3D dinsdag: Het octrooirecht

| AE 2509 | Innovatie, Intellectuele rechten | 11 reacties

3d-printed-dewalt-zaag-cc-by.pngWorden 3D-printers de nieuwe Napster? Met die vraag in het achterhoofd bespreek ik elke dinsdag een aspect van het intellectueel eigendomsrecht en waar dat botst met de mogelijkheden van 3D printen. Op basis van deze blogs en jullie feedback daarop wil ik hier uiteindelijk een boek van maken. En natuurlijk publiceer ik dan geen comments van jullie daarin zonder aparte toestemming.

3D printers en hun mogelijkheden zijn een geweldige technologische innovatie. En als we het over intellectueel eigendom bij innovatie hebben, dan komen we meteen bij octrooien uit. Octrooien (ook wel patenten) zijn namelijk bedoeld om namaak van technische uitvindingen tegen te gaan. Met een octrooi kun je iedereen verbieden de uitvinding na te maken, te verhandelen of in gebruik te hebben.

Er zit wel een belangrijke grens aan het octrooirecht: je kunt alleen optreden tegen bedrijfsmatig of zakelijk gebruik of productie van de uitvinding. Een particulier die je uitvinding namaakt, pleegt per definitie geen inbreuk. Omdat in de meeste gevallen er geprint wordt door particulieren, lijkt het octrooirecht minder van belang. Echter, bedrijven die op bestelling 3D printen, plegen wél inbreuk wanneer ze een geoctrooieerd object printen. Ook als dat door een particulier besteld wordt. De vraag is wel hoe een octrooihouder daar achter komt. Hij zou dan de hele dag naast de printer moeten staan en zien wat er wordt geproduceerd.

Een uitvinding moet in een technologisch vakgebied liggen. Abstracte ideeën, spellen, medische behandelwijzen, computerprogramma ’s en werkwijzen voor het zakendoen zijn in principe uitgesloten van octrooi. (Ja, bij software is er nogal wat gedoe over dat principe.) Voor 3D-objecten lijkt me dit niet vaak een hindernis. Een 3D object dat iets doet, en dus niet puur een ornament of kunstwerk is, voldoet al snel aan de eis van een technologische vinding. Een schakeling, een mechanische constructie of een 3D printer als zodanig: allemaal in principe octrooieerbaar.

Wel moet zo’n uitvinding nieuw en inventief zijn. Oftewel, de uitvinding mag nog niet bestaan en mag geen triviale variatie op het bekende zijn. Dat niet bestaan is nog wel te meten – het is het niet-triviaal zijn waar de problemen beginnen. Want zó moeilijk is het niet om iets erdoor te krijgen als zijnde inventief/niet-triviaal.

De nieuwheid en inventiviteit van een uitvinding wordt afgemeten aan de claims. Deze bevatten een definitie in juridische taal van wat er onder de uitvinding wordt verstaan. Alleen deze definitie bepaalt of sprake is van inbreuk. De titel, het abstract, de figuren en de beschrijving: allemaal heel leuk maar juridisch gezien gaat het om die claims. Wie wel eens een nieuwsbericht over octrooien leest: als octrooigemachtigde kan ik je vertellen dat in 99% van de berichten de journalist alleen de titel of abstract gebruikt om aan te geven waar het octrooi over gaat. Fout dus.

patent-fiets.pngEen octrooi is geldig voor 20 jaar vanaf de dag van aanvraag en kan niet worden verlengd. (Ok ok, er is een trucje met één jaar extra middels een prioriteitsaanvraag en bij octrooi op medicijnen kun je een aanvullend beschermingscertificaat verkrijgen.) Een veel gebruikte truc om hier omheen te komen, is een relatief kleine verbetering octrooieren. Dan heb je weer 20 jaar voor je verbetering, en als die maar interessant genoeg is, wil niemand meer je originele uitvinding gebruiken.

Het grote probleem bij octrooien is echter te weten komen op welke octrooien je inbreuk kan plegen, zodat je die kunt omzeilen. Er zijn octrooidatabanken natuurlijk, maar om daarin met succes iets te kunnen zoeken moet je wel specialist zijn. (Ik ben specialist en vind het nog steeds lastig.) En zo’n vrijgaveonderzoek is cruciaal, want volgens de octrooiwet kun je ook een octrooi schenden als je geen idee had dat het octrooi bestond. Je hoeft niet het originele product of het octrooi bekeken te hebben (zoals bij auteursrecht wel een vereiste is). Iemand die zich 10 jaar in de kelder terugtrekt en een pracht van een klapschaats maakt, pleegt inbreuk op de octrooien die daarop rusten.

Soms worden producten voorzien van aanduidingen als “Patent pending” of “US 1,234,567”. Die geven aan dat er een octrooiaanvraag loopt of dat de producent meent dat zijn patent met nummer 1.234.567 geschonden wordt als je dat product namaakt. Formeel verandert dat niets – zonder die aanduidingen pleeg je óók inbreuk – maar het kan de schadeclaims fors verhogen als je een product met zo’n aanduiding erop namaakt.

Alles bij elkaar kun je bij 3D printen van objecten in theorie zeker tegen octrooien aanlopen, maar ik verwacht dat dat in de praktijk niet snel gaat gebeuren. Particulieren plegen per definitie geen inbreuk, en 3D-printbedrijven doen zó veel verschillende producten dat geen octrooihouder daar effectief toezicht op kan houden. Misschien dat dit probleem aanleiding kan geven voor notice/takedown-achtige wetgeving: een octrooihouder kan dan zijn product en octrooi aanmelden waarna een 3D-printbedrijf hier geen prints meer van mag maken zonder aparte toestemming.

solid-edge-design-3d.pngWaarschijnlijker lijkt me echter dat de CAD-bestanden op de korrel genomen worden. Een CAD bestand vertelt de printer hoe het object opgebouwd moet worden. Op zichzelf is een CAD bestand geen uitvinding maar slechts een blauwdruk, en blauwdrukken vallen niet onder octrooien want het zijn geen concrete dingen.

Er is echter een uitzondering in de octrooiwet: ook het namaken of produceren van “middelen betreffende een wezenlijk bestanddeel” van een uitvinding valt onder het octrooirecht, wanneer die gebruikt gaan worden om vervolgens de uitvinding zelf na te maken. Dit wordt ook wel indirecte inbreuk genoemd. Daarbij is vereist dat de namaker “gezien de omstandigheden duidelijk is, dat die middelen voor die toepassing geschikt en bestemd zijn”. Dit vanwege handige jongens die een geoctrooieerd apparaat namaken en als bouwpakket op de markt brengen.

Niet elk onderdeeltje van een geoctrooieerde uitvinding valt onder de definitie van “wezenlijk bestanddeel”. Het enkele feit dat een item gebruikt kan worden om de uitvinding na te maken, is niet genoeg. Maar waar de grens ligt, is een heel lastige vraag, zoals in het Senseopads-arrest bleek. Specifiek uitgezonderd zijn “algemeen in de handel verkrijgbare produkten”. Daarmee is dus uitgesloten dat een octrooihouder de leverancier van grondstoffen voor 3D-printen (of de printers zelf) aanpakt met als argument dat die zo’n wezenlijk bestanddeel betreffen.

Of een CAD-bestand met louter instructies voor het produceren van de uitvinding hieronder valt, is een open vraag. Tot dusverre zijn er alleen rechtszaken geweest over fysieke onderdelen die al of niet middelen voor inbreuk opleverden. Maar het ligt voor de hand dat als particulieren thuis uitvindingen printen en handelaren alleen printers en grondstoffen verkopen, de aanbieders van CAD-bestanden wegens middellijke inbreuk worden aangesproken. En de positie van CAD-bestandsaanbieders zal ook bij de andere IE-rechten essentieel blijken.

Arnoud<br/> Foto: 3D geprinte Dewalt-motorzaag door Creative Tools en Solid Edge designtool door Siemens PLM Software, beiden CC-BY 2.0. Het octrooi is US 4,502,705 uit 1985 voor een inventieve tandemfiets.

3D dinsdag: Driedimensionaal printen versus intellectueel eigendom

| AE 2491 | Innovatie, Intellectuele rechten, Ondernemingsvrijheid | 76 reacties

3d-printen.pngWorden 3D-printers de nieuwe Napster? Met die vraag opende Ars Technica vorige week haar bericht over een auteursrechtclaim op een CAD-bestand waarmee een driedimensionaal model geprint kon worden. Met driedimensionaal printen kan iedereen (bijna) alles maken dat hij zoekt, van reserveonderdelen tot zelfverzonnen objecten tot dat dure merkproduct. De Flickrstream van CreativeTools.se laat nu al enkele fantastische mogelijkheden zien. In Nederland biedt FabLab de mogelijkheid zo ongeveer alles te printen dat je wilt.

Bij 3D printen worden objecten gereproduceerd vanuit bronmateriaal dat in heel kleine hoeveelheden en laagje voor laagje wordt gedoseerd. Vaak wordt daarbij met gesmolten polymeer gewerkt, maar ook kan materiaal in poedervorm worden gebruikt dat wordt verhard nadat het laagje is gedeponeerd. Dit alles onder controle van een instructiebestand (CAD-bestand) dat de 3D printer vertelt hoe elk laagje eruit ziet en welk materiaal moet worden gebruikt. 3D printen kan met polymeren maar ook met metalen. Daarmee is zo ongeveer alles te maken.

Het gebruik van 3D printen botst al snel met intellectuele eigendomsrechten, zoals ook al in het geweldige whitepaper van Public Knowledge te lezen is. Een object kan beschermd zijn door auteursrechten, merken, modelrechten of octrooien (patenten). Het namaken is dan niet toegestaan. Soms is er een uitzondering voor namaken in de privésfeer of voor onderzoeksdoeleinden, maar die uitzondering is vaak beperkter dan je zou denken.

Het intellectueel eigendom (IE) is namelijk gebaseerd op de gedachte dat alleen de maker/uitvinder/ontwerper van een object dit mag reproduceren. Dit vanuit de aanname dat deze met dat controlerecht zijn investering moet kunnen terugverdienen. Afrekenen per kopie is een natuurlijk model in de 3D wereld: als iets populair is, verkoopt het goed en dan verdien je veel, en als iets tegenvalt dan verkoopt het niet en dan heeft de maker pech. Dat model stond voor muziek en films al flink onder druk door internetdistributie, maar de druk door 3D printen wordt alleen maar groter.

Ik verwacht dat wanneer 3D printen meer in de mainstream terecht komt, er grote druk zal komen vanuit rechthebbenden om te voorkomen dat 3D printen van beschermde objecten mogelijk wordt. Dat kan grote impact hebben: sites die 3D modellen aanbieden zullen net als Mininova of Pirate Bay als piraten worden aangemerkt, maar ook de verkoop van 3D printers als zodanig kan aan banden worden gelegd als het idee postvat dat deze vooral voor namaak worden gebruikt.

Daarom ga ik de komende weken elke dinsdag (“3D dinsdag”) een blog schrijven over een aspect van het intellectueel eigendomsrecht en waar dat botst met de mogelijkheden van 3D printen. Ik zal per IE-recht bespreken wanneer iets daaronder valt, wat er dan wel en niet mag met dat object en wat dat betekent voor het proces van 3D printen.

Wie nu al specifieke vragen of suggesties heeft die ik mee moet nemen, dan hoor ik dat graag! (Oh ja, en een mooier plaatje voor deze serie zou ook leuk zijn. Het is héél moeilijk een Creative Commons foto te vinden die op 150×150 pixels het concept 3D printen laat zien.)

Arnoud<br/> Foto: Tony Buser, CC-BY 2.0

Open source code in patentaanvraag?

| AE 2331 | Intellectuele rechten | 9 reacties

x264.pngEen ontwikkelaar van de open-source video-encoder x264 beschuldigt het bedrijf Tandberg ervan dat zij open-sourcecode heeft gestolen en die nu wil patenteren. Tandberg ontkent. Dat meldde Webwereld gisteren, en Tweakers al zondag. In patentaanvraag WO2010077148 blijkt een algoritme beschreven te worden dat wel héél sterk lijkt op een in 2006 bedacht algoritme voor de open source video encoder x.264.

De overeenkomsten zijn inderdaad zeer opmerkelijk. De indieningsdatum is 2 maanden na de publicatie van de broncode uit de encoder. Er ontbreekt een niet onbelangrijk onderdeeltje in de patentaanvraag – en precies dat onderdeeltje was pas een tijdje later aan de encoder toegevoegd. En volgens de ontwikkelaars was bekend dat Tandberg-mensen meelezen bij hun project. Bij Slashdot zien ze dan ook meteen een complot om heel open source te patenteren. /aluhoedje

Tandberg ontkent alle beschuldigingen en wijst erop dat hun aanvraag toch echt anders is dan de encoder, en dat ze zeker niet meelezen of code overtypen. (Er staat ook geen broncode in de patentaanvraag.) En de ontwikkelaars reageren daar weer op dat dat best zou kunnen; het algoritme uit de patentaanvraag is volgens hen zó triviaal dat je er toch geen patent op moet kunnen krijgen.

Hoe nu verder? Het literatuuronderzoek van WIPO noemt deze prior art niet, maar na al deze heisa een mogelijke octrooiverlenende instantie mogelijk wel. Of Tandberg besluit zelf de aanvraag in te trekken, dat kan ook altijd.

Webwereld meldt nog deze aperte onzin:

De x264 projectgroep kan overigens nog wel bezwaar indienen tegen het patent bij de World Intellectual Property Organization. Die organisatie kan de patentaanvraag ongeldig verklaren als blijkt dat het algoritme van Tandberg inderdaad te veel overeenkomt met het open-source algoritme.

Die mogelijkheid bestaat juridisch eenvoudigweg niet. Het WIPO publiceert internationale octrooiaanvragen en publiceert een literatuuronderzoek, meer niet. Wie echt een octrooi wil, moet daarna naar de octrooiraden van de landen waar hij dat octrooi wil. En die kunnen eventueel de bezwaren van de x.264 groep in behandeling nemen.

Arnoud

Europese softwareoctrooien: wie weet er een leuk, recent voorbeeld?

| AE 2255 | Intellectuele rechten | 12 reacties

Octrooi op software in Europa, het blijft een heikel punt van debat. (Minstens zo heikel trouwens als de debatten over downloaden en FTD, waarover elders). Mag het wel, mag het niet? En hoe erg is het nu eigenlijk? Recent verscheen een artikel over softwareoctrooien waarin werd gesteld dat “uitsluiting op grond van die bepaling is… Lees verder

Supreme Court: geen standpunt over softwarepatenten

| AE 2139 | Intellectuele rechten | 7 reacties

Wat is dat toch met hoge rechtbanken en octrooien versus software? Nadat een tijdje geleden de Grote Kamer van het EPO geen zin had in een duidelijke uitspraak, komt nu ook de Amerikaanse Supreme Court met een arrest over software patents dat in de verste verte geen standpunt inneemt. Het arrest (via) betreft de Bilski-zaak,… Lees verder

Europees Octrooibureau spreekt zichzelf niet tegen over octrooien en software als zodanig

| AE 2098 | Intellectuele rechten | 16 reacties

Nee hoor, niets aan de hand met die rechtspraak over software-gerelateerde uitvindingen (aka CII aka softwarepatenten). Dat is ongeveer waar de recente opinie G3/08 van de Grote Kamer van Beroep van het Europees Octrooibureau op neerkomt. Er staan misschien tegenstrijdige dingen in de arresten tot nu toe, maar dat heb je altijd als de jurisprudentie… Lees verder

“Google patenteert eigen homepage”

| AE 1746 | Intellectuele rechten | 6 reacties

Google’s minimalistische homepage (“zoekstartpagina” volgens Webwereld) is gepatenteerd, meldden diverse media donderdag. Daarmee zou het bedrijf concurrenten zoals Bing of Yahoo! dwars kunnen zitten als die hun veel te drukken startpagina’s willen uitkleden om zo eindelijk eens marktaandeel te veroveren. Wat je daarbij echter zelden ziet, is het nummer van het patent want dat had… Lees verder

Google Chrome bevat LGPL videosoftware, mag dat?

| AE 1639 | Intellectuele rechten | 8 reacties

Google Chrome, de minimalistische browser van het advertentie- en zoekmachinebedrijf bevat veel open source. Recent bleek de browser echter ook de open source FFMPEG videosoftware te bevatten om zo filmpjes op webpagina’s beter te kunnen afspelen. En dat is opvallend, omdat FFMPEG onder de LGPL 2.1 open source licentie is uitgebracht. De verhouding tussen LGPL… Lees verder

EOB wil uw mening over softwareoctrooien

| AE 1510 | Intellectuele rechten | 1 reactie

Software is niet octrooieerbaar, behalve als het technische software betreft want dat is op zich geen software. Of zoiets. Dat is kort gezegd het standpunt van hte Europees Octrooibureau als het gaat om de octrooieerbaarheid van software-gerelateerde uitvindingen, door tegenstanders ook wel aangeduid als “softwarepatenten”. Dat standpunt van het EOB is enigszins onbegrijpelijk voor veel… Lees verder