Mag je WhatsApp-screenshots met anderen delen?

Interessante vraag op Reddit:

Een kennis stuurt vaak screenshots heen en weer van privé WhatsApp gesprekken naar andere vrienden van die kennis, waarbij niet om toestemming gevraagd wordt. Kan deze persoon hiervoor legale consequenties voor ondervinden worden jegens schending van privacy?
Legaal gezien, pardon juridisch gezien maakt het niet heel veel uit met welk technisch middel zo’n gesprek doorgezet wordt. Of je nu een screenshot maakt, het voorleest of met de hand overtypt, waar het om gaat is dat je de inhoud van een conversatie deelt met derden.

Het opnemen of loggen van gesprekken waar je zelf deelnemer aan bent, is in Nederland toegestaan – ook zonder toestemming van je wederpartij. In andere landen (zoals Duitsland) kan dat anders liggen, maar hier is het juridisch prima om dat te doen. Een gesprek opnemen waar je géén deelnemer aan bent, is strafbaar (art. 139c Strafrecht).

De reden dat dat legaal is, is omdat wij vinden dat je bewijs moet kunnen bewaren van wat jij in een conversatie hebt gezegd, of wat je wederpartij tegen jou zei. Daaruit volgt natuurlijk meteen dat je die gesprekslogs (of screenshots dus) niet zomaar met derden mag delen, want dat gaat het doel te buiten. Doe je dat toch, dan kom je ook in het strafrecht terecht want het in strijd met de wet delen van gespreksopnames is strafbaar (art. 139e Strafrecht).

Je kunt het natuurlijk ook via de AVG spelen, want zo’n gesprekslogscreenshot is een persoonsgegeven en mag dus niet zonder toestemming of andere grondslag worden verspreid. Ik zou niet weten hoe je dat rechtbreidt.

De eigenlijk enige situatie waarin delen wél gerechtvaardigd is, is als je iets juridisch of nieuwswaardigs wil doen met dat gesprek. Een screenshot maken en delen met de politie bij een aangifte is natuurlijk wel toegestaan, net zoals het aan je werkgever geven omdat een collega je lastigvalt. Een journalist zou heel misschien een privégesprek kunnen screenshotten en gebruiken in het nieuws, al heb ik moeite met een concreet voorbeeld bedenken. Maar dit zijn echt uitzonderingen en zeker niet hetzelfde als “stuurt vaak screenshots naar andere vrienden”.

Arnoud

YouTube mag video’s met onjuiste en gevaarlijke Covid-19 informatie verwijderen

YouTube moet video’s met daarin kritiek op de visie van het Nederlandse RIVM en wereldwijde WHO toestaan, meldde Tweakers woensdag. Voorlopig, zeg ik er meteen bij – dit is een kort geding, dus het gaat om een ordemaatregel in afwachting van een eindoordeel in de bodemprocedure die er ongetwijfeld gaat komen. De video waar de zaak over begon – een wetenschappelijk niet gefundeerde claim dat hydroxychloroquine werkzaam is tegen Covid-19 – mocht wél worden verwijderd.

De zaak was aangespannen door burgerjournalistiekplatform Café Weltschmertz, dat onder meer op Youtube uitzendt. In interviews in mei en juli claimde een huisarts dat hydroxychloroquine (al dan niet in combinatietherapie met zink en antibiotica) zou helpen tegen Covid-19.

Youtube had eerder dat jaar regels aangenomen die stelden dat er geen content geplaatst mag worden die tegen de voorschriften van WHO of lokale gezondheidsinstanties (zoals ons RIVM) in mag gaan. Een van die regels stelt specifiek dat je niet mag claimen dat er een bewezen geneesmiddel is. De video’s van deze interviews werden verwijderd onder een standaardmededeling, kennelijk vanwege overtreding van die regel.

Je spant een kort geding aan omdat je haast hebt, of omdat er grote schade wordt aangericht die nú ongedaan gemaakt moet worden. In een kort geding is geen tijd voor een uitgebreid onderzoek en debat, dat doe je in een bodemprocedure. De kortgedingrechter moet dus snel kijken en een voorlopige inschatting maken.

In dit geval luidt die inschatting dat Youtube, als een van de belangrijkste online videoplatforms ter wereld, niet zomaar mag besluiten om

wel de content die overeenstemt met de visie van de WHO en het RIVM toe te laten en niet andersluidende, kritische content. Daarmee zou de YouTube gebruiker die brede content mag verwachten, slechts kennis kunnen nemen van de mening van de groep experts die de WHO en het RIVM adviseren, terwijl de wijze van bestrijding en behandeling van Covid-19 wereldwijd nog volop in onderzoek is en nog allerminst vaststaat.
Dit mede omdat “ook de WHO en het RIVM hun adviezen nog steeds [bijstellen]”. Dat is een wat ergerlijke samenvatting van wetenschappelijk onderzoek – helemaal omdat de rechter ook spreekt van “de visie van de WHO”. Wetenschap is geen mening. Maar goed, we hadden dus haast. En uiteindelijk ging het niet over of je kritiek op WHO of RIVM mocht hebben maar of je in strijd met hun wetenschappelijke bevindingen mag vinden dat iets wél werkt.

De vervolgvraag is dan ook of de specifieke video’s van de interviews weggehaald hadden mogen worden, als je net hebt gezegd dat in brede zin ook andersluidende, kritische meningen geuit mogen worden. Youtube wijst daartoe op onder meer de Europese afspraken tegen desinformatie en op het feit dat deze video’s onjuiste, schadelijke en gevaarlijke informatie bevatten.

De rechtbank besluit uiteindelijk dat de video’s weg moeten omdat de informatie wordt gegeven door een (huis-)arts en niet slechts een mening is maar pretendeert een feit te zijn:

Een arts die zonder sluitend bewijs en wetenschappelijk onderbouwde tests claimt dat HCQ of een alternatief middel – dat zonder recept te verkrijgen is – werkt, licht het publiek onjuist voor. Daarnaast kan het schadelijk en gevaarlijk zijn. … Zoals het in de interviews door hem is verwoord, vormt het geen onderdeel van het debat, hetgeen YouTube wel zou hebben toegelaten, maar bevatten zijn uitlatingen onjuiste informatie die mogelijk schadelijk en gevaarlijk is. Juist als arts dient hij zich dit te realiseren.
De uitkomst is dus dat Youtube wel degelijk de video’s weg mocht halen, zij het om een andere reden dan in hun beleid stond.

Natuurlijk volgt er een bodemprocedure, dus tot die tijd zal er niet veel veranderen. Ik ben benieuwd of de interviews nu opnieuw gedaan gaan worden met overal “ik vind” en “het is mijn mening” in plaats van “het is zo”. Dat voelt namelijk als de voor de hand liggende truc, als de rechter zegt dat je geen onjuiste informatie mag geven maar wel je mening, dan geef je dus een mening bestaande uit onjuiste informatie met “ik vind”.

Maar nee, zo werkt het niet. Waar het om gaat, is dat je als arts een uiting doet die door het publiek wordt opgevat als voorlichting door een deskundige. Daar helpen geen duizend ik-vind’en aan. Prima om een kritische mening te hebben over het beleid van het RIVM, je kunt ook zeggen dat het zo jammer is dat HCQ niet nader wordt onderzocht – bijwerkingen (depressie, hartritmestoornissen en psychoses) zijn ook maar een mening – maar als huisarts op welke manier dan ook suggereren dat mensen HCQ kunnen gaan nemen, dat is gevaarlijk en dat moet je niet doen. Ik verwacht dan ook dat Youtube daarop in blijft grijpen, ook als er overal “ik vind” ingemonteerd wordt.

Arnoud

 

 

 

Mogen mensen je kind buiten fotograferen en op Facebook zetten?

Een lezer tipte me over deze Viva-forumdiscussie:

Vorige week werd ik getagged op Facebook in een bericht van een winkelcentrum in de buurt. Hierop staat mijn kind in het midden met verder alleen een ander persoon die je alleen van De achterkant ziet weglopen. Mijn kind zie je vanaf de zijkant en precies midden in de foto. Nu hebben ze de foto “bewerkt” en heeft mijn kind accessoires op zichzelf gefotoshopt gekregen van de fotograaf. Dit als onderdeel van het onderwerp van het Facebook bericht. Mag dit zomaar geplaatst worden zonder mijn toestemming?
De foto blijkt dus te zijn gemaakt door een fotograaf die ingeschakeld was door het winkelcentrum, en de accessoires zijn dingen die in het winkelcentrum te koop zijn. Daarmee werd niet geprobeerd het kind anoniem te maken, het lijkt veeleerder te zijn gegaan om de foto lekker grappig te maken.

Juridisch gezien is dit een typisch gevalletje “portretrecht niet in opdracht”, of onder de AVG een belangenafweging-legitiem-belang (u weet het, portretrecht bestaat niet meer sinds de AVG). Inhoudelijk komt het altijd op het zelfde neer: hoe groot was het belang van het winkelcentrum om deze foto zo te mogen tonen, en hoe groot is het privacybelang van het kind waar de ouders voor verantwoordelijk zijn?

Het gaat wat ver om te zeggen dat een winkelcentrum géén belang heeft. Ook een bedrijf heeft vrijheid van meningsuiting, maar hoe meer het naar zuiver commerciële reclame neigt hoe minder dat belang mee zal wegen. Zeker in situaties als deze waarin je makkelijk even kunt vragen aan geportretteerden wat ze ervan vinden, of lokale acteurs vragen, enzovoorts.

De privacy op de openbare weg is niet heel groot, maar zeker ook niet nul. Weliswaar mag iedereen je fotograferen op de openbare weg – en zo’n winkelcentrum is openbare weg ook al is ‘ie in privé eigendom – maar de publicatie daarvan moet nog steeds door die belangenafweging heen. En zeker bij kinderen mag je meer dan normaal verwachten dat ze met rust gelaten worden.

Een interessante zijsprong is nog of fotograferen in het winkelcentrum verboden is, zie de stickers bij de deur. Dan zou ik zeggen, dan heb je een hógere privacyverwachting. En dan maakt het niet uit dat de fotograaf voor het winkelcentrum werkte; je mag je onbefotografeerd wanen na zo’n sticker en het winkelcentrum moet dan meer dan normaal waarschuwen en opvolgen.

Alles bij elkaar neig ik naar: nee, deze publicatie moet eraf want er is niet even gevraagd of het kan.

Arnoud

Mag YouTube video’s blokkeren die Covid-19-middel aanprijzen?

Hoever mag YouTube gaan in zijn strijd tegen misinformatie over corona, zo vroeg NRC zich onlangs af. En staat het verwijderen van video’s die niet aan de huisregels voldoen een open maatschappelijk debat over het coronabeleid van de overheid en het RIVM in de weg? Interviewer Ab Gietelink en huisarts Rob Elens hebben een kort geding tegen YouTube aangespannen omdat de videoreus video’s van de twee had verwijderd omdat ze in strijd zijn met de huisregels omtrent coronamisinformatie. De video’s prijzen het omstreden hydroxychloroquine aan als Covid-19-medicijn. Daar klinkt dus het verwijt van ‘censuur’, en hoewel ik liever wacht op het vonnis om de inhoudelijke kwestie te bespreken, toch alvast even over dat punt.

Op het moment dat iemand zegt dat er online censuur wordt gepleegd, krijg je altijd een tegenreactie dat dat niet kan – alleen de overheid pleegt censuur. Formeel klopt dat. De term censuur betekent in het juridisch jargon dat de overheid voorafgaand toezicht uitoefent op uitingen, oftewel je mag pas iets publiceren na goedkeuring. Ingrijpen achteraf (bijvoorbeeld strafrechtelijk vervolgen voor smaad) is dus geen censuur.

Een private partij kan in die definitie geen censuur plegen, om de simpele regel dat ze geen overheid is. En dat is ook wel logisch: hoezo kan een private partij eisen dat ik mijn uitingen voorafgaand aan hem voorleg? Ja, als we dat zo afgesproken hebben – denk aan werkgevers of opdrachtgevers die zoiets eisen. Maar als je dat zelf afspreekt, dan is het wat raar om vervolgens te klagen dat je privaat gecensureerd wordt.

Bij partijen als Youtube wreekt zich het feit dat zij wel private partijen zijn, maar zo machtig dat ze eigenlijk als een soort van overheid te zien zijn. Je kunt nauwelijks om ze heen. Ja, in theorie heb je andere sites, maar noem er eens twee waar jij regelmatig kijkt? Dailymotion hoor ik, ja op Vimeo staan ook films, maar hoe vaak kijkt men daar nou echt?

Ik begrijp dus wel dat mensen zeggen dat het voelt als censuur, zo’n grote partij die eigenlijk overkomt als overheid en die dan zegt “deze onderwerpen mag je niet meer bespreken”. Ik ben ooit afgestudeerd op de stelling dat als een partij zó groot is dat er effectief geen alternatieve platforms zijn (zeg maar, het marktplein versus het industrieterrein als enige twee opties voor demonstraties) dat die grote partij dan onder dezelfde regels als de overheid moet vallen.

Dat zou betekenen dat deze partij geen inhoudelijk beleid meer mag voeren over wat zij toelaat. Ik twijfel of Youtube daar is – het gaat niet perse om het publiceren van video, en er zijn ook grote platforms zoals Facebook of Instagram waar je terecht kunt om een minstens zo grote doelgroep te bereiken.

(NB iedere discussie over hydroxychloroquine, het RIVM- of overheidsbeleid en aanverwanten is off-topic. Discussie of de voorgaande zin censuur is, is wel toegestaan.)

Arnoud

Je eigen gesprekken opnemen is je goed recht en daarmee basta

Via de onvolprezen Charlotte Meindersma op Twitter:

Als ik jullie goed advies mag geven: wees bij een belangrijk gesprek nooit zo fatsoenlijk om te vragen of je het op mag nemen, maar doe het gewoon. Als je zelf deelnemer bent aan het gesprek, is het niet strafbaar.

Dat gaf enige heftige reacties, van ongeloof (“mag dat echt zonder te vragen”) tot gefronste wenkbrauwen gevolgd door grote woorden over de AVG en zelfs de Grondwet. Dat schiet bij mij in het verkeerde keelgat, want het is gewoon juist wat ze zegt.

Het is inderdaad niet strafbaar om gesprekken op te nemen waar je deelnemer aan bent (art. 139a Strafrecht). Je hoeft het niet te melden aan je gesprekspartner, en komt het uit dan heeft zhij ook geen recht op een kopie. De gedachte van de strafwet is dat afluisteren van andermans privégesprekken kwalijk is, maar als je zelf in het gesprek zit, dan is er geen probleem op dat gebied.

Naast het strafrecht heb je natuurlijk de AVG. Die vindt inderdaad iets van het maken van gespreksopnamen, want dat zijn persoonsgegevens die je dan verwerkt. Alleen: wanneer je die opname maakt voor jezelf, omdat je bewijs wil van wat er is gezegd en dat bewijs hooguit inzet in juridische procedures, dan valt dat onder de exceptie voor huishoudelijke doeleinden.

Krijg je natuurlijk meteen het verwijt dat “huishoudelijke doeleinden” heel beperkt uitgelegd wordt. Daar ben ik dus even ingedoken, en dat valt reuze mee. Het is natuurlijk in zoverre beperkt, want het moet gaan om iets particuliers (dus niet met je zakelijke pet op, ook niet als eenmanszaak) en iets dat tot jouw huishoudelijke activiteiten beperkt is. Oftewel jij in je eentje doet de hele verwerking, het gaat om mensen die dichtbij je staan en alles gebeurt op kleine schaal.

Ik zie werkelijk niet hoe “ik neem mijn eigen gesprekken op en bewaar die voor het geval er een juridisch conflict is waarbij ik de opname nodig heb” conflicteert met bovenstaande.

Minstens zo belangrijk: het opnemen van je eigen gesprekken valt vrij evident onder de informatievrijheid, het recht feiten en inlichtingen te mogen verzamelen (artikel 10 EVRM, artikel 11 Handvest). Dat is een grondrecht, net zo goed als privacy (artikel 8 EVRM) en bescherming van persoonsgegevens (artikel 9 Handvest). Vanuit dat perspectief is het raar om te zeggen “moet dat nou, je kunt het toch even vragen”. Je hebt geen ‘moet’ nodig om een grondrecht uit te mogen oefenen. Dat mag je, punt.

Natuurlijk kan het ene grondrecht botsen bij het andere, en dat is wat hier dan gebeurt. Een opname is inderdaad een inperking op iemands bescherming van persoonsgegevens, en mogelijk ook een privacyschending (ik twijfel, want je was erbij tijdens het gesprek en waarom is het dan privé als de ander terug kan halen wat je zei). Je komt dan in een afweging van belangen terecht, waarbij uitgangspunt is dat beide grondrechten even zwaar wegen.

Voor mij geeft uiteindelijk de doorslag dat a) het gaat om opname ten behoeve van bewijs, dus géén publicatie b) welk bewijs je niet op andere wijze kunt krijgen en c) een gesprek van karakter verandert als je zegt dat je het opneemt. Je verliest dus je positie als je zegt wat je gaat doen, en de privacy- of persoonsgegevensinbreuk zie ik als minimaal omdat het gaat om dat beperkte doel als bewijs.

Praktische tip nog: als je dit doet, maak dan pas zo laat mogelijk bekend dat je een opname hebt. Het netste lijkt mij dat je eerst gewoon samenvat wat er is gezegd (bijvoorbeeld in je bezwaarschrift of dagvaarding), als daar over gepiept wordt dan reproduceer je wat er letterlijk is gezegd en pas als men dán nog ontkent dan laat je de opname horen.

En nog eentje: het is handig als je de opname ergens bewaart waar er een onafhankelijke timestamp op gezet wordt (wellicht een soundcloud of online cloudopslag) en liefst waar bewerken niet zomaar mogelijk is zonder dat dat sporen achterlaat. Dan weerleg je meteen het verwijt dat je de opname gemanipuleerd hebt.

(En voor de zekerheid: wie om welke reden dan ook die gesprekken publiceert anders dan in een gerechtelijke procedure die kan zich niet op bovenstaande beroepen.)

Arnoud

Wat kun je juridisch doen als je zingen wordt gedeepfaked?

Rapper Jay-Z is een rechtszaak begonnen over muziek-deepfakes met zijn stem, las ik bij Pitchfork. Met deepfakes bedoelen we door machine learning gegenereerde werken die lijken op echte werken. Meestal in de context van video, maar het kan ook met audio. Daardoor ontstaan haast niet van echt te onderscheiden muziekwerken in dit geval, waarbij je zomaar zou denken dat Jay-Z ze heeft gemaakt (althans de rap heeft ingesproken). En dat is natuurlijk niet zo; wat kan hij hiertegen doen?

Hoe je precies deepfakes maakt, is een tikje ingewikkeld. Het komt erop neer dat je een heleboel data van je bron (zoals een berg video of een kilometer muziek) verzamelt en een generative adversarial network (een soort machine learning systeem) daarop loslaat. Dat systeem bestaat uit twee componenten: het ene achterhaalt wat zeg maar typerend is voor die brondata en maakt daar een nieuw, vergelijkbaar iets mee. En het andere achterhaalt wat de brondata ‘echt’ maakt en gaat dat nieuw gemaakte spul proberen te herkennen als nep. Dat herhaalt zich een aantal keer, totdat uiteindelijk het nieuw gemaakte niet van echt te onderscheiden is. Ja, dat werkt best goed.

Dit is populair geworden door allerlei deepfake-video gerotzooi, maar het kan in principe ook met muziek. Hier, Frank Sinatra zingt Abba of kies zelf wat leuks bij dit demonstratie-Youtubekanaal. Als je niet beter wist, zou je zeggen dat het echt is. En dat is dus het punt van deepfakes.

Niet leuk als je als artiest trots bent op je eigen werk, dus wat kun je eraan doen. Dat is een tikje complex, we hebben natuurlijk het portretrecht voor als je ten onrechte in zo’n nepvideo zit, maar het gaat hier niet om een portret – het is uitsluitend audio (de afbeelding in de video even negerend). En juridisch gezien heb je niet echt een uitsluitend recht op je stem.

In Nederland hebben we twee zaken gehad over stemrecht. Gert-Jan Dröge moest een imitator tolereren, onder meer omdat het volgens de rechter vooral ging om zijn geaffecteerde manier van spreken en niet perse een imitatie van hém. Maar toenmalig koningin Beatrix kon wél zich verzetten tegen gebruik van haar stem (althans een imitator). Heel sterke precedenten zijn dat niet. Het enige Amerikaanse equivalent is die Let’s get ready to rumble-man die 2.5 miljoen won van een imitator, op basis van imagoschade (ongewenste associatie met een chipsmerk).

Je kunt je afvragen of zo’n “AI model” dat iemand simuleert, telt als een imitatie van die persoon. In ieder geval is het uniek genoeg om te hopen dat die rechtszaak een keer wél wordt doorgezet, want Amerikaanse zaken van celebrities hebben de vervelende gewoonte altijd geschikt te worden en dan weet je nog niks.

Arnoud

Kan een presidentieel bevel een wet opzij zetten?

De Amerikaanse president Donald Trump dreigt sociale media ‘streng te reguleren of te sluiten’. Dat meldde Tweakers vorige week. Trump is boos omdat Twitter onlangs enkele van zijn tweets labelde met een ‘disputed’ tag. De remedie lijkt nu bekend: hij heeft een executive order oftewel presidentieel bevel getekend waarin grofweg staat dat het overheidsbeleid vanaf nu is dat dergelijk ingrijpen ervoor zorgt dat je niet langer immuun voor rechtszaken bent als platform. Dat gaat dus nog ahem interessant worden.

Section 230, want daar gaat het om, is het wetsartikel waardoor internet mogelijk werd. Tussenpersonen zoals Twitter (in die tijd bbs’en, discussieforums en chatrooms) waren niet aansprakelijk voor wat zij gebruikers lieten plaatsen. Gewoon niet – behalve bij auteursrechtinbreuk, daar moesten ze snel ingrijpen (dat was dan weer de DMCA). In Europa ligt dit iets genuanceerder, daar geldt snel ingrijpen bij álle soorten inbreuk.

Daar staat tegenover dat tussenpersonen sommige dingen gewoon niet willen op hun platform. Vandaar dat sectie 230 toestaat dat je te goeder trouw mag modereren en dingen weghalen die je “objectionable” vindt, zonder dat je dan ineens je immuniteit verliest omdat je de rest laat staan. Oftewel, Twitter is niet aansprakelijk voor bijvoorbeeld racistische of tot geweld aanzettende tweets van willekeurige gebruikers, maar mág als zij daar beleid op heeft (inderdaad, de Terms of Service) besluiten dergelijke tweets te verwijderen.

De EO kan zo’n wet niet opzij zetten, want de president maakt niet de wetten. Maar de president heeft wel een heleboel macht, en kan bijvoorbeeld bepalen dat ‘zijn’ overheidsinstanties een zeer nauwe interpretatie van section 230 moeten volgen vanaf nu. Namelijk dat je een hoop dingen (zoals, tussen de regels door, het labelen van presidentiële tweets als wat dan ook) als te kwader trouw moet zien en daar “gepaste” conclusies uit moet trekken.

Dat is natuurlijk leuk en aardig maar juridisch gezien kan dat niet: een wet wordt niet anders omdat de uitvoerende macht dat wil. Maar een wetswijziging er doorheen krijgen is onmogelijk (gezien de Democratische meerderheid in het Huis van Afgevaardigden). En rechtbanken zijn ook in de VS onafhankelijk. Natuurlijk heeft Trump veel rechters benoemd, maar traditioneel was de opvatting dat alles moest kunnen online dus ik zou verwachten dat conservatieve rechters juist tégen deze interpretatie zijn.

Het bevel roept toezichthouders FCC (over telecommunicatie) en FTC (over handel) op om maatregelen te nemen. Alleen zijn dat, net als bij ons, onafhankelijke instanties die niet onder presidentieel bevel staan. De FCC is natuurlijk heel erg pro-bedrijf (zo hebben ze recent netneutraliteit opgeheven) maar dat pleit juist tegen het doorvoeren van deze maatregel. De FTC kan via het Amerikaanse equivalent van oneerlijke handelspraktijken wellicht ingrijpen, al is onduidelijk of zij bevoegd zijn om sectie 230 te handhaven.

Mogelijk maakt nog enige indruk het bevel aan alle overheidsinstanties om niet meer te adverteren op netwerken die “te kwader trouw” content modereren, hoewel ik niet de indruk had dat er nou héél veel overheidsgeld naar Twitter-advertenties ging. En puntje van orde is natuurlijk dat wat er in het bevel staat over sectie 230, niet is wat er wérkelijk staat. Zo zegt de wet nergens dat het weghalen van “ongepaste” dingen alleen op politiek neutrale gronden zou mogen, of dat beschermde free speech altijd ‘gepast’ is en dus moet blijven staan.

Dat gezegd hebbende gáát dit natuurlijk een heleboel rechtszaken geven, want het blijft Amerika.

Arnoud

Ik word gefotografeerd als ik iemands huis fotografeer, mag dat?

Een lezer vroeg me:

Ik fotografeer graag huizen. Wanneer ik een huis zie dat voldoet en waar ik een gevoel bij krijg dan neem ik vanaf de openbare weg, vaak staand op mijn auto, foto’s. Nu iedereen dus thuis zit ben ik afgelopen week al meerdere malen aangesproken door enkele buurtgenoten van het desbetreffende huis die vervolgens mij + nummerplaat gaan fotograferen met hun mobieltje. Waarschijnlijk om een beetje stoer te doen of het door te sturen naar de politie. Dat is toch de omgekeerde wereld? Waar sta ik juridisch?

Het is inderdaad toegestaan om vanaf de openbare weg huizen (of andere objecten, of zelfs dieren) te fotograferen wanneer je daar zin in hebt. Dat valt onder de vrijheid van informatiegaring, deel van de vrijheid van meningsuiting (artikel 10 EVRM). Je doel bij de foto’s of het artistiek niveau van de resultaten doet er niet toe.

Portretrecht, de AVG of je eigendomsrecht inroepen als huiseigenaar gaat hem niet worden. Ook dat het onprettig voelt dat iemand met een camera voor je huis staat is geen argument. Alleen als je mensen op de foto zet dan kan privacy in beeld komen, en bij heel vaak op dezelfde plek komen fotograferen héél misschien het argument stalking maar die zie ik eerlijk gezegd niet.

Die huiseigenaren of buurtgenoten die gaan “terugfotograferen” zitten dus iets lastiger in de race, want zij maken nadrukkelijk wel foto’s van een herkenbaar persoon. Dat is ook vrije informatiegaring maar zij moeten rekening houden met de belangen van de persoon die ze op de foto zetten.

De vraag daarbij is dus met welk doel zij dat doen. Stoerdoen is een zuiver particulier doel en dat valt buiten de AVG. Daar is juridisch dus niets tegen te doen. Als ze de foto’s gebruiken voor het geval de fotograaf iets raars blijkt te gaan doen (een inbraak plannen, stalking, kidnapping, ik noem eens een dwarsstraat) dan is dat ook nog te rechtvaardigen. Maar ander doelen zouden niet toegestaan zijn, denk aan de foto preventief op Twitter zetten “wie kent deze rare man met telelens”.

Arnoud

Het fakenews op de pijnbank van het Nederlands strafrecht

Fake news oftewel nepnieuws is als fenomeen haast niet meer weg te denken uit het discours over de online media. Steeds luider klinkt ook de roep om dergelijke valse berichtgeving ‘aan te pakken’, bij voorkeur via het strafrecht. Maar wat is nu precies nepnieuws en waarom is het zo’n probleem? En welke mogelijkheden kent het strafrecht om deze berichtgeving juridisch te bestrijden? Een voorpublicatie van mijn artikel in het Tijdschrift voor bijzonder strafrecht.

Hoewel de term nepnieuws vooral de laatste vijf jaar grote weerklank kent, is het fenomeen zeker niet nieuw. Al in de 18e eeuw werd een Nederlandse uitgever (Gerard Lodewijk van der Macht) tot vier maal toe gestraft met verbanning voor het publiceren van verzonnen berichten. De opkomst van internet heeft het fenomeen wel een stevige spurt gegeven. Hiervoor zijn grofweg twee oorzaken aan te wijzen: het middels advertenties kunnen profiteren van grote bezoekersaantallen en het beïnvloeden van politieke processen. De eerste oorzaak heeft waarschijnlijk de tweede mogelijk gemaakt.

In de literatuur zijn vele pogingen zijn ondernomen om het fenomeen nepnieuws te definiëren. Deze definities leveren zelden een écht brede classificatie op, en worden zeker in de juridische literatuur dan ook altijd keurig geciteerd en vervolgens genegeerd. Gezien de impact die nepnieuws kan hebben, weerklinkt de roep om strafrechtelijk ingrijpen met enige regelmaat. Het probleem daarbij is natuurlijk dat de term als zodanig zo lastig te duiden is, dat een specifieke verbodsbepaling niet te formuleren is. De term kan ook gewone fouten of sensatiejournalistiek betreffen.

Een specifiek delict in het Wetboek van Strafrecht is er niet. De achterliggende oorzaak van dit gebrek is natuurlijk dat er nooit echt gedacht is aan de situatie dat mensen opzettelijk legitiem uitziende berichten gaan maken die echt nep zijn en zonder een spoortje van humor of poging daartoe worden gepubliceerd. De beperkte ruimte in kranten en televisie (en de kostbare toegang daartoe) maakte de verspreiding daarvan nauwelijks haalbaar. Dit nog los van de beroepstrots van de traditionele journalist om berichten te checken en de waarheid te willen brengen.

De grote vraag bij aanpakken (bijvoorbeeld met nieuwe wetgeving) zal blijven hoe een oplossing te bieden zonder de uitingsvrijheid nodeloos geweld aan te doen. De term verwijst immers naar een breed spectrum aan uitingen, met eigenlijk als enige gemeenschappelijk kenmerk dat zij de waarheid geweld aan doen. Individuele nieuwe vormen van fakenews zijn zonder twijfel strafbaar te stellen, maar daarmee blijft men achter de feiten aanhollen omdat nieuwe vormen zo bedacht zijn. Dit nog los van de praktische handhaafbaarheid van dergelijke strafwetgeving: opsporing is vanwege de wereldwijde ICT-omgeving waarin zij plaatsvindt al zeer lastig, en uitlevering van de verdachte vanuit zijn of haar land zal lastig blijken als daar de betreffende uiting niet strafbaar is, wat vaak het geval is.

De civielrechtelijke route richting de platforms lijkt veelbelovender. Wanneer Facebook besluit een pagina te sluiten of Google een website weert, is daar geen strafproces voor nodig. Een simpel beroep op de eigen huisregels en of vrijheid van onderneming is in beginsel genoeg. Lastig hieraan is wel dat juist deze eenvoud de uitingsvrijheid veel meer bedreigt, precies omdat uitingen dan zó makkelijk gesmoord kunnen worden. Idealiter zou een tussenvorm bestaan die het gemak van ingrijpen door de grote platforms combineert met de waarborgen van het strafrecht, maar hoe dát op een eenvoudige manier te realiseren, blijft vooralsnog een onbeantwoorde vraag.

Arnoud