Laptop vervangen, maar data terug kost geld

3 oktober 2008, 8:40 - Geplaatst onder: Contracten - 9 reacties

ddr-backup-cartridge.jpgEen lezer had een ASUS laptop gekocht, die echter na enkele maanden defect bleek. Na opsturen van de laptop meldde ASUS dat reparatie niet meer mogelijk was en dat men een gelijkwaardige laptop zou opsturen ter vervanging. Maar de lezer wilde ook de data op de harde schijf terug, en dat zou 110 euro moeten kosten. Kan ASUS dat zomaar doen?

In haar reparatievoorwaarden meldt ASUS:

b. De Klant is ervoor verantwoordelijk zijn/haar data op een veilige manier op te slaan en een kopie te bewaren van belangrijke bestanden. ASUS is nooit aansprakelijk of verantwoordelijk voor enig verlies van data of bestanden tijdens het reparatie- of verzendingsproces.

Maar is deze voorwaarde redelijk? En volgt hier eigenlijk wel uit dat ASUS geen data terug hoeft te sturen? Ik zie eigenlijk alleen maar staan dat ASUS niet aansprakelijk is als er dingen kwijtraken. Twijfelachtig dus.

Op grond van artikel 7:21 BW is ASUS verplicht de laptop te repareren of te vervangen als deze niet voldoet aan wat bij de koop was beloofd. Daar was geen discussie over, en kennelijk was de laptop niet meer te repareren. Op zich prima dus dat ASUS een nieuwe laptop stuurt. Maar valt onder deze verplichtingen ook een plicht om de data op de nieuwe harde schijf te plaatsen?

Ik zou zeggen, nee, want ASUS is alleen verplicht om een nieuwe laptop te leveren die voldoet aan wat oorspronkelijk gekocht is. De data is er later opgezet, en valt dus buiten deze verplichting.

Bovendien: hoe zou ASUS aan dit verzoek van de klant moeten voldoen? Ze kunnen de data overzetten naar de nieuwe schijf, wat toch het nodige werk kan zijn. Of ze sturen de oude harde schijf weer mee, en dan moet de klant maar zien hoe hij die aansluit. Niet erg klantvriendelijk, en bovendien krijgt de klant dan twee harde schijven voor de prijs van één.

De oude harde schijf in de nieuwe laptop stoppen zou ook kunnen, maar het is niet gezegd dat dit altijd zal werken. Misschien moet Windows wel opnieuw worden geïnstalleerd of zijn aanvullende drivers nodig. Als de installateur dan moet werken met een al aangepast OS (of misschien wel een wachtwoord bij het opstarten), dan schiet dat ook niet bepaald op.

Wat vinden jullie dat ASUS moet doen?

Arnoud

of lees de 9 reacties

De (on)bindendheid van de consumenten geschillencommissie (gastpost)

5 september 2008, 8:48 - Geplaatst onder: Aansprakelijkheid, Contracten - 4 reacties

geschillencommissie-logo.gifWie overeenkomsten sluit krijgt er vroeg of laat mee te maken: geschillen. De partijen kunnen het dan onderling niet eens worden over een oplossing. Zij kunnen dan aan de rechter vragen om met een uitspraak te komen. Hier zitten echter wel een aantal negatieve consequenties aan vast.

Allereerst is de rechtsgang erg duur. Voor rechtszaken tot 5000 euro liggen de kosten van de dagvaarding en de griffiekosten, voor het behandelen van uw zaak door de rechter, tussen de 110 en de 270 euro volgens de Consuwijzer. Nee, de kosten rijzen de pan uit door de kosten die je maakt als je een advocaat in de arm neemt. Je moet al gauw 200 euro neer leggen per uur dat je advocaat aan je zaak besteedt. Nu kun je dergelijke rechtszaak zonder advocaat voeren, wat ons brengt op de tweede negatieve consequentie: een rechtszaak voeren is erg ingewikkeld. Het gevaar is dan wel dat je al gauw de fout in gaat, waardoor je zaak op procedurele gronden verliest terwijl je toch het gelijk aan je kant hebt.

Daarom is De geschillencommissie in het leven geroepen. Deze commissies op diverse gebieden presenteren zich graag als hét alternatief voor een rechtsgang. De overheid heeft alle geschillencommissies erkend en volgens de Stichting Geschillencommissies voor Consumentenzaken betekent dit dat “goede procedure en onpartijdige beslissingen gewaarborgd zijn”. Bovendien is een uitspraak bindend. Kortom, als we deze stichting mogen geloven, is het geschil voor leggen aan de rechter compleet overbodig geworden. Is de uitleg die de stichting geeft wel realistisch of had ze een roze bril op toen de stichting haar website ontwierp?

Een voorbeeld. Een geschil was in de maak toen consumenten een overeenkomst sloten met een winkelier voor de levering en het leggen van een parketvloer. Toen er zich vlak hierna krassen zich op de vloer vertoonden, hebben deze consumenten zich spoedig bij de winkelier gemeld met hun klachten. De importeur van de vloer heeft deze onderzocht in opdracht van de winkelier en kwam tot de conclusie dat de vloer geen productfouten c.q. productiefouten bezat, maar dat het ging om problemen die veroorzaakt waren door de consument. De winkelier weigerde vervolgens om de vloer te herstellen of te vervangen.

De consument neemt hier geen genoegen mee en gaat naar de Geschillencommissie Parket. De deskundige die zij inschakelen komt tot de conclusie dat de vloer weliswaar slijtvast maar niet erg krasbestendig is. Bovendien is de schade niet te herstellen. Volgens de deskundige is de schade aan de vloer te wijten aan het schuiven met stoelen en andere scherpe voorwerpen. Als voorbeeld geef hij aan: “steentjes in de schoenen, scherp zand onder het vilt van de meubels, scherp speelgoed en dergelijke”. De geschillencommissie komt als gevolg van dit oordeel tot de volgende conclusie:

(…) dat niet gezegd kan worden dat de ondernemer de tussen partijen gesloten overeenkomst niet deugdelijk is nagekomen. De commissie onderschrijft het rapport van de deskundige in die zin dat niet gezegd kan worden dat er in technische zin iets fout is aan de vloer. De klachten worden veroorzaakt door het gebruik van de vloer en leefsporen als deze (los van de krassen veroorzaakt door het verplaatsen van een kast) moeten worden aangemerkt als oorzaken van buitenaf die niet met succes aan de ondernemer kunnen worden tegengeworpen. Dat een en ander zichtbaar is hangt mede samen met de kleur van de vloer. Kennelijk had de consument te hoge verwachtingen van de vloer.
De commissie is niet gebleken dat de ondernemer de consument wat dat betreft op het verkeerde been heeft gezet. (…)

Menig consument had hier zijn verlies genomen, aangezien de Stichting Geschillencommissies voor Consumentenzaken dat een uitspraak bindend is en door de erkenning van de overheid een goede procedure en een onpartijdige beslissing gegarandeerd is. Deze consumenten doen dit echter niet en stappen naar de rechter. Dat mag, zelfs bij bindende uitspraken zoals deze. Artikel 7:904 BW bepaalt namelijk:

Indien gebondenheid aan een beslissing van een partij of van een derde in verband met inhoud of wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, is die beslissing vernietigbaar. (…)

De rechter kan op grond van dit artikel de uitspraak vernietigen. Deze rechter wilde zijn vingers echter niet branden aan de de uitspraak, vermoed ik, want de zaak komt in hoger beroep. (LJN AY8747). De hogere rechter vindt dat de geschillencommissie heeft nagelaten om de bevindingen te toetsen aan het door hem geschetste wettelijk kader. Daarnaast constateert het Hof dat de geschillencommissie enkel is afgegaan op het, hiervoor niet geschikte, rapport van de deskundige. Het Gerechtshof concludeert dat de inhoud en wijze van totstandkoming van de uitspraak van de geschillencommissie in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. En dus vernietigt hij de uitspraak van de geschillencommissie. Het Hof gaat vervolgens over tot inhoudelijke beoordeling van de zaak:

Op een vloer in een woning wordt nu eenmaal met schoenen gelopen, met stoelen geschoven en door kinderen met speelgoed gespeeld. Anders dan het schuiven met een kast vormt dit een normaal gebruik. [appellant] mocht dan ook bij deze vloer krasbestendigheid verwachten bij normaal gebruik. De “keiharde kunststof toplaag” bleek echter al spoedig niet bestand tegen dat normaal gebruik. De geleverde vloer heeft in dit opzicht niet de eigenschappen die [appellant] mocht verwachten. Ondanks ingebrekestelling bij brief van 2 december 2003 (productie 13 bij memorie van grieven) weigert Salland Parket over te gaan tot herstel of vervanging. Zij is derhalve toerekenbaar tekortgeschoten.

Het Hof ontbindt als gevolg daarvan vervolgens de overeenkomst met de winkelier. Een uitspraak van een geschillencommissie kan dan wel bindend zijn, maar is gelukkig niet onvernietigbaar. De Stichting Geschillencommissies voor Consumentenzaken wil ons graag doen geloven dat erkenning van de overheid inhoud dat een “goede procedure en onpartijdige beslissingen gewaarborgd zijn”, maar deze zaak toont aan dat dit toch echt niet het geval is. Mocht iemand van het bestuur meelezen: het zo wellicht verstandig zijn om in deze tekst hier wat nuances te bouwen.

Alex de Kruijff
Alex is een ingenieur die elektronica en informatica heeft gestudeerd en juridische interesse heeft. Op zijn website kun je artikels over het besturingssysteem FreeBSD vinden, die je helpen bij het configureren er van.

of lees de 4 reacties

Consumenten hebben toch geen geldboom in de tuin? (gastpost)

1 augustus 2008, 8:09 - Geplaatst onder: Contracten - 4 reacties

Veel winkeliers denken dat zij alleen aansprakelijk zijn voor de directe schade aan een ondeugdelijk product wanneer het product niet aan de conformiteitseis voldoet. De gevolgschade (alle andere schade) komt volgens hen voor rekening van de koper. Dat staat namelijk zo in hun algemene voorwaarden. Schade in de vorm van porto-, telefoon- en/of reiskosten wijzen ze dan ook snel van de hand als de consument deze komt reclameren. Dit is heel onrechtvaardig want de consument heeft niet gevraagd om een ondeugdelijk product.

De wetgever heeft de consument hier echter voor behoed door het opnemen van art. 7:24 BW. Dit artikel maakt het onmogelijk voor de winkelier om zijn aansprakelijkheid wettelijk te beperken tot alleen de directe schade. De geschillencommisse Elektro behandelde een geschil over een DVD speler dat dit heel mooi illustreert.

In dit geschil had een consument een DVD speler gekocht, maar na een half jaar bleek dat deze een DVD niet kan afspelen. De winkelier zag zichzelf blijkbaar als een doorgeefluik, want hij weigerde om het product te vervangen. Dit omdat de fabrikant van oordeel was dat het niet aan de DVD speler, maar aan de DVD lag. Als gevolg van de dwarse houding pleegde de consument verschillende telefoontjes en gaat een aantal keer langs voor het halen en brengen van het product. Vervolgens kwam hij bij de geschillencommisse, en die oordeelde:

Conclusie is dan ook dat het gekochte niet de eigenschappen heeft die de consument ervan mocht verwachten en dat de ondernemer gehouden is tot het primair door de consument gevorderde, namelijk kosteloze omruil voor een vervangend apparaat van gelijke kwaliteit, waarop de dvd wel werkt.

Consequentie van deze beslissing is dat ook gevolgschade die de consument hierdoor heeft geleden in de vorm van reiskosten voor het enkele malen halen en brengen van de dvd-speler en een aantal telefoongesprekken door de ondernemer moeten worden vergoed. Gezien de specificatie van de consument bepaalt de commissie die kosten in billijkheid op € 40,–.

Dit gaat op voor veel meer types gevolgschade. Wat dacht je van de wasserette, huurkosten of zelfs die halve werkdag, die je noodzakelijkerwijs moest opnemen, vergoed krijgen?

Echter hoeft de winkelier niet alle gevolgschade te vergoeden. Wanneer het product gebreken bevat die de veiligheid in geding brengen is er spraken van productaansprakelijkheid. In die gevallen is niet de winkelier maar de producent aansprakelijk. Een producent is een persoon die het eindproduct, onderdelen of grondstoffen heeft gemaakt, maar dat is ook een persoon die zijn naam, merk of ander onderscheidingsteken aanbrengt op het product.

Een goed voorbeeld hier van zijn die laptops die bij ontploften bij te heet weer. In een aantal gevallen is het huis afgebrand of is er z’n minst brandschade ontstaan. De winkelier mag je dan door verwijzen naar de fabrikant. Dat wil zeggen tenzij de winkelier dat product verbonden heeft met z’n eigen naam.

Nu weet ik dat er winkelier zullen zijn die bij het lezen van deze tekst een onrechtvaardig gevoel hebben. Immers, zij hebben het product niet gemaakt en sommige zullen aanvoeren dat de consument daarom bij de fabrikant moet reclameren. Dit zou echter een doorgeefluik mentaliteit bevorderen en dat moeten we niet hebben. De wetgever bied de winkelier wel de mogelijkheid om de kosten te verhalen, maar daarover heb ik reeds geschreven in mijn stukje ‘Calimero en het consumentenrecht’.

Alex de Kruijff
Alex is een ingenieur die elektronica en informatica heeft gestudeerd en juridische interesse heeft. Op zijn website kun je artikels over het besturingssysteem FreeBSD vinden, die je helpen bij het configureren er van.

of lees de 4 reacties

De algemene voorwaarden van Robin Hood (gastpost)

6 juni 2008, 8:43 - Geplaatst onder: Contracten - Geen reacties

“Zakelijke klanten zijn toch rijk”, zal de winkelier hebben gedacht die specifiek voor deze groep eindgebruikers onredelijk bezwarende voorwaarden heeft opgesteld. Deze winkelier heeft goed begrepen dat consumenten goed beschermd middels een aantal dwingende wettelijke verplichtingen. En dat die zelfde verplichtingen bij zakelijke klanten onder de noemer ‘regelend recht’ vallen en er dus van mag worden afgeweken. Deze winkelier ontpopt zich dan ook als nobele bandiet die van de rijke zakelijke klanten steelt en aan de arme consument geeft. Vanuit zijn stenen fort ligt hij samen met zijn bende werknemers op de loer tot op het moment dat hij een zakelijke klant kan strikken voor een van zijn ongunstige voorwaarden. Deze winkelier heeft daarmee wel wat weg van een moderne Robin Hood.

Zoals ik vorige keer in mijn stukje ‘Bijna goed is helemaal fout’ ook al opmerkte, hebben deze winkeliers goed in de gaten dat zij van (sommige) wetsartikelen mogen afwijken. Een moderne Robin Hood laat consumenten ongemoeid en benadeelt alleen de zakelijke klant. De opmerking waar ik de vorige keer mee begon verandert dan in zo iets als “Een zakelijke klant verliest zijn rechten als hij gebreken niet binnen zeven werkdagen na de koop heeft gemeld.”

Zoals gemeld gaat het hier om regelend recht. Daarom geef ik eerst aan hoe het allemaal werkt onder het regelend recht, dus zonder dat er afwijkende afspraken over zijn gemaakt. Later ga in op de vraag of de genoemde afwijking is toegestaan.

Onderzoeksplicht & mededelingsplicht
Voor een koop, die geen consumentenkoop is, geld dat de koper het product moet onderzoeken of het product aan de overeenkomst beantwoord. De uitzondering hierop is als de verkoper bepaalde eigenschappen verzekerde of informatie, die de verkoper behoorde te kennen, niet aan de koper heeft meegedeeld. In dat geval geld net als bij een consumentenkoop dat de koper zich alleen bij de verkoper hoeft te melden nadat hij de ontdekking heeft gedaan.

“Binnen bekwame tijd na ontdekking betekent dat de koper de verkoper met spoed op de hoogte moet brengen.”, aldus de wetgever. (TK 2001-2002, 27 809, nr. 6) Wanneer de koper het product niet (volledig) hoeft te onderzoeken, zal dit doorgaans neerkomen op kortere periode dan bij een consumentenkoop het geval was geweest. De consument mag namelijk wel lanterfanten!

De Hoge Raad ontleedt, in het arrest LJN AZ7617 (HR 29 juni 2007, C06/002HR), de term bekwame tijd in een onderzoeksplicht en een mededelingsplicht. Daarbij geeft ze aan dat in twee specifieke gevallen, waaronder een consumenten op, de onderzoeksplicht niet van toepassing is. Over de onderzoeksplicht geeft de Hoge Raad aan:

In dat verband kunnen onder meer van belang zijn de aard en waarneembaarheid van het gebrek, de wijze waarop dit aan het licht treedt, en de deskundigheid van de koper.
Onder omstandigheden kan voor beantwoording van de vraag of de afgeleverde zaak aan de overeenkomst beantwoordt, een onderzoek door een deskundige nodig zijn (zie ook Parl. Gesch. Boek 7 (Inv. 3, 5 en 6), blz. 157). In beginsel mag de koper de uitslag van dit onderzoek afwachten zonder de verkoper van het onderzoek op de hoogte te brengen. Wanneer echter mag worden verwacht dat met het onderzoek langere tijd is gemoeid, of zulks tijdens de loop daarvan blijkt, volgt uit de strekking van art. 7:23 lid 1 dat de koper aan zijn wederpartij onverwijld kennis dient te geven van dat onderzoek en de verwachte duur ervan.

Het arrest LJN BB7006, dat speelde bij de Rechtbank van Rotterdam, geeft hiervan een mooi concreet voorbeeld. Het geschil gaat over de levering van een schip waar een andere motor in blijkt te zitten. De koper laat de boot onderzoeken bij een technisch deskundige derde en bezoekt daarna een advocaat. De boot blijkt niet aan de overeenkomst te voldoen. Op het moment dat hij verhaal gaat bij de verkoper zijn er inmiddels 15 weken verstreken als gevolg van dit onderzoek. De verkoper stelt zich op het stand punt dat het hier niet gaat om een bekwame tijd daar 6 weken in de rechtspraak gebruikelijk zou zijn. De rechter oordeelt als volgt:

Nu gesteld noch gebleken is dat [eiser] zelf over specifieke kennis op het gebied van scheepsmotoren beschikt, is de in art. 7:23 lid 1 BW bedoelde klachttermijn niet reeds kort na 6 april 2006, maar eerst nadat hij een deskundige, Multidiesel B.V., had geraadpleegd gaan lopen. Kennelijk heeft [eiser] vervolgens een advocaat geraadpleegd mede met het oog op de vraag of de hoofdmotor aan de koopovereenkomst beantwoordde; daarom heeft ook dat onderzoek de aanvang van de klachttermijn opgeschort. Door daarna op 9 juni 2006 bij FTS wegens de gestelde non-conformiteit te reclameren, heeft [eiser] binnen bekwame tijd zoals in art. 7:23 lid 1 BW c.q. art. 6:89 BW bedoeld bij FTS geklaagd.

Terugkomend bij de Hoge Raad, dat het arrest LJN AZ7617 (HR 29 juni 2007, C06/002HR) behandelde, meld zij over de mededelingsplicht:

In het geval van een niet-consumentenkoop dient de vraag of de kennisgeving binnen bekwame tijd is geschied te worden beantwoord onder afweging van alle betrokken belangen en met inachtneming van alle relevante omstandigheden, waaronder het antwoord op de vraag of de verkoper nadeel lijdt door de lengte van de in acht genomen klachttermijn. Een vaste termijn kan daarbij niet worden gehanteerd, ook niet als uitgangspunt.

De tijd die de koper nodig heeft voor de meldingsplicht zal dus afhangen van hoeveel tijd hij feitelijk nodig heeft gehad en het nadeel dat de verkoper leid als dit langer duurt.

Onredelijke bezwarende voorwaarden
Nu duidelijk is hoe de wetgever het regelend recht heeft ingericht, is nu van belang of de verkoper hiervan mag afwijken in het nadeel van de zakelijke koper. Voorwaarden als “Een zakelijke klant verliest zijn rechten als hij gebreken niet binnen zeven werkdagen na de koop heeft gemeld.” worden vaak opgenomen in de algemene voorwaarden. Speciaal voor algemene voorwaarden heeft de wetgever dwingend recht (art 6:246 BW) opgesteld. In artikel 6:233 sub a BW heeft de wetgever bepaald dat een voorwaarde vernietigbaar is

indien het, gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden zijn tot stand gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend is voor de wederpartij

Het regelend recht gebied de zakelijke koper onderzoek of hij heeft gekregen wat de hem beloofd is en een negatief resultaat spoedig mededelen bij de verkoper. Hier mag best streng mee omgegaan worden, maar het mag er niet op neer komen dat de koper de verkoper helemaal niet kan houden aan de overeenkomst. Een dergelijke voorwaarden kan dan zeker als onredelijk bezwarend worden aangeduid. Als je verkoper na de koop niet meer wenst aangesproken te worden moet ie dat maar in heldere taal inde overeenkomst zelf regelen.

Alex de Kruijff
Alex is een ingenieur die elektronica en informatica heeft gestudeerd en juridische interesse heeft. Op zijn website kun je artikels over het besturingssysteem FreeBSD vinden, die je helpen bij het configureren er van.

als eerste

(Web-)winkels opgelet: Consumentenbeschermer laat eerste tandjes zien (bij Marketingfacts)

3 juni 2008, 8:42 - Geplaatst onder: Contracten - Geen reacties

Afgelopen vrijdag schreef ik over het jaarverslag van de Consumentenautoriteit bij Marketingfacts:

Een baby krijgt zijn eerste tandjes wanneer hij zo’n 5 tot 7 maanden oud is. Dat blijkt ook op te gaan voor de jongste toezichthouder van Nederland: de Consumentenautoriteit. Deze bewaker van consumentenrechten heeft in haar eerste jaar flink haar tandjes laten zien. Men onderzocht meer dan 70.000 klachten, trad zo’n 100 maal op tegen schendingen van de wettelijke regels voor consumentenbescherming en kwam met één boete van 88.000 euro.

Dat de Consumentenautoriteit hard nodig is, blijkt wel uit het jaarverslag dat onlangs verscheen. Maar bar weinig bedrijven blijken rekening te houden met de wettelijk verplichte rechten voor consumenten. Consumenten worden onjuist geïnformeerd over hun recht op retour of garantie of krijgen dure SMS-diensten aan hun broek zonder dat ze kunnen weten hoe ze er vanaf komen. Met name webwinkels krijgen er van langs: hun algemene voorwaarden blijken vaak onvindbaar, en ook aan de informatieplicht wordt lang niet altijd voldaan.

Lees verder over wat de Consumentenautoriteit zoal tegenkwam in (Web-)winkels opgelet: Consumentenbeschermer laat eerste tandjes zien bij Marketingfacts.

Arnoud

als eerste

De ondernemer op de Marktplaats.nl

30 mei 2008, 8:10 - Geplaatst onder: Internetrecht - 4 reacties

Een lezer verkoopt regelmatig producten via Marktplaats.nl, en vroeg zich af wanneer hij nu te maken zou krijgen met de wettelijke regels voor consumentenkoop. Hoe veel producten moet hij daarvoor verkopen? Of welk ander criterium geldt er om te bepalen of hij zich aan deze regels moet houden?

Bij een consumentenkoop gaat het om de verkoop van een product aan een consument. Maar de verkoper moet dan wel handelen “in de uitoefening van een beroep of bedrijf”, zoals de wet (artikel 7:5 BW) dat noemt. Het lastige is alleen dat de wet daar geen definitie voor geeft. Er is dus geen duidelijk criterium waarmee dit eenduidig vast te stellen is.

Je kunt kijken naar bijvoorbeeld een inschrijving in het handelsregister. Als die er is, dan handelt de verkoper bedrijfsmatig. En als hij een BV of andere rechtsvorm heeft opgezet, is het ook duidelijk. Maar dat hoeft niet altijd het geval te zijn. Wat te denken bij bijvoorbeeld iemand die een Tupperware-party organiseert bij haar thuis? Volgens de Tekst & Commentaar is dat ook bedrijfsmatig handelen. De Tupperware-lady zal dus bijvoorbeeld moeten bewijzen dat een defect aan een product dat binnen zes maanden optrad, de schuld is van de koper (7:18 lid 2 BW, zie ook Alex’ gastpost over conformiteit).

In een zaak uit november 2007 kwam deze vraag aan de orde bij een hondenfokker. De koper had een pup gekocht van deze fokker, maar de pup bleek chronische nierfalen te hebben. De koper beriep zich op zijn wettelijke bescherming als consument, en de verkoper verweerde zich dat hij geen professionele fokker was. Hoe ging de rechter hiermee om?

Wil sprake zijn van beroeps- of bedrijfsmatig fokken, dan dient sprake te zijn van het in een zekere omvang en anders dan incidenteel fokken. … Het hof neemt als uitgangspunt dat ten aanzien van de vraag of de verkoper in de uitoefening van een beroep of bedrijf heeft gehandeld beslissend is wat partijen over en weer hebben verklaard en wat zij over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben mogen afleiden. Veel zal afhangen van de manier waarop de verkoper naar buiten treedt. De professionaliteit van het handelen, dient aldus van geval tot geval te worden beoordeeld.

Vervolgens toetst het Hof een hele serie criteria, en komt tot de conclusie dat geen van allen een conclusie rechtvaardigen dat de verkoper bedrijfsmatig bezig was. Ik loop ze even langs:

  • Een fokkerij hebben: een bedrijfsmatige fokkerij kan natuurlijk, maar niet elke fokkerij is een bedrijf.
  • Een naam voeren: de klant noemde dit een handelsnaam, maar bij ook bij pure hobbyfokkers is het gebruikelijk om je kennel een naam te geven. Als uit de naam iets zou blijken dat een professionele activiteit suggereert, zou dat misschien anders zijn (denk aan woorden als “professional”, of “services”).
  • Adverteren: de verkoper adverteerde in een clubblad met haar dekreu en pups, maar omdat het blad alleen op hobbyisten gericht was, en een kleine oplage had, was de advertentie nog geen bewijs van professioneel handelen. Ook consumenten adverteren producten en diensten die zij willen leveren.
  • Een website hebben: goed, het speelde in 2004, maar ook toen al hadden genoeg consumenten en hobbyisten websites. Een fokker die trots is op zijn kennel, kan daar dus een website voor maken en daarop melden dat hij een dekreu heeft waar anderen tegen betaling gebruik van mogen maken.
  • Een betaalde kracht hebben: de verkoper betaalde iemand om te helpen in de kennel. Dat kunnen ook consumenten doen (bijvoorbeeld de hulp in de huishouding). Ook dat zegt nog niet dat je een bedrijf hebt dus.
  • Deskundig en ervaren zijn: de verkoper deed dit al jaren, maar ook hobbyisten kunnen zeer deskundig en ervaren zijn. Wederom geen bewijs dus.

Geen van de genoemde criteria afzonderlijk, noch de combinatie daarvan, overtuigde het Gerechtshof dus dat sprake zou van beroeps- of bedrijfsmatig handelen door de verkoper.

De Belastingdienst hanteert andere criteria. Zij kijken naar tijd die je in de activiteit steekt, of je financieel risico loopt, of je jezelf naar buiten presenteert als onderneming en natuurlijk of je winst maakt. Daarover kwam in deze zaak niets aan de orde. Maar het lijkt mij dat iemand die door de Belastingdienst als ondernemer wordt aangemerkt, voor het consumentenrecht als “verkoper die handelt uit beroep of bedrijf” gezien zal worden.

Met dank aan Rechtenforum.nl.

Arnoud

of lees de 4 reacties

Bijna goed is helemaal fout (gastpost)

2 mei 2008, 8:39 - Geplaatst onder: Contracten - Geen reacties

“U heeft geen recht op herstel of vervanging, want u heeft het gebrek niet binnen zeven werkdagen gemeld.” Winkeliers die met dit excuus aan komen zetten, hebben goed begrepen dat zij van (sommige) wetsartikelen mogen afwijken, en doen dat dan uiteraard in het nadeel van de klant. Echter hebben ze niet door dat dit in veel gevallen niet is toegestaan.

Artikel 7:23 BW verplicht de koper om binnen een bekwame tijd bij de verkoper te melding wanneer een product gebreken bevat of om een andere reden niet aan de overeenkomst beantwoordt (non-conformiteit). De wetgever heeft over dit wetsartikel onder andere het volgende opgemerkt:

Artikel 7:23 lid 1 BW vereist dat de koper de verkoper binnen bekwame tijd nadat hij de de non-conformiteit heeft ontdekt of redelijkerwijs had behoren te ontdekken, kennis geeft. Of ingevolge dit artikel de koper de verkoper tijdig in kennis heeft gesteld, hangt af van tal van omstandigheden, zoals de aard van het gekochte, de deskundigheid, de onderlinge verhouding en de juridische kennis van beiden. Het verdient de voorkeur deze meer flexibele maatstaf te behouden, waarbij evenwel voor de consumentenkoop bepaald moet worden dat de termijn niet korter mag zijn dan twee maanden na ontdekking. (MvT, TK 2000-2001, 27809, nr. 3, p. 10)

Een bekwame tijd is voor een consument dus altijd minimaal twee maanden, zelfs wanneer de consument zich veel eerder kon melden bij de verkoper. Bovendien gaat deze periode pas lopen op het moment dat de consument heeft heeft ontdekt dat het product niet aan de overeenkomst beantwoorden. Een consument hoeft het product dus niet te onderzoeken op nonconformiteit. Als een dergelijk onderzoek toch plaats vindt, dan gaat de termijn pas lopen op het moment dat er een conclusie uitkomt dat het product niet aan de overeenkomst beantwoord.

Bij de koop van bepaalde zaken kan immers een langere termijn dan twee maanden acceptabel zijn. Bovendien beoogt de richtlijn te bevorderen dat consumenten ook in een andere lidstaat goederen aanschaffen, maar zou juist voor deze kopers een kennisgevingstermijn van twee maanden te knellend kunnen zijn. (MvT, TK 2000-2001, 27809, nr. 3, p. 24)

Nu de consument het product niet hoeft te onderzoeken zal een bekwame tijd niet snel langer uitvallen dan de genoemde twee maanden. Echter kunnen er uitzonderlijke omstandigheden zijn die een langere termijn rechtvaardigen. Buitenlandse consumenten zijn niet bekend met de Nederlandse taal en de Nederlandse gewoontes en zullen daar dus hinder van ondervinden. En binnenlandse consumenten zouden onopzettelijk door de winkelier gehinderd kunnen worden. In dergelijke gevallen kan een consument toch op tijd zijn als hij zich pas na die twee maanden meldt.

Bij een consumentenkoop geldt dat de winkelier niet in het nadeel mag afwijken van dit artikel. Een winkelier mag dus niet in zijn algemene voorwaarden opnemen dat de (consument)koper zich binnen zeven werkdagen meldt. En een winkelier die een vaste termijn van twee maanden hanteert, heeft het bijna goed. Er zullen dan ook niet veel consumenten zijn die er in zullen slagen om dit beding te vernietigen. Consumentenorganisaties kunnen dat echter weer wel, omdat bijna goed toch echt helemaal fout is.

Alex de Kruijff
Alex is een ingenieur die elektronica en informatica heeft gestudeerd en juridische interesse heeft. Op zijn website kun je o.a. artikels over het besturingssysteem FreeBSD vinden, die je helpen bij het configureren ervan.

als eerste

Reparatiekosten verboden bij een consumentenkoop

26 april 2008, 8:38 - Geplaatst onder: Contracten - 15 reacties

Het Europees consumentenrecht staat niet toe dat een winkelier een vergoeding mag vragen van een consument voor reparatie of vervanging van een defect product. Dat blijkt uit het op 17 april gewezen Quelle-arrest van het Europese Hof van Justitie.

Het Hof stelt voorop dat de winkelier de plicht heeft om een product te leveren dat werkt gedurende een bepaalde tijd, de economische levensduur. En als dat niet blijkt te kloppen, dan heb je als consument recht op vervanging of herstel (7:21 BW) van het product, tenzij dat onmogelijk is of van de verkoper niet gevergd kan worden.

In Nederland hebben we op dit moment de regel dat je bij een reparatie of vervanging na 4 van de 10 jaar 4/10e van het reparatiebedrag betaalt. Je krijgt er daardoor immers 4 jaar ‘bij’. De juridische rechtvaardiging hiervoor is dat je door de reparatie meer ‘genot’ van je product hebt dan je mocht verwachten. En als je meer krijgt, dan zul je moeten bijbetalen.

Deze regel heeft het Hof dus nu een halt toegeroepen. Herstel of vervanging moet “kosteloos” zijn, zo staat in de Europese richtlijn (1999/44/EG) waar dit allemaal op gebaseerd is. En kosteloos betekent ook echt kosteloos. De winkelier mag dus op geen enkele manier geld vragen wanneer de consument zijn recht op herstel of vervanging komt uitoefenen.

De enige uitzondering is nog bij retour (ontbinding): dan mag de consument wel een bedrag gevraagd worden voor het gebruik gedurende de tijd dat hij het product in bezit had.

Arnoud

of lees de 15 reacties

Calimero en het consumentenrecht (gastpost)

21 maart 2008, 8:37 - Geplaatst onder: Contracten - 1 reactie

Menig winkelier vertoont symptomen van het Calimero-complex. Het kleine zwart kuikentje met een halve eierdop op zijn hoofd leed aan een complex dat zich mooi laat samenvatten in zijn uitspraak “Zij zijn groot en ik is klein, en dat is niet eerlijk”. Een winkelier die hier last van heeft, vindt het moreel verantwoord als hij zich niet aan zijn wettelijke verplichtingen houd. Daarvoor legt hij de schuld bij consumenten, andere winkeliers, fabrikanten en de overheid. Die zijn immers groot en hij is maar een kleine winkelier.

Twee veel voorkomende excuses die uit de mond van dit type winkelier komen zijn variaties op “de marge is te daar te laag voor” en “ik moet de kosten zelf betalen”. Daaromheen wordt een zielig verhaal geschetst.

Ik moet de kosten zelf betalen. De wetgever heeft mij geen mogelijkheid geboden om de kosten te verhalen op de fabrikant. De fabrikant wil het niet vergoeden. Een rechtszaak is te duur. De marge op het product is daar te laag voor. Andere winkeliers kunnen de producten zo goedkoop aanbieden omdat zij zich niet houden aan hun wettelijke verplichtingen. Daarnaast willen consumenten alles zo goedkoop mogelijk hebben. Ik kon dus niet anders dan een lage marge hanteren en dus kan ik het echt niet zelf betalen.

Zonder te veel in te gaan op de economische kant, gaat de winkelier er van uit dat het grootste inkomen kan worden gegenereerd door zoveel mogelijk producten te verkopen. Iedereen die economie studie of bedrijfskunde heeft gevolgd zal dit tegen spreken, omdat er zo iets als prijselasticiteit bestaat.

De kosten van een rechtszaak kunnen inderdaad hoog zijn. Dit komt met name door de advocaatkosten. Hier ligt een taak voor brancheorganisaties om goede afspraken over te maken bij de fabrikanten of om in het uiterste geval rechtszaken over aan te spannen waarmee bijvoorbeeld algemene voorwaarden kunnen worden aangepast. En als dat allemaal niets uithaalt, dan kan de winkelier er natuurlijk altijd nog voor kiezen om de kosten te verrekenen met de aankoopprijs. Dat zou de fabrikant namelijk ook doen, zou deze de kosten van de winkelier wel vergoeden.

De Europese wetgever heeft hierover opgenomen in de EG-Richtlijn 1999/44/EG over consumptiegoederen:

Artikel 4 Recht van verhaal
Wanneer de eindverkoper jegens de consument aansprakelijk is uit hoofde van een gebrek aan overeenstemming dat voortvloeit uit een handelen of nalaten van de producent, van een eerdere verkoper in dezelfde contractuele keten of van enige andere tussenpersoon, kan de eindverkoper verhaal nemen op de aansprakelijke persoon of personen in de contractuele keten. De persoon of personen op wie de eindverkoper verhaal kan nemen alsmede de rechtsvorderingen en de wijze van procederen worden bepaald door het nationale recht.

Toen de Nederlandse wetgever vervolgens aan zet was, kwam deze tot het volgende:

Artikel 4 bepaalt – kortweg gezegd – dat wanneer de verkoper jegens de consument wegens non-conformiteit aansprakelijk is door een oorzaak die aan een voorschakel is toe te rekenen, de verkoper verhaal kan nemen op zijn voorschakel of een eerdere voorschakel. De personen op wie de verkoper verhaal kan nemen, alsmede de wijze van procederen, worden aan het nationale recht overgelaten. Een dergelijk regresrecht van de verkoper is in titel 7.1 BW geregeld in artikel 25. De richtlijn vereist niet dat het regresrecht van de verkoper dwingendrechtelijk is. Vergelijk overweging 9. Artikel 25 wordt op dit punt overigens wel gewijzigd, maar dus zonder dat de richtlijn daartoe verplicht. Zie daarover nader de artikelsgewijze toelichting. (MvT, TK 2000-2001, 27809, nr. 3, p. 10)

Het smoesje dat de wetgever geen rekening heeft gehouden met de winkelier snijdt dus geen hout. Uit de citaten blijkt dat zowel de Europese als de Nederlandse wetgever met de winkelier rekening hebben gehouden. De Nederlandse wetgever is daarbij zo royaal is geweest om de winkelier een regresrecht van dwingend recht te geven. De Nederlandse keuze heeft bovendien als consequentie dat brancheorganisaties nu in staat zijn om fabrikanten aan te pakken, zoals dus blijkt uit het onderstaande citaat.

Dit brengt mee dat de verkoper een door zijn voorschakel gehanteerd exoneratiebeding ingevolge artikel 3:40 lid 2 kan vernietigen. Het biedt bovendien de mogelijkheid dat brancheorganisaties een – door een dwangsom versterkt – verbod tot het gebruik van dergelijke bedingen vorderen, hetgeen vooral van belang is in het geval verkopers de vernietiging daarvan wegens hun afhankelijke positie niet aandurven. Zie in het bijzonder artikel 6:240 lid 1 BW, waarin voor dit geval bedingen die in strijd zijn met dwingend recht als onredelijk bezwarend worden aangemerkt. (MvT, TK 2000-2001, 27809, nr. 3, p. 25)

Wie heeft er voor mij een goede goed advies, hoe om te springen met deze dergelijke winkeliers?

Alex de Kruijff
Alex is een ingenieur die elektronica en informatica heeft gestudeerd en juridische interesse heeft. Op zijn website kun je o.a. artikels over het besturingssysteem FreeBSD vinden, die je helpen bij het configureren ervan.

of lees de eerste reactie

Verweer tegen gebruikelijke excuses van de winkeliers (gastpost)

29 februari 2008, 8:58 - Geplaatst onder: Contracten - 4 reacties

“U heeft geen recht op herstel of vervanging, want u heeft het product niet goed gebruikt!” Het gebruikelijke excuus waar een willekeurige winkelier mee aankomt, als je met een defect product bij hem aanklopt. Toch heeft de winkelier het hierbij lang niet altijd bij het juiste eind, zelfs als hij kan aantonen dat het product geen productiefouten bevat!

De wet zegt namelijk dat een gekocht product niet aan de overeenkomst beantwoordt als het niet die eigenschappen bezit die je op grond van de overeenkomst mocht verwachten. Dit heet het conformiteitsbeginsel en dat is geregeld in artikel 7:17 BW. Daarbij geldt dat je mag aannemen dat het product die eigenschappen bezit die voor normaal gebruik nodig zijn, tenzij het om een eigenschap gaat waar je aan behoorde te twijfelen. Je moet twijfelen als de verkoper expliciet meld dat het product een bepaalde eigenschappen mist of niet geschikt is voor een bepaald gebruik of situatie. Daarnaast moeten die eigenschappen aanwezig zijn die voor afgesproken bijzonder gebruik nodig zijn. Maar wat wil dat nu concreet zeggen?

Het eerste en belangrijkste kenmerk is dus dat het product vermoed wordt geschikt te zijn voor normaal gebruik. In de rechtszaak LJN AY8747, waar een consumentengeschil over een parketvloer centraal stond, oordeelde de rechter als volgt:

Op een vloer in een woning wordt nu eenmaal met schoenen gelopen, met stoelen geschoven en door kinderen met speelgoed gespeeld. Anders dan het schuiven met een kast vormt dit een normaal gebruik. [appellant] mocht dan ook bij deze vloer krasbestendigheid verwachten bij normaal gebruik.

Normaal gebruik is dus dat gebruik dat het doorsnee individu uit de doelgroep pleegt. Voor een vloer in een woning geldt dus dat het schuiven met stoelen onder normaal gebruik valt. En krasbestendigheid is de eigenschap die benodigd is voor dit gebruik. Een verkoper kan het dus maar beter melden als een vloer niet krasbestendig is.

“Er is spraken van waterschade, dus het defect is uw eigen schuld” is een andere mededeling waar je tegenaan kunt lopen bij een defect product, met name bij elektronica. Zelfs als deze zijn gemaakt om overal mee naar toe te nemen. Marije Hulshof, directeur van de Consumentenautoriteit stelt in haar column, ‘niet meer bellen in de regen?’ , over mobiele telefoons: “die moet u mee kunnen nemen in uw tas of binnenzak om te gebruiken op kantoor, in de kroeg of op het terras. Ook als het miezert. Normaal gebruik, noemen we dat.” Voor een mobieltje is normaal gebruik dus kunnen bellen in de regen, en de eigenschap die daarbij hoort is waterwerendheid. Aan de aanwezigheid van deze eigenschap moet je twijfelen als gemeld is dat het mobieltje niet tegen regen kan.

Het derde voorbeeld gaat over bijzonder gebruik. Stel een winkel verkoopt servers en werkstations aan ondernemers. Nu wil een lokaal radiostation een server voor in haar studio. Dit vereist dat de computer (zeer) stil is zodat deze niet op de opname te horen is. Het bijzondere gebruik is dan dat op een meter afstand professionele opnames te maken moeten zijn en de gewenste bijzondere eigenschap van de computer is stilheid. Het radiostation moet dan laten weten dat ze de computer op deze manier willen gebruiken.

Het conformiteitsbeginsel regelt dus wie van de partijen wat moet melden. Eigenschappen die ontbreken aan een product moeten gemeld worden door de verkoper, als deze nodig zijn voor normaal gebruik. De overige gewenste eigenschappen hoeft het verkochte product alleen te bezitten, indien de koper daar om heeft gevraagd. Het is redelijk om te verlangen van de verkoper dat hij de markt globaal kent, want hij verdient er zijn brood mee. Daarentegen is het weer onredelijk te verwachten dat de verkoper de specifieke wensen van de koper kent, want hij kan natuurlijk geen gedachten lezen.

Als het product niet aan het conformiteitsbeginsel voldoet dan heb je recht op herstel of vervanging (7:21 BW), schadevergoeding van gevolgschade (7:24 BW) en in sommige gevallen ook op ontbinding of prijsvermindering (7:22 BW) als er sprake is van non-conformiteit. Echter, de consument moet in beginsel wel bewijzen dat daarvan sprake is (150 Rv). Gelukkig heeft de wetgever het je iets makkelijker gemaakt gedurende de eerste zes maanden na aankoop. Volgens artikel 7:18 lid 2 BW moet de verkoper dan bewijzen dat het product aan het conformiteitsbeginsel voldeed. Als het product binnen de garantie valt, dan ligt de bewijslast ook bij hem.

Een eenvoudige bewering is niet voldoende. Als koper kun je bijvoorbeeld aan deze bewijslast voldoen door te wijzen op de problematische geschiedenis of een productie fout in een bepaalde serie. En als koper hoef je eveneens geen genoegen te nemen met alleen een bewering van de verkoper.

Alex de Kruijff
Alex is een ingenieur die elektronica en informatica heeft gestudeerd en juridische interesse heeft. Op zijn website kun je o.a. artikels over het besturingssysteem FreeBSD vinden, die je helpen bij het configureren ervan.

of lees de 4 reacties
Volgende Pagina »

Copyright Arnoud Engelfriet - Some rights reserved - Powered by WordPress