worden opgezegd met 1 maand opzegtermijn

  11. @Arnoud

    Het is nog simpeler.

    http://www.denederlandsegrondwet.nl/9353000/1/j9vvihlf299q0sr/viskbeczq6pc

    Met deze reparatiewet wordt een bepaling in de Wet stilzwijgende verlenging gebracht waarin artikel 191 van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek buiten toepassing wordt verklaard. Derhalve zal de Wet stilzwijgende verlenging niet alleen op 1 december 2011 in werking treden, maar zal deze wet tevens op 1 december 2011 van toepassing zijn op al bestaande algemene voorwaarden.

    Dus: 2) Eerste contract op 1/9/2010, stilzwijgend verlengd in 1/9/2011 met een jaar. Daarop geldt per 1/12/2011 de nieuwe wet dus vanaf 1/12/2011 opzegbaar per maand.

    Klopt dus.

  12. @Jan v. P: Ah, hele mooie vondst! Ik had wel gehoord dat dat plan er was maar niet de tekst zelf gezien. Het is nog een voorstel, dat niet voor 1 december wet gaat worden, maar hopelijk wel zeer snel daarna.

    En ja, dat van de terugbetalingen is een probleem. Je moet dan voor mogelijk een paar tientjes gaan terugvorderen als consument, dat doet geen mens.

  13. @Arnoud Het blijft onredelijk om bedrijven die steeds vertrouwden op de officiele instanties zoals een ministerie, de website Antwoord voor bedrijven etc. opeens te confronteren met het ongeldig worden van keurig volgens de huidige regels afgesloten abonnementen. Dat consumenten makkelijk willen kunnen opzeggen begrijp ik natuurlijk wel, maar dit moet men bedrijven niet willen aandoen. Al die voorwaarden wijzigen én bewijzen dat je dat gedaan hebt: wat een enorme extra last. En dat op zo’n korte termijn! De aangenomen wet stelt art. 191 niet buiten werking. Dat de wetgever daar pas achter kwam nadat de wet al was aangenomen kan niet op de bedrijven die abonnementen aanbieden worden afgewenteld.

  14. @Arnoud, Dat zou genoeg zijn als in dat jaar duidelijk was geweest dat de wet ook van toepassing zou worden op reeds lopende abonnementen. Dan hadden nieuwe abonnementen die in 2011 werden aangegaan al volgens de nieuwe wet behandeld kunnen worden en voldeden ze op 1 december aan de nieuwe regels (voorheen werd trouwens steeds 1 januari aangehouden, net als 1 juli een vast verandermoment van wetgeving). Nu worden de spelregels op de valreep veranderd terwijl het spel al volop bezig is. Ik begrijp dat je het voor consumenten wilt opnemen, maar ik neem aan dat je ook inziet dat bedrijven hiermee op een vervelende manier voor het blok worden gezet? (PS: komende dagen even geen reactie meer van mij, vrijdag evt weer)

  15. @Miranda: Dat stond duidelijk in de Memorie van Toelichting (na advies RvS) plus in het laatste artikel van de wet zelf. Ik snap niet waarom bedrijven nú pas in paniek raken dat de wet hun verlengingsregels gaat aantasten.

    Of nou ja, ik snap het wel want “lange termijn” is over het algemeen 2 à 3 maanden bij bedrijven, maar juridisch gezien was er meer dan genoeg tijd. Dat het januari had moeten zijn, ben ik met je eens, maar geheel 2011 had men deze wijziging al kunnen (en moeten) doorvoeren voor verlengingen die in 2012 actief zijn.

  16. Wat ik vreemd vindt is dat de overgangswet NBW mogelijk van toepassing is op de wet-van Dam. De oorspronkelijke bedoeling van de overgangswet NBW was om de overgang van het oude naar het nieuwe burgerlijk wetboek te regelen. Het is vreemd dat deze overgangswet dan van toepassing is op alle wijzigingen van het NBW (tegenwoordig gewoon het BW) die na de invoering daarvan tot stand komen. De overgangswet NBW zou daarom alleen van toepassing moeten zijn op overeenkomsten die voor de invoering van het NBW reeds bestonden.

    Is de toepasselijkheid van de invoeringswet NBW op wijzigingen van het (N)BW die na invoering ervan tot stand gekomen zijn algemeen geaccepteerd of is het slechts een theorie die door prof. Loos genoemd wordt?

  17. @ 10: volgens mij heeft het woord verenigingen nooit in de titel gezeten, het is “Wet van 26 november 2010, houdende wijziging van Boek 2 en Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (stilzwijgende verlenging en opzegtermijn bij lidmaatschappen, abonnementen en overige overeenkomsten) “

    @19 Arnoud: ze kunnen 1 december nog wel halen, het record staat op een of twee weken van wetsvoorstel tot wet (een wet was door een uitspraak van de Hoge Raad erg kostbaar geworden). Wel raar dat ze er niet meteen 1 januari van maken. Maar ja, Van Dam is natuurlijk oppositie.

  18. @Arnoud: Hopelijk wordt het reparatiewetje van Van Dam snel door tweede en eerste kamer behandeld zodat de toepasselijkheid van de overgangswet NBW uitgesloten wordt. Als Donner (met zijn noodwet m.b.t. de ID-kaart) het kan moet Martijn van Dam het ook kunnen. Wellicht kan hij het ontwerp nog zo aanpassen dat de reparatiewet met terugwerkende kracht inwerking treedt als de wet na 1 december in het Staatsblad komt.

  19. Strato, mijn webhoster, loopt vooruit op deze wetgeving. Voordat een jaarabonnement afloopt krijg ik een bericht dat ik op de Strato-site moet aangeven dat ik nog een jaar erbij wens. Zeer omslachtig allemaal. In mijn rechtspraktijk ben ik voorstander van een contract voor bepaalde tijd dat daarna overgaat in eentje van onbepaalde tijd met een opzegtermijn van 1 of enkele maanden, naar gelang het soort dienst dat geleverd wordt.

  20. @Mr.Eveline Kubbenga: Naar mijn ervaring doen veel UK en US-based online games en tijdschriften dat ook zo. Dus onbepaalde tijd met 1 maand opzegtermijn. Maar je krijgt dan wel een anderhalve maand ofzo van tevoren een mail hetzij via mail,hetzij via het online berichtensysteem van de game in kwestie een seintje dat de boel verlengd gaat worden, zodat je nog kunt opzeggen voordat er weer een jaar afgeschreven wordt. Verder kun je uiteraard meestal gewoon tussentijds opzeggen met 1 maand opzegtermijn. Blij toe dat de NL-wet eindelijk ook eens wat klantvriendelijker wordt in dat opzicht.

  21. Otto Sleeking, advocaat bij Kennedy van der Laan, heeft onlangs een scherpe analyse geschreven over het overgangsrecht. Hij schrijft:

    “Dat een stilzwijgende verlenging van een dergelijk abonnement of duurovereenkomst per 1 december 2011 niet langer mogelijk is zonder tussentijdse opzegmogelijkheid betekent naar mijn idee niet dat de rechtsgeldig verlengde overeenkomst per 1 december 2011 aantastbaar wordt.

    Nog afgezien van het feit dat er juridisch geen grond lijkt te zijn voor een directe werking per 1 december 2011, zou een dergelijke directe werking bijzonder merkwaardig te noemen zijn. Effectief betekent dit namelijk dat door invoering van een wet per de invoeringsdatum een rechtsgevolg van een in het verleden rechtsgeldig tot stand gekomen (verlengde) overeenkomst wordt aangetast. Dit zou betekenen dat de Wet stilzwijgende verlenging de facto met terugwerkende kracht in werking treedt”

    Zie voor de hele analyse: http://www.mediareport.nl/internetrecht/26092011/wet-stilzwijgende-verlenging-eerder-van-kracht/nl/#more-9956

  22. Het is 1 december 2011 maar dat was niet de bedoeling. Dat behandelt Loos iets verderop:

    De wet is opgenomen in het Staatsblad van 30 november 2010. De dertiende kalendermaand na die datum is december 2011. Dat zou betekenen dat de wet vanaf 1 december 2011 in werking treedt.

    De bedoeling was 1 januari, dat is namelijk samen met 1 juli het vaste moment dat wetten in werking treden. Maar iemand lijkt fout geteld te hebben met de dertien maanden.

  23. Ik heb me gisteren laten vertellen door het loket Antwoord voor Bedrijven dat de Wet Van Dam niet per definitie niet van toepassing is op verenigingen. Hier lees ik dat de wet niet van toepassing is op een vereniging. Ik zou juist willen weten of deze wet op een vereniging voor zelfstandigen zonder personeel van toepassing is en wat de rechtsgrondslag hiervoor is.

  24. Het lidmaatschap van verenigingen is categorisch uitgesloten van de opzegregels uit de Wet Van Dam. Een vereniging hoeft alleen duidelijk te publiceren hoe men opzegt. Welke opzegtermijnen men hanteert, kan men in de statuten vastleggen en via een algemene ledenvergadering wijzigen.

    Een dienst geleverd door een vereniging aan een consument(-lid) valt gewoon onder de opzegregels. Het moet wel gaan om een dienst die los staat van het lidmaatschap. Dus stel je bent lid van een vereniging en je neemt een dienst af waarbij ze je een mailbox en ruimte voor een website geven tegen een goedkoop tarief voor leden. Deze wordt apart gefactureerd. Dan mag je die dienst na het eerste jaar elke maand opzeggen. Je lidmaatschap van die vereniging mag je echter alleen opzeggen zoals in de statuten staat.

    De organisatie van de vereniging doet er niet toe. Het maakt dus niet uit of de vereniging personeel in dienst heeft.

    De Wet Van Dam is verder geschreven voor consumenten. ZZP’ers zijn geen consumenten. In uitzonderlijke gevallen kunnen die wellicht aanspraak maken op reflexwerking, en zo dezelfde bescherming krijgen, maar dat is geen automatisme.

Laat een reactie achter

Handige HTML: <a href=""> voor hyperlinks, <blockquote> om te citeren en <em> en <strong> voor italics en vet.

(verplicht)

Volg de reacties per RSS