Waarom moet ik mijn pakketjes eigenlijk bij de buren afhalen?

| AE 11306 | Ondernemingsvrijheid | 26 reacties

Een lezer vroeg me:

Recent bestelde ik iets bij een webwinkel, en bij de verzendopties stond de keuze voor het ‘Niet bij de buren bezorgen’ van de bestelling – een optie die extra geld kostte. Het lijkt een optie te zijn voor mensen die hun buren niet vertrouwen of bang zijn dat hun buren een pakket achterhouden. Maar dat is toch niet mijn probleem? De webwinkel moet zorgen dat het pakket bij mij komt. Of dat nu de buren, de postbezorger of een UFO was waardoor het niet aankwam, waarom zou ik daar een oplossing voor moeten regelen?

Wettelijk gezien is het inderdaad hun probleem dat het bij jou komt. De wet (art. 7:11 BW) is duidelijk, bij een consumentenkoop moet de verkoper zorgen dat het pakket bij jou over de drempel komt. Pas dan verschuift het risico naar jou. Boze buren, achteloze postbodes of inderdaad pakketjesbeamende ufo’s zijn niet jouw probleem. (Een stelende huisgenoot wel.)

Het werkt vaak nogal vertragend als de post een pakketje komt afgeven terwijl je niet thuis bent. Vanuit service-oogpunt begrijp ik dus zeker dat de postbode het pakket dan bij de buren afgeeft. Je kunt het dan sneller krijgen dan bij het postkantoor, in veel gevallen. Dus pragmatisch gezien is het logisch om zo te werken.

Heb je bonje met je buren of gaat er gewoon iets mis bij dat elders afgeven (het briefje niet in de bus, onduidelijkheid wiens pakket het is, noem maar op) dan werkt dit niet. En dan heb je een lastig dilemma: ga je de confrontatie aan met die buren (of ga je speuren) om snel je pakket te hebben, of ga je een klacht indienen zodat de winkel het maar moet oplossen – maar je je pakket met mazzel drie weken later opnieuw krijgt?

Natuurlijk, als je weet dat bij de buren afgeven niet werkt dan zou het wel erg handig zijn als je dat de postbode kon zeggen vooraf. Het steekt dan ook wel dat PostNL dáár extra geld voor vraagt. Maar ik heb geen juridisch argument daartegen.

Arnoud

Welk retourrecht heb je bij een bakstenen winkel eigenlijk?

| AE 10184 | Ondernemingsvrijheid | 11 reacties

Een lezer vroeg me:

Laatst was ik voor de verandering eens bij een ‘echte’ winkel (hoe noem je dat, een bakstenen winkel) en daar viel me op dat het retourrecht werd uitgesloten voor spullen in de aanbieding. Is dat legaal?

Het is een misverstand dat je bij een aankoop in een ‘echte’ winkel een recht hebt om deze ongedaan te maken. Dat recht geldt alleen bij online aankopen en bij telefonische verkoop. Wat je gewoon in de winkel koopt, is dus definitief en niet terug te draaien onder de wet. (Behalve natuurlijk als het bedorven, kapot of iets dergelijks blijkt na aankoop. Dat heet dan wanprestatie of nonconformiteit en dat geldt altijd als grond voor retour.)

Heel veel winkels accepteren natuurlijk een retour, en geven dan geld terug, een tegoedbon of een omruiling voor bijvoorbeeld een andere maat of kleur. Dat mag, maar is dus een vrije keuze van die winkels. Ze mogen dus ook zelf de regels bepalen voor die retour, bijvoorbeeld dat het ongeopend moet zijn, de kaartjes er nog aan, binnen 8 dagen en alleen met originele bon.

Vaak noemen die het dan ook een coulanceregeling, maar dat is weer net iets te makkelijk geformuleerd. Wanneer ergens vastgelegd is hoe die regeling werkt, is die regeling gewoon een algemene voorwaarde die dan deel is van je aankoop en daarmee bindend voor de winkel. Een retour conform die regeling mag dus niet worden geweigerd.

Heel misschien kun je nog met een beroep op het gewoonterecht bij een winkel een retourregeling afdwingen. De wet (art. 6:248 BW) bepaalt namelijk dat de gewoonte deel is van de overeenkomst. Het moet dan gaan om een bestendige regel die in die branche normaal gehanteerd wordt. Die regel geldt dan gewoon, ook als hij niet in een expliciete regeling is vastgelegd.

Ik zou de stelling wel aandurven dat het in de kledingbranche gewoonte is dat je kleding mag omruilen naar een grotere of kleinere maat, maar bij andere branches zou ik niet zo stellig willen zijn. Overigens mag een winkel die regel uitsluiten als ze dat heel expliciet doen, “Geen retour of omruilen bij kleding in de uitverkoop!”

Bij winkels die zowel fysieke als webwinkels voeren, zie je vaak dat één set algemene voorwaarden wordt gehanteerd voor beiden. Daarin staat dan de bij webwinkels verplichte retourregeling, en die zal dan ook gelden voor een fysieke aankoop. Tenzij men zo slim is om er expliciet bij te zetten “Indien de aankoop in onze webwinkel wordt gedaan” natuurlijk.

(Overigens noem je het een stoepwinkel denk ik, een webwinkel zit op het web en een stoepwinkel op de stoep.)

Arnoud

Is een stichting een bedrijf?

| AE 2560 | Ondernemingsvrijheid | 20 reacties

stichting-belasting.jpgEen lezer vroeg me

Als je als consument iets koopt bij een stichting is er dan altijd spraken van een consumentenkoop of zal dit af hangen van de omstandigheden en zo ja welke omstandigheden?

Wanneer een consument iets koopt bij een bedrijf of professioneel handelaar, is sprake van een consumentenkoop (art. 7:5 lid 1 BW). De wet spreekt formeel van een “verkoper die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf”. Nergens is gedefinieerd wanneer je precies daaraan voldoet. Belangrijk is hoe de verkoper zichzelf presenteert: wie zich voordoet als bedrijf- of beroepsmatig handelaar, kan ineens een consumentenkoop hebben gesloten. Winst willen maken is ook een belangrijke factor.

Een stichting kan een onderneming drijven en die onderneming mag dan winst maken. Vaak wordt gezegd dat een stichting (of vereniging) geen winst mag maken, maar dat is onjuist. Het is alleen verboden deze winst uit te keren aan het bestuur of andere betrokkenen (art. 2:285 lid 3 BW). De winst kan echter probleemloos worden aangewend voor het doel van de stichting. Denk aan een stichting die een theatergezelschap ondersteunt en daarvoor toegangskaartjes verkoopt die meer dan een kostendekkende prijs kosten.

Van Hout noemt drie factoren waarmee de Belastingdienst oordeelt of een stichting een onderneming drijft:

  1. Een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid: een keer een t-shirt verkopen bij je jubileum maakt je nog geen onderneming, maar een webshop met diverse shirts die continu leverbaar zijn zou dat wel kunnen zijn; ook moet er op een of andere manier geld (kapitaal) en werk (arbeid) worden ingezet om de producten te verkopen.
  2. Deelneming aan het economisch verkeer: de stichting moet zich richten op een “niet-gesloten groep” van wederpartijen (klanten); voor een vereniging kan het daarbij uitmaken of iedereen lid mag worden of dat er een ballotagecommissie actief is.
  3. Het oogmerk om winst te behalen: er moet een opzet zijn waarmee winst gehaald kan worden. Een groot verschil tussen inkoop- en verkoopprijs kan zo’n opzet zijn. Dat in je statuten staat dat je geen winstoogmerk hebt, is niet relevant.

De webwinkel van de ANWB lijkt me zonder meer een onderneming. Die webwinkel is een duurzame organisatie. Weliswaar moet je lid zijn om er te mogen kopen, maar iedereen kan lid worden van de ANWB en dus richt men zich in principe op de gehele markt. En de prijzen zijn duidelijk niet puur kostendekkend, zodat er een winstoogmerk aanwezig is. Omgekeerd is echter een stichting die een keer wat t-shirts verkoopt en daar geld aan overhoudt niet automatisch een bedrijf.

Arnoud<br/> Foto: De stichting in het Nederlandse belastingrecht, C.R.M. van Hout, Kluwer 2009.