Ben je verzekerd tegen inboedelschade door een te spannend VR spel?

| AE 13166 | Ondernemingsvrijheid | 12 reacties

Pexels / Pixabay

Een Britse verzekeraar meldt dat het aantal claims dat consumenten vorig jaar hebben ingediend ten gevolge van ongelukken en schade door het gebruik van vr-brillen in vijf jaar tijd met 68 procent is gestegen. Dat las ik bij Tweakers afgelopen maandag. Als je met een vr-bril actief bent, maak je immers bewegingen die zich kunnen vertalen naar als doen te beschouwen gedragingen met schadebrengend gevolg, zouden juristen zeggen. Dat roept dan de vraag op: kun je dat bij je inboedelverzekering verhalen?

Het gaat bij de verzekeraar (Aviva) met name om kapotte elektronica, zoals mensen die een controller door het beeldscherm slaan of gooien omdat ze iets te enthousiast in het spel bezig zijn. Of mensen die enorm schrikken van een onverwachte zombie en dan een hevige gemoedsbeweging ondergaan die leidt tot een fysieke reactie. Kapotte tv, salontafel of bank, of erger nog, letselschade bij een huisgenoot. Even Apeldoorn bellen?

Kort door de bocht: in principe zou de inboedelverzekering dit moeten dekken, mits je een zogeheten all-risk verzekering had genomen. Bij een “extra uitgebreid” verzekering is eigen schuld niet gedekt. Zoals Independer het uitlegt:

De allrisk-dekking van een inboedelverzekering vergoedt in principe alle schades die onverwacht ontstaan. Alleen als (de oorzaak van) een schade expliciet is uitgesloten in de polisvoorwaarden ben je niet verzekerd. De allrisk-dekking is de meest uitgebreide dekking die je kunt kiezen bij een inboedelverzekering.
Ik kan geen inboedelverzekeringen vinden die schade als gevolg van virtual reality expliciet uitsluiten. Wat ze wél allemaal uitsluiten, is opzet en roekeloosheid, want dat staat in de wet (art. 7:952 BW):
De verzekeraar vergoedt geen schade aan de verzekerde die de schade met opzet of door roekeloosheid heeft veroorzaakt.
Krijg je natuurlijk meteen de vraag wat opzet of roekeloosheid (let op: ook onbewust, voor de juristen) dan precies inhoudt. Het Verbond van Verzekeraars heeft in haar model-voorwaarden uitgelegd dat zij de term “opzet” zien als gericht op het veroorzaken van de schade en niet op de handeling zelf. Een voorbeeld:
De fietser die met opzet door het rode licht rijdt en vervolgens een voetganger verwondt, kan niet met een beroep op de opzetclausule worden geconfronteerd. In het voorbeeld is het opzet van de fietser gericht op het door rood licht rijden en niet op het verwonden van de voetganger.
Pas als de fietser dus van plan zou zijn geweest die stomme voetganger eens lekker aan te rijden, dan zouden we het opzet noemen en zou de schade van die voetganger buiten de verzekering vallen. Bewijstechnisch natuurlijk ingewikkeld om aan te tonen, maar dat is een praktisch probleem.

De Hoge Raad ziet het iets genuanceerder:

[Van opzet gericht op de schade spreken we ook] indien, gelet op de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze werd verricht, het in feite toegebrachte letsel of de zaakschade naar objectieve maatstaven als een te verwachten of normaal gevolg van de desbetreffende gedraging kan worden aangemerkt. In zodanig geval moet aangenomen worden dat de gedraging van de verzekerde gericht was op het doen ontstaan van het in feite toegebrachte letsel of de zaakschade, ook al was deze soort of ernst van letsel of zaakschade niet door hem beoogd.
Ik vond nog een vonnis uit Den Bosch waarin een ernstige inschattingsfout niet als opzet werd aangemerkt:
In deze casus heeft de benadeelde zelf verklaard dat sprake was van een inschattingsfout voor wat betreft de afstand tot het mechanisme van de versnipperaar, waarbij wellicht de nieuwe bril die hij kort voordat het ongeval plaatsvond kreeg en waar hij (kennelijk) nog aan moest wennen, een rol heeft gespeeld.  … Er is simpelweg sprake van een ernstige inschattingsfout. Dat benadeelde zich ervan bewust moet zijn geweest dat het inherent gevaarlijk is om zijn hand dicht bij de draaiende messen van de machine te brengen, doet daar niet aan af.
Mijn inschatting is dat je bij werken of gamen in virtual reality ook eerder zult spreken van inschattingsfouten dan van opzet. Als je gaat rondlopen met een vr-bril op, dan kun je inderdaad botsen tegen mensen of dingen. En als je met je handen beweegt (zeker in een spel) dan kan dat tot schade leiden. Maar om nou te zeggen dat het “te verwachten of normaal gevolg” is, gaat mij te ver.

Ik zit er nog een beetje mee wat de positie is van een spelontwikkelaar die zo’n schrikeffect in 3d inbouwt. Je moet ergens weten dat mensen dan forse reacties kunnen geven in kleine woonkamers en andere plekken; zeker als professional zou je dan toch soort van moeten bedenken dat dit een probleem kan zijn. Kun je dat dan zo makkelijk afschuiven met een generieke disclaimer op het opstartscherm?

Arnoud

Onder welk recht vallen misdrijven in de Metaverse eigenlijk?

| AE 13017 | Ondernemingsvrijheid, Regulering | 16 reacties

Via Twitter:

als je straks in het #Metaverse van Facebook een misdrijf begaat, onder welke wetten valt dat dan?
Ik zou zelf de Metaverse zeggen, maar dat terzijde. De vraag is natuurlijk relevant omdat de Metaverse een nieuwe manier is om via internet te interacteren en dingen te doen. Dat kunnen ook strafbare dingen zijn, en omdat de Metaverse nadrukkelijk wordt vormgegeven als een driedimensionale virtuele wereld, ontstaat dan het beeld van een ‘nieuw’ land, een nieuwe wereld. Hoe past dat bij oude wetten?

“Governments of the Industrial World, you weary giants of flesh and steel, I come from Cyberspace, the new home of Mind”, aldus ooit John Perry Barlow, die al in 1996 voorzag dat internet breed gezien zou worden als een nieuwe wereld. Helaas voor hem trok niemand zich wat aan van deze onafhankelijkheidsverklaring-1.0.html, met name niet als het gaat om strafrecht: landen, hoe vermoeid of ouderwets ook, zien het kunnen reguleren van hun burgers en hun grondgebied als een kerntaak waar andere mensen van af moeten blijven.

Het korte antwoord is dan ook: De wetten van de landen waar je handelingen criminele impact hebben. Dit is niet uniek, bij Web 1.0 en 2.0 ook al zo. Er is immers geen wereldstrafhof.

Het iets langere antwoord: omdat wetgeving het concept van virtuele werelden niet erkent, althans niet in de zin van “niet ons terrein, vriend”, moet je bij het bepalen van jurisdictie dus daar doorheen prikken. Wat gebeurt er juridisch gezien, en wáár gebeurt dat? Slaat iemand ergens data op, wordt er een bericht verstuurd of ontvangen, ondervindt er iemand schade en zo ja waar zit die iemand?

Onbevredigend is dat wel. Als je in het Metaverse actief bent, dan wil je eigenlijk niet weten in welk fysiek land je handelen zich nu afspeelt, zeker niet als landen rare dingen gaan doen als “de server staat bij ons” of “iemand die hier woont, kan het lezen”. Maar toch werkt het zo. En dat kan dus betekenen dat je de strafwetgeving van meerdere landen tegelijk moet respecteren, ook van landen waar je nooit gehoord hebt. Als Meta vanwege fiscale redenen een belangrijk deel van de dienst in een belastingparadijs als Nederland parkeert, dan valt iedereen onder Nederlands recht. En tegelijk misschien ook wel onder dat van Thailand, als die wereldwijde verboden hebben op het beledigen van hun staatshoofd.

Daar staat tegenover dat het meestal “alleen maar” om uitingsdelicten gaat. Smaad, laster, aanzetten tot haat, dat werk. Bij strafrecht denken we eerder aan moord en vernieling, maar in de Metaverse vind ik het moeilijk voor te stellen hoe je iemand zou vermoorden. Het kan zeer interessante en unieke lectuur (<- lees dit) opleveren, maar je komt echt niet in het terrein van het strafrecht. Hooguit bij virtuele diefstal, waar Nederland relatief unieke jurisprudentie over heeft.

Arnoud

Mag Facebook een gewoon woord als meta claimen als haar merk?

| AE 13006 | Intellectuele rechten, Ondernemingsvrijheid | 21 reacties

Mark Zuckerberg heeft een naamsverandering voor het bedrijf Facebook aangekondigd, meldde Tweakers onlangs. De nieuwe naam, zoals hiernaast getoond, is Meta. Dit in verband met de ontwikkeling van de ‘metaverse’ (ik heb vernomen dat het onaardig is dit Second Life met een bril op te noemen). Helaas kan ik het merkdepot nog niet vinden, maar ik kreeg al vele vragen of dat wel kan, een zo algemeen bekend internetwoord claimen als je eigen merk.

Hoofdregel uit het merkrecht is dat je ieder woord mag registreren als merk wanneer dat geschikt is om als merk te dienen. Dat klinkt circulair, maar het wil zeggen dat het woord jouw producten moet kunnen onderscheiden van de concurrent. “Fiets” voor zo’n ding met twee wielen is daarvoor niet geschikt, zo heten die dingen. Maar Gazelle, Batavus, Giant, Koga of Trek zijn prima merken voor fietsen.

Ja, ook “Gazelle” en “Trek” hoewel die allebei in het woordenboek staan. Waar het om gaat is dat ze niet in het woordenboek staan als synoniem voor fiets. Bij Trek is er de indirecte link naar op trektocht/fietstocht gaan, en bij Gazelle de belofte dat je snel en soepel het fietspad af zoeft, maar als je iemand vraagt om een Gazelle en die komt met een Giant, dan is dat duidelijk niet wat je had gevraagd.

Het woord “Meta” voor een internetdienst is dus niet per definitie ongeschikt om als merk te dienen. In Europa kan ik 17 woordmerkdepots vinden voor “Meta” voor producten of diensten zoals lettertypes, sportkleding en geluidsapparatuur. Sterker nog, er was ooit een Meta die werkte aan augmented reality-diensten met “Extramissive spatial imaging digital eye glass”, maar dat bedrijf lijkt nu gestopt te zijn.

Bij Facebook, pardon Meta Platforms Inc. ligt het iets complexer omdat men óók de term “metaverse” in de markt wil zetten, en dan ook nog eens als generieke term, zeg maar als fiets. Op zich is dat een slimme werkwijze: introduceer een generieke term en positioneer jezelf meteen als een topmerk binnen die nieuwe categorie. Zo voorkom je dat jouw merknaam de generieke naam wordt. Want als je de eerste bent met Hagelslag, dan gaat iedereen het hagelslag noemen ook als de concurrent chocoladestaafjes verkoopt. (Deze truc komt u misschien bekend voor uit de markt voor koffiepads, waar Senseo bedenker en marktleider van is.)

Het lastige is dat je moeilijker enerzijds kunt zeggen dat “metaverse” de algemene term is en anderzijds dat jij als merkhouder “Meta” daarin opereert. Je verweeft de namen dan zodanig dat mensen altijd bang zullen zijn dat jij de naam metaverse gaat claimen of regels stellen aan wat men daarbinnen mag doen. Zo komt het nooit écht als onafhankelijk internetconcept van de grond.

Arnoud