Verplicht leesvoer: Digitale muziekcultuur en de veranderende muziekindustrie

Als Marco het zegt, dan is dat zo. Verplicht leesvoer dus, die afstudeerscriptie van Maarten Brinkerink (MA, Utrecht, Nieuwe media en digitale cultuur). Ik las ‘m in één ruk uit en dat zou u ook moeten doen.

De titel CyberIndie: Digitale muziekcultuur en de veranderende muziekindustrie belooft al veel goeds. Deze keer geen doorwrochte analyse over de toepasselijkheid van artikel 12 auteurswet op embedded players of de vraag of een torrentbestand onrechtmatig is, maar de veel belangrijker en veel fundamentelere vraag: “Hoe beïnvloedt de opkomst van digitale technologie de distributie en exploitatie van muziek?”

In het eerste hoofdstuk bespreekt Brinkerink de opkomst van de digitale muziekcultuur. Digitale muziek is fundamenteel anders: elke kopie is identiek aan het origineel. Is er dan nog wel een origineel? Ook de productie en distributie van muziek zijn fundamenteel veranderd door de digitale mogelijkheden. Met name de voorheen passieve consument wordt veel actiever: hij deelt muziek en maakt (of mixt) die ook zelf.

Wat dit betekent voor de gevestigde muziekindustrie, blijkt in hoofdstuk twee. Haar exclusiviteit in productie en distributie staat onder grote druk door deze nieuwe digitale cultuur. Je kunt dan wel met auteurswetten gaan zwaaien, maar werkt dat nog wel? Brinkerink betoogt overtuigend van niet. De klassieke businessmodellen voor muziek, en daarmee ook de auteurswet, zijn gebaseerd op schaarste en exclusiviteit, precies de twee zaken die volstrekt afwezig zijn bij digitale muziek.

Deze traditionele exploitanten van muziek trachten via wetgeving en rechtszaken de “bedreigende innovatie” binnen de digitale muziekcultuur via de auteursrechtelijke weg in de illegaliteit te plaatsen en zo onschadelijk te maken. Tel daar DRM bij op en je kunt je afvragen of de balans tussen informatievrijheid en recht op geestelijke prestaties (inderdaad, ius mentis!) nog wel juist is.

Hoe moet je daarmee omgaan? Brinkerink verwijt de industrie maar ook de wetgevers een gebrek aan visie:

Niet alleen ontkennen zij de fundamentele en onstuitbare aard van de opkomst van de digitale muziekcultuur, maar daarnaast slagen zij er niet in om adequaat aan te sluiten op zowel de maatschappelijke als de politiek-economische mogelijkheden die deze ontwikkeling met zich meebrengt.

Op zoek naar een antwoord belandt Brinkerink in hoofdstuk drie bij de open cultuur. Het model van open source software (vrij delen van broncode en voortbouwen op elkaars ideeën) is dankzij initiatieven als Creative Commons overgeslagen naar andere culturele uitingen: open content.

Open content licenties bieden artiesten -niet de industrie- de flexibiliteit die zij nodig hebben om optimaal gebruik te kunnen maken van de digitale mogelijkheden. Hierdoor, aldus Brinkerink, kan een gemêleerd muzikaal landschap ontstaan, waarin muzikanten niet langer genoodzaakt zijn om artistieke concessies te doen en subculturele vormen van muziek een groter bestaansrecht krijgen.

Hoofdstuk vier brengt alles bij elkaar. Eerst schetst Brinkerink de opkomst van de “culturele industrie”, met de verrassende conclusie dat

mensen de culturele producten van de massa-industrie niet [consumeren] vanwege een oprecht individueel verlangen, maar vanwege de prominente aanwezigheid van deze producten binnen de massamedia.

Vervolgens analyseert hij de ‘ondergrondse’ muziekstromingen, de indies (independents) en hoe deze langzaam maar zeker ‘mainstream’ werd. Dit was onvermijdelijk omdat zonder het “machtsmonopolie van de gevestigde muziekindustrie” het publiek nauwelijks te bereiken was. Maar dat ligt nu anders. Nu hebben onafhankelijke muzikanten en bands de mogelijkheid om zelfstandig, via digitale technieken, zichzelf aan een wereldwijd publiek te presenteren: de cyberindies waren.

Uit de conclusie:

CyberIndie stelt muzikanten middels een open exploitatiemodel tegelijkertijd in staat om (indirect) geld te verdienen met hun muziek. Nieuwe (internet)platformen voor muziek zijn van cruciaal belang voor de ontwikkeling van CyberIndie, als promotiekanalen en innovatieplatformen om de positie van deze nieuwe muzikale subcultuur binnen de muziekindustrie positief te beïnvloeden. Momenteel pionieren online muziekgemeenschappen met wat het toekomstig primaire consumptie- en distributiekanaal van muziek zal worden, door muziekliefhebbers de mogelijkheid te bieden om hun weg te vinden in een gemêleerd muzikaal landschap, met een omvangrijker en diverser muzikaal aanbod dan voorheen het geval was. Netlabels en andere nieuwe internetplatformen experimenten met steeds succesvollere open exploitatiemodellen voor muziek en tonen daarmee de meerwaarde van open distributie voor muzikanten aan.

Deze zeventig pagina’s tellende scriptie is zeer, zeer de moeite van het lezen waard.

Arnoud

Wat wil Microsoft met Yahoo!?

Waarom wil Microsoft zo graag Yahoo! overnemen? Die cruciale vraag, die meer dan 40 miljard dollar waard is, stellen een hoop mensen zichzelf. Het beste antwoord tot nu toe vond ik bij Roughly Drafted, dat Microsoft en Yahoo uitgebreid op een rijtje zet en tot de conclusie komt dat die aankoop er alleen toe zal leiden dat Microsoft haar monopoliekracht kwijtraakt – wat Google de grote winnaar van het hele spel maakt.

With Microsoft increasingly unable to expand or even maintain its monopoly powers, or successfully use them to force the adoption of its own products, what benefit would there be in buying up Yahoo and attempting to use it as an expanded version of the same online strategies that currently aren’t working?
…
A cynic might suggest that such a brutal merger might provide just what the world needs: a dramatic reduction in Microsoft’s power and a disassembly of the largely ineffective Yahoo in order to better use the resources that it currently sits upon. At the same time however, such a consolidation threatens to put too much power in one place. While Google has complained that Microsoft’s Yahoo bid might result raise antitrust issues, the biggest problem created might be the elimination of any check to Google itself.

Lees verder in Why Does Microsoft Really Want Yahoo? bij RoughlyDrafted Magazine.

Arnoud

Nederland in top 5 illegale contentverspreiders

Suske en Wiske en de Sinistere SiteNederland behoort tot de vijf landen die de meeste illegale content via het internet verspreiden, meldt Security.NL. Dit blijkt uit een aanstaand rapport van X-Force. De term “illegale content” moet breed worden uitgelegd: hiermee bedoelt het rapport niet alleen aanbod van software, films of muziek dat inbreuk maakt op het auteursrecht, maar ook websites die worden gebruikt voor computercriminaliteit, illegale drugs, malware of die gewelddadig en extremistisch van aard zijn. Tsja. Om dat nou allemaal over één kam te scheren?

Ditzelfde definitieprobleem zie je wel vaker bij cybercrime: de kreet “misdrijven die met een computer gepleegd worden” is zo breed dat volgens sommige definities ook iemand de hersens inslaan met een laptop onder computercriminaliteit valt. Zijn sites van een coffeeshop sites die gebruikt worden voor illegale drugs?

Bron: 2007 X-Force report

Arnoud

Wie van u heeft er verstand van internationaal recht?

Mag ik bij deze gebruik maken van uw collectieve kennis van het internetionaal privaatrecht? Hoewel de meeste onderwerpen op mijn site Nederlands recht betreffen, krijg ik ook veel vragen over grensoverschrijdende zaken. Welk recht geldt voor een website die fysiek in Japan staat, Engelstalig is en levert aan Nederlandse bedrijven? Maakt het uit of het dan om merkrecht, auteursrecht, smaad of schending van privacy gaat?

Ik zou hier graag een artikel over schrijven, maar dit is een verschrikkelijk lastig onderwerp waar ook nog eens weinig overzichtsliteratuur over lijkt te zijn. Ik was al begonnen in het proefschrift van Van Eechoud, maar dat is geen lectuur voor maar één regenachtige zondagmiddag.

Wie heeft een suggestie voor nuttig leesvoer?

Uw artikelen hierover publiceer ik natuurlijk ook graag! Zolang het niet al te veel een infomercial wordt, bent u welkom! 🙂

Arnoud

Content-centrische netwerken

Het internet gaat aan haar eigen succes ten onder. Hoewel er steeds meer kabels gelegd worden en steeds grotere datacentra, blijft het netwerk kwetsbaar. Dat komt door een fundamentele beperking in de opzet van internet: elk stukje informatie moet van één bron komen. En als die verstopt of onbereikbaar wordt, gaat het fout.

Caches en mirrors (of hulpnetwerken zoals Akamai) zijn een gedeeltelijke oplossing. Meer fundamenteel is een nieuwe opzet van het internet: zet de data centraal, niet de computers waar het vandaan komt. Iedereen doet mee aan de verspreiding, zodat er altijd genoeg bronnen zijn om de data te pakken te krijgen die je wilt. Technisch haalbaar, maar alle wetten over aansprakelijkheid, auteursrecht en aanverwante zaken kunnen het raam uit.

Het internet zou gebouwd zijn om gedurende een nucleaire oorlog te blijven werken. Dat is een mythe. Het internet is allerminst robuust. Deze kaart van de Guardian (via ZBDigitaal) laat zien hoe weinig verbindingen er eigenlijk zijn tussen de continenten:

Bron: The Guardian 2008

En het gaat ook vaak genoeg mis. Eén kabelbreuk blijkt al genoeg om het halve Midden-Oosten zonder internet te laten zitten (complottheorieën te over trouwens). In december 2006 zorgde een zeebeving voor een grote internetstoring in Zuid-Oost Azië. Vietnam zat in juni 2007 zonder internet door diefstal van kilometers glasvezelkabel.

Raar eigenlijk, want op zich is er netwerkcapaciteit genoeg in die landen, en de meeste pagina’s, filmpjes en andere content die de mensen daar wilden zien was ook ongetwijfeld allang aanwezig op de harde schijven op de miljoenen computers aldaar. Maar toch moest iedereen per se naar de originele server om zijn eigen kopie van die pagina’s of filmpjes op te vragen. Onzin eigenlijk, maar ja, zo is internet nu eenmaal gebouwd.

Bittorrent is een voorbeeld van hoe het ook anders kan. Net als bij elk file sharing netwerk worden bestanden van computer naar computer verspreid. Het unieke aan Bittorrent is dat er niet één persoon is die het hele bestand verstuurt. Elk bestand wordt in delen opgehakt, en elk deel wordt afzonderlijk verstuurd. Zodra iemand een deel heeft, deelt hij dat deel ook weer met iedereen die op zoek is naar dat bestand.

Bron: Master New MediaDeze techniek is een eenvoudige versie van wat in de wetenschappelijke wereld bekend staat als content-centric networking, content disseminatie netwerken of swarming.

Deze video-uitleg van Van Jacobson legt heel duidelijk uit waar het over gaat. Iedere computer die een stukje data langs ziet komen, bewaart daar een kopietje van. Als deze vervolgens een verzoek langs ziet komen voor dat stukje data, stuurt hij zijn kopietje in plaats van het verzoek door te geven aan de mogelijk heel ver weg staande oorspronkelijke server.

Deze netwerktechnologie heeft vérstrekkende gevolgen, ook voor het internetrecht. Als er geen centrale bron meer is die de content “op internet zet”, wie moet je dan aanspreken als de publicatie onrechtmatig is? En zelfs als je de eerste plaatser van de content vindt, hoe kan deze dan de publicatie stopzetten? Ben ik aansprakelijk als mijn computer iets bewaart en doorgeeft dat in Koeweit illegaal is?

Of wat dacht je van de vraag hoe je een stuk content vindt? Als er geen “officiële” site meer is, en content overal vandaan kan komen, kan ik het verschil niet meer zien tussen een geautoriseerde en een ongeautoriseerde publicatie.

De oplossing zal op een of andere manier uitgebreid gebruik moeten maken van encryptie en digitale handtekeningen. Vervalsing van data is immers triviaal, als iedereen antwoord mag sturen op elk verzoek. Met een digitale handtekening kan de ontvanger dan nagaan of hij echt de voorpagina van NU.nl heeft gekregen of een neppagina. En voor veel data (zoals e-mail of chatgesprekken) is het niet de bedoeling dat iedereen meeleest, dus daar is encryptie cruciaal.

Via de digitale handtekening op content zou je dus de plaatser kunnen achterhalen. Maar dat is een lastige: hoe weet je welke digitale handtekening gezet is door welke persoon? Wie is de echte Disney?

En om dan de content te kunnen verwijderen, is nog heel wat meer nodig. Youtube heeft nu al problemen genoeg om een film weg te halen als ze daar een bevel toe krijgen.

Kortom, genoeg stof om over na te denken. Onlangs kocht ik het boek The Big Switch van Nicholas Carr, een aanrader over dit onderwerp!

Arnoud

Webstats van Nedstat opvragen geen inbreuk op databankrecht

Kent u dit icoontje nog? Inderdaad, Nedstat, de oudste bezoekersteller van Nederland. De dienst voor deze gratis teller (Nedstat Basic) werd in 2005 verkocht aan internet reclamebureau Ad Pepper, waarna het Webstat4U en -na enige ophef over floepvensters– Motigo Webstats ging heten.

Ad Pepper had plannen voor uitbreiding, en de tellerdienst van het Franse Weborama leek een aardige kandidaat om aan te kopen. Weborama maakte zich zorgen over klantverlies na die overname, en had toen het slimme plan om eens te kijken hoe populair die Webstats-tellers nu eigenlijk waren. Je kunt namelijk in de gebruikerscatalogus van Motigo kijken wie hun klanten zijn (keurig op categorie), en dan voor een willekeurige klant hun webstatistieken lezen.

Dat massaal opvragen viel natuurlijk op bij Ad Pepper. En omdat de overname ondertussen was afgeketst, lagen de verhoudingen toch al niet zo lekker, dus daar kwam een rechtszaak van: schending van databankrecht en ook nog eens doorbreken van een beveiliging (het negeren van robots.txt) en het ongeautoriseerd opvragen van al die gegevens.

De rechter ging in het vonnis handig voorbij aan de vraag of sprake was van een beschermde databank door meteen te kijken of er sprake was van geheel of gedeeltelijk hergebruik van die databank. Als dat er niet is, is je databankrecht niet geschonden. Weborama zou 27.800 items hebben opgevraagd. Dat was maar een fractie van de databank van Webstats: er bleken meer dan 1 miljoen Webstats-klanten te zijn. Geen gehele overname dus.

Opvragen van kleine stukjes van een databank mag, tenzij het gaat om voorkomen het “leegmelken” van de databank. En daar was bij deze éénmalige actie geen sprake van. Weborama had verder geen commerciele activiteiten ontplooid met de opgevraagde gegevens, dus van schade, laat staan ongerechtvaardigde schade was al helemaal geen sprake. Dus daarmee hield alles op: zonder schade geen vordering.

Het robots.txt bestand was trouwens geen doeltreffende technische voorziening ter bescherming van een databank, dus daar hoefde de spider van Weborama geen rekening mee te houden.

Net als bij het Gaspedaal-vonnis had ook Weborama in haar algemene voorwaarden (terms of service) dit soort acties verboden. En net als Wegener bij Gaspedaal kreeg Weborama hier ongelijk: je mag niet in je gebruiksvoorwaarden iets verbieden waar je geen recht op hebt. Weborama had geen databankrecht, dus mocht ze opvragen uit die onbeschermde databank niet via de achterdeur alsnog tegengaan.

Arnoud

Vooruit betalen bij webwinkels, mag dat?

In september schreef ik in de pizzaboer op afstand over de problemen bij vervalste bestellingen via internet. Je kunt een product bestellen, vervolgens keihard ontkennen dat je het besteld hebt en het dan houden omdat het een “ongevraagd toegezonden artikel” is. Fraude natuurlijk, maar bewijs het maar als webwinkel. Daarom schreef ik:

Een slimme webwinkel laat de klant dus eerst betalen. Dan speelt deze hele discussie niet. De winkel heeft zijn geld, en de ontvanger van het product is óf blij met het bestelde, óf hij kiepert het in de vuilnisbak. Maar dat is niet meer de zorg van de winkel.

Een oplettende lezer wees me op artikel 7:26 BW, dat zegt dat je als consument ten hoogste tot vooruitbetaling van 50% van koop verplicht kunt worden. Dus mag dat eigenlijk wel, alles vooruit betalen?

Deze bepaling is geen dwingend recht (art. 7:6 BW). Dat wil zeggen dat je samen wat anders mag afspreken, en dat gaat dan boven de normale regel. Alleen mag je die afspraak niet in je algemene voorwaarden maken, zo staat in datzelfde 7:6 BW. Je moet expliciet met elke klant apart afspreken dat hij alles vooruit zal betalen.

Dat zou dus goed moeten gaan bij webwinkels. Bij het afrekenen vraag je hem of hij direct wil betalen via bijvoorbeeld iDEAL, of hij een acceptgiro wil of dat hij met zijn creditcard wil betalen. Op die manier bied je elke klant de keuze, en daarmee is het geen algemene voorwaarde meer dat je vooraf moet betalen. Zo is het geheel legaal.

Een winkel die alleen vooruitbetaling via iDEAL biedt, en geen mogelijkheid biedt om b.v. onder rembours te bezorgen of met acceptgiro te betalen bij ontvangst, schendt mogelijk de Nederlandse wet. Maar ik geloof niet dat er webwinkels zijn die alleen iDEAL-betalingen accepteren.

Wel zijn er genoeg webwinkels die alleen een creditcard als betaalmogelijkheid hebben. Dat is geen probleem. Je moet bij het plaatsen van de bestelling toestemming geven om het bedrag van je kaart af te halen, maar het bedrag wordt pas op het moment van aflevering belast. Dat is geen vooruitbetaling in de zin van artikel 7:26 lid 2 BW, zo vond de rechter in de HCC/Dell zaak over de algemene voorwaarden van webwinkel Dell. Daarover trouwens zeer leesbaar is Toetsing van algemene voorwaarden aan koop via internet van Louwrens Phoelich.

Bij webwinkels geldt trouwens nog de bijzondere eis dat de verkoper zijn (fysieke) adres moet melden als vooruitbetaling van de prijs of een gedeelte daarvan verplicht is (7:46c lid 1 sub a BW). Dan weet je dus (als het goed is) waar je heen moet om je geld terug te vragen.

Arnoud

Buma/Stemra treedt op tegen embedded muziekfilmpjes

De Buma gaat achter embeddende bloggers aan. Nee, niet embedded bloggers, maar bloggers die filmpjes of muziek van Youtube in hun berichten opnemen. Op C’T wordt Buma/Stemra als volgt geciteerd:

Embedden is volgens de wet echter ‘opnieuw openbaar maken’, zo zegt Buma/Stemra, en dus is er een webcasting-licentie voor nodig.

Volgens de wet? Dat dacht ik even niet. Embedden is een vorm van inline linken. Linken is geen openbaarmaken in de zin van de Auteurswet, zo blijkt uit de jurisprudentie (zie met name het ZoekMP3-arrest en de recente Shareconnector-zaak). Linken kan wel onrechtmatig zijn, omdat je door een link de inbreuk op auteursrecht faciliteert of zelfs aanmoedigt. Je moet dan wel, zo staat in diezelfde jurisprudentie, weten dat je linkt naar iets inbreukmakends. Nu denk ik dat dat vrijwel altijd wel opgaat bij embed-codes van Youtube, maar nog steeds: het is geen inbreuk maar hooguit onrechtmatig.

En nee, dat is geen gezochte juridisch-theoretische nuance. Of nou ja, dat is het misschien wel, maar hij is wel van belang. Want de manier waarop de Buma omgaat met deze onrechtmatige handelingen, is ietwat merkwaardig: men suggereert dat de blogger een webcasting-licentie nodig heeft voor dergelijke links. Zo schrijft de Buma aan Myownmusicindustry.nl:

[W]ij hebben geconstateerd dat u actief bent om (beschermde) muziekwerken uit het door Buma/Stemra beheerde wereldmuziekrepertoire ter beschikking te stellen, ontvangen wij van u graag de volgende gegevens ter bevestiging;

Dat wekt de indruk dat de embedded blogger inbreuk op auteursrecht pleegt. Alsof de embedded blogger hetzelfde doet als Youtube. Webcasting is een vorm van openbaar maken, daarvoor is een licentie nodig. Dat is duidelijk. Maar iemand die faciliteert bij webcasten, maakt zelf niet openbaar. En wie niet openbaar maakt, pleegt geen inbreuk op het auteursrecht en heeft dan ook geen licentie nodig.

Het is niet netjes om bloggers en Youtube dan zo over één kam te scheren. Youtube maakt openbaar en moet daarvoor een licentie nemen. De schade die de bloggers veroorzaken door hun embed-acties, is afgeleide schade en staat niet in verhouding tot de schade die Youtube veroorzaakt bij de auteursrechthebbenden. Die afgeleide schade kan dan niet leiden tot hetzelfde licentiebedrag als Youtube zou moeten betalen.

Buma zou met Youtube -de eigenlijke inbreukmaker- een ‘echte’ webcasting licentie afsluiten. En afhankelijk van de voorwaarde daarin zou men dan eventueel een apart, afgeleid tarief kunnen hanteren voor mensen die slechts embedden. Of, en dat zou uiteindelijk het beste zijn, Youtube laten afrekenen voor afspelen via haar embedded player, zodat bloggers vrijuit kunnen blijven bloggen.

UPDATE (17:21): De actie van Buma/Stemra was prematuur, zo meldt NU.nl zojuist.

UPDATE (14 februari) Heeft Buma/Stemra haar hand overspeeld? 3voor12 citeert Nicolien van Vroonhoven (CDA), lid van de werkgroep auteursrecht op internet: “Het is typerend hoe Buma hier nu op duikt. Het is lastig juridisch te beoordelen of ze het gelijk aan hun zijde hebben, maar je moet niet altijd het onderste uit de kan willen hebben. Youtube is een vrijplaats, en dat moeten we koesteren.”

Arnoud

De legaliteit van reverse engineeren – hardware en drivers

multimeter2.jpgHet is toegestaan om te achterhalen hoe dingen werken. Heb je een mooie grafische kaart gekocht, en wil je weten welke signalen deze afgeeft, dan mag je gerust met je multimeter aan de slag. Wil je zien hoe je televisie er van binnen uitziet, veel plezier met de schroevendraaier. De garantie vervalt natuurlijk wel, maar dat terzijde.

Wil je met die informatie een eigen product bouwen, dan mag dat ook. Ideeën en technische principes zijn vrij. Daar is één uitzondering op: je kunt tegen octrooien aanlopen natuurlijk. Voor een octrooi maakt het niet uit of je het product zelf gemaakt hebt of hebt afgekeken: als het doet wat in het octrooi staat, pleeg je inbreuk.

Afgezien van octrooien is het reverse engineeren van de werking van hardware dus legaal. Dat is erg handig voor bijvoorbeeld open source zoals Linux, waarvoor minder aanstuursoftware (drivers) voor hardware beschikbaar is dan bij Windows. Een open source-ontwikkelaar mag dus kijken welke commando’s er van de driver op de PC naar een hardwarekaart (of terug) gestuurd worden en welk effect dat heeft. Hij kan daarmee zijn eigen driver maken die op het juiste moment de juiste commando’s stuurt. Dit mag: artikel 45l Auteurswet bepaalt dat een licentienemer van de software mag achterhalen hoe de software werkt “teneinde de daaraan ten grondslag liggende ideeën en beginselen te achterhalen.” Daaronder valt ook het achterhalen van de communicatie tussen de driversoftware en de hardware.

Een nadeel van deze aanpak is dat je dan niet zeker weet dat je alle situaties gehad hebt. Misschien is er wel een commando dat alleen gestuurd wordt als de kaart erg warm wordt, of wanneer iemand een resolutie van 1194×768 pixels gebruikt en een 3D-bal wil laten stuiteren als screensaver.

Een betere oplossing is dan ook de bestaande driver pakken en deze disassembleren: de binaire code uit elkaar halen om zo in één keer te zien wat de driver allemaal voor commando’s kan versturen en ontvangen. Daarmee is dan een nieuwe driver te maken die hetzelfde doet, maar dan voor Linux.

Deze oplossing ligt juridisch iets lastiger. Software is beschermd door auteursrecht. Bij reverse engineeren moet je de software uitvoeren om te kunnen zien wat hij doet. Dat is normaal inbreuk op het auteursrecht. Maar voor deze vorm van reverse engineering is er artikel 45m.

Dit artikel zegt dat je mag reverse engineeren om interoperabiliteit van je eigen software met andere software tot stand te brengen. Bijvoorbeeld dus je eigen driver maken om de (embedded) software in de grafische kaart te kunnen besturen. Het recht is in zoverre beperkt dat je alleen datgene mag reverse engineeren wat je nodig hebt om je eigen driver te kunnen maken.

Dit artikel is natuurlijk ook relevant voor andere soorten software, zoals de vele open source alternatieven voor gesloten software zoals Microsoft Office. Daar kom ik binnenkort op terug, want de situatie is daar iets minder rooskleurig dan bij drivers.

Hoe dan ook, je mag dus een driver reverse engineeren en met de gevonden informatie je eigen driver maken. Wat niet mag, is stukken van de oorspronkelijke driver overnemen in je eigen driver. Dan pleeg je inbreuk op het auteursrecht. Je mag alleen achterhalen wat de driver doet, en vervolgens moet je je eigen software schrijven die dezelfde activiteiten verricht. Zonder te kijken op welke slimme manier de oorspronkelijke software dit doet.

Dat zal bij drivers gelukkig niet altijd een groot probleem zijn. De implementatie van een driver is namelijk voor een groot deel bepaald door de hardware. Er moet nu eenmaal code 0x31337 gestuurd worden om een bepaald beeld op het scherm te tonen, en als de printer de code 0xDEADBEEF stuurt, dan is het papier op en moet het printen tijdelijk ophouden. Daardoor zit er weinig creatieve ruimte voor programmeurs bij het schrijven van drivers. Hoewel dus een nieuwe driver voor een deel zal lijken op het origineel, komt dat door die technisch bepaalde factoren. En iets dat hetzelfde is vanwege een technische eis, is geen inbreuk op het auteursrecht.

Bij dit soort activiteiten wordt wel de bewijslast omgekeerd: als beide drivers hetzelfde doen, moet de maker van de nieuwe driver bewijzen dat hij geen code heeft overgenomen van de oorspronkelijke driver. Vandaar de clean-room praktijk: laat de ene persoon achterhalen en documenteren wat de driver doet, en laat een andere persoon op basis van die documentatie een nieuwe driver schrijven. De andere persoon kan dan geen code hebben overgenomen, want daar had hij geen toegang toe. En de eerste persoon heeft geen code geschreven, en heeft dus ook geen inbreuk gepleegd.

Deze bepalingen zijn dwingend recht. Dat betekent dat dit recht niet in een softwarelicentie (EULA) verboden kan worden. Staat het toch in een EULA, dan zal de rechter die clausule negeren.

Arnoud

Regels tegen oneerlijke handelspraktijken stiekem al maand van kracht

Sorry, ik zat vrijdag even niet op te letten. Toen speculeerde ik over de gevolgen van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken, en schreef daarbij dat dit toekomstmuziek was omdat deze richtlijn nog niet in onze wet omgezet was. Nou klopt dat op zich, maar de regels uit deze richtlijn zijn al wel van kracht, dankzij het fenomeen “richtlijnconforme uitlegrechtstreekse werking“. Dat betekent dat wie zich gedupeerd voelt door een oneerlijke praktijk van een bedrijf, nu al met de richtlijn in de hand van een overeenkomst af kan of schadevergoeding kan krijgen.

Normaal kun je geen direct beroep doen op Europese richtlijnen, omdat het geen wetten zijn maar instructies aan de nationale wetgever om hun wetboeken aan te passen aan de regels uit de richtlijn. Vandaar dus het wetsvoorstel ter implementatie van de richtlijn. In veel gevallen (en ook hier) gebeurt dat door de richtlijn over te schrijven als wetsartikelen, maar dat hoeft niet. Stel je hebt al een equivalent wetsartikel, dan hoef je niets te doen.

Maar als de wetgever te laat is met de aanpassing, dan kun je een direct beroep doen op die bepalingen uit de richtlijn die “onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn”richtlijnconforme interpretatie van de regels uit de Richtlijn eisen. Dat maakt het mogelijk om een bestaande wetsbepaling zo uit te leggen dat de uitkomst net is of de Richtlijn al wel ingevoerd is. Voor algemene voorwaarden heb je nu al de mogelijkheid om ze te vernietigen door te zeggen dat ze onredelijk bezwarend zijn. Bewijs daarvan kun je nu leveren door de richtlijn oneerlijke handelspraktijken te laten zien: wat daar verboden is, moet worden gezien als onredelijk bezwarend. (update 7 februari 2008) En zeker de bepalingen uit de zwarte lijst lijken mij evident voldoende nauwkeurig om nu al van toepassing te zijn. Je kunt nu dus al naar de rechter met deze zwarte lijst in de hand om je recht te halen. Piter “Volledig bericht” de Weerd had dit in december al gezien trouwens.

De Stichting Reclame Code heeft alvast maar de Nederlandse Reclame Code aangepast: bij klachten over reclame in tijdschriften of op radio of televisie kunt u nu direct gebruik maken van de verboden uit de richtlijn.

De twaalf zwartste zwartelijstitems zijn:

  1. Lokkertjes: de consument verlokken tot kopen door reclame te maken voor een product tegen een zeer lage prijs zonder dat daarvan een redelijke voorraad aanwezig is.
  2. Zogenaamde “gratis” aanbiedingen: een product als “gratis”, “voor niets”, “kosteloos” en dergelijke omschrijven als de consument iets anders moet betalen dan de onvermijdelijke kosten om in te gaan op het aanbod en het product af te halen dan wel dit te laten bezorgen.
  3. Kinderen er rechtstreeks toe aanzetten om geadverteerde producten te kopen (“Koop het boek nu”) of om hun ouders of andere volwassenen ertoe over te halen die producten voor hen te kopen (“Er is een nieuwe video ‘Alice en het toverboek’ van Fondi uit – vraag je moeder die bij de tijdschriftenhandel te kopen.”) Kinderen rechtstreeks aanzetten tot het kopen van een product was op televisie al verboden; de zwarte lijst breidt dit verbod uit tot alle media, met name internet.
  4. Bedrieglijk beweren dat een product een geneeskrachtige werking heeft, bijvoorbeeld in het geval van allergieën, haarverlies en overgewicht.
  5. Advertorials: redactionele inhoud in de media, waarvoor de handelaar heeft betaald, gebruiken om reclame te maken voor een product, zonder dat dit duidelijk wordt uit de inhoud.
  6. Piramidesystemen: een piramidesysteem waarbij de consument tegen betaling kans maakt op een vergoeding die eerder voortkomt uit het aanbrengen van nieuwe consumenten in het systeem dan uit de verkoop of het verbruik van goederen.
  7. Prijzen: de bedrieglijke indruk wekken dat de consument een prijs heeft gewonnen als er in feite geen sprake is van een prijs, of als het ondernemen van stappen om in aanmerking te kunnen komen voor de prijs afhankelijk is van de betaling van een bedrag door de consument of indien daaraan voor hem kosten zijn verbonden.
  8. Misleidende voorstelling van de rechten van de consument: wettelijke rechten van consumenten voorstellen als een onderscheidend kenmerk van het aanbod van de handelaar.
  9. Beperkte aanbiedingen: bedrieglijk beweren dat het product slechts gedurende een zeer beperkte tijd beschikbaar zal zijn om de consument onvoldoende tijd te geven een geïnformeerd besluit te nemen.
  10. Taal van de klantendienst: beloven de consumenten een klantendienst te verschaffen en deze dienst vervolgens enkel beschikbaar stellen in een andere taal zonder dit duidelijk aan de consument te laten weten alvorens deze zich tot de transactie verbindt.
  11. Niet-gevraagde leveringen: vragen om onmiddellijke dan wel uitgestelde betaling of om terugzending of bewaring van producten die de handelaar heeft geleverd, maar waar de consument niet om heeft gevraagd.
  12. Europese garantie: op bedrieglijke wijze de indruk wekken dat voor een bepaald product service na verkoop beschikbaar is in een andere lidstaat dan die waar het product wordt verkocht.

Arnoud