Een ringtone van Joran van der Sloot, mag dat?

Parodie op filmposter I know what you did last summerSlechte smaak is niet verboden, al zou je soms willen van wel. De affaire-Joran van der Sloot maakte de nodige ‘creativiteit’ in mensen los. Nou mag er in principe een hoop bij zo’n actuele gebeurtenis met grote media-aandacht. Citeren uit de verborgencameraopnamen van het programma van De Vries, of het gebruik van een klein fotootje van Van der Sloot bij je eigen blogbericht over de affaire is bijvoorbeeld toegestaan – met bronvermelding uiteraard.

Dat hoeft natuurlijk niet 100% serieus te zijn allemaal. De poster hiernaast is een aardig voorbeeld van een toegestane parodie. Hier worden weliswaar portretten gebruikt, maar dat is geen inbreuk op het portretrecht. Wie zo in de schijnwerpers van de publiciteit staat, moet zich dit soort gebruik van zijn of haar portret laten welgevallen.

Het parodiefilmpje op YoutubeDe bekendste grap is denk ik wel dat parodieliedje “Ik heb een boot” van DJ Sven van Radio Veronica. Ook dat mag gewoon. Zelfs als je er, zoals o.a. in dit Youtube-filmpje, een videoclip bijzet met de portretten van Van der Sloot, Van der Eem en De Vries.

Waar het twijfelachtig wordt, is wanneer er commerciële motieven een rol gaan spelen. Want bij elke gebeurtenis zijn er wel grapjassen die geld ruiken. Zo was er een zoekmachinemarketeer die zijn diensten aanprees via een Google-advertentie met als tekst “Eindig niet als Natalee – Wilt u wel gevonden worden?”. Moreel verwerpelijk maar legaal.

Over de grens gaat het t-shirt met die tekst “I know what you did” en een foto van Joran. Ze zijn trouwens niet meer te krijgen zie ik net (Google cache). Die shirts zijn puur als handel bedoeld, en iemands portret zo gebruiken om je tshirts te verkopen, is in strijd met het portretrecht.

Ook ringtones verkopen die gebaseerd zijn op dat liedje kunnen juridisch niet door de beugel. De Reclame Code Commissie is hier streng in: gebruik van iemands naam of gezicht in een commercial is vrijwel altijd verboden als die persoon daar geen toestemming voor heeft gegeven. Ook in de rechtspraak wordt commercieel gebruik van iemands portret of stem niet altijd toegelaten. Als je portret commercieel wordt gebruikt, kun je dat tegengaan met een beroep op je portretrecht. Het is immers aan jou om te beslissen aan welke reclames jij mee wilt werken.

Wie zich trouwens afvraagt hoe het zit met de legaliteit van de actie van Peter R. de Vries, verwijs ik graag naar de discussie bij Rechtenforum.nl.

Arnoud

Creative Commons: een teleurstelling?

Jonathan Bailey, Creative Commons-gebruiker sinds 2003, is teleurgesteld in het concept. Niet omdat mensen nu zijn werk stelen (dat doen ze toch wel), maar omdat CC gebruiken hem niets oplevert. Het probleem met CC, zo schrijft hij, is dat mensen niet goed snappen wat nu de bedoeling is.

Ergens heeft hij wel een punt. Auteursrecht betekent “afblijven van dat werk”, zo wordt ons via allerlei reclamecampagnes ingeprent. Nu krijg je ineens Creative Commons dat zegt “u mag kopiëren en verspreiden, mits”. Dus er zit geen auteursrecht op? Ja, dat wel, maar het werkt anders dan gewoon auteursrecht. Zo breng je mensen inderdaad in verwarring. Je ziet dat ook mooi bij Wikipedia, dat gebruikers waarschuwt: “Gebruik nooit materiaal dat beschermd is door auteursrecht!”

Bailey krijgt, net als ik, regelmatig mailtjes van mensen die beleefd vragen of ze zijn werk mogen gebruiken. De grote Creative Commons-banner is kennelijk niet duidelijk genoeg, of mensen weten niet wat ze daar nu mee aan moeten. En dat terwijl de uitleg in principe heel eenvoudig is. Alles mag, maar laat de naam van de auteur staan. Als er “NC- bij staat, mag je het gebruiken maar er geen geld mee verdienen. Als er “ND” staat, mag je het werk niet aanpassen. Ok, “SA” is iets minder eenvoudig. Maar goed.

Ik ken maar weinig plekken waar mijn werk geheel conform de CC licentie wordt hergebruikt. Met een beetje geluk blijft mijn naam staan (zeker nu ik die bij de artikelen middenin de tekst heb geplakt), maar vermelding van de licentie, vergeet het maar. Heel erg vind ik dat niet: men verspreidt zo mijn teksten en dat levert mij weer leuke dingen op.

Het idee van Creative Commons was echter dat er een commons, een gemeenschappelijke bron van creatieve werken zou ontstaan waar iedereen uit kon putten. Maar daar merk ik maar bar weinig van.

Wat denken jullie, mede-CC gebruikers? Wordt jullie werk wel netjes hergebruikt volgens de licentie?

En hoe stimuleren we die commons?

Arnoud

Wie van u heeft er verstand van internationaal recht?

Mag ik bij deze gebruik maken van uw collectieve kennis van het internetionaal privaatrecht? Hoewel de meeste onderwerpen op mijn site Nederlands recht betreffen, krijg ik ook veel vragen over grensoverschrijdende zaken. Welk recht geldt voor een website die fysiek in Japan staat, Engelstalig is en levert aan Nederlandse bedrijven? Maakt het uit of het dan om merkrecht, auteursrecht, smaad of schending van privacy gaat?

Ik zou hier graag een artikel over schrijven, maar dit is een verschrikkelijk lastig onderwerp waar ook nog eens weinig overzichtsliteratuur over lijkt te zijn. Ik was al begonnen in het proefschrift van Van Eechoud, maar dat is geen lectuur voor maar één regenachtige zondagmiddag.

Wie heeft een suggestie voor nuttig leesvoer?

Uw artikelen hierover publiceer ik natuurlijk ook graag! Zolang het niet al te veel een infomercial wordt, bent u welkom! 🙂

Arnoud

Buma/Stemra treedt op tegen embedded muziekfilmpjes

De Buma gaat achter embeddende bloggers aan. Nee, niet embedded bloggers, maar bloggers die filmpjes of muziek van Youtube in hun berichten opnemen. Op C’T wordt Buma/Stemra als volgt geciteerd:

Embedden is volgens de wet echter ‘opnieuw openbaar maken’, zo zegt Buma/Stemra, en dus is er een webcasting-licentie voor nodig.

Volgens de wet? Dat dacht ik even niet. Embedden is een vorm van inline linken. Linken is geen openbaarmaken in de zin van de Auteurswet, zo blijkt uit de jurisprudentie (zie met name het ZoekMP3-arrest en de recente Shareconnector-zaak). Linken kan wel onrechtmatig zijn, omdat je door een link de inbreuk op auteursrecht faciliteert of zelfs aanmoedigt. Je moet dan wel, zo staat in diezelfde jurisprudentie, weten dat je linkt naar iets inbreukmakends. Nu denk ik dat dat vrijwel altijd wel opgaat bij embed-codes van Youtube, maar nog steeds: het is geen inbreuk maar hooguit onrechtmatig.

En nee, dat is geen gezochte juridisch-theoretische nuance. Of nou ja, dat is het misschien wel, maar hij is wel van belang. Want de manier waarop de Buma omgaat met deze onrechtmatige handelingen, is ietwat merkwaardig: men suggereert dat de blogger een webcasting-licentie nodig heeft voor dergelijke links. Zo schrijft de Buma aan Myownmusicindustry.nl:

[W]ij hebben geconstateerd dat u actief bent om (beschermde) muziekwerken uit het door Buma/Stemra beheerde wereldmuziekrepertoire ter beschikking te stellen, ontvangen wij van u graag de volgende gegevens ter bevestiging;

Dat wekt de indruk dat de embedded blogger inbreuk op auteursrecht pleegt. Alsof de embedded blogger hetzelfde doet als Youtube. Webcasting is een vorm van openbaar maken, daarvoor is een licentie nodig. Dat is duidelijk. Maar iemand die faciliteert bij webcasten, maakt zelf niet openbaar. En wie niet openbaar maakt, pleegt geen inbreuk op het auteursrecht en heeft dan ook geen licentie nodig.

Het is niet netjes om bloggers en Youtube dan zo over één kam te scheren. Youtube maakt openbaar en moet daarvoor een licentie nemen. De schade die de bloggers veroorzaken door hun embed-acties, is afgeleide schade en staat niet in verhouding tot de schade die Youtube veroorzaakt bij de auteursrechthebbenden. Die afgeleide schade kan dan niet leiden tot hetzelfde licentiebedrag als Youtube zou moeten betalen.

Buma zou met Youtube -de eigenlijke inbreukmaker- een ‘echte’ webcasting licentie afsluiten. En afhankelijk van de voorwaarde daarin zou men dan eventueel een apart, afgeleid tarief kunnen hanteren voor mensen die slechts embedden. Of, en dat zou uiteindelijk het beste zijn, Youtube laten afrekenen voor afspelen via haar embedded player, zodat bloggers vrijuit kunnen blijven bloggen.

UPDATE (17:21): De actie van Buma/Stemra was prematuur, zo meldt NU.nl zojuist.

UPDATE (14 februari) Heeft Buma/Stemra haar hand overspeeld? 3voor12 citeert Nicolien van Vroonhoven (CDA), lid van de werkgroep auteursrecht op internet: “Het is typerend hoe Buma hier nu op duikt. Het is lastig juridisch te beoordelen of ze het gelijk aan hun zijde hebben, maar je moet niet altijd het onderste uit de kan willen hebben. Youtube is een vrijplaats, en dat moeten we koesteren.”

Arnoud

De legaliteit van reverse engineeren – hardware en drivers

multimeter2.jpgHet is toegestaan om te achterhalen hoe dingen werken. Heb je een mooie grafische kaart gekocht, en wil je weten welke signalen deze afgeeft, dan mag je gerust met je multimeter aan de slag. Wil je zien hoe je televisie er van binnen uitziet, veel plezier met de schroevendraaier. De garantie vervalt natuurlijk wel, maar dat terzijde.

Wil je met die informatie een eigen product bouwen, dan mag dat ook. Ideeën en technische principes zijn vrij. Daar is één uitzondering op: je kunt tegen octrooien aanlopen natuurlijk. Voor een octrooi maakt het niet uit of je het product zelf gemaakt hebt of hebt afgekeken: als het doet wat in het octrooi staat, pleeg je inbreuk.

Afgezien van octrooien is het reverse engineeren van de werking van hardware dus legaal. Dat is erg handig voor bijvoorbeeld open source zoals Linux, waarvoor minder aanstuursoftware (drivers) voor hardware beschikbaar is dan bij Windows. Een open source-ontwikkelaar mag dus kijken welke commando’s er van de driver op de PC naar een hardwarekaart (of terug) gestuurd worden en welk effect dat heeft. Hij kan daarmee zijn eigen driver maken die op het juiste moment de juiste commando’s stuurt. Dit mag: artikel 45l Auteurswet bepaalt dat een licentienemer van de software mag achterhalen hoe de software werkt “teneinde de daaraan ten grondslag liggende ideeën en beginselen te achterhalen.” Daaronder valt ook het achterhalen van de communicatie tussen de driversoftware en de hardware.

Een nadeel van deze aanpak is dat je dan niet zeker weet dat je alle situaties gehad hebt. Misschien is er wel een commando dat alleen gestuurd wordt als de kaart erg warm wordt, of wanneer iemand een resolutie van 1194×768 pixels gebruikt en een 3D-bal wil laten stuiteren als screensaver.

Een betere oplossing is dan ook de bestaande driver pakken en deze disassembleren: de binaire code uit elkaar halen om zo in één keer te zien wat de driver allemaal voor commando’s kan versturen en ontvangen. Daarmee is dan een nieuwe driver te maken die hetzelfde doet, maar dan voor Linux.

Deze oplossing ligt juridisch iets lastiger. Software is beschermd door auteursrecht. Bij reverse engineeren moet je de software uitvoeren om te kunnen zien wat hij doet. Dat is normaal inbreuk op het auteursrecht. Maar voor deze vorm van reverse engineering is er artikel 45m.

Dit artikel zegt dat je mag reverse engineeren om interoperabiliteit van je eigen software met andere software tot stand te brengen. Bijvoorbeeld dus je eigen driver maken om de (embedded) software in de grafische kaart te kunnen besturen. Het recht is in zoverre beperkt dat je alleen datgene mag reverse engineeren wat je nodig hebt om je eigen driver te kunnen maken.

Dit artikel is natuurlijk ook relevant voor andere soorten software, zoals de vele open source alternatieven voor gesloten software zoals Microsoft Office. Daar kom ik binnenkort op terug, want de situatie is daar iets minder rooskleurig dan bij drivers.

Hoe dan ook, je mag dus een driver reverse engineeren en met de gevonden informatie je eigen driver maken. Wat niet mag, is stukken van de oorspronkelijke driver overnemen in je eigen driver. Dan pleeg je inbreuk op het auteursrecht. Je mag alleen achterhalen wat de driver doet, en vervolgens moet je je eigen software schrijven die dezelfde activiteiten verricht. Zonder te kijken op welke slimme manier de oorspronkelijke software dit doet.

Dat zal bij drivers gelukkig niet altijd een groot probleem zijn. De implementatie van een driver is namelijk voor een groot deel bepaald door de hardware. Er moet nu eenmaal code 0x31337 gestuurd worden om een bepaald beeld op het scherm te tonen, en als de printer de code 0xDEADBEEF stuurt, dan is het papier op en moet het printen tijdelijk ophouden. Daardoor zit er weinig creatieve ruimte voor programmeurs bij het schrijven van drivers. Hoewel dus een nieuwe driver voor een deel zal lijken op het origineel, komt dat door die technisch bepaalde factoren. En iets dat hetzelfde is vanwege een technische eis, is geen inbreuk op het auteursrecht.

Bij dit soort activiteiten wordt wel de bewijslast omgekeerd: als beide drivers hetzelfde doen, moet de maker van de nieuwe driver bewijzen dat hij geen code heeft overgenomen van de oorspronkelijke driver. Vandaar de clean-room praktijk: laat de ene persoon achterhalen en documenteren wat de driver doet, en laat een andere persoon op basis van die documentatie een nieuwe driver schrijven. De andere persoon kan dan geen code hebben overgenomen, want daar had hij geen toegang toe. En de eerste persoon heeft geen code geschreven, en heeft dus ook geen inbreuk gepleegd.

Deze bepalingen zijn dwingend recht. Dat betekent dat dit recht niet in een softwarelicentie (EULA) verboden kan worden. Staat het toch in een EULA, dan zal de rechter die clausule negeren.

Arnoud

Afgifte persoonsgegevens door providers toegestaan, maar niet zomaar

Europese landen mogen geen ongenuanceerde regels hanteren dat internetproviders persoonsgegevens van klanten altijd moeten afgeven bij rechtszaken, zo oordeelde het Europese Hof van Justitie gisteren. Een instantie als BREIN, of iemand die zich beledigd voelt, heeft dus niet per definitie recht op persoonsgegevens van een klant. Zij zal moeten aantonen dat afgifte gezien de specifieke omstandigheden van de zaak echt noodzakelijk, redelijk en proportioneel is.

Voor Nederland betekent dat dat er niets verandert aan de huidige praktijk. Bij ons moeten providers persoonsgegevens van klanten afgeven wanneer deze mogelijk iets illegaals doen en er geen snellere manier is om achter klantgegevens te komen. Dat blijkt uit het arrest HR Lycos/Pessers, waarin provider Lycos de persoonsgegevens moest afgeven van de klant die Pessers beledigd en besmaad zou hebben.

De HR oordeelde destijds dat afgifte niet altijd moest, maar alleen als de rechter

een nauwgezette afweging [heeft] gemaakt van alle betrokken belangen, waaronder het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de websitehouder (r.o. 5.4.3).

En dat is precies het soort afweging die het Europese Hof nu zegt dat je moet maken. De HR haalde dit uit art. 8 sub f van de Wet Bescherming Persoonsgegevens, en die WBP is de implementatie van de Europese privacywetgeving.

Hoewel de meeste media het gelijk hebben over “muziek uitwisselen mag nu anoniem”, is dit arrest niet speciaal voor filesharing. Het gaat om de vraag of iemand, ongeacht onderwerp, de persoonsgegevens van een klant van een provider mag eisen omdat hij die klant een proces wil aandoen. Dat speelt vaak bij filesharing, maar ook bij smaad, schending van portretrecht en andere onrechtmatige dingen is deze vraag relevant.

De aanleiding voor de zaak was een Spaans geschil over illegale muziekverspreiding via KaZaA. Promusicae, zeg maar de Spaanse BREIN, had bij de Spaanse rechter de persoonsgegevens opgeëist van een klant van internetprovider Telefónica. Deze weigerde dat met een beroep op de Spaanse privacywetgeving. Omdat zowel de wetgeving over auteursrecht als die over privacy uit Europese richtlijnen komt, en op dit punt dus een botsing ontstond tussen Europese regels, stelde de Spaanse rechter een zogeheten prejudiciële vraag aan het Europese Hof van Justitie over hoe deze wet nu moet worden uitgelegd.

De Spaanse rechter krijgt de bal nu dus netjes terug en moet gaan afwegen of het echt de beste oplossing is als Telefónica nu de persoonsgegevens afgeeft aan Promusicae. In het geval van Lycos/Pessers bleek dat achteraf trouwens niet zo zinvol: de beledigende klant bleek vervalste persoonsgegevens opgegeven te hebben.

Remy Chavannes wees al eerder op het lastige aan zo’n belangenafweging. Wat vaak gemist wordt, is

(…) het bredere belang om niet lichtvaardig te worden geconfronteerd met informatieverstrekkingsverzoeken van beweerdelijk beschadigde derden. Dergelijke verzoeken brengen immers onderzoeks- en juridische kosten met zich mee, terwijl de beslissing om al dan niet te voldoen aan het verzoek steeds juridische en publicitaire risico’s met zich brengt

Ziijn voorstel voor een John Doe procedure is m.i. een betere oplossing.

Via Volledig bericht, pardon Boek 9.

UPDATE: zie ook de blog van Lex Bruinhof die tot dezelfde conclusie komt.

Arnoud

Andermans site scrapen, wanneer mag dat?

Voor Netters, een community voor webbouwers, schreef ik een juridische analyse over scrapen, hergebruik van stukjes content van andermans site.

Scrapen is een vorm van uitbesteden. Een zoekmachine bouwen is veel werk. En dat geldt niet alleen voor algemene zoekmachines zoals Google, maar ook voor speciale zoekmachines voor huizen, auto’s, contactadvertenties en noem maar op. Veel van dat werk zit hem in het verzamelen en onderhouden van de content. Hoe houd je je database up-to-date, wanneer verwijder je een te koop staand huis en bij welke advertenties moet je ingrijpen omdat er iets illegaals wordt verkocht? Erg fijn dus als je al dat gedoe kunt uitbesteden, en jij je alleen bezig hoeft te houden met zoekresultaten tonen – en natuurlijk de advertenties er omheen.

Maar ja, dan moet die advocaat wel een recht in stelling kunnen brengen. Zomaar iets laten verbieden gaat meestal niet. Dus wat valt er juridisch te doen tegen scrapen? Of omgekeerd, wat mag je scrapen van andermans site?

Lees verder in Andermans site scrapen, wanneer mag dat? bij Netters.

Arnoud

Aanbieden van hashcodes door Shareconnector is onrechtmatig

BREIN vs ShareconnectorDe hashcode-site Shareconnector handelt onrechtmatig door structureel te verwijzen naar illegaal aangeboden films en andere werken op het eDonkey peer-to-peer file sharing netwerk, zo oordeelde de voorzieningenrechter gisteren. Dit is in lijn met de eerdere ZoekMP3- en Dutchtorrent-zaken. Ook daar bleek dat als je links, torrents of andere codes indexeert die verwijzen naar overwegend illegaal aangeboden materiaal, je al snel onrechtmatig handelt.

De rechter motiveert helaas niet of nauwelijks waarom het publiceren van een hashcode dan onzorgvuldig is. De eigenaren van Shareconnector schreven dit half januari:

The whole point is that ShareConnector solely indexes hashcodes (identification) of files that are already available on the eD2k network. Hashcodes are just a bunch of keywords that are initiated as a search in the eMule client when you click on them. The same files can easily be found by copy pasting the filename from legal sites like NFOrce.nl and performing the search in the eMule client/Google/etc. and get the same results. If that is illegal, than all indexing sites like Google should be shutdown as well and that would certainly kill the internet.

Dat is wel een beetje erg makkelijk. “Het is ook bij anderen te vinden, dus ik ben legaal bezig”.

Bovendien is een hashcode wel iets meer dan een trefwoord. Een eDonkey hashcode is een unieke aanduiding van een bestand dat via het eDonkey peer-to-peer file sharing netwerk wordt aangeboden. Een voorbeeld is ed2k://|file|The_Two_Towers-The_Purist_Edit-Trailer.avi|14997504|965c013e991ee246d63d45ea71954c4d|/<br/>

Op Shareconnector waren de hashcodes te vinden van films en andere werken die via het eDonkey peer-to-peer netwerk werden aangeboden. Door de codes in te voeren in je eDonkey client, kon je dan snel het juiste bestand downloaden. De client voert dan namelijk een zoekopdracht uit naar alle aangesloten computers die een bestand met deze code hebben. Vervolgens wordt aan al die computers gevraagd een kopie op te sturen.

Nu kun je wel zeggen dat die hashcodes gewoon trefwoorden zijn die gebruikers intypen in een zoekmachine, maar voor hashcodes is een vrijwel geheel geautomatiseerd systeem gebouwd waardoor je met 1 klik het proces in gang zet waarmee het bestand op je computer terechtkomt. Net zoals een webadres misschien wel een trefwoord is (“ga naar iusmentis.com en typ dan ‘auteursrecht hyperlinks’ in de zoekgleuf”), maar ook daar kan dat eenvoudiger (klik hier). Daarom zie ik een aanklikbare verwijzing die automatisch leidt tot een download als meer dan alleen een trefwoord.

Nu zijn hyperlinks legaal, behalve in bijzondere omstandigheden. En sites als Shareconnector zijn zo’n bijzondere omstandigheid. Shareconnector vergelijkt zichzelf met Google, maar dat gaat niet op. Google indexeert zonder enig filter elke site die zij tegenkomt. Wat Google laat zien, heeft geen kwaliteitsgarantie. Shareconnector zorgde wel voor kwaliteit door gebruikers te laten filteren uit de vele duizenden hashcodes voor materiaal op eDonkey. Zij geven aan welke hashcodes corresponderen met goede films en welke je absoluut niet moet hebben (bv. omdat er een virus in zit of omdat het Grieks nagesynchroniseerd met Perzische ondertiteling is).

Een linksite begeeft zich daarmee op juridisch glad ijs. Door de links inhoudelijk te controleren, kun je niet meer volhouden dat je geen boodschap aan de boodschap had. Google kan dat wel.

Opvallend is wel dat de zaak al sinds 2004 speelt en nu pas tot een kort geding komt. Normaal moet je een “spoedeisend belang” kunnen laten zien voor een kort geding, anders moet je een (langer durende maar grondiger) bodemprocedure aanspannen. BREIN had eerst de FIOD om een strafrechtelijk onderzoek gevraagd, wat leidde tot een strafzaak waarin bleek dat hashcodes aanbieden medeplichtigheid aan het misdrijf “opzettelijke inbreuk op het auteursrecht” kon zijn. De sitehouders werden echter vrijgesproken omdat niet bewezen was dat iemand van de aangeboden codes gebruik had gemaakt, en zonder plegers van inbreuk kunnen er natuurlijk geen medeplichtigen zijn. Dat was in juli 2007. Toch had BREIN in december 2007 nog steeds het voor een kort geding vereiste spoedeisend belang.

(Vonnis via Danny, bedankt!)

Arnoud

Hoe zeg je: “Dit werk is in het publiek domein”?

Stel je vindt op zolder een doos met oude foto’s van je overgrootvader. Die foto’s behoren tot het publiek domein: er zit geen auteursrecht meer op, want de beste man is meer dan zeventig jaar geleden overleden. Die foto’s kun je dan inscannen en op internet zetten, zodat iedereen daar mooie dingen mee kan doen. Maar hoe geef je nu op een duidelijke manier aan dat die foto’s inderdaad publiek domein zijn?

Creative Commons is daarom het CC Zero project begonnen. Net zoals Creative Commons-licenties machines-leesbaar zijn, is de CC0 aanduiding dat ook.

CC legt uit:

The CC0 Assertion will provide a means by which any person may assert that there are no copyrights in a work, within a system that permits others to judge the reliability of the assertion, based on the Asserter’s identity and other information the Asserter may provide. The CC0 Assertion (United States) is intended to address copyright status under US law. The Assertion may not be appropriate for Works created in or whose copyright status is governed by the law of other jurisdictions.

Dat laatste heeft te maken met het oude systeem van auteursrecht in de VS. In Nederland valt een werk pas in het publiek domein als de auteur 70 jaar overleden is, of er nu een copyright-vermelding op het werk stond of niet. Of je als auteur afstand kunt doen van je auteursrechten is niet helemaal duidelijk.

Tot 1978 moest een werk in de VS op zijn minst van een copyright notice voorzien zijn om auteursrechtelijk beschermd te zijn. Wie dus een oude Amerikaanse film ontdekt waar die notice niet op staat, kan via de CC0 aanduiding bekendmaken dat dit werk in het publiek domein rust. Volgens jurist Lauren Vanpelt zou dit ook moeten gelden voor Mickey Mouse trouwens, omdat de eerste film geen juiste notice had. Disney is het daar mee oneens, maar wie de slag met ze aan wil gaan, heeft nu een handige manier om de eerste stap te zetten.

Via Creative Commons.

Arnoud

Bittorrent: inbreuk op auteursrecht in groepsverband?

Tijdens een discussie op Tweakers over de werkwijze van BREIN in 2007 kwam een deelnemer met een slimme opmerking over Bittorrent.

Bij de meeste file sharing netwerken download je het bestand van één iemand. Zijn er meerdere aanbieders, dan moet je er eentje kiezen en maar hopen dat die de beste snelheid levert (en ook nog eens een kwalitatief goed bestand). Heb je het twee keer half gedownload, dan heb je twee halve bestanden waar je niet zo veel mee kunt.

Bittorrent zit slimmer in elkaar. Elk bestand wordt in delen opgehakt, en elk deel wordt afzonderlijk verstuurd. Zodra iemand een deel heeft, deelt hij dat deel ook weer met iedereen die op zoek is naar dat bestand. Dit bespaart natuurlijk nogal wat bandbreedte.

Niemand verspreidt dus een geheel werk via Bittorrent. Iedereen verspreidt deeltjes, en de ontvanger zet de deeltjes in de juiste volgorde. Wie is nu aan te spreken voor de inbreuk, als het werk nu zonder toestemming op Bittorrent terechtkwam?

In het burgerlijk recht bestaat sinds enige tijd de constructie van “onrechtmatige daad in groepsverband“. Deze wordt vooral gebruikt bij zaken als mishandeling en vernieling, waar het vaak lastig is om aan te tonen wie van de groep nu precies welke klap uitdeelde of de steen wierp waardoor de ruit stukging. De wet (art. 6:166 BW) zegt dan:

Indien één van tot een groep behorende personen onrechtmatig schade toebrengt en de kans op het aldus toebrengen van schade deze personen had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband, zijn zij hoofdelijk aansprakelijk indien deze gedragingen hun kunnen worden toegerekend.

De aanbieders van fragmenten van het werk kun je zien als een groep. Door hun gezamenlijk optreden is er schade ontstaan, namelijk een inbreuk op auteursrecht. En gebruikers van Bittorrent (moeten) weten dat als zij iets downloaden, het programma automatisch de fragmenten weer gaat aanbieden. Omdat verspreiden van zulk materiaal verboden is, hoor je het werk ook niet te downloaden via Bittorrent.

Degene die aangesproken wordt, hoeft dus niet degene te zijn die het werk voor het eerst op Bittorrent bracht (de “seeder”).

Waar ik nog over twijfel, is het eerste stuk van deze zin: er moet één iemand schade toegebracht hebben. Dat kun je dus lezen als “één persoon heeft het werk illegaal aangeboden”, en dan gaat dit artikel niet op voor Bittorrent. Als je er echter vanuit gaat dat zelfs maar een deel aanbieden al schade oplevert, dan is wel aan het artikel voldaan.

Roept u maar!

Arnoud