Administratiekosten van het CJIB bij verkeersboetes

flitspaal-beschadigd-boete-heffing-cc-by-nd-heiloo-online.jpgNiet echt internetrecht, maar ik krijg hier héél veel vragen over: mag het Centraal Justitieel Incassobureau die zes euro administratiekosten in rekening brengen als je een boete opgelegd krijgt? Dit met de discussie over administratiekosten bij bedrijven (mag het nu wel of niet) in het achterhoofd.

Ja, het CJIB mag die administratiekosten in rekening brengen. Dat volgt uit artikel 22 Wet Mulder en het bijbehorende Besluit, dat bepaalt:

Degene aan wie een administratieve sanctie wordt opgelegd, is administratiekosten verschuldigd. De omvang van deze kosten wordt bepaald bij ministeriële regeling.

En in artikel 1 van deze ministeriële regeling staat keurig het bedrag van ” 6 genoemd.

Recent werd een vonnis gepubliceerd waarin de kantonrechter oordeelde dat beroep en bezwaar mogelijk is tegen administratiekosten bij een boete. Daarbij werd wel gezegd:

De kantonrechter is evenwel van oordeel dat, gelet op de hoogte van de boete, niet gezegd kan worden dat de kosten disproportioneel zijn, nu de administratiekosten forfaitair zijn, niet gerelateerd zijn aan (de hoogte van) de sanctie en worden verantwoord als kosten van behandeling door het overheidsorgaan. Niet gezegd kan worden dat de in aanmerking genomen behandelingskosten exorbitant zijn.

Ik vind het wel erg merkwaardig, deze constructie met administratiekosten. Je zou zeggen dat zulke kosten gewoon in het boetebedrag verwerkt moeten zijn. Toen ik er voor het eerst van hoorde, leek het me een verkapte manier om de boete te verhogen zonder de wet met de boetebedragen aan te hoeven passen. Maar gezien het feit dat er een aparte wet is die bepaalt dat er administratiekosten berekend mogen worden, kan dat het argument niet zijn geweest.

Het waarom begrijp ik dus niet, maar dat het mag staat voor mij vast.

Arnoud<br/> Foto: Flitspaal – Heiloo Online (Creative Commons BY-ND).

Rijksoverheid stapt over op Creative Commons Zero Licentie

creative-commons-zero-public-domain.pngAlle informatie op de website van de Rijksoverheid kan vrij worden hergebruikt, meldde collega-jurist Stefan Kulk gisteren. De copyrightvermelding op Rijksoverheid.nl vermeldt nu dat alles toegestaan is met werken op deze site, tenzij er een expliciet voorbehoud staat bij een individuele tekst of afbeelding. De gebruikte ‘licentie’ is CC Zero, een Creativecommonsvariant waarbij afstand wordt gedaan van alle auteursrechten.

Maar is dat wel nodig, vraag ik me dan af. Op wetten, besluiten en verordeningen, rechterlijke uitspraken en administratieve beslissingen zit geen auteursrecht (artikel 11 Auteurswet). Al het andere resultaat van creatieve arbeid van ambtenaren is gewoon auteursrechtelijk beschermd, maar daarvoor is er een soort van wettelijke licentie, artikel 15b Auteurswet:

Als inbreuk op het auteursrecht op een door of vanwege de openbare macht openbaar gemaakt werk van letterkunde, wetenschap of kunst, waarvan de openbare macht de maker of rechtverkrijgende is, wordt niet beschouwd verdere openbaarmaking of verveelvoudiging daarvan [tenzij een expliciet voorbehoud is gemaakt]

Eerlijk gezegd zie ik qua effect weinig verschil tussen de CC Zero declaratie en dit artikel.

Het enige echt verschil is dat de copyrightverklaring van toepassing is op alles op Rijksoverheid.nl en het wetsartikel alleen op werken waar de overheid het auteursrecht op heeft. Een foto in een overheidsfolder waarvan de rechten bij de fotograaf liggen, mag dus niet zomaar worden gekopieerd. Maar met een foto op Rijksoverheid.nl mag dat wel – tenzij je erbij ziet staan dat de rechten voorbehouden zijn.

Ik kon trouwens zo snel geen voorbehouden vinden, maar houd me aanbevolen voor linkjes.

Arnoud

Verslag najaarsvergadering NVvIR “E-overheid: het rechtsgeldige digitale document”

nvvir-logo-vergadering-verslag.pngAfgelopen donderdag was ik bij de najaarsvergadering van de Nederlandse Vereniging voor Informatie technologie en recht. Het onderwerp deze keer was E-overheid: het rechtsgeldige document.

Voorziet de e-overheid in voldoende maatregelen en waarborgen om het vertrouwen in de rechtsgeldigheid van digitale documenten en procedures in stand te houden, of zijn er indicatoren dat van de overheid een bredere zorgplicht mag worden gevraagd?

Digitale documenten zijn in het recht en bij de e-overheid nog relatief “nieuw”. Regels en beleid zijn afgestemd op papieren, schriftelijke stukken maar er is steeds meer behoefte om met digitale documenten te gaan werken. Dit is echter lang niet zo makkelijk te regelen als bij het rechtsverkeer tussen personen en bedrijven onderling.

Digitale archieven en het digitaal depot<br/> Als eerste was de beurt aan Jacqueline Slats (Nationaal Archief) over het digitale depot (Powerpoint). Bij digitale archieven staan integriteit (intact en niet aangetast qua betekenis/functie) en verificatie (ontstaanscontext en beheer na te gaan) centraal. Dit geldt zeker voor de overheid, die op grond van de Wet Openbaarheid van Bestuur of de Archiefwet digitale archieven moet ontsluiten voor het grote publiek. Er is nu 2TB aan digitaal archief beschikbaar, en er staat nog 17TB te wachten op digitalisering en ontsluiting.

Jacqueline signaleerde dat medewerkers elektronische documenten (e-mail, Word-bestanden) vaak bij zichzelf houden en niet zoals papieren documenten netjes laten archiveren en beschikbaar maken. Een bekend verschijnsel, ik doe het zelf ook, al heb ik geen idee waarom eigenlijk. Het is te veel gedoe een e-mail netjes te archiveren, maar een stuk post inscannen en opbergen is dan weer doodnormaal. Daar komt bij dat gegevens steeds moeten worden overgezet op nieuwe dragers, én in nieuwe bestandsformaten om ze leesbaar te houden. Mooie quote: “Old bitstreams never die – they just become unreadable” (Jeff Rothenberg, 1999). Misschien via ISO 14721?

Het rechtsgeldige digitale document<br/> Marga Groothuis gaf een overzicht van de stand van zaken. Zij promoveerde in 2004 op normering van de elektronische overheid. In haar lezing kwamen twee thema’s aan de orde: het juridisch kader voor de e-overheid (elektronisch verrichten van bestuursrechtelijke rechtshandelingen) en de implicaties van de nieuwe Dienstenwet

Het bestuursrecht is natuurlijk geregeld in de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb). Communicatie onder de Awb kan elektronisch, maar dan moet dat wel expliciet geregeld zijn (zie artt. 2:13-2:17 Awb). Zo hebben steeds meer gemeenten de mogelijkheid om elektronisch bezwaarschriften in te dienen of vergunningen aan te vragen. Ze mogen ook besluiten elektronisch publiceren (art. 3:42 Awb). Bestuursorganen mogen echter niet de papieren weg helemaal afsluiten. Er wordt verder gewerkt aan elektronisch beroep bij de bestuursrechter (Kamerstukken II, 31867).

Prins sloot af met deze wenslijst van uitgangspunten voor een echt effectieve e-Overheid:

  • Minder ad-hoc beleid en meer aandacht voor projectoverschrijdende implicaties
  • Aansturing van initiatieven niet vanuit nood en haast van de instanties aannemen
  • Aandacht voor coördinatie van de coördinatie en nieuwe problemen rondom verantwoordelijkheid
  • Erkening dat effecten verder gaan dan het realiseren van concrete beleidsdoelen
  • Voldoende oog voor nieuwe kwetsbaarheden en afhankelijkheden
  • Beoordeling vanuit meer belangen dan uitsluitend operationele doelmatigheid (privacy en de waarden daarachter)

De Dienstenwet implementeert richtlijn nr. 2006/123/EG en bevat allerlei verplichtingen om zaken digitaal beschikbaar te maken. Zo komt er een centraal loket waar dienstverleners alle procedures en formaliteiten digitaal kunnen afhandelen. De papieren route wordt daarmee dan afgesloten voor die procedures en formaliteiten.

Basisinfrastructuur van de eOverheid<br/> Net voor de pauze wierp Marten Voulon (Duthler associates) een juridische blik op de basisinfrastructuur van de eOverheid. Het opzetten en onderhouden hiervan wordt aangeduid als het Nationaal Uitvoeringsprogramma Dienstverlening en e-Overheid (NUP). Voulon opende met het voorbeeld van een man die dertien jaar lang leed onder identiteitsfraude dankzij falende (mag ik “epic fail” zeggen) informatiesystemen van de overheid.

Voulon liep door de belangrijkste onderdelen van de basisinfrastructuur heen: elektronische toegang tot de overheid, e-authenticatie (met DigiD), informatienummers, basisregistraties, elektronische informatieuitwisseling en nog veel meer opties die allemaal voorzien waren van een “e-” prefix.

Bij het stuk over basisregistraties kwam nog even een interessante discussie over gebruik van het BurgerServiceNummer en de tientallen basisregistraties waar dit nummer in terecht komt. Waarom is het BTW nummer van een éénmanszaak gelijk aan het BSN van de ene man (in dit geval vrouw)? Waarom mag de Belastingdienst dat wel doen en een private partij niet?

Ook kwam deze rechtszaak aan de orde over de waarde van basisregistraties. Hier werd bepaald dat de gemeentelijke basisadministratie niet per definitie de doorslag zou geven bij de vraag waar iemand nu feitelijk woont. Wellicht biedt dat een tegenwicht voor de steeds grotere neiging om zulke administraties te gebruiken voor besluiten en conclusies over van alles en nog wat.

Digitale rechtspraak<br/> Na de pauze sprak Ronald van den HoogenJos van Wetten (Ministerie van Justitie) over digitale rechtspraakprocedures. Goed nieuws voor de processen-verbaal: die moeten (art. 153 Strafvordering) nu schriftelijk zijn opgesteld, maar hier komt verandering in, zodat ook digitale processen-verbaal mogelijk worden.

Een belangrijk punt van zorg is de authenticatie van zulke digitale documenten. Met “geavanceerde elektronische handtekeningen” kan dit worden gewaarborgd, maar zoals de zaal terecht opmerkte is de techniek niet meer zo veilig als in de juridisch literatuur wordt aangenomen (ja, er wordt op MD5 gestandaardiseerd). En dat is een serieus probleem omdat processen-verbaal een bijzonder sterke bewijskracht hebben.

Voor de geïnteresseerden: ja, je kunt willekeurige andere documenten construeren die dezelfde MD5 hebben als het document wiens handtekening je wilt “lenen”.

E-overheid, waarborgen en zorgplicht?<br/> Corien Prins (UvT, WRR) wilde ons met een boodschap naar huis sturen. Zij schetste het bredere kader achter alle technologische maatregelen rond vingerafdrukken, BSN, biotechnologie, slimme camera’s en wat al niet meer. Steeds meer informatie wordt verzameld die op één of andere wijze tot personen te herleiden is, en al die informatie wordt voor steeds langere tijd bewaard. Tel daarbij op het vrijwel blinde vertrouwen in de juistheid van deze informatie (zie die meneer met de identiteitsfraude) en het totale gebrek aan visie binnen de overheid over wat er nu allemaal wel en niet moet gebeuren met al deze technologieën en je vraagt je af waarom we nog allemaal zo rustig blijven zitten.

Eye-opener voor mij was Prins’ opmerking dat we eigenlijk niet weten wat de burger nu zelf wil. De overheid zet deze systemen op vanuit het idee dat de burger daar behoefte aan heeft of daarmee geholpen wordt. Maar niemand heeft ooit aan die burger gevraagd welke behoeftes hij heeft of waarmee hij graag geholpen wil worden.

De e-overheid zou zeer gebaat zijn bij een overkoepelende visie, in plaats van alleen te handelen vanuit de directe behoefte van de organisaties. Privacy en andere basisrechten dienen daarbij een gegeven te zijn en niet pas achteraf er bovenop geschroefd te worden.

En met die opmerking gingen we naar huis – na een interessant paneldebat en een leuke borrel.

Arnoud

Elektronisch archiveren bij de overheid (gastpost)

archiefkasten.pngOnlangs deed een rechter voor het eerst uitspraak in een zaak waarin digitale duurzaamheid een rol speelt: de manier waarop we digitale bestanden gaan bewaren om in de toekomst historisch onderzoek te kunnen doen, maar ook om onze overheid te kunnen controleren. Een archiefdienst wilde een papieren archief scannen en de originelen weggooien. Maar dat mag (nog) niet. Want wie zegt dat we de digitale bestanden voor altijd kunnen blijven lezen?

Het archiefwezen bewaart de (tot nu toe papieren) weerslag van (overheids)handelen, zoals brieven en beleidsnota’s. Dit is geregeld in een heuse Archiefwet. Maar de weerslag van handelen gebeurt nu en in de toekomst steeds meer digitaal. Hoe moet een commissie Davids onderzoek doen naar de besluitvorming over Irak, als Balkenende daarover bijvoorbeeld Word-documenten op zijn computer zou hebben staan, die hij – vlak voor hij de commissie benoemd – even in zijn voordeel aanpast? Hoe moet een historicus over 100 jaar onderzoek doen naar deze besluitvorming als de Word-documenten software-matig niet meer kunnen worden geopend of – nog erger – op een 5 1/4 floppy zijn bewaard en überhaupt niet meer hardwarematig kunnen worden gelezen?

Je kunt je – dichterbij huis – voorstellen dat het lastig wordt je recht te halen bij je gemeente als dit soort zaken niet goed zijn geregeld. Wat te denken van journalisten die dingen aan de kaak willen stellen en op basis van de WOB aanspraak kunnen maken op inzage in overheidsarchieven.

Gelukkig is de overheid zich hiervan bewust, dus zal Balkenende niet zo maar relevante Word-documenten op zijn eigen PC hebben en wordt gewerkt aan inzichten en systemen om dit probleem te ondervangen. Het idee voor een oplossing wordt een e-depot genoemd. Dit is (kort-door-de-bocht) een hele grote storage unit, met onder andere allerlei geavanceerde backup-faciliteiten, extra controles op authenticiteit van data en autorisatie op toegang. En het systeem wordt ingericht voor de hele lange termijn. De implementatie en organisatie van deze e-depots staat nog in de kinderschoenen: er is bij velen nog onduidelijkheid wat je nu allemaal realistisch kunt doen. Er wordt wel hard aan gesleuteld.

Bij het Stadsarchief in Amsterdam vonden ze hun e-depot al goed genoeg om de papieren originelen weg te gooien en alleen de digitale scans te bewaren. Hiervoor hebben ze vergunning aangevraagd bij de provincie. In mooi juridisch, de stad Amsterdam vraagt aan de provincie of zij haar archief mag “substitueren” oftewel vervangen door een ander origineel, in dit geval scans. De provinciale archiefinspectie vond het e-depot niet goed genoeg en weigerde de vergunning. En toen mocht de bestuursrechter het zeggen. Hij stelde de provincie in het gelijk.

Kern van zijn vonnis is dat er behalve een goed technisch systeem ook een visie moet zijn op hoe het technische systeem op de lange termijn onderhouden moet worden, en dat de organisatie erop moet worden ingericht. De rechter oordeelde dat deze organisatie in Amsterdam nog niet voldoende was. Ik kan dat niet beoordelen, maar zoals zo veel ICT gerelateerde onderwerpen is het dus voornamelijk een organisatorisch probleem en niet een technisch. Voor digitale duurzaamheid zijn nog best wat innovaties noodzakelijk (en misschien wel voortdurend innovaties noodzakelijk), maar deze kunnen alleen organisatorisch worden opgelost.

Ivo Zandhuis is deskundige op het gebied van automatisering en cultureel erfgoed en werkt sinds 2000 als onafhankelijk adviseur voor erfgoedinstellingen. Zie Ivo Zandhuis Onderzoek & Advies.

Livre: ‘Gratis open source software hoeft niet te worden aanbesteed’

Op 13 december verscheen de handreiking van programma OSOSS ‘Het verwerven van (open source) software‘ (PDF), meldt Livre. Deze handreiking legt uit hoe de overheid om moet gaan met inkopen van open source software. Livre signaleert een opmerkelijke conclusie: gratis open source hoeft niet te worden aanbesteed.

Nu is dat natuurlijk waar, maar het gaat dan toch om maar een zeer kleine categorie open source software. Want heel veel open source is niet of nauwelijks gratis te gebruiken. De handreiking is iets genuanceerder:

In principe zijn overheidsorganisaties vrij om gratis software zonder aanbesteding in gebruik te nemen. Dit geldt ook voor open source software, mits dat dus gratis is (…). In de praktijk is dat echter niet altijd het geval. Open source software licenties bepalen dat open source software vrij en zonder kosten mag worden gebruikt. Er is dus geen licentievergoeding gekoppeld aan open source software. Dit betekent niet dat aanbieders van open source software dan maar gratis moeten aanbieden.

Wanneer de overheid producten of diensten in wil kopen, gelden daar bijzondere regels voor. Deze aanbestedingsregels schrijven gelijke behandeling van aanbieders, geen discriminatie en transparantie in de besluitvorming voor bij de aankoop. Een aantal actielijnen uit het actieplan open standaards en open source software noemen expliciet aanbesteding, inkoop en het gebruik van open source software. Maar expliciet open source voorschrijven ligt lastig, omdat dan aanbieders van gesloten software buitengesloten worden. Je kunt niet zeggen dat open source categorisch technisch beter is dan gesloten software, dus dan kun je open source niet als eis stellen.

Als software gratis beschikbaar is, hoef je geen aanbestedingsprocedure te volgen voordat je die mag downloaden en gebruiken. Dat is natuurlijk mooi voor open source, want heel veel open source staat gewoon gratis ter download op internet.

Vroegâh was dat een vrij normale manier om met open source aan de slag te gaan. Je had iets nodig, je zocht even op internet en je installeerde wat het meest aansprak of waar mensen op nieuwsgroepen of forums positief over waren. En werkte het niet, dan kon je op diezelfde groepen of forums even snel vragen wat je fout deed, en dan kreeg je nog nuttig advies ook. Sterker nog, als je aan je baas zou vragen of dat wel mocht, had je waarschijnlijk een probleem.

Open source jurist Brendan Scott noemde dat ooit de siege mentality: een IT-er ziet een handig stukje open source, vraagt zijn baas om toestemming, die aarzelt of zegt nee (“wat is dat voor onzin, gratis software”), vervolgens komen ze bij de bedrijfsjurist, die begint kwaad over virale software, slordige aansprakelijkheid en de aanvaarding naar Nederlands recht, en het eind van het liedje is dat de IT-er de software gewoon alsnog gebruikt maar dat tegen niemand zegt.

Maar in veel gevallen kom je er niet met die aanpak. Die is leuk voor een tool binnen de IT-afdeling, of een stuk standaardsoftware (zoals een webserver) dat je neer kunt zetten en dan gewoon werkt. Maar zeker als je met eindgebruikers te maken krijgt, komt er heel wat configuratie, integratie en ondersteuning kijken. Denk bijvoorbeeld aan training om mensen van Microsoft Word naar OpenOffice.org Writer te laten overstappen. Dan zal er al snel een externe partij ingeschakeld moeten worden om dat allemaal voor elkaar te krijgen, en dan kom je eveneens al snel weer bij de aanbestedingsregels. Want het aan de gang krijgen van software is een dienst.

Arnoud

Actieplan open source en open standaarden bij de overheid

Onder andere Planet meldt over het actieplan voor het gebruik van open standaards en open source software bij de (semi-)publieke sector. Het rapport Nederland open in verbinding presenteert dit als oplossing voor de problemen rond interoperabiliteit tussen overheden, bedrijven en de burger.

Interoperabiliteit tussen bedrijven en overheden en burgers en overheden en overheden onderling is een noodzakelijke voorwaarde voor het bereiken van deze maatschappelijke doelen.

Het staat er zelfs twee keer achter elkaar, zo belangrijk is het.

Versnelling en stimulering zijn nodig om de kansen die met open standaarden en open source software mogelijk zijn, nu daadwerkelijk en structureel te gaan pakken. Het momentum om te versnellen is goed: het aanbod van open standaarden en open source software is gegroeid waardoor steeds meer bruikbare, open instrumenten ter beschikking van de samenleving komen.

Hoe gaan we dat nu doen? Voor open standaards is er een duidelijke lijn:

  • Er gaat een “comply-or-explain and commit” aanpak gelden: gebruik open standaarden, of kom met een zeer goed verhaal waarom dit niet mogelijk is en geef aan wanneer open standaarden wel toegepast worden.
  • In 2009 en 2010 moeten er implementatiestrategieën zijn bij alle (semi-)overheidsinstellingen.
  • De open standaard ODF wordt stapsgewijs ingevoerd. Rijksdiensten vanaf april 2008, mede-overheden en overige instellingen uiterlijk december 2008, en iedereen uiterlijk in 2015.

Bij open source is het rapport iets terughoudender. Het leest enigzins alsof de discussie over wel of geen open source tijdens het opstellen van het rapport nog gevoerd werd. Veel zinnen in Wikipedia-stijl, met van die typische compromissen die je in dit soort rapporten altijd tegenkomt.

“Open source kent geen licentiekosten, maar wel invoerings- en beheerskosten net als bij gesloten software”, bijvoorbeeld. Je weet precies hoe die zin begon: “Open source kent geen licentiekosten”. Vervolgens suggereerde een lobbyistkritische lezer “maar wel invoerings- en beheerskosten”, waarna de open source fanaataanhanger sarcastisch toevoegde “net als bij gesloten software”. Meer van dit fraais in bijlage A. Maar dit terzijde.

Wel goed is deze:

Voor applicaties welke volledig voor rekening en risico door de overheid als opdrachtgever worden gerealiseerd, het uitgangspunt is dat deze werken vrij ter beschikking worden gesteld volgens een open source software licentie.

Dat is alvast een hele verbetering.

Leuk vond ik nog dat het Octrooicentrum Nederland, voorheen de Octrooiraad, overgaat naar open source voor de desktop. Open source en octrooien zijn een lastige combinatie maar open source en octrooiverlening gaat kennelijk prima samen.

Arnoud