Weblicenties BUMA op losse schroeven

loketten.jpgOeps: de BUMA mag geen licenties voor online muziekgebruik meer geven. Althans wanneer de website buiten Nederland te benaderen is. Dat blijkt uit een vonnis in kort geding dat gisteren werd gepubliceerd. BUMA is niet gerechtigd om licenties voor muziekwerk van buitenlandse artiesten te verkopen voor gebruik buiten Nederland.

Elk land heeft zijn eigen rechtenorganisatie. In Nederland is dat de BUMA, in Groot-Brittannië is dat de Performing Right Society (PRS), Deze organisaties hebben een leuk Europees kartel opgezet. Iedere organisatie geeft iedere andere organisatie het recht om licenties te geven voor bij hen aangesloten leden, maar alleen in het land waar die andere organisatie actief is. De BUMA mag dus licenties verkopen voor Britse muzikanten (die bij PRS zitten), maar alleen voor muziekgebruik in Nederland.

Nu is dat contract uit 1936 (ja, 1936) dus hoe er moest worden omgegaan met online muziekgebruik was nooit echt duidelijk geregeld. Na een tijdelijke regeling die in 2003 afliep, kregen PRS en BUMA kennelijk ruzie want er werd verder niets meer geregeld. In juli 2008 verkocht BUMA een licentie voor heel Europa aan Beatport.

Daar werd PRS heel boos om, en stapte naar de rechter. En die besliste nu dus dat BUMA daar het recht niet voor had:

De voorzieningenrechter in kort geding verbiedt de Nederlandse muziekrechtenorganisatie BUMA om licenties voor online muziekgebruik (via satelliet, kabel of internet) van het muziekrepertoire van de Britse muziekrechtenorganisatie PRS buiten Nederland aan te bieden, af te sluiten of daaraan uitvoering te geven. BUMA is niet bevoegd dergelijke licenties te verlenen, nu PRS haar die rechten nimmer heeft overgedragen. Een redelijke contractsuitleg van de wederzijdse overeenkomst tussen partijen brengt dat ook niet mee.

Dat maakt de waarde van een BUMA-licentie voor internetmuziekwinkels of webcasting stations dus behoorlijk twijfelachtig. Een treurige zaak, want zonder Europawijde licentie is een muziekwebsite niet of nauwelijks nog te opereren.

BUMA had terecht nog aangevoerd dat de bovengenoemde marktverdeling in feite een verboden kartel is (iets wat de Europese Commissie in 2000 ook al vond), maar de rechter vond dat geen aanleiding om het verbod te weigeren. Het enkele beperken tot een bepaald land is nog geen verboden marktverdeling.

Met een beetje pech zit elke Europese muzieksite straks ook achter zo’n irritante “wij kunnen aan uw IP-adres zien dat u uit Nederland komt en mogen u dus helaas geen muziek leveren” venstertje. Mooi is dat. Gelukkig is downloaden uit illegale bron nog steeds legaal bij ons.

Via Boek9.nl (!!!).

Arnoud

AD wil principeuitspraak over citaatrecht bij nieuws

regioselect-eindhoven.png Het Algemeen Dagblad daagt de Telegraaf Media Groep voor de rechter wegens ‘onevenredig gebruik’ van zijn nieuwsberichten op de website Telegraaf Regioselect, Tweakers gisteren. Regioselect is een regionale nieuwsbrief van de Telegraaf, met daarin koppen en samenvattingen van artikelen op regionale nieuwswebsites. Volgens het AD wordt daarbij onrevenredig veel gebruik gemaakt van regionale edities van het AD. Het AD wil nu dan ook een principiële uitspraak over citaatrecht bij nieuws. Zo’n uitspraak kan ook bij weblogs en andere internetmedia erg belangrijk zijn.

Samenvatten en doorgeven van nieuws valt onder het citaatrecht (“citeren in de vorm van persoverzichten uit in een dag-, nieuws- of weekblad of tijdschrift verschenen artikelen”), en belangrijker nog onder de zogeheten persexceptie. De pers heeft het recht om actueel nieuws over te nemen. Het is immers een belangrijke vorm van vrije meningsuiting om nieuws te kunnen melden. Wel moet het dan gaan om een “medium dat een zelfde functie vervult” als een dag-, nieuws- of weekblad of tijdschrift. Een nieuwsbrief via internet lijkt me daar in principe wel onder te vallen. Alleen, de nieuwsbrief komt drie maal per week uit. Hoe actueel is de berichtgeving daarin nog?

De nieuwsbrief lijkt mij dan ook eerder een digitale knipselkrant. Ook die kunnen van de persexceptie gebruik maken, maar dat recht is wel beperkter dan bij actueel nieuws. Bij de parlementaire behandeling van de laatste aanpassing van de Auteurswet merkte de minister daarover op dat de grens zou liggen bij

de situatie waar het gebruik van nieuwsberichten een economisch zelfstandige betekenis krijgt en die ook een exploitatiebelang van rechthebbenden raakt, bijvoorbeeld omdat rechthebbenden in die behoefte met behulp van dienstverlening voorzien.

In die gevallen zou de zogeheten driestappentoets uit de Berner Conventie de doorslag moeten geven bij de vraag of er sprake is van een legitiem gebruik van de persexceptie. En dat zal neerkomen op de vragen of de “normale exploitatie” van de regionale AD-websites wordt aangetast, en of dat een onredelijke schade oplevert voor het AD.

In PCM vs. kranten.com werd erkend dat een overzicht van koppen met hyperlinks maken mocht, “om op deze wijze een overzicht van de berichten en artikelen in diverse media te geven.” Hoe belangrijk dat ‘diverse media’ was in dit vonnis durf ik niet te zeggen, maar ik zou verwachten dat het vonnis anders uitgevallen was als men zich maar op één site had gebaseerd.

Update (3 februari) via-via hoor ik dat er is geschikt. Geen toelichting over de onderlinge afspraken.

Arnoud

Welke schade lijdt een Creative Commonsgebruiker?

creative-commons.gifEen lezer wees me op dit interessante artikel van Dan Heller over schadevergoeding bij inbreuk op Creative Commonslicenties. Waar het artikel in het kort op neerkomt, is dat je in de VS nogal zwak staat bij inbreuk op Creative Commons foto’s. Je hebt namelijk geen schade omdat je de foto zelf al gratis op internet zet(!). En zonder schade geen schadevergoeding.

Is dat ook zo in Nederland, vroeg deze lezer zich af. Ja, ook in Nederland heb je dan een interessant probleem. Je kunt best schadevergoeding eisen, maar welke schade heb je als jouw CC-foto in een tijdschrift wordt gezet? Adam Curry kreeg bijvoorbeeld geen schadevergoeding van Weekend nadat ze zijn CC-BY-NC foto’s van Flickr hadden afgedrukt.

De commerciële waarde van de vier foto’s is echter gering te achten, nu zij reeds op internet voor eenieder toegankelijk zijn. Vooralsnog is niet aannemelijk geworden dat de materiële schade die [eiser1] door het publiceren van de foto’s heeft geleden nog niet voldoende is weggenomen door het plaatsen van de onder 1f geciteerde mededeling en door het aanbod een vergoeding van € 1.500,- te betalen. … De conclusie tot zover is dat het schenden van de Licentie door gedaagden geen schade (meer) oplevert.

Het punt is dat je als fotograaf moet bewijzen dat je schade hebt. En dat is lastig als je je foto zelf al gratis weggeeft. Welke royalty had je dan gevraagd aan die inbreukmaker? Welk bedrag ben je misgelopen, of hoe veel ben je er nu op achteruit gegaan? En dat is vrij lastig, zo niet onmogelijk aan te tonen als je je foto’s gratis weggeeft.

Wel legde de rechter Weekend een verbod op om nog meer foto’s te publiceren, en koppelde daar een dwangsom van € 1.000,- per overtreding aan (met een maximum van € 20.000,-). En die dwangsom zijn dus een leuke variant op de ‘statutory damages’ uit de VS. Dat is namelijk het grote dreigmiddel daar: de wet bepaalt daar dat je vaste bedragen mag eisen, tot anderhalve dollarton aan toe, mits je je werk maar vooraf geregistreerd hebt (17 USC 412).

Je zou eventueel nog winstafdracht kunnen vorderen (art. 27a Auteurswet), maar dan moet je wel bewijzen welk deel van de winst van de publicatie door jouw foto komt. Ook niet triviaal.

Wie heeft er succes met aanpakken van schenders van zijn Creative Commonslicentie?

Arnoud

Mag je een foto imiteren?

Een lezer mailde me:

Ik ben fotograaf en verkoop onder andere foto’s van een standbeeld in mijn woonplaats. De manier waarop ik het heb gefotografeerd wijkt nogal af van hoe anderen het doen: ik fotografeer vanaf de achterzijde en gebruik ook een flinke telelens. Nu zag ik laatst bij een concurrent op de site een foto die wel heel sterk leek. Hetzelfde beeld, gefotografeerd vanuit hetzelfde standpunt en ook met telelens en ook nog eens op dezelfde manier uitgesneden. Het was wel een andere foto want er waren wolken te zien die er op mijn foto niet zijn. Is dit nu wel of geen inbreuk op mijn auteursrecht?

Het auteursrecht beschermt niet alleen tegen het letterlijk kopieren van een foto. Ook naschilderen van een foto is verboden. En dus ook het nabouwen van de compositie en het maken van dezelfde foto.

De lezer heeft alleen wel een ontzettend bewijsprobleem, want hoe kan hij laten zien dat de ander zijn foto heeft gebruikt ter “inspiratie” van zijn compositie? Is het gebruik van hetzelfde standpunt en een telelens voldoende bewijs, of zijn dat dingen die iedere fotograaf zou doen? Je kunt concurrenten niet verbieden de achterkant van een standbeeld te fotograferen lijkt me.

Arnoud

Auteursrechtenonderzoek in de praktijk (gastpost)

Hoe publiceer je legaal een werk waar geen auteursrechten opzitten?

Er zit een paradox in die vraag. Als er geen auteursrechten op een werk zitten, mag je het in het algemeen publiceren. Kom er tegenwoordig echter maar eens achter of er nog rechten op een werk zitten: dat is steeds lastiger.

De Verenigde Staten hadden eind 19e eeuw een goed werkend auteursrechtsysteem. Wie een auteursrecht wilde hebben, moest daar moeite voor doen (door middel van registratie en copyrightvermelding op het werk), en kreeg vervolgens zo’n recht voor een overzichtelijke termijn. Uitgevers konden ervan uitgaan dat als er geen copyrightvermelding op een werk stond, het werk vrij te gebruiken was. En omdat de helft van de werken publiek domein waren, kon je als uitgever daarmee nauwelijks de boot in gaan.

De logica achter dit systeem was simpel: degene die geld ging verdienen met het werk, de auteursrechthouder, was ook degene die erbij gebaat was kosten te maken. Als gevolg hiervan zaten er alleen auteursrechten op werken die ook echt werden uitgebaat.

Die tijd is voorbij. Tegenwoordig is de verhouding tussen werken met auteursrechten en rechtenvrije werken behoorlijk scheefgetrokken in het voordeel van de eerste groep. Er zijn ook steeds meer werken die niet meer worden uitgebaat, maar waar nog wel rechten op zitten. (Auteursrechten beschermen werken? In welk opzicht?)

Als je een commerciële uitgever bent, dan is de oplossing simpel. Je stapt naar de partij toe die claimt rechten te bezitten, en betaalt die partij een licentie: ongeacht of het werk al dan niet in het publiek domein is. Het is namelijk een stuk goedkoper voorafgaand een relatief laag bedrag te betalen dan er later achter te komen dat degene die je niet hebt betaald toch een of ander raar recht in handen heeft.

Non-profits en kleine bedrijven hebben die luxe niet. De e-booksite Blackmask — immens populair onder de lezers van elektronische boeken, omdat de uitbater in tegenstelling tot veel van zijn concurrenten de markt van elektronische boeken begrijpt — kreeg enige tijd terug flink het deksel op de neus. Uitgever Conde Nast gebruikte een DMCA-nastygram om de hele site uit de lucht te halen nadat er vanuit Hollywood signalen kwamen dat men de Doc Savage-serie pulpboekjes wilde gaan verfilmen. Conde Nast had namelijk altijd op het standpunt gestaan de rechten tot die serie te bezitten, en Blackmask had de serie gedigitaliseerd en online gezet. Een probleem was ook dat dit een open and shut case leek: Blackmask kon daardoor naar eigen zeggen geen goede advocaat vinden die het bedrijf wilde vertegenwoordigen.

Het is mij niet duidelijk of Blackmask auteursrechtenonderzoek heeft gedaan. Dat zou overigens—voor een organisatie die de boeken gratis verspreidt—tamelijk prijzig kunnen zijn geworden. Er zijn namelijk geen renewal records van Doc Savage-boeken beschikbaar; voor de tijdschrift-renewals kon je destijds niet de online records voor tijdschriften raadplegen, want daar zaten de records voor Doc Savage nog niet tussen; in plaats daarvan moest je de records opzoeken in de spreekwoordelijke kelder achter de spreekwoordelijk kast achter het spreekwoordelijke bordje “pas op voor de loslopende tijger”. De goedkoopste oplossing is in zo’n geval het Copyright Office zelf het onderzoek laten uitvoeren à 150 dollar per uur.

Project Gutenberg, waar ik een vrijwilliger van ben, is een elektronische bibliotheek maar ook een organisatie voor rechtenonderzoek. Want als er één inbreukmakend boek zit tussen de tienduizenden die we publiceren, dan hebben we een serieus probleem. Project Gutenberg is een Amerikaanse organisatie, en zogeheten statutory damages in de V.S. zijn niet mals (maximaal 150.000 dollar per inbreuk). Het aanmoedigen van het digitaliseren van werken en het hosten van vrij verspreidbare werken is weliswaar ook belangrijk, maar dat kan desnoods worden uitbesteed (en dat gebeurt dan ook: digitalisatie aan Distributed Proofreaders, hosting aan Ibiblio.org).

Een copyright clearance voor Project Gutenberg, dat wil zeggen de controle of een werk wel in het publiek domein is, begint bij de vrijwilliger die het boek moet inscannen. Of een boek wel in het publiek domein is, zal deze scan provider eerst zelf moeten uitzoeken. Voor Amerikaanse boeken is dat vrij simpel: staat er een copyrightdatum in, dan weet je meestal genoeg.

Vervolgens maakt de scan provider scans van pagina’s die PG nodig heeft om zijn eigen onderzoek in te stellen. Vaak is dat de titelpagina, soms ook de verso (achterkant van de titelpagina) of de laatste pagina van het voorwoord bij de laatste druk. Dit zijn de pagina’s die informatie bevatten over de auteur en de publicatiedatum.

Zolang een boek voor 1923 is gepubliceerd, is voor PG eigenlijk alleen de copyrightdatum relevant. Uitzonderingsgevallen zijn bijvoorbeeld moderne uitgaven, maar puur om praktische redenen: vaak is een oude uitgave niet makkelijk te krijgen, omdat de weinige exemplaren die bestaan wel ingekeken mogen worden, maar niet op een scanner of kopieerapparaat mogen worden gelegd. Als je dan aannemelijk kunt maken dat grote delen van de nieuwe uitgave die samen een compleet werk vormen (bijvoorbeeld: een roman zonder het apparaat dat de moderne uitgever er door literatuurwetenschappers bij laat schrijven), overeenkomen met de oude uitgave, wil PG een copyright clearance in behandeling nemen.

De volledige verzameling clearance-regels staat hier. Onze regel nummer 6 is zelfs tamelijk beroemd, en dat hebben we te danken aan twee dingen: dat we het lef hebben moderne werken te herpubliceren ondanks dat het onmogelijk is een negatief te bewijzen (namelijk dat er geen auteursrecht meer op een werk zit), en aan ons harde werk om de Amerikaanse rechtendatabase voor romans te digitaliseren.

Mocht PG concluderen dat een werk inderdaad in het publiek domein is, dan worden er twee mailtjes verstuurd. Eén aan de scan provider, met daarin een unieke sleutel die kan worden gebruikt om een volledig werk te uploaden, en één aan David Price, wiens enige taak is een gigantische, publieke lijst met gereserveerde werken bij te houden, zodat vrijwilligers elkaar geen vliegen afvangen.

Het scanproces zelf kan nogal wat tijd kosten. Er is maar één consumentenscanner die pagina’s redelijk snel scant, de Plustek Opticbook, en die is met een prijskaartje van rond de 300 dollar een beetje duur voor de gemiddelde vrijwilliger. Ikzelf gebruik een goedkope scanner die circa 40 seconden over een A4-tje doet. Met nabewerking en dergelijke ben ik ongeveer anderhalve minuut per pagina kwijt. Een boek is gemiddeld zo’n 250 pagina’s lang. Al die mailtjes aan David Price besparen op deze manier heel wat vrijwilligersuren.

Voor Nederlandse vrijwilligers is een en ander een stuk lastiger, want zij moeten zich naar zowel Nederlands als Amerikaans recht richten. Dat Nederlandse uitgevers vaak geen publicatiedatum vermeldden maakt de zaken er niet makkelijker op.

Wat Blackmask is overkomen is niet uitzonderlijk. Zo krijgt Project Gutenberg regelmatig juridische dreigbrieven, en is de muziekbibliotheek IMSLP een tijd uit de lucht geweest na dreiging van een rechtszaak. Je kunt je afvragen hoezeer de dreiging van juridische repercussies burgers ervan weerhoudt volop gebruik te maken van het kleine beetje publiek domein wat ons rest. Dat de politiek zich hier geen zorgen over maakt, bevreemdt.

Branko Collin is een vrijwilliger van Project Gutenberg, de digitale bibliotheek van boeken die (voor het grootste deel) tot het publiek domein zijn teruggekeerd. Net als de oprichter van het project, Michael Hart, vindt hij dat hij veel minder van het auteursrecht afweet dan zou moeten, en veel meer dan hij wil. Tien jaar geleden vond Branko het document “10 Big Myths about copyright explained” van Brad Templeton briljant, nu achterhaald.

Niet-bestaande auteursrechten, deel 2 (gastpost)

Sommige mensen, de meeste van hen waarschijnlijk solidaire lezers, vinden dat auteurs verdienen te worden gecompenseerd voor hun arbeid. Over het algemeen wordt dit gezegd in referentie naar concrete, openbaar gemaakte werken, maar de uitspraak is ook dan te breed. Deze mythe is de gevaarlijkste van allemaal, omdat hij zo bijzonder redelijk klinkt. Hij lijkt ook veel op een verklaring die vaak van het auteursrecht wordt gegeven, namelijk dat dat recht bestaat om auteurs een kans te geven geld te verdienen met de distributie van hun werken. Het verschil is razend belangrijk: in het eerste statement krijgt een auteur sowieso geld, ongeacht de hoeveelheid arbeid die hij in een werk stopt én ongeacht de kwaliteit van het werk. De BKR-variant van het auteursrecht, zeg maar. Slechts een werk uitgeven is al genoeg.

Nergens op deze planeet is er iemand die gelooft dat arbeid automatisch recht geeft op beloning. Zou dat wel het geval zijn, zou ik morgen onmiddellijk beginnen met ongevraagde consultancyklussen—tegen het hoge tarief, dat spreekt. Buiten het sprookjesbos van het auteursrecht begrijpt iedereen dat er een overeenkomst moet zijn tussen werknemer en werkgever (of leverancier en opdrachtgever). De beloning is een resultaat van die overeenkomst. [bron]

Andere lezers geloven dat zij het recht hebben bestanden te delen, omdat zij menen dat auteurs al rijk genoeg zijn. Ik vermoed dat dit geloof ironisch genoeg het gevolg is van de hele mythologie is die door voorstanders van een harder auteursrecht rond dat recht werd geweven. Zo is daar het spookbeeld van de arme, hongerende artiest (zie bijvoorbeeld opmerkingen van ene Charlie McCreevy van de Europese Commissie over de op handen zijnde verlenging van bepaalde naburige rechten).

Lezers zijn niet dom: die merken hoeveel geld er in de uitgeverswereld omgaat. En aangezien de McCreevy’s van deze wereld erop blijven hameren dat het geld dat in die wereld omgaat een eerlijke beloning voor auteurs is, kan de lezer nauwelijks anders concluderen dan dat er een continuë stroom kruiwagens met goud op weg is naar de auteurs. Niemand zou een auteursrechtensysteem willen hebben dat voornamelijk uitgevers wat oplevert, dus moeten de voorstanders van een harder auteursrecht (uitgevers) blijven doen alsof er bergen geld naar auteurs gaan.

De praktijk is uiteraard een klein beetje anders. Als een auteur meer dan tien procent ontvangt van de winkelprijs van zijn werken, heeft zijn uitgever het gevoel gefaald te hebben. Dit geldt ook voor werken die elektronisch gedistribueerd worden, ook al zijn de kosten daarvan (50% in het geval van “analoge” verspreiding) vrijwel nihil. Het is ook niet ongebruikelijk een auteur simpelweg niet te betalen voor nieuwe distributiemethodes.

Ten slotte zijn er ook lezers die geloven dat goede werken worden onderdrukt ten faveure van middelmatige werken. Deze mythe is zo hardnekkig, omdat er een kern van waarheid in zit. Zo krijgen populaire rockbands disproportioneel veel geld uit radioheffingen in de VS en de EU. De berekening van de verdeelsleutel heeft hiermee te maken, en ook het feit dat kleinere acts vaak niet weten waar de ruif staat. [bron]

Een interessant voorbeeld: het jaarlijkse budget van de Science Fiction Writers of America wordt grotendeels gehaald uit Zweedse bibliotheekheffingen, die de organisatie voor zijn leden int. Er zijn veel landen waar leners dergelijke heffingen betalen, en het is waarschijnlijk dat niet elke auteur zijn deel krijgt, zeker als die auteur in het buitenland zit. [bron]

Maar net zo waar is dat auteurs weinig geld krijgen, omdat simpelweg veruit de meeste auteurs niet bijzonder goed in hun vak zijn. Een bewijs uit het ongerijmde: de slushpile. Een term uit de uitgeverswereld die slaat op de enorme stapel manuscripten waar een uitgever elk jaar doorheen moet waden om de enkele ruwe diamanten te vinden die hij gaat uitgeven. De meeste auteurs zijn precies zo populair als ze verdienen.

Dit zijn zo wat nieuwe mythen die rond het auteursrecht zweven. Als we ze leren herkennen, kunnen we voorkomen dat ze beleid en wet ten grondslag worden.

Branko Collin is een vrijwilliger van Project Gutenberg, de digitale bibliotheek van boeken die (voor het grootste deel) tot het publiek domein zijn teruggekeerd. Net als de oprichter van het project, Michael Hart, vindt hij dat hij veel minder van het auteursrecht afweet dan zou moeten, en veel meer dan hij wil. Tien jaar geleden vond Branko het document “10 Big Myths about copyright explained” van Brad Templeton briljant, nu achterhaald.

Niet-bestaande auteursrechten (gastpost)

(Definities: lezer = iemand die werken “consumeert”, auteur = iemand die werken “produceert”, uitgever = tussenpersoon voor lezers en auteurs, Britney Spears = een oeuvre waarvan een elitaire snobistische kliek de kwaliteit in twijfel trekt.)

Het auteursrecht geeft je controle over de distributie van werken. Dat is het zo’n beetje. Maar wat auteursrecht is, en wat mensen denken dat auteursrecht is, loopt nogal eens uiteen. Wat zijn zo de moderne mythen over het auteursrecht?

  • alles is eigendom
  • de auteur is de ouder van een werk
  • voordelen van het auteursrecht beperken zich niet tot werken
  • auteurs verdienen te worden gecompenseerd voor hun arbeid
  • auteurs zijn rijke stinkerds
  • goede werken worden onderdrukt ten voordeel van Britney Spears

Op het eerste gezicht lijken sommige van deze mythen elkaar tegen te spreken. Vrees niet: dat doen ze inderdaad! Dit is (nog) niet een taxonomie, slechts een verzameling van de vormen die ik zo op het web tegenkom.

Sommige burgers (hoofdzakelijk advocaten en uitgevers?) geloven dat alles = eigendom. Als zij zien dat mensen werken distribueren, gaat bij hen onmiddellijk het alarm af: aangezien als eigendom is, moet er ergens een eigenaar zijn, en aangezien de distributeur er niet als een traditionele uitgever uitziet, moet de distributie wel illegaal zijn. (De wet helpt hier niet echt: zelfs het stompzinnigste, miniemste werk krijgt automatisch een auteursrecht aangeplakt, en dat duurt dan voor vrijwel altijd. Er was ooit een tijd dat de helft van alle werken publiek domein was.)

Deze mythe ligt mogelijk ten grondslag aan de juridische actie die Science Fiction Writers of America ondernam tegen documentenwebsite Scribd in 2007, toen de eerstgenoemde niet alleen illegaal maar ook legaal aangeboden documenten liet verwijderen. [bron]

De Motion Picture Association of America ging nog een stapje verder. In een rechtszaak tegen filesharers beweerde de MPAA niet met bewijzen te hoeven aankomen, omdat het verzamelen daarvan zo lastig is. Alleen iemand die aanneemt dat iedereen een wetsovertreder is kan zoiets bedenken. [bron]

Toen een Nederlandse rechter kort geleden tot het oordeel kwam dat downloaden uit een illegale bron zelf illegaal is, leidde dat tot brede kritiek onder Nederlandse IE-advocaten. Maar een van hen, Arnout Groen, beweerde: “Het is een gek idee, dat je iets van waarde gratis kunt consumeren”. [bron]

Sommige auteurs hebben sterke ouderlijke gevoelens tegenover hun werken. Zij hebben het gevoel “hun kindje” te moeten “beschermen” door elk soort gebruik waar ze het niet mee eens zijn te verbieden, zoals gebruik dat door de auteurswet als niet-inbreukmakend wordt bestempeld.

Toen het Copyright Office van de VS aan burgers vroeg om mee te denken over het probleem van verweesde werken, reageerde ene Kristie Hubler: “Als mensen toegang hebben tot mijn werk zonder ervoor te betalen, en ze gebruiken het alleen om geld te verdienen, dan is dat alsof ik verkracht word, of als een baby die ik heb gebaard uit mijn armen wordt gerukt, om nooit meer te worden teruggezien.” [bron, PDF]

Openbaar maken betekent letterlijk: aan de openbaarheid prijsgeven. Als je niet een bepaalde mate van zeggenschap over je werken wilt opgeven, moet je je werken niet openbaar maken.

Sommige organisaties menen dat de gigantische voordelen van het auteursrecht automatisch ook op niet-werken van toepassing zijn. Zo gelooft een bepaalde fabrikant van besturingssystemen dat op API’s ook auteursrecht van toepassing is, ook al is een API niet een werk in de zin van de auteurswet. (Een API is een protocol, een interface, dat computerprogramma’s gebruiken om met elkaar te communiceren.)

Om te citeren wat ik eerder elders schreef: “Microsofts licenties voor zijn eigen netwerkprotocollen zijn te beperkend volgens de Europese Unie.” Microsofts wat? Maar inderdaad, dat is precies wat de Amerikaanse softwarefabrikant suggereert: “De […] licentieovereenkomst […] kent aan de licentienemers […] een licentie toe onder Microsofts Europese intellectuele eigendomsrechten ten bate van het correct samenwerken van software met Microsoft-client- en serverbesturingssystemen.” Geen IE-advocaat heeft me ooit kunnen uitleggen wat deze “intellectuele eigendomsrechten” zijn en welke wet Microsoft zou gebruiken om me aan te klagen als ik hun “licentie” overtrad. [bron]

Branko Collin is een vrijwilliger van Project Gutenberg, de digitale bibliotheek van boeken die (voor het grootste deel) tot het publiek domein zijn teruggekeerd. Net als de oprichter van het project, Michael Hart, vindt hij dat hij veel minder van het auteursrecht afweet dan zou moeten, en veel meer dan hij wil. Tien jaar geleden vond Branko het document “10 Big Myths about copyright explained” van Brad Templeton briljant, nu achterhaald.

Het boetebeding bij auteursrecht-claims

Gisteren verscheen in De Nieuwe Reporter ‘Bloggers moeten niet zeuren over blafbrieven’, een mooi overzichtsartikel over de recente perikelen rond bloggers en claims van journalisten en anderen wier werk onterecht zou zijn overgenomen. Ik werd geïnterviewd als “advocaat van de blogger-community”, wat nogal veel eer is (en bovendien ben ik geen advocaat).

Hier wilde ik nog even dieper ingaan op één quote van mij uit het artikel:

“Ik ben geen fan van de manier waarop bedrijfjes als Cozzmoss en Swordstone, maar tot op zekere hoogte ook de NVJ, te werk gaan”, zegt Engelfriet. “Lang niet iedereen is goed op de hoogte van de wettelijke regels. Dat is natuurlijk geen excuus, maar wel een reden om rekening mee te houden als je als rechthebbende iemand aanspreekt. Een blogger die te goeder trouw is en meent een heel artikel als citaat te mogen overnemen, behoort geen sommatie van duizenden euro’s, inclusief een verhoging van driehonderd procent conform de NVJ-tarieven, opgelegd te krijgen in een brief.”

Die 300% verhoging staat in de algemene voorwaarden van de NVJ (en de Fotografenfederatie) als vergoeding die verschuldigd zou zijn bij ongeautoriseerd gebruik. Veel claimers roepen dat dit normaal is en in de jurisprudentie erkend zou zijn. Dat steekt me behoorlijk, want het is simpelweg niet waar.

De rechtspraak staat namelijk juist in overwegende mate afwijzend tegenover constructies als deze, waar een claim wordt gelegd met het karakter van een boete. Ik citeer uit een aantal relevante vonnissen. Update zie ook mijn artikel met samenvatting van meer dan 50 uitspraken Vaststellen van schade bij online auteursrechtinbreuk dat in AMI verscheen in 2012.

In Rb. Maastricht 8 februari 2006, zaaknr. 103834/HA ZA 05-836 (LJN AV2506) oordeelde de rechtbank in r.o. 3.5:

Voor ophoging van [het schadebedrag] met een opslag van 200 %, zoals door Magnovit c.s. met verwijzing naar de algemene voorwaarden van de Fotografenfederatie bepleit, ziet de rechtbank geen grond. Een dergelijke opslag draagt naar het oordeel van de rechtbank het karakter van een boete, waarvoor in het onderhavige geval een contractuele noch een wettelijke grondslag bestaat. Bovendien is niet gebleken van bijzondere omstandigheden – wat de plaatsing zonder toestemming betreft – die aanleiding zouden kunnen geven tot een hogere schadebegroting.

Rechtbank ’s-Hertogenbosch 11 januari 2006, zaaknr. 126357 HA ZA 05-1099 (LJN AU9504):

5.12. Voor toekenning van de door [eiser] gevorderde additionele vergoeding van 200% van de gebruikelijke vergoeding overeenkomstig artikel 15 van de Algemene Voorwaarden van de Fotografenfederatie, bestaat geen ruimte. Toepasselijkheid van die voorwaarden is immers niet tussen [eiser] en [gedaagde] overeengekomen en er bestaat evenmin een wettelijke grondslag voor het opleggen van een dergelijke verhoging, die naar het oordeel van de rechtbank het karakter van een boete heeft.

En in het standaardwerk Auteursrecht (Kluwer Recht en Praktijk 42) van Spoor/Verkade/Visser staat op pagina 498-499:

Gebruikelijke tarieven of percentages kunnen menigmaal een reëel aanknopingspunt vormen [voor een schatting van de schade]. Zulke tarieven zijn echter weer niet zonder meer gelijk te stellen met eventuele door de eiser gehanteerde tarieflijsten. … Een beroep op deze variant gaat o.i. niet op, voor zover de tarievenlijsten (soms zeer aanzienlijke) verhogingen inhouden voor het geval men het niet vooraf eens geworden was. Het gaat dan immers juist niét om gebruikelijke overeengekomen of overeen te komen tarieven, maar om eenzijdig geproclameerde boetes. Een grondslag voor het hanteren van evenbedoelde “boetes” voor berekening van schadevergoeding treffen wij niet aan in de artikelen 6:96 en 6:97, noch elders in de wet. [cursivering in origineel.]

Als iemand meer bronnen heeft, hoor ik dat graag!

Ook gepubliceerde jurisprudentie waarin deze claims wel overeind bleven, is welkom.

Update (19 juli 2011): Rb. Den Haag over luchtfoto’s:

4.27. Voor toekenning van de door Aerodata gevorderde additionele vergoeding van 300% van haar gebruikelijke vergoeding voor het publiceren zonder toestemming en zonder naamsvermelding zoals volgens haar in de fotografie branche gebruikelijk is, bestaat geen ruimte. Dat een dergelijke richtlijn in de fotografie branche wordt toegepast heeft Aerodata onvoldoende nader onderbouwd en er bestaat evenmin een wettelijke grondslag voor het opleggen van een dergelijke verhoging, die naar het oordeel van de rechtbank het karakter van een boete heeft.

En zie ook de Sapph-zaak uit januari van dit jaar.

Update (21 juli 2011): Rb. Dordrecht in een Cozzmoss-zaak:

4.19. De rechtbank neemt voor de begroting van de schade als uitgangspunt dat de kranten tenminste aanspraak hebben op voldoening door BVFP van een redelijke gebruiksvergoeding. … [Echter,] De rechtbank begrijpt uit de stellingen van Cozzmoss dat het gevorderde freelance tarief het tarief is dat de NRC betaalt aan een auteur voor het schrijven van een artikel. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit tarief niet zonder nadere toelichting worden gehanteerd als maatstaf voor de begroting van een redelijke hergebruik vergoeding.
Van Cozzmoss mag worden verwacht dat zij voldoende stelt om aan te kunnen nemen dat sprake is van een hogere schade dan de gederfde gebruiksvergoeding. Anders komt de verdubbeling neer op een boete, in plaats van schadevergoeding. Voor toewijzing van een boete is binnen het kader van artikel 27a Auteurswet geen plaats. … Het enkele feit dat het auteursrecht is geschonden/aangetast is onvoldoende. De daardoor veroorzaakte schade wordt in een geval als dit – waarin de rechthebbenden toestemming voor hergebruik tegen betaling plegen te geven – immers volledig gecompenseerd door de redelijke gebruiksvergoeding.

Update (12 september 2011) Rb. Utrecht in een Cozzmoss-zaak:

Uit de stellingen van Cozzmoss kan echter onvoldoende worden afgeleid dat Trouw, de Volkskrant en ND een hogere schade lijden dan de gederfde gebruiksvergoeding. Het gestelde dat het auteursrecht is geschonden/aangetast en dat sprake is van verlies van exclusiviteit van de auteursrechten en vermindering van exploitatiemogelijkheden is onvoldoende om als schadevergoeding meer dan een redelijke gebruiksvergoeding toe te wijzen …

Voor zover uit het betoog van Cozzmoss is af te leiden dat de verdubbeling dient ter preventie tegen toekomstige inbreuken op het auteursrecht, leidt dit ook niet tot toewijzing van een hoger bedrag dan een redelijke gebruiksvergoeding. Voor toewijzing van een boete is binnen het kader van artikel 27a Auteurswet immers geen plaats.

Update (16 februari 2012) Rb. Haarlem:

De rechtbank zal deze 100%-opslag afwijzen, nu zonder nadere motivering – die ontbreekt – niet valt in te zien waarom een (vaste) extra opslag boven de gederfde licentie-inkomsten in verband met het feit dat men achteraf voor de afbeeldingen betaalt, moet worden aangemerkt als schade die Masterfile Corporation heeft geleden.

Update (20 maart 2013) Gerechtshof Arnhem:

… het bedrag van de schadevergoeding worden afgeleid uit elementen als het bedrag aan royalty’s of vergoedingen dat verschuldigd zou zijn geweest indien de inbreukmaker toestemming had gevraagd om het intellectuele eigendomsrecht te gebruiken. Daarbij dient tevens rekening worden gehouden met de kosten van de rechthebbende, zoals voor opsporing en onderzoek.
Schade wordt berekend als 1,25 maal de gebruikelijke licentievergoeding per woord. Zie ook mijn latere blog hierover.

Update (20 maart 2013) Rb. Midden-Nederland:

Voor zover [Eiser] betoogt dat de verhoging op zijn plaats is ter preventie tegen toekomstige inbreuken op het auteursrecht, gaat de kantonrechter daaraan voorbij. Dit zou neerkomen op een boete in plaats van schadevergoeding en voor toewijzing van een boete is binnen het kader van artikel 27a Aw geen plaats.

Update (24 maart 2013) Rb. Midden-Nederland:

Verhoging van het schadebedrag met de factor 1,25 wordt afgewezen, nu onvoldoende is gebleken dat Trouw een hogere schade lijdt dan de gederfde gebruiksvergoeding en verhoging ter preventie tegen toekomstige auteursrechtinbreuk zou neerkomen op een boete, waarvoor binnen het kader van artikel 27 Aw geen plaats is.

Arnoud

Welke rechter is bevoegd voor internet?

Welk recht is van toepassing op een website? Rechtsmacht op internet is een bijzonder netelig onderwerp. Zolang alles en iedereen zich in Nederland bevindt, is het duidelijk dat de Nederlandse rechter over een conflict mag beslissen. Maar dat is de uitzondering en niet de regel. In veel gevallen ligt het een stuk complexer. Dan staat de server ergens in Amerika, is het bedrijf Brits en wordt een Nederlandse gebruiker gedupeerd door een valsspeler uit Korea. Of een Fransman wordt besmaad door een Nederlander die iets schreef in de Japanse Wikipedia-pagina.

In andere rechtsgebieden zijn dit soort problemen al aan de orde geweest. Welke rechter is bevoegd als een Frans bedrijf giftig afval in de Maas dumpt, waardoor Belgische koeien die ervan drinken komen te overlijden? Volgens Europese jurisprudentie is dat zowel de Franse als de Belgische rechter. De Franse omdat de handeling in Frankrijk is verricht, en de Belgische omdat het gevolg van de handeling in België merkbaar was. Maar de Belgische rechter mag alleen oordelen over de in België geleden schade. Als er ook een Nederlandse koe zou zijn overleden, had de eigenaar daarvan naar de Nederlandse rechter gekund. De Franse rechter daarentegen kan beslissen over alle schade, ook de schade die in België en in Nederland opgelopen is.

Hoe ga je daarmee om bij internet? Internet is immers wereldwijd toegankelijk. In een recent vonnis over de site Torrent.to kwam dit aan de orde. De rechter overwoog:

Nu doet zich in het onderhavige geval de situatie voor dat de website www.torrent.to wereldwijd kan worden geraadpleegd, dat onduidelijk is in welk land de aanbieder van die website is gevestigd en dat de site kennelijk via verschillende servers in diverse landen, waaronder Nederland, wordt gehost. Uit de door Stichting BREIN overgelegde uitdraaien van de website www.torrent.to blijkt dat de site voornamelijk in de Duitse taal is opgesteld, maar zich ook specifiek richt op Nederlandse bezoekers, gelet op de aangeboden (Nederlandstalige) werken van Nederlandse artiesten en de reclameboodschappen in de Nederlandse taal. Ter zitting is voorts komen vast te staan dat de servers van waaruit de hosting plaatsvindt, in Amsterdam staan. Onder die omstandigheden kan het Nederlandse recht worden toegepast.

In 2003 vond de Utrechtse rechter zichzelf trouwens bevoegd omdat “het schadebrengende feit zich op het internet en derhalve tevens in Nederland en in het arrondissement Utrecht heeft voorgedaan.” Maar in 2005 vond de Haagse rechter zich niet bevoegd bij een geschil over reclame en merkinbreuk via een website waarbij alles erop wees dat deze zich alleen op de VS richtte. De voertaal was Engels, de maten en gewichten waren in inches en ponden, de prijzen in dollars en het telefoonnummer was een 800-nummer dat alleen in de VS gebeld kon worden.

Kortom, de vraag blijft moeilijk te beantwoorden. Het zal zoals wel vaker afhangen van de omstandigheden van het geval. Of weten jullie een handig en werkbaar criterium?

Via Volledig bericht, pardon Boek 9.

Arnoud

Auteursrecht tot ruim 200 jaar na creatie (gastpost)

Aan het leukste park van Amsterdam, het Sarphatipark, ligt het grappigste boekwinkeltje van Amsterdam, Sporadisch Antiquarisch. Op het eerste gezicht is het simpelweg een woonhuis met brede, lage vensterbanken. Pas als je dichterbij komt valt je op dat in een van die vensterbanken een rijtje boeken staat. Achter het raam zie je een bordje met de boodschap dat als je een van die boeken wilt kopen, je 1 euro in de brievenbus moet gooien. Het boek mag je dan meenemen.

Mijn postbus staat in dezelfde wijk, dus ik kom regelmatig langs dat winkeltje. Op een dag trok daar Prosper Melis’ “De Wonderbaarlijke Luchtreizen van Doctor Fast” mijn aandacht. Als Project Gutenberg- vrijwilliger ben ik altijd op zoek naar materiaal om te digitaliseren, maar dit werk leek me net iets te jong om vrij van auteursrechten te zijn (onder “jong” versta ik uiteraard niet enige redelijke interpretatie van dat woord). Daar ik toch geïnteresseerd was, schreef ik de gegevens op om thuis eens eerst wat onderzoek te doen.

Prosper Melis was een Vlaamse auteur die leefde van 1803 tot 1870. Het is niet duidelijk wanneer hij zijn Luchtreizen schreef, maar laten we aannemen dat dat rond 1850 was. Ik weet niet of het ooit tijdens zijn leven is uitgegeven, tijdens mijn zoektocht kwam ik enkel versies uit 1929 en 1937 tegen. Dat betekent dat het boek te “jong” is voor Project Gutenberg, want dat moet zich aan het Amerikaans recht houden, en dat betekent voor boeken die niet oorspronkelijk in de VS werden gepubliceerd dat ze van voor 1923 moeten zijn om opgenomen te kunnen worden.

Maar er was meer aan de hand. Het boek was geïllustreerd door ene Elza van Hagendoren. Van haar kon ik wel een geboortedatum vinden, maar niet een sterftedatum. Twee jaar geleden zou ze 98 geweest zijn, onwaarschijnlijk maar niet onmogelijk. Stel dat ze niet ouder is geworden: dan zou het auteursrecht op een boek dat rond 1850 voor commerciële exploitatie is geschreven, niet voor 2077 verlopen.

Er zitten wat haken en ogen aan dit verhaal. In de eerste plaats kun je het niet meer verifiëren. Als ik nu in de catalogus van de Koninklijke Bibliotheek zoek, kan ik het boek van Melis niet meer vinden. Daarnaast kan het natuurlijk ook goed zijn dat er wel een eerdere uitgave van het boek is, die alleen niet te vinden is in de catalogi van nationale bibliotheken. En ten slotte is er een theorie onder ons juridische leken die stelt dat in elk geval de tekst van het boek, mits vóór 1937 gepubliceerd, in het publiek domein van de Europese Unie is. Een uitgever als Project Gutenberg zou zich dus tot de tekst kunnen beperken.

Hoe uitzonderlijk dit geval ook is op het moment, er is een kans dat deze lange duur van auteursrecht regel wordt. Het bestrijden van het lichamelijk verval dat op hoge leeftijd optreedt is iets wat pas sinds kort met enige ijver door de medische wetenschap wordt opgepakt. De vergrijzing en daarmee de opkomst van een brede laag vermogende ouderen in het Westen zal daar wellicht iets mee van doen hebben. Het gevolg kan zijn dat zowel de gemiddelde als de maximale leeftijd van de mens binnenkort flink wordt verhoogd.

Een reden die traditioneel wordt gegeven voor het tot obscene lengtes oprekken van de duur van het auteursrecht is dat auteurs steeds langer leven. Dat auteurs vroeger eerder stierven is echter een fabeltje. Auteurs in 1900 leefden even lang als auteurs in 2000, ondanks dat de mens gemiddeld steeds ouder werd. Dit komt, omdat de gemiddelde leeftijd in 1900 voornamelijk gedrukt werd door kindersterfte. Tegen de tijd dat je boeken schreef was je zeg maar voorbij het gevaarlijke punt.

Als je 1+1 optelt, kun je alleen maar concluderen dat als het aan de politiek ligt, het auteursrecht tot 140 jaar na de dood van de auteur zal duren, en die dood zal ook nog op zich laten wachten, en wachten, en wachten….

Branko Collin is een vrijwilliger van Project Gutenberg, de digitale bibliotheek van boeken die (voor het grootste deel) tot het publiek domein zijn teruggekeerd. Net als de oprichter van het project, Michael Hart, vindt hij dat hij veel minder van het auteursrecht afweet dan zou moeten, en veel meer dan hij wil. Tien jaar geleden vond Branko het document “10 Big Myths about copyright explained” van Brad Templeton briljant, nu achterhaald.