Ja, de politie mag illegale camerabeelden gewoon gebruiken als bewijs

De politie kan nu een beroep doen op bijna 200.000 vrijwillig aangemelde privécamera’s. Politievakbonden willen een verplicht register, zoals in België. Dat meldde het AD vorige week. Het register stelt de politie in staat om snel camerabeelden te verkrijgen van strafbare feiten en andere misstanden. Een punt van aandacht daarbij is dat het dan vaak gaat om beelden van de openbare weg, en vaak filmt zo’n camera illegaal die openbare weg. Van Amerikaanse televisieseries hebben we geleerd dat die beelden dan onbruikbaar zijn. In Nederland is echter niets minder waar.

Vorig jaar schreef ik over de politiedatabank, Camera in beeld geheten. Dit politiesysteem geeft alle (particuliere en overheids-)camera’s op een kaart weer. Het gaat in dat register dus alleen om contactgegevens van de eigenaar en gegevens over de locatie van de camera en wat er wordt gefilmd. Er komen geen beelden in de databank en er is ook geen login op afstand op die camera’s.

Op dit moment is aanmelding in die databank vrijwillig. Het lijkt redelijk populair om eraan mee te doen, maar nog lang niet iedereen heeft ervan gehoord – of heeft zin in het administratieve gedoe. Want het is toch weer een formulier dat je in moet vullen, zonder duidelijk voordeel voor jezelf.

Mogelijk dat ook meespeelt dat de camera’s er in strijd met de wet hangen. Vaak filmen camera’s immers ook een stuk openbare weg, of ontbreken de verplichte waarschuwingsborden. Dat is een probleem, want in principe hoort cameratoezicht tot eigen erf beperkt te zijn. Ik zeg in principe, omdat er situaties zijn waarin het wel kan – omdat je een gerechtvaardigd belang hebt dat de privacy van onschuldige passanten overstijgt, even kort door de bocht in AVG taal.

Voor de politie maakt dat echter niet uit. Zij mogen nog steeds die beelden opvorderen als er bewijs op staat van een strafbaar feit. Dat de beelden illegaal zijn gemaakt, maakt voor de bruikbaarheid als bewijs niet uit. Onrechtmatig verkregen bewijs is alleen een zorg wanneer het de politie is die het bewijs verkrijgt. Hun handelwijze moet conform de wet zijn, en anders kan het bewijs uitgesloten worden. De politie mag dus niet stiekem ergens een camera ophangen en die beelden als bewijs gebruiken. Die beelden zijn onbruikbaar. Maar een particulier die hetzelfde doet, heeft bruikbare beelden voor het bewijs. Geheel los daarvan kan hij beboet worden door de politie omdat hij een camera heeft hangen die in strijd met de wet filmt.

Arnoud

Rechter staat ontsleutelde berichten van pgp-smartphones toe als bewijs

De rechtbank in Amsterdam heeft een crimineel veroordeeld mede op basis van informatie die werd verkregen door het ontsleutelen van een grote hoeveelheid berichten die via pgp-telefoons werden verstuurd. Dat meldde Tweakers vorige week. Uit het ontsleutelde berichtenverkeer blijkt hoe de verdachte een sturende rol had bij een liquidatiepoging en hoe de schutters aan hem verantwoording moesten afleggen toen die poging mislukte. Het is voor zover ik weet de eerste keer dat ontsleuteld PGP-verkeer als bewijs is gebruikt in een strafzaak.

De uitspraak is een uitvloeisel uit de Ennetcom-zaak uit 2016. Ennetcom is een Nederlands bedrijf dat met PGP (Pretty Good Privacy) beveiligde BlackBerry-telefoons aanbood. Hiermee kunnen gebruikers in principe onkraakbare e-mails en dergelijke berichten sturen. Deze systemen gebruiken servers in Canada. Na een inval bij het bedrijf kreeg men de Canadese rechter zo ver beslag op die servers en bijbehorende data te leggen, om zo deze inhoud te kunnen gebruiken voor forensisch onderzoek in strafzaken waarbij verdachten deze telefoons gebruikten.

Dat was bijzonder prettig voor Justitie, want die servers bevatten cruciale informatie over sleutelmanagement waarmee het ineens heel eenvoudig werd om het theoretisch haast onkraakbare PGP te verwijderen van berichten. Kort gezegd, die informatie helpt het aantal mogelijke sleutels te reduceren tot enkele honderdduizenden per bericht, iets dat een beetje computer in de lunchpauze kan nalopen. De inhoud van die berichten is dan ineens beschikbaar in een strafzaak.

De Canadese rechter wees dat toe, maar beperkte de toegang tot specifieke berichten voor specifieke strafzaken om te voorkomen dat de Nederlandse autoriteiten een ‘fishing expedition’ zouden gaan uitvoeren in deze grote hoeveelheid data. Per verzoek zou een Nederlandse rechter een bevel moeten afgeven. Dat was nog even ingewikkeld, want het Nederlands recht kent het concept van een court order eigenlijk helemaal niet. Bij ons toetst de rechter-commissaris bevelen van de officier van justitie, dat is een andere manier van werken. Uiteindelijk kwam men uit bij de mogelijkheid van een bevel onder het Wetboek van Strafvordering tot toegang tot opgeslagen data bij een provider (artikel 126ng), dat door de rechter-commissaris moet worden goedgekeurd. Dit bleek genoeg voor de Canadese rechter.

In deze zaak werden ook een aantal PGP berichten gevonden in het opsporingstraject, die met de Canadese informatie konden worden ontsleuteld. Dat bleek een cruciale stap: de berichten lieten zien welke belangrijke rol de verdachte had in de onderzochte liquidatiepoging.

Het bezwaar van de verdediging betrof de manier waarop deze berichten te pakken waren gekregen. Dat artikel 126ng zou de verkeerde grondslag zijn geweest, er is op de verkeerde manier gewerkt en er zou te weinig toezicht zijn geweest vanuit de rechter-commissaris. En nog veel meer, zo veel dat de rechtbank korzelig opmerkt “dat het niet eenvoudig is geweest tot een begrijpelijke samenvatting van de verschillende onderdelen van het door [de advocaat] gevoerde verweer te komen.” Ik ga dat zelf dan ook niet doen, vooral omdat de rechtbank héél snel klaar is met de analyse:

De gekozen constructie biedt voldoende waarborgen om voor zoveel mogelijk tegemoet te komen aan de privacy-belangen van de overige Ennetcom-gebruikers. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook sprake van een rechtmatige constructie om te beoordelen of binnen het onderzoek Tandem toegang verleend kan worden tot de Ennetcom?data.

Dat is voor de juridische theorie een tikje jammer, want nu weet je niet waar de grenzen liggen. Maar ik kan zo snel geen inhoudelijk tegenargument bedenken. Die data is legaal in Canada door de politie aldaar in beslag genomen, en wordt onder toeziend oog van twéé gerechtelijke instanties vrijgegeven conform specifieke regels waardoor er niet kan worden gegrasduind. Ook hier wordt er met een specifiek protocol op verder gewerkt.

Een terecht punt van de verdediging was wel dat er tussen de verkregen berichten communicatie van en naar de advocaat aanwezig was. Dat mag natuurlijk niet, dergelijke communicatie is beschermd en mag niet onder ogen van de politie komen.

Probleem was wel dat in deze brondata die communicatie niet evident als zodanig te herkennen is. Er waren geen zakelijke mailadressen van de advocaat gebruikt of andere identifiers waarmee je dit vooraf weg kon filteren. Er was wel een communicatiepartij die als “adv” bekend stond, maar moet je daaruit concluderen dat je te maken hebt met een Nederlandse advocaat wiens communicatie vertrouwelijk moet blijven? De rechtbank vindt dat te ver gaan.

Ook als aangenomen wordt dat deze ‘adv’ een advocaat is, betekent dat niet dat deze berichten niet in het dossier mochten worden gevoegd. Onder omstandigheden, bijvoorbeeld als moedwillig slordig met de inhoud van de berichten wordt omgesprongen door deze zonder restricties uit handen te geven, bestaat daartegen geen bezwaar. Met betrekking tot de berichten van ‘adv’ die in het dossier zitten, geldt dat die tussen twee onbekende PGP-gebruikers zijn doorgezonden, zonder dat daarbij een beperking is aangebracht. Ten aanzien van deze berichten is geen sprake van een vormverzuim.

Na het beslag op de Canadese server en data heeft de politie een bericht uitgestuurd waarin staat dat verschoningsgerechtigden (zoals advocaten) zich konden melden, waarna hun berichten als geheim zouden worden gemarkeerd. Klinkt netjes, nietwaar? Maar geen advocaat die reageerde – terecht, want dan onthul je immers dat je via dat netwerk communicatie met je cliënt had en dat suggereert dat die cliënt misschien maar eens onderzocht moest worden.

Dit alles levert echter geen onherstelbaar vormverzuim op. Ik zou zelf ook niet weten wat je méér had moeten doen als OM om uit te sluiten dat er advocaatcommunicatie in zo’n bestand zit. De berichten werden nu echter eruit gehaald door een niet bij de zaak betrokken officier.

Wél een vormverzuim deed zich voor bij een aantal notities (ik denk conceptberichten) die begonnen met “Geachte Mr Inez Weski” maar nooit waren verzonden naar deze advocaat. Hoewel je strikt gesproken dan niet spreekt van communicatie met een advocaat, valt ook zo’n concept onder de geheimhouding voor advocaten. Dit bericht was evident voor een advocaat bedoeld en had dus verwijderd moeten zijn. Dat vormverzuim is ernstig: die berichten hadden nooit in het dossier moeten zitten, en moeten dus verwijderd worden. Bewijs dat daaruit afgeleid is, wordt daarmee uitgesloten.

Arnoud

‘Amerikaanse politie ontgrendelt iPhones met vingers overledenen’

Politiediensten in de VS zouden regelmatig iPhones met de Touch ID-beveiliging ontgrendelen, door de vinger van overledenen op de vingerafdrukscanner te houden. Dat meldde Tweakers vorige week. De reden erachter zou zijn dat men zo een stuk goedkoper die telefoon kan ontgrendelen, een forensisch specialist is duur en Apple werkt zelf niet mee zonder gerechtelijk bevel. Helaas werkte het niet in het recentste geval, omdat ook een pincode nodig was. Desondanks: handige jongens die agenten, maar is het legaal?

Een risico van biometrische gegevens voor identificatie of authenticatie is altijd dat die gegevens tegen de wil van de eigenaar kunnen worden verkregen. Juridisch gezien ligt het namelijk nogal anders of je iemands wachtwoord opeist of iemands vingerafdruk. Een wachtwoord is een stukje kennis, iets dat men weet. Kennis opeisen van een verdachte ligt moeilijk vanwege het verbod om tegen jezelf te getuigen. Maar medewerking eisen aan een fysieke handeling – ga deze kamer in, ga hier zitten, leg je vinger op dit stempelkussen en nu op dit papier – is lang aanvaard als een legitieme bevoegdheid.

Het doet hier vooral raar aan omdat deze persoon overleden is. Juridisch gezien is de status van een overleden persoon altijd wat ingewikkeld, maar in de praktijk worden dingen er vooral simpeler op. Een overleden persoon heeft bijvoorbeeld geen privacyrechten – de AVG en andere privacywetgeving geldt alleen voor levende mensen (“natuurlijke personen”) en dus niet voor overledenen.

Maar in het strafrecht ligt dat anders: als iemand overlijdt, dan stopt de strafvervolging (art. 69 Strafrecht). Daarmee komt in principe ook een einde aan de bevoegdheid om de voor die vervolging gebruikte bewijsmiddelen te doorzoeken. Maar niet helemaal: die gegevens kunnen immers ook voor andere onderzoeken nog relevant zijn, en daarom mogen ze langer (tot twee jaar na overlijden, art. 6 Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens) bewaard worden.

Ik kan in het Nederlands recht niets vinden dat de bevoegdheid geeft om de vinger van een overledene op een telefoon te plaatsen om die daarmee te unlocken. Ik denk dat het mag, omdat niets het verbiedt en het niet raakt aan de privacy van de eigenaar – die is immers overleden en hééft dus geen privacy meer. Hoe cru dat ook klinkt. Dit is dus een uitzondering op de regel dat men telefoons niet zomaar mag doorzoeken.

Arnoud

Politie werkt aan Pokémon Go-achtige app voor opsporing gestolen auto’s

De Nederlandse politie werkt aan een Pokémon Go-achtige app genaamd Automon waarmee burgers kentekens kunnen scannen en punten krijgen voor een ‘hit’. Dat meldde Tweakers onlangs. De app gaat een overlay tonen met informatie uit politieregisters over het al dan niet gestolen zijn van de auto op basis van kenteken. Maar wacht even, mogen burgers op die manier wel door de politie worden ingeschakeld?

In principe mogen burgers natuurlijk helpen bij de opsporing van gestolen goederen, zoals auto’s. Wie auto ziet en reden heeft te vermoeden dat die gestolen is, heeft natuurlijk het volste recht daar aangifte van te doen. En dat mag ook zijn op basis van iemands bericht op internet “Mijn auto met kenteken XX-123-XX is gestolen, wie ziet hem”. Of met een app die helpt met dergelijke informatie gestructureerd te verschaffen.

Anders ligt het als de politie een burger opdraagt of verzoekt bepaalde informatie te achterhalen. In dat geval valt diens handelen onder dezelfde regels als die voor de politie zelf gelden. Een door de politie ingehuurde IT-specialist mag dus niet ineens computervredebreuk plegen, het daardoor verkregen bewijs zou onrechtmatig zijn. Terwijl als die IT-er dat ongevraagd deed, het bewijs wél bruikbaar was (maar hij natuurlijk nog steeds wel strafbaar.)

Met een app als deze zit je ergens in het midden. Enerzijds vraagt de politie je om mee te helpen, anderzijds zou je dit een nogal ongerichte vraag kunnen noemen. Dit is geen inhuuropdracht, meer een “Opsporing verzocht” in een nieuw jasje. En er is niets mis met kijken naar Opsporing Verzocht en dan driftig gaan zoeken naar auto’s met het genoemde kenteken, dus waarom zou dat bij een app anders zijn?

Wat mij eigenlijk vooral interesseert, is met welke database deze app praat. Er is of komt dus een database met daarin kentekens en “gestolen ja/nee”, en die app kan daarbij. Die database lijkt me dan publieke informatie te noemen, want iedereen die de betreffende API call weet, kan die informatie ophalen. Dat voelt wel opmerkelijk, dat die informatie openbaar zou zijn?

Arnoud

Mag een online spel bezorgd de politie naar je huis sturen?

Beetje raar verhaal: een Nederlandse League of Legends-speler kreeg bezoek van de politie na een tip van de maker van dat spel, las ik bij Numrush (dank, tipgever). Nee, geen reverse swatting van het bedrijf maar een stukje bezorgdheid: “Ze hebben ons laten weten dat je suïcidaal bent en daarom komen we een kijkje bij je nemen. Om te checken of alles goed met je gaat”, aldus de aanbellende agenten. En nee, dit waren ook geen medespelers of trollen in politiekostuum. Dus eh, wacht, wat krijgen we nou?

Numrush lijkt de oorzaak te hebben gevonden:

Soms gaat het niet zo lekker in de game, is hij aan het verliezen, en dan wil Xavieros zich nog wel eens uitdrukkingen met termen als “I want to kill myself” of “ow god please kill me”.

Daarnaast had hij mogelijk zich wel eens teneergeslagen geuit in de chat vanwege een hernia en andere frustraties. Dit leidde tot de conclusie dat het bedrijf berichten scant met algoritmes (of keywordscans) en bij bepaalde combinaties dan een suïcide-vermoeden concludeert en dan de autoriteiten inlicht. Wat ergens wel netjes voelt maar ook een tikje raar.

Mag het? Dit raakt aan persoonsgegevens, meer specifiek de zogeheten bijzondere persoonsgegevens van gezondheid en dergelijke. En die mag je als bedrijf eigenlijk helemaal niet verwerken. (Ik moet nu zeggen dat de GDPR of AVG hier streng op gaat zijn want dan verkoop ik meer boeken daarover, maar ook onder de Wbp mag dit eigenlijk al niet.)

Helemaal niet, nou ja er is een uitzondering: het zogeheten “vitaal belang” uit de Wbp en straks de AVG, zeg maar een dringende medische noodzaak. Ik citeer dat boek dan maar even, dan was die link geen reclame:

Een vitaal belang raakt aan het leven van die persoon. Te denken valt aan verwerkingen van medische gegevens bij een ongeval, of meer algemeen humanitaire doeleinden, onder meer voor het monitoren van een epidemie en de verspreiding daarvan of in humanitaire noodsituaties, met name bij natuurrampen of door de mens veroorzaakte rampen. Verwerking van persoonsgegevens op grond van het vitale belang voor een andere natuurlijke persoon is in beginsel alleen toegestaan indien de verwerking kennelijk niet op een andere rechtsgrond kan worden gebaseerd (overweging 46).

Een serieuze vrees dat iemand zichzelf om het leven gaat brengen, zou je kunnen zien als het dienen van een vitaal belang. De ultieme zaakwaarneming zeg maar. En het is vrij lastig in die situaties toestemming te vragen, waardoor dus deze route open staat.

Verdedigbaar dus, juridisch gezien. Maar het blijft gek aanvoelen. Ik weet niet hoe dit te zeggen zonder heel cru te klinken, maar is het echt zo’n reëel probleem specifiek bij online games, dat mensen daar een zelfdoding aankondigen en dat vervolgens uitvoeren ook? Is dat probleem zo groot dat het maatschappelijk relevant wordt dat aanbieders daar wat aan gaan doen? Ik heb denk ik iets gemist.

Arnoud

Politie mag smartphones van verdachten niet zomaar meer doorzoeken

De Hoge Raad heeft grenzen gesteld aan het politieonderzoek naar smartphones van verdachten. Dat meldde Nu.nl vorige week. De politie mag een smartphone doorzoeken als dit niet verder gaat dan een beperkte inbreuk op de privacy. De huidige praktijk van iemands telefoon compleet leegtrekken en doorzoeken staat daar op gespannen voet mee, eigenlijk moet daar een aparte wettelijke regeling voor komen.

Uit het arrest blijkt dat de aanleiding relatief simpel was. Een man werd op Schiphol gearresteerd door de Koninklijke Marechaussee op verdenking van smokken van cocaïne. Vervolgens werd zijn smartphone en bijbehorende simkaart uitgelezen en onderzocht, waarna men diverse WhatsApp-chats en foto’s aantrof die als bewijs werden gebruikt om de zaak rond te krijgen.

Op zich mag een telefoon natuurlijk in beslag worden genomen bij een arrestatie. En vervolgens mag er in principe ook worden gekeken of gezocht in wat er in beslag wordt genomen. De wet staat dat toe: artikel 94 Wetboek van Strafvordering spreekt van “alle voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen”. En een telefoon met inhoud voldoet aan die omschrijving.

Echter, een telefoon is wel iets anders dan een zakdoek of portemonnee. Dergelijke apparatuur bevat veel meer privéinformatie dan een koffer, denk aan foto’s, opgeslagen berichten en ook toegang tot allerlei diensten als het ding wachtwoorden onthoudt. Al in 2015 bepaalde het Gerechtshof Leeuwarden dan ook dat hier een grens ligt. Wanneer de politie namelijk in iemands grondrechten wil treden, moet daarvoor een wettelijke grondslag zijn. Zo is er een wetsartikel dat bepaalt wanneer men een huis binnen mag of wanneer iemands e-mail mag worden doorgelezen. Dat wetsartikel zegt dan wanneer dat mag, hoe lang dat mag en wie er toestemming voor moet geven.

In deze zaak vond het Hof Amsterdam dat artikel 94 een voldoende wettelijke grondslag was. Daar staat immers zwart op wit dat alles in beslag genomen mag worden (en dus ook doorzocht) als daarmee de waarheid aan het licht te brengen is. En al sinds 1994 is vaste jurisprudentie dat dat voor computers net zo goed geldt als voor portemonnees.

De Hoge Raad verwerpt die redenering. Artikel 94 is alleen bedoeld voor ‘gewoon’ in beslag nemen en doorzoeken, waarbij geen of hooguit beperkt iemands privacy wordt geschonden. Heb je een foto van je partner in je portemonnee, dan mag een agent daar gewoon naar kijken als hij die portemonnee in beslag heeft genomen. Dat is weliswaar een privacyschending maar die is slechts zeer beperkt.

Wanneer een telefoon compleet wordt leeggetrokken, ontstaat een andere situatie. Dat is meer dan even snel kijken, en dat wordt dan ook als meer dan geringe inbreuk op de privacy gezien. Dan wordt het lastig. Voor inbreuken op een grondrecht is een wettelijke regeling nodig, die met voldoende waarborgen is omkleed. Dat is waarom het Wetboek van Strafvordering zo uitgebreid is: al die situaties zoals huiszoekingen of mailtaps moesten immers worden geregeld en van waarborgen voorzien. Strikt gesproken mogen telefoons dus niet worden doorzocht zodra het meer dan gering iemands privacy raakt, wat al snel het geval zal zijn.

De HR wil echter niet zo ver gaan. (Cynische ikke denkt: dat zou namelijk de héle opsporing platgooien.) Men begint met te stellen dat artikel 94 echt gewoon een wettelijke regeling is, en dat het aan de rechter is om te toetsen of in een concreet geval men al dan niet te ver ging met de toepassing van die bevoegdheid. Voor extra zekerheid is het aan te bevelen dat een officier van justitie of rechter-commissaris de doorzoeking doet, dat geeft dan een stevige waarborg. Het doet me wat gezocht aan.

Arnoud

Rechter veroordeelt webcamafperser ondanks claims over dubieuze keylogger

Een man is strafrechtelijk veroordeeld op basis van bewijs verkregen met een politie-keylogger. Dat meldde Tweakers vorige week. De politie heeft eind 2013 de woning van de man in het geheim betreden, waarbij op de aangetroffen laptop en desktop een keylogger werd geïnstalleerd. Zo kreeg men inzicht in zijn internetgedrag en pogingen dat te verhullen. Maar mocht dat wel?

Het vonnis laat zien dat de man in beeld kwam naar aanleiding van een onderzoek bij Facebook. Het bedrijf had accounts ontdekt die door dezelfde persoon werden gebruikt om mannen te chanteren middels valselijk verkregen seksueel materiaal. Het IP-adres kon door de politie worden getraceerd naar een bungalowpark in Nederland, waar -zo ontstond het vermoeden- de dader zou wonen.

Na nader onderzoek werd een verdachte aangehouden. In de paar dagen dat hij in voorarrest zat, betrad een politieteam die bungalow om daar een keylogger op de computer te installeren. Deze tool registreerde toetsaanslagen en maakte schermafbeeldingen wanneer op die desktop of laptop gebruik werd gemaakt van communicatieprogramma’s zoals Skype of een internetbrowser. Hierdoor kreeg het onderzoeksteam inzicht in het internetgedrag op deze computers en kon de afscherming door het gebruik van een VPN-verbinding worden omzeild. Dat leverde genoeg bewijs op om nogmaals tot arrestatie over te gaan, en ditmaal ook tot vervolging.

Een verweer van de verdediging was dat die keylogger onrechtmatig was toegepast en dat de resultaten van het hulpmiddel niet betrouwbaar zijn en daarom niet mogen worden gebruikt voor het bewijs. Er zouden onregelmatigheden zijn zoals chatteksten die wel op de gemaakte schermafbeeldingen zijn te zien, maar niet terugkomen in de geregistreerde toetsaanslagen.

In Nederland is het gebruik van dergelijke technische hulpmiddelen gereguleerd in het Besluit technische hulpmiddelen strafvordering. Dit Besluit heeft tot doel de betrouwbaarheid en herleidbaarheid te waarborgen van de gegevens die daarmee zijn verkregen. Het hulpmiddel moet voldoen aan technische eisen; van de keuring moet door een keuringsdienst een rapport worden opgemaakt en de keuring moet plaatsvinden overeenkomstig een goedgekeurd keuringsprotocol. Dat was hier het geval. En de Hoge Raad had eerder bepaald dat als zo’n keuringsrapport er is, de rechter in principe moet aannemen dat het hulpmiddel betrouwbaar is.

Dat er onregelmatigheden blijken te zijn, kan een tegenargument zijn. Echter, die waren hier niet – althans niet zo zwaar dat het tot uitsluiting van het bewijs zou moeten leiden. De meeste toetsaanslagen klopten wél met de screenshots (en andersom), dus die paar missers zien we dan als afrondingsfouten, zeg maar.

Ook merkwaardig was dat de keylogger verdwenen was na de tweede aanhouding. Onduidelijk blijft wat er is gebeurd – heeft een virusscanner het ding verwijderd als malware, is er de remote destruct optie ingeroepen? – maar dat maakt niet uit. Want zelfs als die verwijdering op de raarst mogelijke manier is gebeurd, dan nog staat vast dat het verkregen bewijsmateriaal betrouwbaar is. De keylogger was immers gekeurd en volgens de regels geïnstalleerd.

Als laatste was er nog het argument dat de keylogger meer opnam dan was toegestaan in het bevel van de Officier van Justitie dat de toestemming gaf voor het installeren van de keylogger. Zo waren er op de screenshots tabbladen te zien van andere applicaties dan waar de keylogger bij zou moeten komen. Maar dat maaktook niet uit: dat op schermafdrukken meer is te zien dan alleen de ingestelde programma’s, maakt naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat sprake is van een verzuim.

Bij mijn weten de eerste keer dat zó expliciet een keylogger/spyware rechtmatig wordt verklaard bij de rechtbank. En het laat zien dat je als verdediging van goeden huize moet komen om daar dan nog gaten in te schieten.

Arnoud

Politie krijgt tien nieuwe teams om cybercriminaliteit te bestrijden

De politie gaat tien nieuwe cyberteams oprichten om cybercriminaliteit beter te kunnen bestrijden. Dat las ik bij Nu.nl. De teams gaan uit minimaal tien rechercheurs bestaan, die al in dienst zijn bij de politie. Zij worden ondersteund door digitaal specialisten die beschikken over specifieke ICT-kennis. NRC vult aan dat de focus mede komt te liggen op jihadistische propaganda opsporen. Alleen: hoe dan?

NRC legt uit:

Sympathisanten van IS gebruiken sociale media om zieltjes te winnen. De ‘Internet Referal Unit’ van de Nationale Politie gaat actief op zoek naar hun propaganda en vraagt providers de berichten te verwijderen. Ook zal het team producenten van de propaganda helpen opsporen. Nog deze maand worden vijf gespecialiseerde politiemedewerkers geworven voor de nieuwe eenheid.

Dat ‘vragen’ intrigeert mij dan. Is dit een journalistieke vrijheid? De politie heeft immers gewoon de bevoegdheid te eisen dat strafbare berichten worden verwijderd (art. 54a Strafrecht). Wel is daarvoor een machtiging van de rechter-commissaris voor nodig, omdat het immers gaat om het inperken van iemands meningsuiting. Maar zo kan een Nederlandse provider gewoon worden gedwongen iets weg te halen dat hier strafbaar is.

Wellicht dat men het houdt bij ‘vragen’ omdat veel van deze providers of platforms in het buitenland zitten. Het is dan praktisch niet echt mogelijk dingen te gaan eisen. En dan blijft vragen over. Maar hoe effectief is dat?

Op Netkwesties wijst Peter Olsthoorn erop dat dit nog best een kluif kan worden.

… de website Netherlands-embassy.ru. Dis is een nepsite, deels gekopieerd van de echte site van ambassade in Moskou. Het Russische ministerie van Buitenlandse Zaken haalde wel een link naar de nepsite weg, maar niet de site zelf. Buitenlandse Zaken vraagt daar tevergeefs om.

En als dat al niet lukt, hoe zou het weghalen van een bericht dan wel moeten lukken?

Het alternatief is het sluiten van vele convenanten of verdragen met andere landen over wat wel of niet strafbaar is, inclusief protocol over wederzijdse bijstand. Dan zou dus de Amerikaanse FBI op verzoek van onze politie een Amerikaanse provider iets gaan verbieden omdat beide landen het strafbaar vinden. En dat wordt nog lastig; in de VS is eigenlijk geen enkele uiting strafbaar behalve het gerichte aanzetten tot geweld. Dus hoe kun je ooit zo’n convenant opstellen?

Arnoud

Tweede Kamer wil agent niet meer herkenbaar in beeld, eh nee vergeet het maar

politie-bordje-logo-aangifte-bureau.jpgDe Tweede Kamer vindt dat politieagenten voortaan niet meer herkenbaar in beeld mogen worden gebracht, las ik bij het AD. Men spreekt zelfs van het tegengaan van ’treitervloggers’ die kennelijk agenten hinderlijk volgen. Maar de motie, die oproept tot een wetsvoorstel, gaat verder dan dat: agentenportretten mogen dan niet meer worden uitgezonden waar dan ook zonder blur. Ik zie niet hoe dat juridisch moet gaan werken.

De zorg van agenten snap ik, en ik zie zeker ook dat het echt irritant is om achterna gezeten te worden door een hijgerig typ met een GoPro op zijn hoofd die hoopt op een Dumpert-scoop. Maar een regel schrijven die dát verbiedt maar gewone journalistiek (“informatiegaring”) toestaat, lijkt me nog een hele kluif.

Eerlijk gezegd zie ik als jurist ook het probleem niet helemaal. Agenten hebben gewoon portretrecht, en al sinds 2005 weten we dat dat in principe betekent dat agenten moeten worden geblurd bij uitzending van beelden van hun werk. De persoon onder die pet doet voor het nieuws zelden ter zake, is daarbij de gedachte. Dat de politie iets raars zou doen, moet kunnen worden getoond, maar zonder identificatie van de specifieke persoon.

Natuurlijk, voor portretrecht moet die agent zelf naar de rechter. Dat is een civiele claim, dus dat kan duur en tijdrovend zijn. Maar je zou als werkgever – de politie – kunnen zeggen, wij betalen en regelen dat. Stukje goed werkgeverschap, en ik weet dat het ook al wel gebeurt. In theorie zou je zelfs als Openbaar Ministerie kunnen zeggen, we stoffen artikel 35 Auteurswet af: dat stelt strafbaar het zonder recht openbaar maken van iemands portret. Dan kan het OM dat gedoe op zich nemen en is de individuele agent verlost van het gedoe.

Het belangrijkste is echter dat al die regels een belangenafweging ingebouwd hebben. En dat mis ik in dit kabinetsvoorstel. Als er gewoon goede redenen zijn om een agent herkenbaar in beeld te brengen, dan moet dat mogen. Dan wint de uitingsvrijheid het van de privacy. Dat geldt voor burgers, dus waarom niet voor de politie. Dus nee, hier zie ik totaal geen heil of noodzaak in.

(Natuurlijk, het wetsvoorstel kan gewoon ook die belangenafweging hebben maar dan staat er hetzelfde als nu bij het portretrecht geldt: het mag niet tenzij een ander belang zwaarder weegt. Dat lijkt me weinig nuttig.)

Arnoud

Mag de politie zeggen “U twittert wel heel veel”?

twitter-agent-politieTwitterende tegenstanders van azc’s moeten rekening houden met een bezoekje van de politie. Mag dat? Dat schreef NRC vorige week. „Wij hebben orders gekregen om u te vragen op uw toon te letten. Uw tweets kunnen opruiend overkomen”, kreeg een Sliedrechtenaar te horen nadat hij had getwitterd over een AZC-bijeenkomst. Iets strafbaars zei hij niet, dus dat roept dan de vraag op, waar bemoeit die agent zich mee? En hoezo gaan ze dan langs je huis om wat te zeggen van je tweet?

In principe heeft een agent het recht zich te bemoeien met wat je in de openbaarheid doet, als dat de openbare orde raakt. Dat staat zo in artikel 3 Politiewet:

De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven.

Als een agent je ziet terwijl je hard fietsend op een rood stoplicht afkomt, dan mag hij je manen af te remmen, ook al ben je nog niet door rood gefietst. Dit artikel geldt dus niet alleen bij daadwerkelijk gepleegde strafbare feiten. Ik zie het principiële verschil niet tussen mensen op straat waarschuwen niet door rood te rijden en mensen op straat waarschuwen geen strafbare dingen te gaan roepen.

Artikel 3 is overigens niet bedoeld voor activiteiten waarbij de politie inbreuk maakt (“een meer dan geringe”, althans) op grondrechten van burgers. Een huis doorzoeken of iemands mailbox lezen kan dus niet op grond van dit artikel, daar is een specifiek bevel voor nodig onder het Wetboek van Strafvordering.

Maar, zo weten we ondertussen, de politie mag kijken wat er in het openbare internet allemaal gebeurt. In de jihadzaak van december werd over rechercheren op internet gezegd:

Zoals de politie, al dan niet in burger, op straat mag surveilleren en rondkijken, zo mag een rechercheur vanachter zijn computer hetzelfde doen op internet. Een uitdrukkelijke wettelijke grondslag is daarvoor niet nodig’. Daarbij wordt door de Minister opgemerkt dat deze bevoegdheid om rond te kijken op een openbaar netwerk niet de bevoegdheid impliceert om stelselmatig voor de uitoefening van de politietaak gegevens van internet te downloaden en in een politieregister op te slaan.

Op internet rondkijken is dus hetzelfde als op straat surveilleren. En als je op straat iemand hoort schreeuwen “Laat ze oprotten die teringleiers, we gaan met z’n allen naar het gemeentehuis”, dan mag je als agent even een praatje aanknopen. Ook als men slechts volstrekt legale bedoelingen heeft en niet meer wil dan oproepen tot een legale betoging bij het gemeentehuis om onvrede te brengen. (“Teringleiers” roepen in een politieke discussie lijkt me niet direct strafbare groepsbelediging.) Je zit in een grijs gebied met zo’n oproep, en deel van de taak van de politie is die grijze gebieden netjes houden.

Hetzelfde argument werd aangehaald bij het raadplegen van Google Earth in een belastingfraudezaak. Men citeert de minister:

Zoals de politie, al dan niet in burger, op straat mag surveilleren en rondkijken, zo mag een rechercheur vanachter zijn computer hetzelfde doen op Internet. Een uitdrukkelijke wettelijke grondslag is daarvoor niet nodig, mits dat optreden gerekend kan worden tot de uitvoering van de politietaak (zie artikel 2 [nu artikel 3, AE] Politiewet 1993).

Een keertje kijken op Google Earth viel hieronder, omdat het incidenteel was en een openbare bron. Twitter en Facebook zou ik in principe hier ook onder rekenen, in ieder geval zolang het openbaar is en je geen kunstgrepen met nepaccounts en bevrienden uit hoeft te halen. Immers, zelfs je volgen op Twitter is nog niet automatisch een “meer dan geringe” inbreuk.

Tegelijk lijkt het me zeker nogal heftig om een agent aan je deur te krijgen, heftiger dan op straat te horen “kan het even wat minder meneer”. Op straat is het direct gerelateerd aan je actie, en als men een week later thuis langskomt dan mis je die link. Maar ik zie dat als inherent aan het medium Twitter: men kan moeilijk direct er wat van zeggen, dus logisch dat het even duurt. Ik denk niet dat mensen onder de indruk zijn als de politie terug gaat twitteren “@jijdaarmetdiehashtag even dimmen meneertje”.

Arnoud