Waarom is fakenieuws eigenlijk niet gewoon strafbaar?

| AE 9102 | Regulering, Uitingsvrijheid | 31 reacties

krant.jpgEen lezer vroeg me:

Sinds de verkiezing van Trump is er veel te doen over fakenieuws en hoe dat geholpen zou hebben bij de verkiezing. Maar waarom wordt er niet opgetreden tegen al dat nepnieuws? Het is toch valsheid in geschrifte, compleet verzonnen ‘nieuws’ uitbrengen alsof het serieus en waar is?

Ik vrees dat dit juridisch wel érg ingewikkeld zou worden. Inderdaad is valsheid in geschrifte strafbaar, maar het gaat dan wel om een specifieke handeling (art. 225 Strafrecht):

Hij die een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk opmaakt of vervalst, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, wordt als schuldig aan valsheid in geschrift gestraft, met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.

Het moet allereerst dus gaan om een geschrift. Oké, elektronisch telt ook, dus daar is aan voldaan bij zo’n nepsite. Maar dan komt het: het geschrift moet bestemd zijn om tot bewijs van een of ander te dienen. En daar gaat het mis. ‘Bewijs’ betekent hier niet “er wordt iets verteld als waarheid”, het geschrift moet de functie van bewijsstuk hebben. Een diploma, een identiteitskaart, een bioscoopkaartje, dat soort zaken. Een onware mededeling is dus niet strafbaar onder dit artikel.

Meer algemeen loop je al heel snel tegen de vrijheid van meningsuiting aan. Naast gewone verslaggeving is ook de satire en parodie een belangrijk deel van de uitingsvrijheid. En een nepbericht wordt meestal onder die noemer gebracht. Zo hebben wij in Nederland natuurlijk al jaren het geweldige De Speld: nepnieuws maar wel altijd met een duidelijke hint én een grappige ondertoon. Geen twijfel over dat dat legaal is, ook al zijn er regelmatig mensen die de Speld voor waar aannemen. Dat noemen we “er in trappen” maar dat maakt het bericht niet strafbaar.

Alleen is er nooit echt gedacht aan de situatie dat mensen opzettelijk legitiem uitziende berichten gaan maken die echt nep zijn en zonder een spoortje van humor of poging daartoe. Natuurlijk, je had altijd mensen die leugens verkondigde, maar die kwamen niet door het filter van krant of televisie heen. Dat loste zichzelf dus altijd wel op. En een krant die een vals bericht verspreidde, rectificeerde dat (meestal vrijwillig, anders via de rechter) en dan kwam het weer goed. Of het bleek een grap en dan lachten we erom. Deze situatie is dus echt nieuw: echt keihard nepnieuws dat gepresenteerd wordt als volkomen echt, en niet eens een poging om het onder satire te rangschikken.

Ik zou het lastig vinden als officier van justitie hier wat aan te doen. Waar begin je? Wanneer zeg je, dit is geen poging tot humor meer maar echt volksverlakkerij? Hoe vermijd je de schijn van vooringenomenheid, je treedt wel op tegen dat fakenieuws over Mark Rutte maar niet tegen dat over Wilders. Hoe ga je om met de reactie, je snapt de grap niet. Nee, ik zou mijn handen er niet aan willen branden.

Arnoud

Wanneer is een blogger journalist?

| AE 6311 | Uitingsvrijheid | 9 reacties

Bloggers zijn net zo hard beschermd als journalisten onder de wet, las ik bij BoingBoing. Een Amerikaanse hogerberoepsrechtbank bepaalde dat een onderscheid tussen massamedia (“institutional speakers”) en andere meningsuiters onwerkbaar is. Daarmee won de blogger een geschil over smaad. Ik blijf het gek vinden dat zoiets nieuws is. Journlistiek is immers geen beroep maar een handelwijze.

De wet kent geen speciale regels die alleen voor journalisten gelden. Ook een politieperskaart geeft geen speciale rechten – behalve dat je dan afgezette plaatsen mag betreden bij bv. calamiteiten. De vrijheid van meningsuiting is een grondrecht, en dat grondrecht geldt voor alle burgers. De wet kent dan ook geen definitie van journalistiek, maar alleen van de vrijheid van meningsuiting in het algemeen.

De meest expliciete definitie is die van het Europese Hof in het Satamedia-arrest:

[Van journalistiek is sprake] bij de bekendmaking aan het publiek van informatie, meningen of ideeën tot doel hebt, ongeacht het overdrachtsmedium. Deze activiteiten zijn niet voorbehouden aan mediaondernemingen en kunnen een winstoogmerk hebben.

Ook een burger of groep mensen met een website vallen onder deze definitie. Eerder had onze Hoge Raad in het arrest Van Gasteren/Hemelrijk geconstateerd dat:

Inmiddels kan echter (mede) door de opkomst van het internet niet nauwkeurig meer worden omschreven wat in de hier bedoelde zin is te verstaan onder “de pers” omdat daardoor ook voor particulieren de mogelijkheid is ontstaan zich buiten de tot dan toe bestaande media tot een breed publiek te richten.

En het Gerechtshof Arnhem kwam in een zaak over Flitsservice.nl met de conclusie dat de term journalistiek ook geldt “voor degene die op een daarvoor ingerichte en aan het geinteresseerde publiek bekende internetsite berichten, opinies en foto’s plaatst met het doel dat publiek over het desbetreffende onderwerp te informeren”.

Het maakt dus niet uit of je je beroep maakt van journalistiek bezig zijn, of dat je dat voor de lol doet. En ook niet of je dat op gedrukt papier doet dan wel op een blog (of op Twitter). Journalist ben je niet, journalistiek doe je.

Journalistiek doen wil echter niet zeggen dat alles mag. Je moet ook dan rekening houden met de belangen van anderen. Zo kun je iemands privacy schenden of smaad plegen door over een persoon te schrijven. Je kunt strafbare feiten plegen bij je onderzoek (of bij de publicatie daarvan). Daarom vind ik het niet heel verrassend dat een blogger voor smaad aangeklaagd wordt. Het kan zijn dat hij wint of verliest – maar of hij van journalistiek zijn beroep heeft gemaakt, is daarbij irrelevant.

Waarom het dan toch nieuws is, zo’n zaak? Geen idee eigenlijk. Ik vermoed omdat het iets met internet is, waardoor het als nieuwig/verrassend feitje gebracht kan worden. De ondertoon bij zulke berichten is vaak “voor de eerste keer bepaalde de rechter dat”. Wat vaak onzin is. Maar ja.

Arnoud

“Torrents zijn een mensenrecht”

| AE 5101 | Intellectuele rechten, Uitingsvrijheid | 76 reacties

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft een uitspraak gedaan die stelt dat het auteursrecht indruist tegen het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, riep GeenStijl vrijdag. Ze verwijzen naar een blog van Rick Falkvinge, piratenpartijoprichter, die spreekt van een “direct conflict” tussen het auteursrechtmonopolie en de mensenrechten waardoor niemand zou mogen worden veroordeeld bij de rechter voor enkel het schenden van auteursrechten. Ook de juridische bloggers van ECHR blog vinden het een opsteker.

Het hoogste mensenrechtenhof deed uitspraak in de zaak Donald vs. Frankrijk (36769/08). Een aantal modefotografen had foto’s gepubliceerd van een modeshow, en het modehuis maakte bezwaar omdat ze auteursrecht op de kleding claimde (dat kan, op zich). Het beroep op citaatrecht en het mogen reproduceren van werken als deel van het nieuws werd tot aan het hoogste Franse Hof afgewezen. Daarop stapte men naar het Europees Hof voor de Rechten van de Mens: hier werd toch de vrijheid van informatie garen geschonden?

Die informatievrijheid is een grondrecht, een mensenrecht, en iedere inperking daarvan moet aan drie eisen voldoen: 1) een wettelijke basis hebben, 2) een legitiem doel dienen en 3) noodzakelijk zijn voor dat doel, oftewel proportioneel handelen opleveren. Die wettelijke basis is er bij een auteursrechtclaim, en dat het een legitiem doel dient dat staat ook wel vast. Auteursrechten zijn namelijk óók (soort van) een mensenrecht, beter gezegd een stukje ‘eigendom’ in de zin van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (Anheuser Busch-arrest). Hoewel volgens datzelfde verdrag ook pensioenaanspraken ‘eigendom’ zijn, dus of je daar nu écht uit moet afleiden dat auteursrecht==eigendom, weet ik niet. Maar goed, het Europese Hof doet het dus we zullen wel mee moeten.

Komen we bij de noodzaak oftewel proportionaliteit. Een maatregel kan in de wet staan en legitiem zijn maar tóch te ver gaan. Heel internet afschaffen bijvoorbeeld vanwege één inbreukmakende foto gaat te ver, maar één site-eigenaar opdragen die foto te verwijderen moet geen probleem zijn. In essentie komt dit criterium neer op een belangenafweging: hoe belangrijk is het voor de verspreider van de foto’s om dat te moeten doen en hoe belangrijk is het voor de rechthebbende om daartegen op te kunnen treden. (Vergelijk de discussie vorige maand over schotelantennes versus eigendom.)

De foto’s in dit geval hadden eigenlijk alleen een commercieel doel, en dergelijke uitingen worden al snel als minder belangrijk gezien dan inhoudelijk relevante meningen. Daarbij komt dat wanneer het gaat om een botsing tussen grondrechten (‘eigendom’ en uitingsvrijheid) de rechter een brede mate van eigen inzicht (“margin of appreciation”) mag gebruiken. Hij mag niet zomaar besluiten “auteursrecht wint het altijd” (of juist “torrenten moet altijd kunnen”) maar zodra hij iets van een inhoudelijke afweging neerlegt, is het al snel goed van het Hof.

De cirkelredenering waar Falkvinge bang voor is (“wetten handhaven is noodzakelijk dús elke auteursrechthandhaving is legaal”) gaat er niet komen maar het is wél goed denkbaar dat de afweging in de toekomst tóch in het voordeel van auteursrechthandhavers gaat uitpakken. En dat komt omdat zij wél een stevig inhoudelijk argument hebben, namelijk gemiste inkomsten. “Gewoon willen downloaden”, “het zijn dinosaurus-businessmodellen” of zelfs “ze zijn te duur” is niet genoeg als tegenargument. Heel misschien is het herpubliceren van weeswerken of het torrenten van hele oude films nu te rechtvaardigen: als we dat niet doen dan verliest de wereld toegang tot deze werken. Dát klinkt wel als een stevig belang.

Overigens is dit niet de allereerste keer dat auteursrechtinbreuk wordt gerechtvaardigd met een beroep op de uitingsvrijheid. De hele rechtspraak rond linksites, torrentsites en dergelijke is ervan doordrongen, met name omdat er eigenlijk geen ander argument is. Het is wel nieuw dat deze hoogste rechter nu zo expliciet zegt dat die belangenafweging zo moet worden gedaan, maar op zich zie je ook die afweging steeds terugkomen in onze rechtspraak. Neem het XS4All/Ziggo-vonnis:

Voor zover die abonnees van plan waren om via The Pirate Bay illegaal materiaal te gaan uitwisselen en daarbij inbreuk te maken, is dat geen rechtens te respecteren belang. … Dat beperkte belang [op toegang tot legaal aanbod op TPB] weegt niet op tegen de bescherming van de partijen die bij Brein zijn aangesloten tegen de in aantal omvangrijke inbreuken op hun rechten via The Pirate Bay die door toewijzing van de blokkade kunnen worden voorkomen.

Of je het nu eens bent met de redenering an sich, dit is het soort redenering dat nodig is om te bepalen of de blokkade “noodzakelijk” is. En met de platitude dat uitingsvrijheid een grondrecht is, kom je er niet. Auteursrecht is dat óók,en waarom moet dat wijken voor de uitingsvrijheid?

De enige case waar dit daadwerkelijk in het voordeel van de uitingsvrijheid uitpakte, was de Scientology-zaak. Daar moest het auteursrecht wijken, omdat het belang om kritiek op de Scientologybeweging uit te kunnen oefenen (en onderbouwen met citaten uit Scientology-copyrighted stukken) een zwaarwegende maatschappelijke kwestie was. Maar daaruit concluderen dat dus torrentsites ook mogen, gaat te ver.

Een argument waar ik dan wél wat in zie, is als volgt: de maatregel moet noodzakelijk oftewel proportioneel zijn, en dat betekent dat als er twee maatregelen zijn die hetzelfde doel bereiken, degene gekozen moet worden die de minste schade aan de uitingsvrijheid oplevert. Een uiting onder voorwaarden toestaan doet minder schade dan die uiting verbieden, dus dat geniet de voorkeur. Oftewel: sta torrenten toe maar verplicht torrenters tot betaling van een redelijke vergoeding.

Arnoud