Nieuwe richtlijnen software-octrooien bij Europees Octrooibureau

Wanneer is software octrooieerbaar? Met deze vraag worstelt het Europees Octrooibureau (EOB) al jaren. Het probleem is namelijk dat het Europees Octrooiverdrag zegt dat op “software als zodanig” geen octrooi verleend mag worden, maar wat is dan “software als zodanig” – en belangrijker, bestaat er dan zoiets als “software niet als zodanig”?

In 1998 oordeelde het EOB dat een technische uitvinding die met software gebouwd werd, geen “software als zodanig was”. Het verbod op software als zodanig zou bedoeld zijn om niet-technische zaken te weren, maar niet om een uitvinding van octrooi uit te sluiten enkel omdat je bepaalde stukken met software kon implementeren. Vanaf toen verschoof de discussie van “wat is software als zodanig” naar “wat is technisch”.

En dat is een hele goede vraag. Het EOB is er nog steeds niet uit, ook niet in haar nieuwe richtlijnen die eind november in het Official Journal verschenen. Weliswaar komt men nu met concrete voorbeelden van zaken die het wel of niet gehaald hebben, maar een algemene regel ontbreekt nog steeds. En dat is jammer, want zo blijft de onduidelijkheid bestaan.

Wat moet je bijvoorbeeld als arme octrooigemachtigde hiermee:

It is notable that although the requirement for technical character is satisfied if technical considerations are required to carry out an invention (T 769/92, OJ EPO 1995, 525), such technical considerations must be reflected in the claimed subject-matter. The involvement of technical considerations, however, is not sufficient for a method which may exclusively be carried out mentally to have technical character (T 914/02).

Iets is technisch als men technische aspecten (overwegingen) meeneemt in de uitvinding, maar de technische aspecten moeten wel deel uitmaken van de uitvinding anders is deze niet technisch. Als u dit snapt, weet ik nog een leuke baan voor u.

Het artikel zet wel de nieuwe, strenge aanpak over business method octrooien goed op een rijtje. Zoals ik al in mijn artikel Taking care of business methods schreef, de nieuwe manier van het EOB om dit soort vindingen te beoordelen is zo streng dat er zelden of nooit meer een business method octrooi verleend wordt in Europa.

Arnoud

Reactie op reactie op: “ja, een licentie is een contract!”

Soms moet je mensen even porren om ze weer aan het bloggen te krijgen, en klaarblijkelijk is me dat bij Menno Weij gelukt.:) Hij reageerde gisteren op een opmerking in mijn blogpost over licenties en contracten waarin ik stelde dat wie software legaal downloadt, geen EULA hoeft te aanvaarden om deze te mogen gebruiken.

Menno zegt daarover:

Dit is naar mijn stellige overtuiging onjuist. Immers, je kunt er donder op zeggen dat de EULA overeenkomst bepaalt dat de software niet gebruikt mag worden indien men de EULA overeenkomst niet wenst te accepteren.

Ik geef toe dat mijn opmerking niet bepaald een mainstream uitleg van de Auteurswet is, maar deze redenering gaat me ook weer wat te snel. Als ik de EULA niet aanvaard, dan heb ik verder niets te maken met wat er in de EULA staat. Dus of daar nou staat dat ik de software niet mag gebruiken, is voor mij dan irrelevant. De auteursrechthebbende zal op grond van zijn auteursrecht tegen mij in actie komen, maar de inhoud van de EULA is daarbij volstrekt irrelevant.

Maar als ik de EULA niet aanvaard, mag ik de software dan gebruiken op grond van art. 45j? Menno vindt van niet:

Indien [de EULA niet aanvaard is], dan mag de software niet gebruikt althans gedownload worden. Immers, voor dat gebruik is alsdan geen toestemming verkregen van de auteursrechthebbende op die software. Je kunt dus ook niet teruggevallen op de wettelijke gebruiksrechten voor software in de Auteurswet, want je bent geen rechtsgeldig gebruiker.
Dat lijkt mij dan weer volstrekt onjuist. Het downloaden van software gebeurt voordat ik de EULA zelfs maar te zien krijg. Het is niet mogelijk om mijn downloadhandeling bij nader inzien alsnog te onderwerpen aan voorwaarden die ik pas na de download te horen krijg.

Natuurlijk zou de rechthebbende de EULA voorafgaande aan de download kunnen tonen, en zelfs expliciet een akkoordklik kunnen eisen voordat de download in gang gezet wordt. In dat geval is de download wel onderworpen aan de EULA. Maar dat is op internet de uitzondering en niet de regel.

Gebruikelijk is: je vindt een leuk stukje software, je downloadt het en dubbelklikt op het Installeren-icoon (hopelijk na een viruscontrole) en dan krijg je het bekende scherm met de EULA voor je neus. Of de EULA staat ergens in een tekstbestandje bij de andere programmabestanden.

Mijn stelling is dus dat ik in die gebruikelijke situatie (EULA na download pas aan mij getoond) een rechtmatig verkrijger in de zin van art. 45j Aw ben. Ik mag dan de software gebruiken binnen de grenzen van datzelfde art. 45j.

Spoor/Verkade/Visser lijken het hier op p. 597 met mij eens te zijn:

Rechtmatig verkrijger is iemand aan wie de rechthebbende of zijn (daartoe bevoegde) licentienemer het programma ter beschikking heeft gesteld. De wijze waarop dit is geschied doet niet ter zake: het kan zijn door verkoop, uitlenen of verhuur van een exemplaar, maar ook on-line.

Bovendien zegt dit artikel 45j “tenzij anders is overeengekomen”. Als een verkrijger pas rechtmatige verkrijger is nadat hij de EULA heeft aanvaard, zou deze bijzin geen betekenis meer hebben. Er moeten dus situaties zijn waarin men de licentieovereenkomst niet heeft aanvaard maar toch rechtmatige verkrijger is.

Arnoud<br/> De foto van de CD uit de envelop is gemaakt door Wellington Grey en is beschikbaar onder de Creative Commons 3.0 BY-SA licentie.

Waar liggen de grenzen van het beeldcitaatrecht?

Ik schijn wat streng in de leer te zijn wat de grenzen van het beeldcitaatrecht. Je mag een afbeelding, foto of ander plaatje gebruiken in het kader van een citaat, maar niet zomaar:

Dat wil niet zeggen dat elk hergebruik van een plaatje een toegestaan citaat is. Het beeld moet echt worden overgenomen omdat het nodig is bij de bespreking, kritiek of wat dan ook van dat beeld. Bij een film is een still van een relevante scene bijvoorbeeld toegestaan in de context van een filmkritiek. Bij een artikel over molens een willekeurige afbeelding van een molen tonen is geen beeldcitaat.

Artikel 15a van de Auteurswet heeft het immers over “het citeren uit een werk”, dus het leek mij logisch dat het beeld dat je gebruikt, moet komen uit het werk waar je het over hebt.

Toch blijk ik daarin nog wat strenger te zijn dan wellicht nodig is. In het standaardwerk Auteursrecht door Spoor/Verkade/Visser staat namelijk op pagina 240:

Het opnemen van een toepasselijke foto kan o.i. gelden als ‘ citeren’ , ook al gaat het in de context niet om het werk van deze fotograaf, doch om het onderwerp van de foto.

De juridische basis is het Damave/Trouw-arrest (HR 26 juni 1992, NJ 1993, 205). Hierin werden tekeningen van Damave getoond bij een boekbespreking. Hoewel de tekeningen uit het boek kwamen, werden ze op zich niet besproken in de boekbespreking. Toch was dit toegestaan, omdat de afbeelding samen met de tekst ertoe strekte om aan de lezer een indruk van het betreffende boek te geven.

Pas als op de afbeelding een zodanige nadruk komt te liggen dat zij in overwegende mate de functie van versiering verkrijgt, ga je de grenzen van het beeldcitaatrecht te buiten.

Een willekeurige maar kleine portretfoto van de auteur van een boek zou dus toegestaan zijn bij een boekbespreking. Ook die portretfoto draagt bij aan de boekbespreking; een indruk van de persoon van de auteur kan verhelderend of informatief zijn.

Hoe dan ook denk ik wel dat er een duidelijke relatie tussen het werk en de foto moet zijn. Bij een foto van de auteur is dat duidelijk het geval, maar bij zomaar een foto van een windmolen bij een boek over molens door de eeuwen heen is dat al heel wat minder duidelijk. Ik zou dan toch echt proberen een foto uit het boek zelf te gebruiken, in plaats van een heel andere molenfoto zomaar ergens van internet.

Wat zou nog meer een toegestaan beeldcitaat kunnen zijn als je deze vuistregel hanteert?

Arnoud

Reparatiekosten bij een consumentenkoop

Winkeliers brengen vaak kosten in rekening voor reparatie of vervanging van een gekocht product. Maar mag dat eigenlijk wel?

Wie een product zoals een wasmachine koopt, mag verwachten dat dit product werkt gedurende een bepaalde tijd, de economische levensduur. En als dat niet blijkt te kloppen, dan heb je als consument recht op vervanging of herstel (7:21 BW) van het product. Tenzij dat onmogelijk is of van de verkoper niet gevergd kan worden.

Bij die keuze geldt verder nog de beperking dat je niet mag kiezen voor iets waarvan de kosten in geen verhouding staan tot de kosten van uitoefening van een ander recht (7:21 lid 5). Dus bij een reparatie van 10 euro (afzuigen van stof in de ventilator van een laptop) mag je geen vervanging van een laptop van 1000 euro eisen.

Het venijn zit hem in de kosten. Reparaties kosten vaak geld, en vervanging natuurlijk helemaal. Maar de consument mag geen kosten in rekening worden gebracht voor de kosten voor het (weer) conform maken van het product (7:21 lid 2 BW). In principe heb je dus gedurende die economische levensduur recht op gratis herstel of vervanging. In principe, want natuurlijk (het is en blijft recht) zitten hier uitzonderingen aan. Reparaties die nodig zijn vanwege gewone slijtage, vallen bijvoorbeeld niet onder deze “wettelijke garantie”.

En het kan nog lastiger. Sommige reparaties zullen leiden tot een verlengde economische levensduur. Als na 6 jaar het verwarmingselement (een zwak onderdeel van wasmachines) wordt vervangen door een nieuw, zal de wasmachine langer meegaan dan de 10 jaar levensduur die je mocht verwachten.

De vuistregel is dat je bij een reparatie of vervanging na 4 van de 10 jaar 4/10e van het reparatiebedrag betaalt. Je krijgt er daardoor immers 4 jaar ‘bij’. En voor die ‘extra’ levensduur mag de winkelier dan een vergoeding vragen, zo schrijven o.a. de Consuwijzer, de Consumentenbond en de Ombudsman. De juridische rechtvaardiging hiervoor is dat je door de reparatie meer ‘genot’ van je product hebt dan je mocht verwachten. En als je meer krijgt, dan zul je moeten bijbetalen.

Dit lijkt een beetje op wat juristen “ongerechtvaardigde verrijking” noemen. Je wordt door de reparatie in zekere zin rijker, want je hebt nu een product dat 14 jaar meegaat in plaats van 10. En wie zichzelf verrijkt ten koste van een ander, moet die ander daarvoor een redelijke vergoeding betalen. Vandaar de betaling van 4/10e van de reparatiekosten. Professor Marco Loos schreef dit al in 2004 in zijn boek Consumentenrecht.

Het probleem is wel, deze redenering gaat in tegen de letterlijke tekst van de wet: “De kosten van nakoming van de [reparatie- of vervangings]verplichtingen kunnen niet aan de koper in rekening worden gebracht.”

Dus wat nu? Dan vragen we het aan het Europese Hof van Justitie, zo bedacht laatst een Duitse rechter. Deze regels komen immers uit een Europese richtlijn (1999/44/EG), en dan mag je vragen over de uitleg voorleggen aan het Europese Hof. We wachten nog op antwoord, maar de analyse van de advocaat-generaal lijkt te suggereren dat reparatiekosten niet mogen.

Doel van de richtlijn was immers de consument zo veel mogelijk beschermen. Alles dat deze bescherming omlaag haalt, of de consument terughoudender maakt om zijn recht te halen, is dan al snel verdacht. De winkelier moet een correct werkend product leveren, en als deze dat niet doet, heeft de consument recht op kosteloze reparatie of kosteloze vervanging. Elke bijdrage in de kosten zal de consument doen aarzelen om dit recht uit te oefenen, en daarom zou reparatie gedurende de gehele economische levensduur gratis moeten zijn. Ook als deze leidt tot een verlengde levensduur van het product.

Het zou dan ook onaanvaardbaar zijn dat de consument, die zijn contractuele verplichting correct is nagekomen, de verkoper, die zijn verplichting niet correct is nagekomen, een vergoeding zou moeten betalen voor het gebruik van het gebrekkige goed. Met het nieuwe goed ontvangt de consument enkel datgene waarop hij recht heeft, dat wil zeggen een goed dat in overeenstemming is met wat is overeengekomen. Er kan in casu dan ook totaal geen sprake zijn van een onrechtmatige verrijking van de consument.

De bovenstaande redenering over verrijking gaat dus niet op. Het is de schuld van de verkoper dat hij nu deze kosten moet maken, en die kosten mag hij niet verhalen op de consument. Ook niet als die al vier jaar van het product heeft mogen genieten. De ‘extra’ jaren zijn daarmee een mazzeltje voor de consument.

Afwachten dus wat het arrest zal zeggen! UPDATE (26 april): het arrest zegt dat het verboden is.

Is het iemand van jullie trouwens wel eens gelukt om een aanspraak op deze “wettelijke garantie” er door te krijgen? En zo ja, welk deel van de kosten moest je zelf betalen?

Arnoud

Ja, een licentie is een contract!

Naar Nederlands recht is een licentie een contract. Helaas voor PJ, maar zo is het toch echt. In Nederland dan; naar Amerikaans recht kun je er over twisten, zeker als de licentie niet voor geld wordt verstrekt.

Deze discussie speelt nogal eens bij open source en Creative Commons, en werd hier zaterdag nog opgerakeld bij mijn blogbericht over het effect van CC. Ik vond het onderwerp te belangrijk om alleen maar in de comments te hebben staan, vandaar dat ik er een nieuwe post aan wijd.

Licentie is een duur Latijns woord voor toestemming (licere) om iets te mogen doen. Als je voorwaarden wilt stellen aan de verstrekking of scope van je licentie (kopiëren mag, maar alleen met broncode er bij bijvoorbeeld), dan kan dat niet eenzijdig. Je kunt immers iemand niet eenzijdig dwingen zich aan bepaalde voorwaarden te houden.

De enige manier om iemand bepaalde voorwaarden op te leggen is middels een overeenkomst. Zo biedt de supermarkt mij elke zaterdag een overeenkomst aan: u krijgt een licentie tot binnentreden, mits u een mandje of winkelwagentje meeneemt. Ik kan die overeenkomst aangaan of niet. In het laatste geval moet ik buiten blijven. Ga ik naar binnen zonder mandje of wagentje, dan kan men mij (proberen te) dwingen er eentje te gebruiken, of de overeenkomst ontbinden wegens wanprestatie en mij buiten zetten. Ik pleeg dan immers lokaalvredebreuk.

Zo ook met software. Je moet als gebruiker natuurlijk akkoord gaan met de voorwaarden waaronder je de licentie geboden wordt. Bijvoorbeeld de prijs betalen, broncode van afgeleide werken publiceren of een bronvermelding doen. Wil je dat niet, dan ben je niet aan de voorwaarden gebonden want dan heb je het aanbod afgewezen.

Natuurlijk verlies je de aangeboden rechten als je de voorwaarden niet wenst te aanvaarden. Je valt dan terug op de wettelijke rechten aangaande software: als rechtmatige verkrijger mag je de software op 1 PC draaien (art. 45j) en een backup maken (art. 45k). Wie dus software legaal downloadt, hoeft geen EULA te aanvaarden om deze te mogen gebruiken.

Update (3 juli 2012): in de octrooicontext wordt een gesloten licentiecontract gebruikt om een beschuldiging van octrooischending te pareren.

Arnoud

Een ringtone van Joran van der Sloot, mag dat?

Parodie op filmposter I know what you did last summerSlechte smaak is niet verboden, al zou je soms willen van wel. De affaire-Joran van der Sloot maakte de nodige ‘creativiteit’ in mensen los. Nou mag er in principe een hoop bij zo’n actuele gebeurtenis met grote media-aandacht. Citeren uit de verborgencameraopnamen van het programma van De Vries, of het gebruik van een klein fotootje van Van der Sloot bij je eigen blogbericht over de affaire is bijvoorbeeld toegestaan – met bronvermelding uiteraard.

Dat hoeft natuurlijk niet 100% serieus te zijn allemaal. De poster hiernaast is een aardig voorbeeld van een toegestane parodie. Hier worden weliswaar portretten gebruikt, maar dat is geen inbreuk op het portretrecht. Wie zo in de schijnwerpers van de publiciteit staat, moet zich dit soort gebruik van zijn of haar portret laten welgevallen.

Het parodiefilmpje op YoutubeDe bekendste grap is denk ik wel dat parodieliedje “Ik heb een boot” van DJ Sven van Radio Veronica. Ook dat mag gewoon. Zelfs als je er, zoals o.a. in dit Youtube-filmpje, een videoclip bijzet met de portretten van Van der Sloot, Van der Eem en De Vries.

Waar het twijfelachtig wordt, is wanneer er commerciële motieven een rol gaan spelen. Want bij elke gebeurtenis zijn er wel grapjassen die geld ruiken. Zo was er een zoekmachinemarketeer die zijn diensten aanprees via een Google-advertentie met als tekst “Eindig niet als Natalee – Wilt u wel gevonden worden?”. Moreel verwerpelijk maar legaal.

Over de grens gaat het t-shirt met die tekst “I know what you did” en een foto van Joran. Ze zijn trouwens niet meer te krijgen zie ik net (Google cache). Die shirts zijn puur als handel bedoeld, en iemands portret zo gebruiken om je tshirts te verkopen, is in strijd met het portretrecht.

Ook ringtones verkopen die gebaseerd zijn op dat liedje kunnen juridisch niet door de beugel. De Reclame Code Commissie is hier streng in: gebruik van iemands naam of gezicht in een commercial is vrijwel altijd verboden als die persoon daar geen toestemming voor heeft gegeven. Ook in de rechtspraak wordt commercieel gebruik van iemands portret of stem niet altijd toegelaten. Als je portret commercieel wordt gebruikt, kun je dat tegengaan met een beroep op je portretrecht. Het is immers aan jou om te beslissen aan welke reclames jij mee wilt werken.

Wie zich trouwens afvraagt hoe het zit met de legaliteit van de actie van Peter R. de Vries, verwijs ik graag naar de discussie bij Rechtenforum.nl.

Arnoud

zibb.nl – Arnoud Engelfriet

ZibbSinds kort ben ik expert bij Zibb. Zibb.nl is het ondernemersplatform van Reed Business Information. Zibb.nl biedt nieuws, praktische informatie, tools en diensten voor zakelijke beslissers.

Leest allen mijn advies! Tenminste, als u het niet al op deze blog voorbij hebt zien komen, want ze vertonen nogal wat gelijkenis met blogposts 🙂

Arnoud

De merkenwet versus de meningsuiting

Wilders vs MarlboroDeze posters (rechts) bevatten een meningsuiting over Geert Wilders. Dat mag, het is een politieke mening en die heeft een hoge mate van bescherming. De inbeslagname half januari was dus onterecht. Minder duidelijk is de vraag of Philip Morris, eigenaar van het merk Marlboro, iets kan doen tegen deze meningsuiting. Zij is niet betrokken bij de discussie, maar haar merk wordt wel gebruikt om die mening te onderstrepen. Mag dat zomaar?

Merkenrecht is in principe bedoeld om de handel te reguleren. Het is niet eerlijk als iemand zijn producten kan verkopen onder andermans merk, of onder een eigen merk dat verwarrend veel lijkt op het origineel. Je mag dus geen sigaretten verkopen die Malboro heten. Het Benelux-verdrag voor de Intellectuele Eigendom verbiedt echter niet alleen commercieel gebruik van een merk, maar ook nietcomercieel gebruik

indien door dat gebruik, zonder geldige reden, van dat teken ongerechtvaardigd voordeel wordt getrokken uit of afbreuk wordt gedaan aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van het merk

Die “geldige reden” wordt streng getoetst. Er moet een strikte noodzaak zijn om het merk te gebruiken. Het noemen van een merknaam bij kritiek op het bedrijf is meestal wel een strikte noodzaak. Bij een persiflage of parodie wordt het al twijfelachtiger. En het gebruik op deze posters is nog verder weg van het merk. Waarom nou net Marlboro, zal de rechter vragen. Het gaat toch om de vergelijking met die sticker “kan de gezondheid ernstige schade toebrengen”, moet daar dan perse de layout van de Marlboro-pakjes ook nog bij?

Wolfgang Sakulin schreef hierover een commentaar in NRC Handelsblad. Hij signaleert terecht dat hier een botsing met de vrije meningsuiting optreedt. Een inbreuk op de vrije meningsuiting mag namelijk alleen als dat “in een democratische samenleving noodzakelijk is”. Ook dat is een strenge eis. En die botst met de strenge eis dat je alleen een merk mag gebruiken bij je meningsuiting als dat “strikt noodzakelijk” is.

Een merk is namelijk meer dan alleen de aanduiding van een product of bedrijf, zo schrijft hij:

Bekende merken dragen vaak meerdere lagen van betekenis in zich. Het zijn niet alleen commerciële, maar ook sociale en politieke symbolen. HEMA of McDonald’s zijn commerciële merken, maar staan daarnaast ook synoniem voor de Nederlandse consumptiecultuur, respectievelijk de mondialisering of het Amerikaans Imperialisme. Bij internationaal opererende bedrijven vervangen merken steeds vaker personen als gezicht van het bedrijf en als dragers van de macht. Het Marlboro merk representeert bijvoorbeeld de macht en invloed van Philip Morris en van de sigarettenindustrie in het algemeen. Zulke sociale en politieke betekenissen mogen niet exclusief toebehoren aan de merkhouder.

Wanneer een merk dus een dergelijke sociale of politieke bijbetekenis heeft, zou men er eerder gebruik van mogen maken in het kader van discussie of andere meningsuiting. Daar kan ik me wel in vinden, zolang het maar gaat om een ‘echte’ meningsuiting en niet om verkapt commercieel gebruik zoals bij die zogenaamde parodieën van Adidas, McDonald’s en dergelijke op t-shirts.

Wat vinden jullie? Moet dit kunnen, of kan Philip Morris terecht protesteren tegen de ongewenste associatie met het Wilders-debat?

Via Volledig bericht, pardon Boek 9.

Arnoud

Creative Commons: een teleurstelling?

Jonathan Bailey, Creative Commons-gebruiker sinds 2003, is teleurgesteld in het concept. Niet omdat mensen nu zijn werk stelen (dat doen ze toch wel), maar omdat CC gebruiken hem niets oplevert. Het probleem met CC, zo schrijft hij, is dat mensen niet goed snappen wat nu de bedoeling is.

Ergens heeft hij wel een punt. Auteursrecht betekent “afblijven van dat werk”, zo wordt ons via allerlei reclamecampagnes ingeprent. Nu krijg je ineens Creative Commons dat zegt “u mag kopiëren en verspreiden, mits”. Dus er zit geen auteursrecht op? Ja, dat wel, maar het werkt anders dan gewoon auteursrecht. Zo breng je mensen inderdaad in verwarring. Je ziet dat ook mooi bij Wikipedia, dat gebruikers waarschuwt: “Gebruik nooit materiaal dat beschermd is door auteursrecht!”

Bailey krijgt, net als ik, regelmatig mailtjes van mensen die beleefd vragen of ze zijn werk mogen gebruiken. De grote Creative Commons-banner is kennelijk niet duidelijk genoeg, of mensen weten niet wat ze daar nu mee aan moeten. En dat terwijl de uitleg in principe heel eenvoudig is. Alles mag, maar laat de naam van de auteur staan. Als er “NC- bij staat, mag je het gebruiken maar er geen geld mee verdienen. Als er “ND” staat, mag je het werk niet aanpassen. Ok, “SA” is iets minder eenvoudig. Maar goed.

Ik ken maar weinig plekken waar mijn werk geheel conform de CC licentie wordt hergebruikt. Met een beetje geluk blijft mijn naam staan (zeker nu ik die bij de artikelen middenin de tekst heb geplakt), maar vermelding van de licentie, vergeet het maar. Heel erg vind ik dat niet: men verspreidt zo mijn teksten en dat levert mij weer leuke dingen op.

Het idee van Creative Commons was echter dat er een commons, een gemeenschappelijke bron van creatieve werken zou ontstaan waar iedereen uit kon putten. Maar daar merk ik maar bar weinig van.

Wat denken jullie, mede-CC gebruikers? Wordt jullie werk wel netjes hergebruikt volgens de licentie?

En hoe stimuleren we die commons?

Arnoud

Opzegtermijn van een dienstverlening op afstand

Wie iets koopt via internet, mag binnen zeven werkdagen na ontvangst van het product de koop ongedaan maken. Hij moet het product dan terugsturen (en zelf de verzendkosten betalen), en krijgt uiteraard zijn geld terug. Maar hoe zit dat bij het afnemen van diensten via internet? Denk aan een betaalwebsite of een via een 0900-nummer afgesloten abonnement.

Zeven werkdagen na sluiten overeenkomst<br/> De Wet Koop op Afstand zegt dat de bedenktijd van zeven werkdagen “van overeenkomstige toepassing” is op overeenkomsten voor dienstverlening (art. 7:46i BW). Dat betekent dat je binnen zeven dagen na de dag dat de overeenkomst wordt gesloten, deze mag ontbinden (art. 7:47i lid 6 BW). De dag dus dat de klant op de “Akkoord” of “Bestel”-knop drukt. Niet per se de dag dat je de bevestigingsbrief van de leverancier krijgt.

Alleen, art. 7:46c lid 2 eist dat de dienstverlener bepaalde informatie schriftelijk verstrekt bij de nakoming van de gesloten overeenkomst. Vanaf ontvangst van die brief heb je ook een zevendagentermijn om op te zeggen. In de meeste gevallen krijg je de brief natuurlijk pas enkele dagen later dan de dag waarop je de overeenkomst sloot, dus “zeven dagen vanaf de bevestigingsbrief” is een aardige vuistregel. Op tentamens E-commerce op juridische faculteiten krijgt dat antwoord echter niet het volledig aantal punten.

Als de dienstverlener vergeet de brief te sturen, of er onjuiste informatie in zet, dan verandert deze termijn in een driemaandentermijn. De leverancier heeft dan nog één redmiddel: hij kan de ontbrekende informatie nasturen, en dan heeft de klant ineens weer een termijn van zeven werkdagen na ontvangst van die informatie. De driemaandentermijn komt dan dus te vervallen.

Gratis proefabonnement?<br/> Nu lijkt het of je met deze bepaling bij elke dienst zeven dagen lang een gratis “proefabonnement” kunt nemen. Maar zo werkt het niet altijd. Art. 7:46i sub 5 BW zegt dat het ontbindingsrecht niet geldt voor dienstverleningen die met instemming van de klant zijn begonnen voordat de termijn is verlopen. Wie bijvoorbeeld een webhostingabonnement neemt, dezelfde dag nog inlogcodes krijgt en zijn website uploadt, kan zeven dagen later niet meer gebruik maken van de wettelijke opzegtermijn.

Als de leverancier vergeet te vertellen hoe het zit met de opzegtermijn, dan heeft de klant wel een bedenktijd en wel van drie maanden. Ook als hij meteen op dag één van de dienst gebruik kon maken. Ook hier kan de leverancier dan maar beter zo snel mogelijk de ontbrekende informatie nasturen: dan mag de klant binnen zeven werkdagen beslissen of hij er alsnog onderuit wil. Een zware sanctie voor de dienstverlener misschien, maar het is natuurlijk erg belangrijk dat de consument goed wordt geïnformeerd over de mogelijkheden van de geleverde dienst.

Arnoud