Het verzilverbare portretrecht

Een fotograaf mailde mij met een vraag over het portretrecht:

Ik richt me als fotograaf vooral op het fotograferen van optredens en dus ook artiesten. Nu begrijp ik dat een artiest een portretrecht heeft als hij herkenbaar op de foto staat, maar hoe ver reikt dat? Mag ik een foto met zo’n portret nu verkopen in een boek of als losse foto voor fans? Of moet ik daarvoor altijd toestemming hebben?

Als jij een artiest op de foto zet, dan mag jij als rechthebbende die foto verkopen, publiceren of wat dan ook – tenzij de artiest een beroep kan doen op zijn portretrecht. Veel mensen denken daarbij aan privacy, maar dat is niet echt aan de orde bij een artiest die op het podium een show weggeeft. Voor artiesten is er een ander belang, wat onder juristen bekend staat als het “verzilverbaar commercieel belang”.

Het idee hierachter is dat de artiest normaal geld kan vragen om te poseren voor foto’s. Daarom kan hij bij dergelijke foto’s zijn portretrecht inroepen en eisen dat de fotograaf hem een vergoeding betaalt. Het moet natuurlijk wel gaan om een foto waarvan de waarde zit in het portret van de artiest. Een fotoserie van een concert met optredens van diverse artiesten haalt zijn waarde niet uit het portret van één artiest, dus dat zal niet snel via het portretrecht tegen te houden zijn.

Het is echter ook weer niet zo dat als je maar meerdere personen afbeeldt, geen van hen meer zijn of haar portretrecht kan inroepen. In december vorig jaar verloor Dutch Filmworks een zaak over dit commercieel portretrecht. Dutch Filmworks had DVD’s op de markt gebracht met “de mooiste doelpunten aller tijden”. Dennis Bergkamp en Marco van Basten, de twee voetballers wiens portret op de cover was gezet, startten elk een rechtszaak wegens inbreuk op hun portretrecht. Het verweer van het bedrijf was uiteraard dat men nog wel meer doelpunten dan die van Bergkamp en Van Basten op de DVD had staan, en dat men bovendien geen merchandise of reclame met het portret maakte.

Hadden de voetballers nu toch een commercieel belang? Ja. In de zaak-Van Basten formuleerde de rechter het als volgt:

Voor het aanmerking nemen van een redelijk materieel belang is niet zozeer beslissend of het gebruik kan worden gekenschetst als merchandise of reclame, maar of sprake is van een vorm van gebruik die uitsluitend of ten minste in hoofdzaak gericht is op het commercieel uitbuiten van iemands verzilverbare populariteit.

Van Basten’s doelpunten waren speerpunten van de DVD, en hij stond ook nog eens in Oranje-tenue op de cover. Daarmee was voor de rechter duidelijk dat Van Basten een commercieel belang had bij de DVD, en op grond daarvan mocht hij verdere verkoop van de DVD verbieden.

Dennis Bergkamp had ondertussen al geschikt: zijn portret zou niet langer worden gebruikt, de afbeelding op de cover zou worden gewijzigd en de dvd blijft verschijnen.

Arnoud

Filmfragment: beeldcitaat of commerciele exploitatie?

Wat is er nu een betere reclame voor een film (zeker eentje voor volwassenen) dan een stukje uit die film laten zien? Dat dacht ook het Nederlandse bedrijf Cyborg, dat op haar site tegen betaling korte stukjes toonde uit adult movies, die je vervolgens bij hen als DVD kon bestellen. De Ofpact, zeg maar het erotische neefje van BREIN, dacht daar anders over en kreeg in een rechtszaak gedaan dat Cyborg hiermee op moest houden.

Cyborg had twee verweren voor haar gebruik van fragmenten van 20 seconden: ten eerste het recht om een stukje uit een werk te tonen in het kader van verkoop van dat werk, en ten tweede het beeldcitaatrecht.

Artikel 23 van de Auteurswet kent namelijk een bijzondere regeling voor mensen die een exemplaar van een beschermd werk willen verkopen. Die mogen in het kader van de verkoop dat werk tentoonstellen of vertonen zodat klanten weten wat ze kopen. Tenminste, als wat ze laten zien echt nodig is om een goed beeld van het werk te geven. En daarbij moet je eerder denken aan het tonen van de cover van het DVD-doosje dan een fragment van 20 seconden uit de film.

Bovendien waren de fragmenten alleen tegen betaling zichtbaar, waardoor de rechter concludeerde dat men bezig was met commerciële exploitatie van de fragmenten en niet met promotie van de films. Met een stapel fragmenten kom je ook een heel eind als het om porno gaat, nietwaar?

En die commerciele exploitatie zorgde er ook meteen voor dat Cyborg geen beroep kon doen op het citaatrecht. Weliswaar mag je om een werk aan te kondigen een kort stukje daaruit laten zien, maar ook hier weer moet het niet meer zijn dan nodig voor het doel van je citaat.

Interessant was nog wel dat de rechter Nederlands recht van toepassing verklaarde:

Het toepasselijke recht is op grond van artikel 5 Berner Conventie het Nederlandse recht nu vaststaat dat de vordering gericht is tegen een in Nederland gevestigde onderneming die vanuit Nederland de beelden op de website plaatst.

Via Volledig bericht, pardon Boek 9.

Arnoud

“Dat vindt de uitgever niet leuk, dat snap je”

Een verfrissend auteursrechtvoorbehoud in Eckart´s Notes door Eckart Wintzen:

Rechten. Alles wat je leuk vindt in dit boek mag je gebruiken, navertellen, kopiëren, overtikken, jatten; wat je maar wil. Als je er maar bij vertelt waar je het vandaan hebt. Maar het is natuurlijk ook niet de bedoeling dat je het hele boek kopieert en gaat verkopen. Dat vindt de uitgever niet leuk, dat snap je.”

Ook een manier om CC-BY-NC te zeggen.

Via Volledig bericht, pardon boek 9.

Arnoud

Registratie van Amerikaans auteursrecht, moet dat?

Het aanbevelenswaardige Plagiarism Today meldde over een mogelijke e-mailscam waarin wordt opgeroepen je auteursrecht zo snel mogelijk te registreren. De US Copyright Registry maande lezers om zo snel mogelijk hun rechten vast te leggen. “This is your final notice”, eindigt de mail dreigend. Ook twee Nederlandse webmasters en lezers van deze blog kregen de mail. Moeten zij hier iets mee doen?

Registratie van auteursrecht is niet nodig. Auteursrecht krijg je automatisch zodra je het werk maakt. Sterker nog, in veel landen is er helemaal geen instantie waar je je auteursrecht zou kunnen registreren, aanmelden of deponeren. Er zijn wel allerlei bedrijven en instanties die een datumstempel op je werk willen zetten (vaak tegen vergoeding), maar de meerwaarde daarvan ontgaat me.

De VS hebben wel zo’n instantie: de US Copyright Office. Tot 1989 was het verplicht om je werk bij deze Office te registreren. Zonder registratie had je geen auteursrecht. Deze verplichting is afgeschaft omdat ze in strijd is met de Berner Conventie. Volgens dit internationaal verdrag mag de verkrijging van auteursrecht aan geen enkele formaliteit onderworpen worden. Wie een werk maakt, heeft auteursrecht, punt uit.

Nog steeds kun je bij de Copyright Office je werk registreren. Dit is echter geen vereiste om in de VS auteursrecht te krijgen. Het biedt wel voordelen in geval van een rechtszaak. Met name kun je dan zogeheten statutory damages, wettelijk vastgelegde schadevergoeding, claimen in plaats van slechts je werkelijk geleden schade. Aangezien deze statutory damages op kunnen lopen tot $100,000 per inbreukmakende handeling, is het verstandig om dit te doen als je een rechtszaak verwacht.

Zo’n registratie kost wel geld, en zoals bij elke bureaucratie is het soms wat onoverzichtelijk welk formulier je nu in hoeveelvoud bij welk loket moet inleveren. Vandaar dat bedrijven als de Copyright Registry hier een kans zien: zij vereenvoudigen het proces, maar uiteraard wel tegen een zeker bedrag. In het geval van deze Registry $350 per depot. En dat terwijl de registratietaks slechts $35 bedraagt.

De dienst is op zich dus legaal, al zitten er wel wat rare haken en ogen aan. De naam lijkt op die van de overheidsinstantie en men suggereert tussen de regels door het verlies van auteursrecht voor wie niet op het aanbod ingaat. Opmerkelijk genoeg verwijst men naar de Patent and Trademark Office als betrokken overheidsinstantie, maar die gaat uiteraard over de octrooien en merken (die je wel moet aanvragen). Bovendien zijn er ook andere diensten die het goedkoper doen. Op het aanbod ingaan lijkt dus niet erg zinvol.

Arnoud

Jostiband claimt auteursrecht op muzieknotatie met kleur

De Jostiband overweegt juridische stappen tegen een pianobedrijf in Voorthuizen, las ik op zibb.nl. Inzet is de muziekmethode voor kleuters die het bedrijf aanbiedt: die is, net als het systeem van de Jostiband, gebaseerd op kleuren in plaats van de traditionele notatie. De Jostiband blijkt nu copyright te claimen op haar methode en daarmee het gebruik door dit bedrijf te willen verhinderen. Beide partijen blijken ondertussen het geschil bijgelegd te hebben, maar ik wilde toch nog even terugblikken op de principiële vraag.

Het beschermen van concepten en technieken via auteursrecht is een lastige zaak. Uitgangspunt is dat ideeën en concepten vrij zijn, en dat alleen een concrete uitwerking beschermd wordt. Iedereen mag een boek over een jongen op een toverschool schrijven, maar J.K. Rowling mag iedereen tegenhouden die haar uitwerking Harry Potter kopieert. Maar waar ligt de grens? Dat is altijd een kwestie van de specifieke feiten van het geval. Waarop legt men de claim van auteursrecht, wat is er nu eigenlijk overgenomen en hoe uitgewerkt is het allemaal?

Het idee om toetsen op een piano met een gekleurd stickertje te markeren is niet auteursrechtelijk te beschermen. Dat is te algemeen. Er moet dus meer zijn, dit idee moet verder uitgewerkt zijn. Bij de kleurennotatie van de Jostiband zijn zeer weldoordachte keuzes gemaakt over welke kleuren voor welke tonen staat. Daaruit zou goed kunnen blijken dat het Jostiband-systeem voldoende uitgewerkt is en niet alleen maar een idee “muzieknotatie met kleur”.

Als vervolgens blijkt dat exact hetzelfde systeem door dit bedrijf wordt gebruikt, dan zou dat inbreuk op het auteursrecht kunnen zijn. Maar hoe meer afwijkingen er zitten in de uitwerking, hoe kleiner de kans dat inbreuk bewezen kan worden.

Bij de Barneveldse Krant meldt de bedenker dat hij het systeem geheel los van de Jostiband heeft bedacht. Iets zelf bedenken is een heel sterk verweer tegen inbreuk op auteursrecht: wie niet overneemt maar zelf maakt, kan geen inbreuk plegen. Het is alleen natuurlijk altijd lastig om te bewijzen dat je niet stiekem toch overgenomen hebt, zeker als het gaat om iets dat in een boek staat dat gewoon in de winkel te koop is.

Arnoud

Jazz op Youtube – de rechten van een gefilmde band

Een muzikale lezer vroeg zich af hoe het zit met filmopnames van de optredens van zijn band:

Wij zijn een amateurjazzband die regelmatig optreden in café’s. Gewoon voor onze lol. Nu zien we soms mensen met hun telefoon of zelfs met een echte camera ons filmen. Prima hoor, maar nu vroegen we ons af, stel iemand zet zo’n filmpje op YouTube. Hebben wij daar wat over te zeggen? En als wij zo’n filmpje toevallig vinden en we linken ernaar, geven we dan onze rechten op?

De band heeft als uitvoerend artiest het ‘naburige recht’ op de uitvoering. Iemand mag die niet op TV uitzenden of op Youtube zetten zonder hun toestemming. Filmt iemand uit de band het zelf, dan is er uiteraard niets aan de hand.

Laat je iemand filmen, dan heb je die iemand toestemming gegeven. De vraag is of onder die toestemming ook viel dat hij het op Youtube mocht zetten. Als hij dat vooraf aankondigde, of hij staat bekend als iemand die films op internet zet, dan heb je die toestemming gegeven als je hem laat filmen.

Zie je ineens een filmpje van jezelf, dan kun je besluiten achteraf alsnog toestemming te geven. Door ernaar te linken met een positief commentaar erbij lijkt het me dat je toestemming geeft.

Een ander punt is de rechten van derden. De componist en tekstschrijver hebben auteursrecht op het werk dat de band uitvoert. Hiervoor heeft de band dus weer toestemming nodig. Speelt de band eigen werk, dan is er ook hier niets aan de hand. Zitten componist of schrijver bij Buma/Stemra, dan moet je van hen die toestemming krijgen voor publicatie op Youtube.

Arnoud

In eigen tijd gemaakte software kan toch van uw baas zijn

Een oud gezegde luidt: als je van je hobby je werk maakt, heb je geen hobby’s meer. En je bent ook nog het auteursrecht op je hobbywerk kwijt, zou ik daar aan willen toevoegen. Veel mensen denken, als je iets in privétijd maakt met je eigen materiaal, dan heeft je baas daar niets over te zeggen. Maar dat is niet waar.

In een recent vonnis (update 2/7: LJN BD5822) las ik over een werkgever (het ministerie van Binnenlandse Zaken) die werd verrast door een aantal copyright notices, aangebracht door een ontevreden werknemer in de uitvoer (HTML-pagina’s) van een aantal webapplicaties. Die werknemer was namelijk van mening dat de rechten op een deel van de applicatie bij hem lagen, omdat hij gebruik maakte van in eigen tijd ontwikkelde software en bovendien niet schriftelijk opgedragen was dergelijke software te maken. Hij gaf daarbij aan dat

het door hem vermelden van “copyright 2006 X” in de bronvermelding van bovengenoemde producten en het niet beschikbaar stellen van de broncode mede het gevolg is van het feit dat hij, ondanks veelvuldig aandringen, de werkzaamheden waarvan hij vindt dat ze niet binnen de functie vallen, niet als opgedragen taken schriftelijk bevestigd kan krijgen.

Met andere woorden, hij erkende zelf dat hij de opdracht had gekregen. En als je iets maakt in opdracht, ligt het auteursrecht bij je werkgever. Ook als het totaal niet tot je werkzaamheden behoort om het te maken. Je zou de opdracht kunnen weigeren omdat het niet tot je werk behoort, maar als je de opdracht aanvaardt, dan is het deel van je werk en dan liggen de rechten bij je werkgever. Je kunt niet een opdracht van je werkgever aanvaarden en dan auteursrecht op delen van het resultaat claimen.

Zoals de rechter het motiveert in het vonnis:

Het is innerlijk tegenstrijdig om enerzijds te erkennen dat hem (programmeer- en ontwikkel)taken zijn opgedragen als gespecificeerd in zijn eigen e-mail van 13 maart 2006, maar bij uitblijven van de verlangde schriftelijke bevestiging daarvan door zijn werkgever (…) opeens te stellen dat het geen opgedragen taken betrof. Alleen omdat hij meende dat deze taken zijn functie te buiten gingen, heeft hij in dit aldus escalerende arbeidsconflict naderhand opeens gesteld deze als niet langer opgedragen te beschouwen en is hij zich vervolgens op eigen auteursrechten van de applicaties gaan beroepen.

Artikel 7 van de Auteurswet zegt dat de werkgever het auteursrecht toekomt op alles wat je maakt dat past binnen je functieomschrijving. Of dat nu thuis is of op het werk, op je eigen PC of de laptop van de zaak is niet relevant. Wil je dat niet, dan moet je daar goede afspraken over maken met je werkgever.

Zie voor meer informatie mijn Spoedcursus auteursrecht: Eigendom van een beschermd werk.

Je kunt natuurlijk ook een hobby kiezen die niets met je werk te maken heeft. 🙂

Update (23 februari 2011) in hoger beroep bevestigd:

De door [X] verrichte werkzaamheden pasten binnen de genoemde brede opdracht. Met het doorontwikkelen en aanpassen van de software zijn immers applicaties gemaakt die er uiteindelijk toe hebben geleid dat in eigen beheer Handelingen via internet kon worden ontsloten. Met het uitvoeren van deze werkzaamheden zonder enig voorbehoud heeft [X] de opdracht ook aanvaard. Aldus heeft CAS met toestemming van [X] van diens diensten gebruik gemaakt, waarmee is voldaan aan de voorwaarde voor toepasselijkheid van artikel 7 Aw dat de vervaardiging van het werk door de werknemer heeft gestrekt ter vervulling van de dienstbetrekking. Een specifiek op de ontwikkeling van (deze) softwareapplicaties toegespitste opdracht was daartoe niet vereist.

Het werk viel dus met andere woorden binnen de taakomschrijving (“brede opdracht”) en het maakte niet uit dat specifiek deze software was besteld of dat hij zelf ermee was begonnen.

Update (11 november 2013) In een rechtszaak uit september (ander bedrijf & andere werknemer) bepaalt de rechter dat software van een werknemer zijn eigendom is. Dit met name omdat het meeste werk vóór indiensttreding is gedaan en hij als werknemer te weinig heeft veranderd.

Zijn jullie hier wel eens tegenaan gelopen? Of wat voor afspraken heb je met je werkgever over dingen die je maakt en die in de buurt komen van het werk?

Arnoud

Reactie op reactie op: “ja, een licentie is een contract!”

Soms moet je mensen even porren om ze weer aan het bloggen te krijgen, en klaarblijkelijk is me dat bij Menno Weij gelukt.:) Hij reageerde gisteren op een opmerking in mijn blogpost over licenties en contracten waarin ik stelde dat wie software legaal downloadt, geen EULA hoeft te aanvaarden om deze te mogen gebruiken.

Menno zegt daarover:

Dit is naar mijn stellige overtuiging onjuist. Immers, je kunt er donder op zeggen dat de EULA overeenkomst bepaalt dat de software niet gebruikt mag worden indien men de EULA overeenkomst niet wenst te accepteren.

Ik geef toe dat mijn opmerking niet bepaald een mainstream uitleg van de Auteurswet is, maar deze redenering gaat me ook weer wat te snel. Als ik de EULA niet aanvaard, dan heb ik verder niets te maken met wat er in de EULA staat. Dus of daar nou staat dat ik de software niet mag gebruiken, is voor mij dan irrelevant. De auteursrechthebbende zal op grond van zijn auteursrecht tegen mij in actie komen, maar de inhoud van de EULA is daarbij volstrekt irrelevant.

Maar als ik de EULA niet aanvaard, mag ik de software dan gebruiken op grond van art. 45j? Menno vindt van niet:

Indien [de EULA niet aanvaard is], dan mag de software niet gebruikt althans gedownload worden. Immers, voor dat gebruik is alsdan geen toestemming verkregen van de auteursrechthebbende op die software. Je kunt dus ook niet teruggevallen op de wettelijke gebruiksrechten voor software in de Auteurswet, want je bent geen rechtsgeldig gebruiker.
Dat lijkt mij dan weer volstrekt onjuist. Het downloaden van software gebeurt voordat ik de EULA zelfs maar te zien krijg. Het is niet mogelijk om mijn downloadhandeling bij nader inzien alsnog te onderwerpen aan voorwaarden die ik pas na de download te horen krijg.

Natuurlijk zou de rechthebbende de EULA voorafgaande aan de download kunnen tonen, en zelfs expliciet een akkoordklik kunnen eisen voordat de download in gang gezet wordt. In dat geval is de download wel onderworpen aan de EULA. Maar dat is op internet de uitzondering en niet de regel.

Gebruikelijk is: je vindt een leuk stukje software, je downloadt het en dubbelklikt op het Installeren-icoon (hopelijk na een viruscontrole) en dan krijg je het bekende scherm met de EULA voor je neus. Of de EULA staat ergens in een tekstbestandje bij de andere programmabestanden.

Mijn stelling is dus dat ik in die gebruikelijke situatie (EULA na download pas aan mij getoond) een rechtmatig verkrijger in de zin van art. 45j Aw ben. Ik mag dan de software gebruiken binnen de grenzen van datzelfde art. 45j.

Spoor/Verkade/Visser lijken het hier op p. 597 met mij eens te zijn:

Rechtmatig verkrijger is iemand aan wie de rechthebbende of zijn (daartoe bevoegde) licentienemer het programma ter beschikking heeft gesteld. De wijze waarop dit is geschied doet niet ter zake: het kan zijn door verkoop, uitlenen of verhuur van een exemplaar, maar ook on-line.

Bovendien zegt dit artikel 45j “tenzij anders is overeengekomen”. Als een verkrijger pas rechtmatige verkrijger is nadat hij de EULA heeft aanvaard, zou deze bijzin geen betekenis meer hebben. Er moeten dus situaties zijn waarin men de licentieovereenkomst niet heeft aanvaard maar toch rechtmatige verkrijger is.

Arnoud<br/> De foto van de CD uit de envelop is gemaakt door Wellington Grey en is beschikbaar onder de Creative Commons 3.0 BY-SA licentie.

Waar liggen de grenzen van het beeldcitaatrecht?

Ik schijn wat streng in de leer te zijn wat de grenzen van het beeldcitaatrecht. Je mag een afbeelding, foto of ander plaatje gebruiken in het kader van een citaat, maar niet zomaar:

Dat wil niet zeggen dat elk hergebruik van een plaatje een toegestaan citaat is. Het beeld moet echt worden overgenomen omdat het nodig is bij de bespreking, kritiek of wat dan ook van dat beeld. Bij een film is een still van een relevante scene bijvoorbeeld toegestaan in de context van een filmkritiek. Bij een artikel over molens een willekeurige afbeelding van een molen tonen is geen beeldcitaat.

Artikel 15a van de Auteurswet heeft het immers over “het citeren uit een werk”, dus het leek mij logisch dat het beeld dat je gebruikt, moet komen uit het werk waar je het over hebt.

Toch blijk ik daarin nog wat strenger te zijn dan wellicht nodig is. In het standaardwerk Auteursrecht door Spoor/Verkade/Visser staat namelijk op pagina 240:

Het opnemen van een toepasselijke foto kan o.i. gelden als ‘ citeren’ , ook al gaat het in de context niet om het werk van deze fotograaf, doch om het onderwerp van de foto.

De juridische basis is het Damave/Trouw-arrest (HR 26 juni 1992, NJ 1993, 205). Hierin werden tekeningen van Damave getoond bij een boekbespreking. Hoewel de tekeningen uit het boek kwamen, werden ze op zich niet besproken in de boekbespreking. Toch was dit toegestaan, omdat de afbeelding samen met de tekst ertoe strekte om aan de lezer een indruk van het betreffende boek te geven.

Pas als op de afbeelding een zodanige nadruk komt te liggen dat zij in overwegende mate de functie van versiering verkrijgt, ga je de grenzen van het beeldcitaatrecht te buiten.

Een willekeurige maar kleine portretfoto van de auteur van een boek zou dus toegestaan zijn bij een boekbespreking. Ook die portretfoto draagt bij aan de boekbespreking; een indruk van de persoon van de auteur kan verhelderend of informatief zijn.

Hoe dan ook denk ik wel dat er een duidelijke relatie tussen het werk en de foto moet zijn. Bij een foto van de auteur is dat duidelijk het geval, maar bij zomaar een foto van een windmolen bij een boek over molens door de eeuwen heen is dat al heel wat minder duidelijk. Ik zou dan toch echt proberen een foto uit het boek zelf te gebruiken, in plaats van een heel andere molenfoto zomaar ergens van internet.

Wat zou nog meer een toegestaan beeldcitaat kunnen zijn als je deze vuistregel hanteert?

Arnoud

Ja, een licentie is een contract!

Naar Nederlands recht is een licentie een contract. Helaas voor PJ, maar zo is het toch echt. In Nederland dan; naar Amerikaans recht kun je er over twisten, zeker als de licentie niet voor geld wordt verstrekt.

Deze discussie speelt nogal eens bij open source en Creative Commons, en werd hier zaterdag nog opgerakeld bij mijn blogbericht over het effect van CC. Ik vond het onderwerp te belangrijk om alleen maar in de comments te hebben staan, vandaar dat ik er een nieuwe post aan wijd.

Licentie is een duur Latijns woord voor toestemming (licere) om iets te mogen doen. Als je voorwaarden wilt stellen aan de verstrekking of scope van je licentie (kopiëren mag, maar alleen met broncode er bij bijvoorbeeld), dan kan dat niet eenzijdig. Je kunt immers iemand niet eenzijdig dwingen zich aan bepaalde voorwaarden te houden.

De enige manier om iemand bepaalde voorwaarden op te leggen is middels een overeenkomst. Zo biedt de supermarkt mij elke zaterdag een overeenkomst aan: u krijgt een licentie tot binnentreden, mits u een mandje of winkelwagentje meeneemt. Ik kan die overeenkomst aangaan of niet. In het laatste geval moet ik buiten blijven. Ga ik naar binnen zonder mandje of wagentje, dan kan men mij (proberen te) dwingen er eentje te gebruiken, of de overeenkomst ontbinden wegens wanprestatie en mij buiten zetten. Ik pleeg dan immers lokaalvredebreuk.

Zo ook met software. Je moet als gebruiker natuurlijk akkoord gaan met de voorwaarden waaronder je de licentie geboden wordt. Bijvoorbeeld de prijs betalen, broncode van afgeleide werken publiceren of een bronvermelding doen. Wil je dat niet, dan ben je niet aan de voorwaarden gebonden want dan heb je het aanbod afgewezen.

Natuurlijk verlies je de aangeboden rechten als je de voorwaarden niet wenst te aanvaarden. Je valt dan terug op de wettelijke rechten aangaande software: als rechtmatige verkrijger mag je de software op 1 PC draaien (art. 45j) en een backup maken (art. 45k). Wie dus software legaal downloadt, hoeft geen EULA te aanvaarden om deze te mogen gebruiken.

Update (3 juli 2012): in de octrooicontext wordt een gesloten licentiecontract gebruikt om een beschuldiging van octrooischending te pareren.

Arnoud