In Amerika is je computerbevoegdheid misbruiken geen computervredebreuk meer

Een verjaardagscadeautje voor rechtenprofessor Lawrence Lessig, zo tweette hij: het Amerikaanse Hooggerechtshof heeft de scope van de Computer Fraude and Abuse Act fors ingeperkt. Een agent die zijn bevoegdheid misbruikt om een politiedatabase te raadplegen (hij verkocht zeg maar RDW-gegevens aan criminelen) is vast op allerlei manieren strafbaar, maar hij pleegt geen computervredebreuk. In heel veel IT-rechtszaken was een brede lezing van de CFAA altijd een mooie hamer om verdachten tot schikken te dwingen, dus dit is inderdaad nogal een opsteker.

De agent in deze zaak had op zich rechtmatig toegang tot de database met politiegegevens, maar gebruikte deze om tegen betaling aan derden NAW-gegevens die horen bij een kenteken te verschaffen. Dat is natuurlijk misbruik van je bevoegdheid als politieagent, het schendt je geheimhoudingsplicht en zo nog wel een aantal dienstplichten. Maar zijn werkgever gooide het op computervredebreuk, computer fraud. Daar staan namelijk vele jaren cel op.

Het criterium voor computerfraude in de VS is erg breed: je pleegt het misdrijf als je “intentionally accesses a computer without authorization or exceeds authorized access.” In de praktijk wordt dat laatste vaak breed uitgelegd: iedere vorm van niet-bedoeld of niet-beoogd gebruik heet dan “exceeding authorized access”, of het nou gaat om een ingewikkelde technische bug gebruiken om meer te kunnen dan je mag, of om het niet opvolgen van een instructie op een geel briefje bij de receptie. Want als daarop staat “alleen gebruiken voor politiedoeleinden” dan ga je dat te buiten door de informatie op verzoek te verkopen, en dat is dan computervredebreuk.

Dat zat velen niet lekker, want zo kun je alles wel computervredebreuk noemen (en dat gebeurt dan ook). Vandaar dat deze uitspraak een positieve opsteker moet zijn:

The term “exceeds authorized access” is defined to mean “to access a computer with authorization and to use such access to obtain or alter information in the computer that the accesser is not entitled so to obtain or alter.” … An individual “exceeds authorized access” when he accesses a computer with authorization but then obtains information located in particular areas of the computer—such as files, folders, or databases—that are off-limits to him.
In normale taal staat hier dat je pas van “exceeding” spreekt als je iets voor elkaar krijgt dat je niet zou moeten kunnen. Je doorbreekt een beveiliging of je misbruikt een technische voorziening, zouden wij in Nederlandse termen (art. 138ab Strafrecht) zeggen. Enkel tegen het beleid ingaan is geen “exceeding”, want je wás geautoriseerd om daar te zijn, je account had er toegang of privileges voor. Dat het beleid was om daar alleen soms te zijn of alleen voor bepaalde doelen, is niet relevant voor de bepaling of je onder deze strafwet toegang hebt.

In Nederland geldt deze regel al langer. Zo is het versturen van een vervalste betalingsinstructie naar een bank géén computervredebreuk: als jij bevoegd bent om betalingsinstructies te sturen, dan is ook deze bevoegd gestuurd. Dat de instructie zelf vals is (het geld gaat naar de verkeerde rekening) maakt het insturen zelf niet onbevoegd. Andermans wachtwoord gebruiken is wél computervredebreuk, want dat wachtwoord geeft niet jou maar die ander de bevoegdheid.

Een grijs gebied ligt in gebieden zoals URL-manipulatie: de informatie is op zich beschikbaar zonder formele autorisatie, maar er is ook weer geen openbare bekendmaking van die informatie geweest. Zoals wanneer je “20191225-3998” verandert in “20211225-4006” en dan de kersttoespraak uit 2021 krijgt. Die 4006 moest je raden maar dat is vrij triviaal, en men had net zo makkelijk een wachtwoord erop kunnen zetten. Volgens deze Amerikaanse uitspraak is dit géén computervredebreuk, want je mocht bij alle informatie op deze publiek webserver en er is geen formeel onderscheid tussen een URL aanklikken en willekeurige tekens achter elkaar zetten in een bevraging bij de website.

Arnoud

 

Gemeenten blijven nepaccounts gebruiken om burgers online te volgen

Verschillende gemeenten die nepaccounts inzetten om online informatie van burgers te verzamelen, stoppen daar niet mee. Dat las ik bij Nu.nl, dat zich baseert op onderzoek door de Volkskrant. Zo noemt de gemeente Tilburg het noodzakelijk om de privacy van ambtenaren te garanderen. Utrecht gebruikt in “uitzonderlijke gevallen” een geanonimiseerd account voor onderzoek naar illegale prostitutie. Dat verbaast gezien de ophef onlangs over het online undercover volgen en monitoren. Kennelijk leeft de gedachte dat het allemaal niet zo erg is, en bovendien toch alleen maar gaat om crimineel of onrechtmatig gedrag.

In mei werd bekend dat gemeenten op grote schaal meekijken met burgers op sociale media, “een methode die alleen politie en inlichtingendiensten onder strikte voorwaarden mogen inzetten”, aldus Nu.nl destijds. En dat terwijl 95 procent van de ondervraagde ambtenaren zegt dat hun gemeente aan online monitoring van burgers doet, en 54% dat er geen beleid op is. Dit mocht niet van de AVG, was toen mijn conclusie. Maar kennelijk zien gemeenten dat nu dus anders.

Inzicht krijgen in mogelijke ongeregeldheden, zoals rellen en demonstraties, en dus ook het monitoren van illegale prostitutie en misschien wel foutparkeren is dan de rechtvaardiging. Maar, zoals Jaap-Henk Hoepman terecht zegt, nog afgezien van de massaliteit en scope:

in plaats van op zoek te gaan naar mogelijk relevante advertenties en vervolgens te kijken door wie ze geplaatst zijn, wordt de volgorde omgekeerd: eerst worden mogelijk relevante, dus op voorhand verdachte, burgers geselecteerd waarvoor vervolgens gecontroleerd wordt of ze relevante advertenties hebben geplaatst (of anderszins ‘kwaad’ in de zin zijn). Dit draait ondermijnt de onschuldpresumptie: in plaats van op zoek te gaan naar een mogelijke dader van een bekend misdrijf, gaat de gemeente op zoek naar een mogelijk misdrijf bij een vooronderstelde dader.
En dan komen we bij een veel fundamenteler probleem: als je even zoekt, vind je al snel wel iets waar een vlekje op zit. Zeker als het gaat om wetgeving in het sociale domein, zoals uitkeringen. Het is algemeen bekend dat de regels ondoorzichtig zijn en dat normaal menselijk gedrag als keiharde criminaliteit wordt gezien – denk aan die wekelijkse tas met boodschappen aan je kind geven, een evidenter geval van fraude heb ik nog nooit gezien. Zei hij sarcastisch.

Ik zie bijvoorbeeld in rechtspraak regelmatig opduiken dat mensen spullen op Marktplaats verkopen. Dat is dus ook fraude: je moet die inkomsten wel opgeven, en als je te veel verkoopt dan ben je ondernemer en kom je dus niet meer in aanmerking voor een uitkering. Dit had je vooraf moeten melden, dus met terugwerkende kracht graag alles terugbetalen. Dat soort dingen.

Daar komt bij dat je door die massaliteit (je kunt automatisch en dus grootschalig scannen) je een heel onmenselijk proces creëert. Waar een ambtenaar nog even moet gaan kijken en zijn eigen juridische onderbuik mee kan laten wegen, kom je nu niet verder dan keyword analyse (pardon “artifical intelligence” als je niet uitkijkt) en daarna kan meneer of mevrouw in het bakje “verdacht van fraude” waarna meneer of mevrouw moet bewijzen daar niet te horen. Buitengewoon ergerlijk dus.

Arnoud

 

Telecomprovider Voys hoeft geen boete te betalen wegens weigering datadelen CIOT

Telecombedrijf Voys hoeft van het Nederlandse gerecht geen boete of dwangsom betalen omdat het weigerde klantendata te delen met de overheid wegens privacyoverwegingen. Dat meldde Tweakers dit weekend. De rechtbank vonnist dat Voys (dat tegenwoordig VoIPGRID heet) geen afdoende antwoorden kreeg op vragen en daarom niets verweten kan worden bij haar weigering sinds 2010. Die vragen betroffen data-verantwoordelijkheid, aansprakelijkheid en beveiliging. Echter nu de duidelijkheid er wel is, moet ze gewoon gaan beginnen.

Voys maakt bezwaar tegen de CIOT-databank, die sinds begin jaren nul actief is. Telecomproviders moeten elke dag hun logs (met name NAW + toegewezen IP-adres van klanten) daar uploaden, zodat Justitie daarin kan nazoeken wie het was als men bij een online misdraging een IP-adres tegenkomt. Daarbij zijn al vanaf het begin vele grote vraagtekens gesteld, onder meer door Bits of Freedom. En Voys vond dat zij vanwege die onduidelijkheden niet gehouden was mee te werken.

Zijdelings woog mee dat Voys zich zorgen maakte over claims van klanten: als provider moest je ermee akkoord gaan dat het CIOT niet aansprakelijk was voor eventuele claims, dus die kon jij op je bordje krijgen. Maar daar maakt de rechter korte metten mee. De verstrekking aan het CIOT, en het gebruik daarna door Justitie, is allemaal wettelijk geregeld. Als er dan iets fout gaat in die verwerking, dan komt dat op het bordje van het CIOT:

Eventuele onrechtmatige raadpleging van het CIS, komt dus niet voor verantwoordelijkheid van eiseres en levert dus ook geen aansprakelijkheid van eiseres op. Dit blijkt ook uit de nota van toelichting bij de wijziging van het Bvgt (Stb. 2006, 426, blz. 10) … Bedrijven zijn niet aansprakelijk voor onrechtmatige bevraging van de gegevens, noch voor onjuiste interpretatie van correct aangeleverde gegevens.
Zoals ik zelf ook bij meerdere partijen had gezien, was in de eerdere verwerkersovereenkomst (die tot ver na 2018 nog bewerkersovereenkomst heette) opgenomen dat het CIOT niet aansprakelijk is voor eventuele boetes die aan de provider worden opgelegd vanwege de schending van privacyregels. De reactie daarop was bepaald onduidelijk, en bleef sowieso uit tot in de administratieve beroepsfase. In zo’n geval mag een bestuursorgaan geen boete opleggen.

De dwangsom (vanaf nu gaan doen anders per dag geld betalen) blijft wel in stand. Want nu dit vonnis er ligt, zou alles duidelijk moeten zijn en zijn de zorgen van Voys niet meer relevant. Dan blijft alleen nog over dat er een wettelijke plicht is, en voor een rechter is het vrij logisch dat je doet wat een wettelijke plicht zegt.

Verweerder heeft er in dit verband terecht op gewezen dat het van groot maatschappelijk belang is dat iedere aanbieder is aangesloten bij het CIOT. Dit is noodzakelijk voor de effectieve opsporing van strafbare feiten. Als in een hypothetische situatie alle aanbieders zouden besluiten zich niet aan te sluiten op het CIS, dan wordt het voor de opsporingsdiensten zoeken naar de spreekwoordelijke ‘speld in de hooiberg’ bij welke persoon een IP-adres of telefoonnummer hoort. De opsporing van strafbare feiten zou daardoor ernstig worden bemoeilijkt.
Voys stelt in hun FAQ dat ze pas mee zouden werken als de beveiliging bij het CIOT op orde zou zijn. Daar gaat de rechter verder niet op in, net zo min als op de klacht van Voys dat er geen audit-trail is in die enorme database met alle NAW+IP gegevens van alle Nederlanders met wanneer ze online en offline gingen. Oftewel niemand houdt bij wie welke opvragingen doet. (Het Haga-ziekenhuis werd onder meer daarvoor beboet.) Maar uiteindelijk is dat dus “niet het probleem” van Voys, formeel gezien. Ik vraag me dan af wat er nodig zou zijn voordat je wél mag zeggen, die database van een overheidsinstantie is zo slecht beveiligd daar hoeft niemand data in te stoppen.

Arnoud

Gemeenten zouden op grote schaal burgers bespieden op sociale media

Nederlandse gemeenten zouden op grote schaal meekijken met burgers op sociale media, zo las ik bij Nu.nl (op gezag van dit rapport). Controversieel is dat de gemeente onder meer nepaccounts gebruikt, terwijl dit niet zou zijn toegestaan. “Een methode die alleen politie en inlichtingendiensten onder strikte voorwaarden mogen inzetten”, aldus de nieuwssite. En dat terwijl 95 procent van de ondervraagde ambtenaren zegt dat hun gemeente aan online monitoring van burgers doet, en 54% dat er geen beleid op is. Hoe zit dat juridisch?

Het klopt dat politie en inlichtingendiensten alleen onder strikte voorwaarden undercoveroperaties mogen uitvoeren. En ja, met dat grote woord omschrijven we ook het aanmaken van nepaccounts om mensen online te volgen terwijl ze zich onbespied waren. Waarmee niet gezegd is dat ieder account van een agent automatisch een undercoveroperatie is: met een Instagram-account rondkijken naar “toegankelijk voor alle ingelogde gebruikers”-content is bijvoorbeeld geheel legaal. Het gaat om dingen als vrienden worden met mensen, in besloten groepen toegelaten worden of in privéconversaties dingen vernemen van mensen.

Die strenge regels zijn er omdat in het strafrecht de belangen groot zijn, en de zorgen over machtsmisbruik ook. Bij gemeentes is er de complicatie dat dit geen strafrecht is maar bestuursrecht, en daar zijn de regels vaak net even anders. Er is bij mijn weten in de Algemene Wet Bestuursrecht geen verbod op het undercover vergaren van inlichtingen. Helaas staat er ook niet expliciet dat het wél mag, behalve dan de generieke zin dat de opsporingsambtenaar bevoegd is “elke plaats te betreden met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner.” Ook moet iedereen meewerken en inlichtingen geven.

Het rapport wijst echter op een veel directer conflict: zo’n elektronisch volgen en monitoren is een vorm van elektronisch verwerken van persoonsgegevens die onder de AVG valt. En sterker nog, die verboden is onder de AVG omdat het door een overheidsorgaan gebeurt. Er is immers geen specifieke wettelijke regeling die het toelaat, zodat de grondslag onder de AVG ontbreekt. (De grondslag van het legitiem belang mag een overheidsorgaan niet gebruiken bij uitoefening van haar openbare taak.)

Er blijken ook gemeentes te zijn die de data bij een extern bedrijf inkopen. Ik lees dan de bekende idioterie dat “dit niet onder de privacywet valt omdat het om openbare gegevens gaat” of dat zo’n bedrijf een legitiem belang kan claimen bij haar bronnenonderzoek. Dat is gek maar doet voor de gemeente niet af dat zij voor verwerking van zulke gegevens een wettelijke grondslag nodig heeft.

Tot mijn (positieve) verbazing sluit het rapport dan zo af:

Binnen gemeenten wordt gemonitord om redenen die volstrekt begrijpelijk zijn, gelet op de juridische positie van de burgemeester en de maatschappelijke positie van de gemeente. Veel van de juridische eisen lijken in de praktijk nageleefd. Dat is niet vanwege kennis van een concreet juridisch kader. Want maar 21% van de medewerkers vindt het juridisch kader duidelijk. Toch lijken intuïtief of op basis van ethische overwegingen veel zaken goed te gaan. Zo worden er volgens respondenten in beperkte mate dossiers bijgehouden, zijn medewerkers terughoudend in het ‘doorklikken’ op profielen en geven ze aan dat ze voor online monitoring nooit (40%) of beperkt gebruikmaken van privéaccounts (38%) en nooit (67%) of beperkt gebruikmaken van nepaccounts (13%).
De zorg is wel dat gemeente denken “We hebben de mensen, we hebben de middelen, het lijkt te werken, en dus gebruiken we het.” Slechts één op de zes gemeenten betrekt de functionaris gegevensbescherming bijvoorbeeld bij monitoring. Dat kan dus grote problemen opleveren, inclusief schadeclaims door mensen die onterecht bekeken of gevolgd zijn. (Nog los van de praktische problemen zoals nepaccounts, of mensen die ‘grappig’ doen door bijvoorbeeld nepdrugs of zogenaamd de nieuwe auto te laten zien.)

Dit moet dus beter: een wettelijke regeling lijkt me zeker een goed idee. Mij is niet helemaal duidelijk waarom het rapport zegt dat dit niet in de APV mag maar een wet in formele zin vereist (een wet aangenomen door het parlement), volgens mij eist de AVG alleen dat er een wéttelijke regeling is en de APV is materieelrechtelijk gewoon een wet. Maar het is natuurlijk in ieder geval de beste route als de rijksoverheid de kaders stelt waarbinnen gemeenten mogen opereren, lijkt me.

Arnoud

 

Met ‘online straatverbod’ hoopt burgemeester Halsema online shamers harder aan te pakken

Door middel van ‘online straatverboden’ hoopt burgemeester Halsema de ongewenste verspreiding van privébeelden op internet harder aan te kunnen pakken. Dat las ik bij AT5. De burgemeester wil hiermee ervoor zorgen dat daders zich niet meer in de buurt van een slachtoffer kunnen vertonen, ook online. De gemeente onderzoekt nog of het überhaupt juridisch haalbaar is, lees ik dan. Ik ga een poging wagen.

De zorg over online naming en shaming van met name kwetsbare jongeren wordt steeds groter, en het blijft lastig om dit op een effectieve manier aan te pakken. Maar de impact kan enorm zijn bij de slachtoffers, zoals een dertienjarig meisje dat door publicatie van zulke beelden zich tot zelfdoding gedwongen voelde. Vandaar dat ook gemeentes naar nieuwe instrumenten zoeken.

In april vorig jaar hadden we het over een internetverbod voor overlastgevers. De burgemeester is immers bevoegd mensen gebiedsverboden en huisverboden te geven, zo staat in de Gemeentewet (art. 172a). Maar dat gaat over fysieke terreinen, iets waar het vrij logisch is dat de gemeente er over gaat. Het is immers in hun gemeente.

De enige mogelijk relevante bevoegdheid voor internetverboden zou in artikel 172 lid 3 zijn:

De burgemeester is bevoegd bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, de bevelen te geven die noodzakelijk te achten zijn voor de handhaving van de openbare orde.
Dit wordt gezien als een ‘lichte’ bevoegdheid, omdat ze wordt ingezet bij lichte vergrijpen waarbij er eigenlijk geen aparte strafbaarstelling is. Een tijdelijk gebiedsverbod is hiermee mogelijk. Dit artikel is ingevoerd als deel van de Voetbalwet, maar is natuurlijk niet alleen inzetbaar bij te verwachten voetbalrellen of iets dergelijks. Je zou kunnen zeggen dat dit artikel ook kan toezien op internet: als iemand via internet de orde in de gemeente verstoort, dan zou je hen kunnen verbieden internet op te gaan, althans dat deel waar zhij die verstoring veroorzaakt.

De aanleiding in 2020 waren diverse cyberaanvallen, wat ik nog wel wil zien als een verstoring van de openbare orde. Alleen heb ik moeite om diezelfde term te passen op chantage of vernedering van één persoon. Hoe kwetsend ook, een openbare orde verstoring is dat niet. Daar zou je pas aan zitten als er grootschalig aandacht voor komt, waardoor de gemeente als zodanig in oproer of verstoring komt. Dat kan zeker aan de orde komen bij dit soort wangedrag, maar de boel moet dan zeg maar al een eind uit de hand gelopen zijn.

Natuurlijk is er een politiezaak van te maken, je zou zeggen dat dit vrij eenvoudig als smaad (vanwege de reputatieschade die men probeert aan te richten) of het verspreiden van kinderporno (veel slachtoffers zijn minderjarig) te kwalificeren is. Helaas komt dat vaak niet goed van de grond. Ik citeer AT5:

Experts en gemeente zijn huiverig voor de verkeerde reactie op de soms heftig verhalen. Halsema: “De reactie mag natuurlijk nooit zijn dat je je lichaam niet meer kunt laten zien. De fout zit niet op je lijf, maar op de reacties.” Dit zogenoemde ‘victim blaming’ is één van de grootste problemen rond exposing en shaming.
Zelf ken ik van klanten ook die problemen: wil je aangifte doen, krijg je te horen dat je dan zelf óók mogelijk vervolgd kunt worden omdat je de foto als veertienjarige zelf hebt gemaakt. Of, en daar ben ik echt verbijsterd over, dat “je social media ook kunt negeren”.

Arnoud

Duitse privacywaakhond verbiedt Facebook om WhatsApp-data te gebruiken

De Hamburgse privacytoezichthouder heeft Facebook verboden om WhatsApp-data van Duitse gebruikers voor eigen doeleinden te gebruiken. Dat meldde Tweakers afgelopen vrijdag. Het besluit van de Hamburgse commissaris met de onuitsprekelijke afkorting HmbBfDI heeft te maken met de gewijzigde gebruiksvoorwaarden van WhatsApp, die een dergelijke koppeling zouden autoriseren. Tegelijk was bij de overname van WhatsApp door Facebook nadrukkelijk gezegd dat dit in Europa niet mocht gebeuren. Dus hoe zit dit nou?

‘Je kunt niet volledig gebruikmaken van WhatsApp totdat je de updates aanvaardt. Voor een korte periode kun je nog wel oproepen en meldingen ontvangen, maar je kunt geen berichten lezen of verzenden via de app.’ Dat dreigt WhatsApp dus al een tijdje om mensen zo ver te krijgen de nieuwe voorwaarden van hun dienst te accepteren. Deel dan gewoon mee dat je de voorwaarden aangepast hebt, denk ik dan; op deze manier toestemming afdwingen is in geen enkel rechtsstelsel bindend. Maar goed.

Het probleem is natuurlijk dat WhatsApp sinds haar oprichting altijd zei dat ze nooit persoonsgegevens aan anderen zou geven, en dat na de overname door Facebook dit altijd in de lucht hing, door voorlichters met mooie praatjes weg werd gebagatelliseerd en er dan nu toch komt. (Ik ga geen moeite doen de babbelzinnen over gebruikservaring op te zoeken, we weten allemaal dat het gaat om de extra profileringsdata.)

Onderdeel van de goedkeuring van de overname van WhatsApp door Facebook was de aanname dat de twee diensten niet gecombineerd zouden zijn. Dat kon ook niet, aldus Facebook, vanwege fundamentele technische redenen. Dat bleek in 2017 toch anders te liggen, reden voor de EU om 110 miljoen boete op te leggen en het nogmaals te verbieden. En op papier klopt het ook; WhatsApp zal in Europa gewoon blijven werken zoals het deed en geen data delen.

Ja, zeggen ze. Precies. Want dat is waar de ophef vandaan komt. Waarom moet ik akkoord gaan met nieuwe voorwaarden als er niets verandert voor mij? Wat probeert men alsnog stiekem af te dwingen met zo’n enorm chantage-machtsmiddel? Ik snap best dat mensen zich daar zorgen over maken. Goede stap dus dat de HmbBfDI (AP is toch makkelijker) expliciet een verbod oplegt, hoewel ik niet kan vinden of er meteen een dwangsom of boete bij hangt.

Uiteraard zegt WhatsApp dan dat dit besluit berust op een misverstand en dat men gewoon doorgaat omdat er niets aan de hand is. Als er niets aan de hand was, dan zou een normaal bedrijf zeggen “We houden ons keurig aan dat verbod want dit gingen we helemaal niet doen”. Dus ik blijf skeptisch.

Arnoud

SIDN hoeft zonefile met alle .nl-domeinnamen niet aan bedrijf te verstrekken

De Stichting Internet Domeinregistratie Nederland (SIDN) hoeft de zonefile van het .nl-domein, die alle domeinnamen eindigend op .nl bevat, niet aan het bedrijf Dataprovider te verstrekken, zo heeft de Autoriteit Consument & Markt (ACM) geoordeeld. Dat las ik bij Security.nl begin deze week. Dataprovider wilde de zonefile van het .nl-domein omdat dit behulpzaam zou zijn bij het leveren van online merkbeschermingsdiensten, en ervoer de weigering als een misbruik van de machtspositie die SIDN heeft.

Merkbewakingsdiensten zien het controleren op domeinnamen als een belangrijk deel van hun taak; regelmatig duiken er natuurlijk nepperds op met varianten op de merk-domeinnaam, en die wil je zo snel mogelijk opsporen en aanschrijven. Als je dan de volledige zonefile hebt (zeg maar een Excel met alle domeinnamen die op .nl eindigen) dan kun je daar heel makkelijk in zoeken.

Dataprovider maakte gebruik van crawlers om zo veel mogelijk domeinnamen te achterhalen, maar dat is natuurlijk niet perfect. Iemand die een domeinnaam registreert en daar helemaal niets mee doet, die krijg je op die manier niet snel gevonden. Maar met de zonefile zou je die normaal wel kunnen vinden – en dan gelijk juridisch aanpakken.

SIDN biedt zelf ook merkbewakingsdiensten, waarmee je de .nl (en andere zones die SIDN beheert) domeinnamen die lijken op je merk kunt bewaken. Dat zag Dataprovider als een oneerlijke concurrent, en ze stapte naar de ACM om deze toezichthouder een eind te laten maken aan die situatie. Want SIDN heeft de macht over .nl en zou dan het misdrijf van leveringsweigering kunnen plegen, om zo een concurrent op afstand te houden.

Zoals de ACM uitlegt, ligt de lat daarvoor alleen erg hoog:

Het aanmerken van een leveringsweigering als misbruik, vereist dat de levering van de geweigerde input objectief onmisbaar is om daadwerkelijk op de stroomafwaartse markt te kunnen concurreren. Als dit het geval is, zal een dergelijke weigering doorgaans de daadwerkelijke mededinging op de stroomafwaartse markt, onmiddellijk of na verloop van tijd, dreigen uit te schakelen. Het risico van een daadwerkelijke uitschakeling van de mededinging is over het algemeen groter naarmate het marktaandeel van de onderneming met een machtspositie, op de stroomafwaartse markt groter is. Ook is vereist dat voor de leveringsweigering geen objectieve rechtvaardiging bestaat.
Met name de eis van “onmisbaar” is natuurlijk ontzettend streng. Maar wel terecht: ook een onderneming met een machtspositie mag zijn of haar klanten kiezen. Pas wanneer er niets te kiezen valt (de machthebber is onmisbaar) dan kom je in het terrein van misbruik terecht. Enigszins tot mijn verrassing lees ik dan dat
Dataprovider heeft aan de ACM verklaard dat, ondanks dat het domein .nl in Nederland belangrijk is, het beschikken over de .nl zonefile voor haar niet noodzakelijk is om op de stroomafwaartse markt te kunnen opereren.
Ik zou wel eens willen lezen wat Dataprovider dan precies zei, want iedere jurist weet dat als je toegeeft op een kernaspect van je eis, dat je dan grote kans maakt om te verliezen. Maar goed, in de kern is het waar: met scrapen en trucs als “iedere neppert op .com even checken bij .nl” kom je ook een heel eind en je bedrijf staat niet op omvallen dus écht onmisbaar is die zonefile niet.

Het meer fundamentele bezwaar is dat SIDN zowel de .nl zone beheert als een domeinbewakingsdienst exploiteert die daarmee samenwerkt. Maar dit “blijkt echter niet een dusdanig voordeel op te leveren dat dit het aanzienlijke aantal concurrerende aanbieders van SIDN ervan weerhoudt op deze markt actief te zijn”.

Arnoud

Het verschil tussen een cybercrimetool hebben en cybercrime plegen

Een lezer vroeg me:

Als zelfstandig security onderzoeker en pentester heb ik natuurlijk allerlei tools om sites en diensten te checken. In theorie zou je dat strafbare middelen kunnen noemen, want ik kan er ook zonder opdracht mee gaan werken en dan ergens binnendringen, ik pleeg dan computervredebreuk. Hoe ziet de wet het verschil?
Het bezitten van security-tools is legaal. Het bezit van hacktools niet. Het verschil tussen die twee is niet met een technische term te geven, want het gaat erom of die tools bestemd zijn voor misdrijven én of het jouw bedoeling was om ze zo in te zetten. Dat kun je aan de tool niet zien. Aanbieders van tools kijken wel uit om er “hiermee hack je snel je moeder” erbij te zetten. Dan krijg je eerder “controleer uw organisatie” of, zoals bij ddos-tools, “check of je site ddos-bestendig is”.

Een arrest uit vorig jaar augustus laat mooi zien hoe de rechtspraak de grens trekt tussen die twee. In deze zaak had een jongen een tool gebruikt waarmee je kunt testen of een bestand door virusscanners zou worden herkend als malware. Deze internetdienst, Razorscanner genaamd, controleert dan je upload met alle virusscanners ter wereld – zodat jij weet of je malware daar voorbij zou komen. Zeer geruststellend voor de klant wordt tevens gemeld dat “De maker van Razorscanner garandeert dat de gegevens met betrekking tot de in het programma geüploade bestanden niet aan de makers van anti-virusproducten worden doorgegeven.” (Ik zou het hilarisch vinden als achteraf blijkt dat ze dat wel deden.)

Aanverwant is de dienst Razorcryptor, die malware kan verstoppen door het bijvoorbeeld te koppelen aan andere software. Deze dienst werd samen met Razorscanner aangeboden, op basis van pay-as-you-go met vooraf gekochte credits. De verdachte had credits gekocht, maar stelde alleen met Razorscanner te hebben gewerkt.

Het Hof begint met vaststellen wat er nu precies strafbaar is, en daar kwamen we natuurlijk voor. Artikel 139ab Strafrecht lid 2 bepaalt:

Met dezelfde straf [als computervredebreuk, lid 1] wordt gestraft hij die, met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 138ab, eerste lid, 138b of 139c wordt gepleegd: a. een technisch hulpmiddel dat hoofdzakelijk geschikt gemaakt of ontworpen is tot het plegen van een zodanig misdrijf, vervaardigt, verkoopt, verwerft, invoert, verspreidt of anderszins ter beschikking stelt of voorhanden heeft, of (…)
De discussie die we meestal hebben, is of een bepaalde tool ontworpen is voor het plegen van computervredebreuk of de andere genoemde cybercrimedelicten. Een security scanner heeft ook legitieme doelen, denk aan een bedrijfsnetwerk dat je controleert op brakke byod-apparaten of een onderzoek voor je ISO certificering.

Het Hof heeft er geen moeite deze scandienst te zien als hulpmiddel voor het plegen van computervredebreuk. Je kunt nu je malware (waarmee binnendringen vaak gepleegd wordt) beter afstemmen op het omzeilen van de antivirussoftware van organisaties. Dat is dus effectieve hulp, en duidelijk enkel en alleen bestemd voor computervredebreuk. Verzin maar eens een legitieme reden waarom je zou willen dat iets een virusscanner omzeilt.

Maar het artikel kent nóg een bepaling, namelijk dat je dat hulpmiddel voorhanden hebt met het oogmerk dat daarmee computervredebreuk wordt gepleegd. Oftewel, dat je als verdachte ook echt dat misdrijf ging plegen. Enkel dat je het hulpmiddel hebt, is dus niet genoeg. Misschien had je het per abuis, misschien was je het als journalist of researcher aan het uitpluizen, of misschien was je gewoon nieuwsgierig.

Nee, dat laatste vind ik ook geen héle sterke. Maar tot mijn verbazing zag het Hof hier dat -even kort gezegd- wél aanwezig.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij tijdens zijn middelbareschoolperiode geïnteresseerd is geraakt in de werking van malware en de detectiemogelijkheden van anti-malwareprogramma’s. Onder andere met behulp van MSFencode verstopte de verdachte malware in bestanden en uploadde deze bestanden naar onder meer Razorscanner. Ook testte hij bestanden die hij vond op internet. …
Een concrete aanwijzing was nog dat hij dezelfde malware meerdere malen uploadde, maar nooit malware had gewijzigd nadat de scanner had gezegd dat deze wel gedetecteerd zou worden. Daarom
kan aan de inhoud van het strafdossier en de hiervoor weergegeven informatie geen bewijs worden ontleend dat de verdachte bestanden met daarin malware naar Razorscanner heeft geüpload louter met de bedoeling te vermijden dat de omstandigheid dat de daarin aanwezige malware door geen enkele of slechts een beperkt aantal anti-malwareprogramma’s detecteerbaar was, ter kennis zou worden gebracht van de producenten van dergelijke scanners.
Er is sprake van een geloofwaardige weerlegging die de verdenking ontkracht, aldus het Hof. Dit is niet alleen maar een “nee ik was gehackt” of “ik wilde alleen maar controleren of internet tegen een ddos kon”, hier is een onderbouwing gegeven die past bij de persoon en de feiten die zijn gevonden. (Wie nu denkt, ik verzin op dat moment ook wel een leuk verhaal dat past bij de feiten – de politie heeft meer feiten dan jij denkt, deelt niet alles met je en hangt je, terecht, op aan je leugens.) De verdachte gaat dus vrijuit.

Arnoud

Bol.com trapte in phishingmail en maakte 750.000 euro over naar oplichters

Bol.com heeft 750.000 euro overgemaakt naar oplichters nadat het bedrijf in een phishingmail was getrapt, las ik bij Tweakers. De rechtbank Midden-Nederland oordeelde recent dat men argwanender had moeten zijn. Weliswaar klopte het afzendermailadres (door een computerhack) en leken ook layout en namen correct, maar het taalgebruik was van het niveau Google Translate halfbakken Engels en dat is voor twee jarenlang samenwerkende Nederlandse bedrijven bepaald gek.

Op 25 november 2019 werd een e-mail aan ‘supplierfinance@bol.com’ gestuurd met onder meer de volgende inhoud: ‘Bijgevoegd vindt u onze nieuwe betalingsroute zoals opgedragen door het management, doe het nodige voor de volgende betaling. Alvast bedankt!’. Afzender: meneer [A], wiens mailbox was gehackt “via de cloud”. Het vonnis bevat een printscreen van de gehele mail. De strekking: een verzoek om betalingen voortaan niet meer over te maken aan de bij Bol.com bekende bankrekening van Brabantia Netherlands maar aan een Spaanse bankrekening die ten name van ‘Brabantia International B.V.’ zou staan.

De oplichter bleek hardnekkig want de navolgende dagen werd een keurige reminder gestuurd (“Kunt u bevestigen dat uw crediteurenadministratie is bijgewerkt als bijgevoegd.“) Uiteindelijk werd daarop gereageerd, maar die mail bleef buiten het zicht van de gehackte Brabantia-medewerker. Daarna dacht Bol.com alles geregeld te hebben en werden de verkoopopbrengsten keurig overgemaakt naar het nieuwe nummer. Na zo’n 750.000 euro niet te hebben gekregen, trok het Brabantse bedrijf aan de bol, sorry bel, en kwam de fraude uit.

Wie draait daar voor op? Het begon dus bij een overgenomen mailbox van een medewerker van Brabantia, en ook kon men bij het briefpapier-template van Brabantia, zodat het op zich echt doen lijken van de berichten mogelijk was. De inhoud van de mails gaf echter te denken:

Om te beginnen bevat deze merkwaardige fouten als ‘Houd he [?] rekening mee’ en de frase ‘een wijziging in onze bankrekeninggegevens hebben voor incaende [?] betalingen’, waarbij ‘incaende’ meer dan een gewone typefout lijkt. Bovenal roept de frase ‘moten all incoming betalingen have been overgemaakt’ onmiddellijk grote vraagtekens op, zelfs als een zekere mate van gebrekkig taalgebruik of een overmatig gebruik van het Engels voor lief wordt genomen.
Bol.com moest begrijpen dat dergelijke frases praktisch niet van directeuren van Brabantia Netherlands afkomstig kunnen zijn of door hen kunnen zijn goedgekeurd. Dat met de daarop volgende Engelstalige passage ‘niets mis is’, zoals Bol.com benadrukt, doet hier niet aan af, nog afgezien van het feit dat het gebruik van de Engelse taal in deze context op zich zelf al tot twijfel had moeten leiden.

Vanwege al deze omstandigheden is de conclusie voor de rechter helder: Bol.com had beter op moeten letten, en zij heeft dus wanprestatie gepleegd jegens Brabantia door die 750k niet te betalen op de rekening waar die hoorde te komen.

Het enige vind ik steekhoudende tegenargument is dat Bol.com dus had gereageerd naar Brabantia (het gehackte mailadres) en dat men daar het niet opgepakt had. Dat kwam omdat de crimineel mails met als afzender Bol.com in het mapje “RSS Feeds” (zo’n standaardmap van Outlook die niemand wil) had laten komen en automatisch als gelezen gemarkeerd. Zo kon die keurig reageren maar zou de medewerker die waarschijnlijk niet zien. Je zou dan zeggen: die berichten zijn bij Brabantia aangekomen, het niet checken van dat mapje is voor rekening van dat bedrijf dus die hadden het moeten zien. Alleen:

Bij de vraag of Bol.com te goeder trouw was bij de betalingen, is bepalend of zij had moeten twijfelen (zie hiervoor in 3.11). Hiervoor heeft de rechtbank vastgesteld dat Bol.com door de brief van 25 november 2019 ernstig moest twijfelen. Die ernstige twijfel wordt naar het oordeel van de rechtbank niet weggenomen doordat Brabantia Netherlands de bevestiging van Bol.com onbeantwoord heeft gelaten.
Bol.com had al moeten twijfelen vóórdat ze een reply stuurde, laat staan voordat ze het rekeningnummer aanpaste. En dan kun je dus niet zeggen “jullie hebben nooit gereageerd op ons bericht dat we het nummer aangepast hebben”. Ook het sturen van betalingsaankondigingen hielp haar niet, als leverancier hoef je daar niet naar te kijken en al helemaal niet te denken, wat raar dat ze vier weken na de aankondiging nog niet betaald hebben.

Ook een argument van Bol.com was dat Brabantia haar mailboxen beter had moeten beveiligen, bijvoorbeeld met tweefactorauthenticatie. Dan was de inbraak waarschijnlijk niet gelukt, en had dit alles voorkomen kunnen worden. Een terechte klacht, en dit had ook zeker de doorslag gegeven als de mail perfect Nederlands was geweest en een Nederlands IBAN was gebruikt. Maar dat was dus niet zo, en precies  daarom had Bol.com argwanender moeten zijn. Als de afzender klopt maar de inhoud bizar is, dan is er iets mis. En dan ligt de bal écht bij jou als ontvanger.

Arnoud

Ombudsman over probleem etnisch profileren: draai bewijslast om

De ombudsman heeft onderzocht hoe de overheid moet omgaan met klachten over etnisch profileren, las ik bij deze onafhankelijke instantie. De meest opmerkelijke uitkomst, volgens RTL, is het idee van de bewijslast omdraaien bij etnisch profileren. De burger mag verwachten, aldus het rapport, dat de overheid kan uitleggen op basis waarvan hij geselecteerd is en in hoeverre etniciteit daarbij een rol heeft gespeeld. Hiermee wordt voorkomen dat de burger zelf moet aantonen dat een uitkomst op basis van verboden etnisch profileren is gerealiseerd, iets wat gezien de black box van overheidsbesluiten vaak onmogelijk is. Sommigen zouden zeggen dat de AVG dit al eist.

Etnisch profileren is het gebruik van criteria als ras, huidskleur, nationaliteit, taal, geloof of afkomst bij opsporing of rechtshandhaving terwijl dat niet objectief te rechtvaardigen is, zo valt te lezen in het rapport “Gekleurd beeld” dat eerder deze week verscheen. Daarbij doet het er niet toe of dit de bedoeling was (zoals bij de toeslagenaffaire) of dat het een onbewuste bijkomstigheid is van bijvoorbeeld data-gedreven opsporing – dat de data een bepaalde wijk aanwijst, omdat de postcodes sterk correleren met een etnische verdeling. Waar het om gaat, is dat we als samenleving niet op basis van deze criteria willen handelen, ook al lijken ze goede voorspellers van het te bestrijden gedrag.

De reden is natuurlijk simpel: deze criteria zijn geen voorspellers.

Desondanks blijft het idee hardnekkig, met name nu we steeds vaker met data-analyses werken die dan objectief zouden zijn. Want ja, als uit de data blijkt dat criminelen vaker uit regio X komen, dan is dat een feit toch? Dan mag je daar best op sturen, toch? Nou ja, nee: je handelt dan omgekeerd, uit die data volgt niet dat mensen met afkomst uit regio X significant vaker crimineel zijn. Om eens wat te noemen. En zelfs als de correlatie beide kanten op klopt, dan nog heb je waarschijnlijk een onderliggende factor over het hoofd gezien. Net zoals ze in Maine al jaren het aantal echtscheidingen terugdringen door margarineconsumptie te bestrijden. De cijfers zijn overtuigend, immers.

Daar komt natuurlijk bij dat de AVG het gebruik van deze bijzondere persoonsgegevens eenvoudig verbiedt, tenzij met heel goede reden die wettelijk is vastgelegd (en met waarborgen). Nou, dat kun je vergeten.

En dan komen we bij het punt van de bewijslast. Inderdaad moet je normaal als burger aantonen dat je onrecht is aangedaan, en dat is lastig bij zoiets groots als een onderzoek naar uitkeringsfraude (want een fraudepercentage van 0,2% van de uitkeringen is natuurlijk een hele goede reden voor strikte handhaving, dit in tegenstelling tot zeg btw fraude die qua Europese omvang gelijk is aan het totaal van de uitkeringen in Nederland). Maar de AVG draait de bewijslast zelf al om, het voor mij cruciale artikel 5 lid 2:

2. De verwerkingsverantwoordelijke is verantwoordelijk voor de naleving van lid 1 en kan deze aantonen (“verantwoordingsplicht”).
Dit betekent dus dat je te allen tijde in staat moet zijn om uit te leggen hoe je tot bijvoorbeeld je keuze voor nader onderzoek bent gekomen. En dan mag het niet blijven bij mooie woorden over zorgvuldig gekozen datasets of historisch gevalideerde gegevens maar moet er echt een stappenplan bij, hoe kwam de conclusie tot stand en welke gegevens zijn daar precies bij gebruikt. Een simpele is “een willekeur-generator zegt bij 10% van de mensen ‘Nader controleren’ en dat was u”. Maar wat ook kan, is zeggen “we hebben alle uitkomsten gecorreleerd met etnische afkomst en zagen geen uitschieters”, daarmee toon je ook aan dat daar niet naar wordt gekeken.

Wat de meeste mensen willen, is gehoord worden en excuses krijgen als het misgegaan bleek:

De wijkagent kan als wit persoon nooit weten hoe het is. Maar hij kan wel zeggen: wat vervelend en naar dat dit u is overkomen. Dat hij mij het gevoel geeft: ik hoor u en zie u. Ik kan het niet oplossen, maar wel uw verhaal serieus nemen.
Helaas blijkt nou juist dát het moeilijkste om voor elkaar te krijgen. Maar misschien als we beginnen met die data-analyse en omgekeerde bewijslast, dat we dan de goede richting op geduwd worden.

Arnoud