Online scrabbelen mag alleen als het Scrabble® is

Screenshot van crabulousSpellenmaker Hasbro is een rechtszaak begonnen om de online variant Scrabulous van internet te krijgen, meldde Slashdot vorige week. De site was in 2006 begonnen maar kreeg veel aandacht doordat men een versie ontwikkelden voor de sociale site Facebook: 2.3 miljoen gebruikers. En dat vond Hasbro dus niet leuk, want het is hun spel. Toch?

Eerst maar het makkelijke deel: als je een bordspel waarbij je woorden moet leggen met letters “Scrabulous” noemt, en daarbij zegt “Play the world’s favorite word game here for free!”, dan is het wel duidelijk dat je op de populariteit van Scrabble® aan het meeliften bent. Dat is merkinbreuk en dat mag dus niet.

Maar goed, dan noemen ze het “Letterblock” of zo, een naam die de schijn van aanhaken bij “Scrabble” vermijdt. En ze geven de blokjes en het bord een andere kleur. Dan wordt het lastig. Want dan kan Hasbro alleen nog in stelling brengen dat hun spelconcept overgenomen is.

Een spelconcept is als zodanig niet auteursrechtelijk beschermd. Een uitgewerkt concept kan beschermd zijn. Je mag dus niet iemands handleiding overtypen, het bord natekenen of de speelkaarten onder het kopieerapparaat leggen en het resultaat als je eigen werk verkopen. Maar op basis van het concept een eigen spel maken, mag wel.

Waar ligt de grens? Dat is, zoals altijd in het recht, lastig aan te geven. “Ontlenen” kan ook doordat je hetzelfde werk op je eigen manier weergeeft. In de Engelse vertaling van deze blogpost zal geen woord van het origineel terug te vinden zijn (behalve het woord Scrabble dan misschien), maar toch is het inbreuk op het auteursrecht om dit te vertalen. Gelukkig maar dat mijn licentie dit toestaat.

De rechter zal kijken of de twee spellen erg veel op elkaar lijken. Hoe meer punten van overeenstemming er zijn, hoe groter de kans dat er afgekeken dan wel ontleend is natuurlijk. En als ze erg lijken, draait de bewijslast om: de aangeklaagde persoon moet dan bewijzen dat hij het spel helemaal zelf bedacht heeft.

In een geval als dit:

Vier op een rij vs Four wins

(uit Hoge Raad 29 juni 2001, MB v Impag, met dank aan Dick van Engelen) bleek dat niet te doen. En ik vrees dan ook het ergste voor Scrabulous: de layout, spelregels, alles eigenlijk is zo duidelijk afgekeken van het bordspel van Hasbro dat de rechter toch heel snel inbreuk op Hasbro’s auteursrecht zal aannemen.

Arnoud

Een open draadloos netwerk als bewijs van onschuld

De grote beveiligingsgoeroe Bruce Schneier heeft een volledig open draadloosnetwerk thuis, zo schreef hij in een recente column bij Wired. Iets dat veel van zijn bezoekers verbaast: weet hij dan niet dat er allerlei onfrisse types zijn die daar misbruik van maken, waarna de politie hem zal komen arresteren omdat alles vanaf zijn IP-adres gedaan lijkt te zijn?

While this is technically true, I don’t think it’s much of a risk. I can count five open wireless networks in coffee shops within a mile of my house, and any potential spammer is far more likely to sit in a warm room with a cup of coffee and a scone than in a cold car outside my house. And yes, if someone did commit a crime using my network the police might visit, but what better defense is there than the fact that I have an open wireless network? If I enabled wireless security on my network and someone hacked it, I would have a far harder time proving my innocence.

Dat laatste is intrigerend: als Schneier zijn netwerk goed beveiligt, is het dus onmogelijk dat een ander er op ingebroken is. Dus alles wat dan vanaf zijn IP-adres is gebeurd, moet hij zelf gedaan hebben. Daar zit wat in.

Je zou dat kunnen omkeren: als je je netwerk dus openzet voor iedereen, valt nooit te bewijzen dat jij iets gedaan hebt. Je kunt dan altijd die langsrijdende hacker de schuld geven. Maar dat is ook weer iets te makkelijk.

Bij een strafzaak moet de rechter ‘overtuigd’ zijn van de schuld van de verdachte (artikel 338 Strafvordering). Heeft de verdachte een redelijk klinkende alternatieve verklaring voor het gebeurde, dan kan hij worden vrijgesproken. Maar een enkele theoretische mogelijkheid is meestal niet genoeg. Pas als het bewijs een redelijke twijfel oproept, kan vrijspraak volgen.

In dit geval zal het bewijs vrijwel altijd een verklaring van een getuige-deskundige zijn. Een getuigenverklaring is “wettig bewijs” (art. 339 Strafvordering). Logfiles en andere aanwijzingen zijn op zichzelf meestal niet duidelijk genoeg om meteen als bewijs te dienen. De getuige-deskundige moet dan uitleggen wat voor elektronische aanwijzingen hij heeft gevonden op de PC en het thuisnetwerk van de verdachte, en of daaruit redelijkerwijs blijkt dat er sprake was van een indringer van buitenaf.

Uit het hebben van een onbeveiligd draadloos netwerk volgt niet dat elke activiteit door een wardrivende hacker gepleegd is. Er zullen op zijn minst concrete aanwijzingen in bijvoorbeeld de logfiles moeten zijn dat iemand zich heeft aangemeld met een MAC-adres dat nooit eerder is gebruikt.

In een arrest van de Hoge Raad afgelopen juni over bedreiging per e-mail voerde de verdachte aan dat hij de mails niet gestuurd had:

dat uit de stukken niet kan worden afgeleid dat de verdachte de berichten heeft verzonden, dat de mogelijkheid bestaat dat de berichten vanuit een andere computer zijn verzonden en dat uit de bewijsmiddelen niet duidelijk is geworden of het [gebruikte] IP-adres een statisch of dynamisch IP-adres is, hetgeen zou meebrengen dat meer mensen van dit IP-adres gebruik hebben kunnen maken, terwijl verder de verzending van e-mail vanaf een bepaald hotmail-adres niet zonder impliceert dat de houder van dat adres die e-mail ook verzonden heeft.

Het IP-adres bleek echter al bijna twee jaar uitsluitend bij de verdachte in gebruik. Dit is bij de provider eenvoudig na te gaan.

Dat de andere berichten verzonden zouden kunnen zijn van een andere computer – hetgeen inderdaad bij een hotmail-adres mogelijk is – is een mogelijkheid die het Hof als hoogst onwaarschijnlijk buiten beschouwing heeft kunnen laten, mede in aanmerking genomen wat het Hof over het IP-adres, zoals hiervoor vermeld en de verhouding tussen verdachte en [het slachtoffer] heeft vastgesteld. Dan zou een derde zich onbevoegd het wachtwoord en het e-mailadres hebben moeten verschaffen. Daarbij komt nog dat uit bewijsmiddel 9 kan worden afgeleid dat het desbetreffende e-mailadres “[e-mailadres 1]” 168 keer is aangetroffen op de computer van de verdachte.

Oftewel: het IP-adres was twee jaar lang aan u toegekend, niemand anders kon op de tijdstippen vanaf uw PC mails versturen en gezien de inhoud is het zeer aannemelijk dat u ze geschreven heeft. Dus u was het.

Nu is het theoretisch mogelijk dat iemand die PC op afstand gekraakt heeft, en zo vanaf die PC alles kon doen waar hij zin in had. Inclusief dus bedreigende mails sturen naar de collega van de verdachte die de aangifte van bedreiging had gedaan. Ook voor dat geval heb je een getuige-deskundige nodig, die sporenonderzoek gaat doen om te kijken of er b.v. een Trojaans paard of rootkit op de PC aanwezig is.

In dit vonnis gaf de rechtbank mooi weer hoe zulk bewijs wordt toeepast:

Tegen het feit dat [een tweede deskundige] ter terechtzitting in hoger beroep, sprekend over de theoretische mogelijkheid dat hem sporen van hacking zouden zijn ontgaan, heeft opgemerkt dat hacken niet uit te sluiten is, weegt op dat hij voor het feit dat dat zou zijn gebeurd (te weten dat die computers wèl gehackt zouden kunnen zijn geweest) geen enkele aanwijzing heeft gevonden en dat de aangetroffen sporen op de computers dermate in elkaar grijpen en interne consistentie vertonen dat het onwaarschijnlijk is dat de sporen anders dan door normaal gebruik van de computers – en dus niet door manipulatie van buitenaf – op die computers terecht zijn gekomen.

Je kunt dus niet zonder meer zeggen “er kan gehackt zijn, dus ik was het niet”. Wat er precies gebeurd is, moet meespelen bij de inschatting of de verdachte het gedaan heeft. Een geavanceerde computerinbraak bij Defensie vanaf het thuisnetwerk van Jan en Petra van 83 die vorige week voor het eerst “internet hebben gekocht”, zal waarschijnlijk door een langsrijdende hacker gepleegd zijn. Een ruzie op school die vervolgens leidt tot anonieme scheldmails zal echter waarschijnlijk door de ruziemaker gestart zijn.

Arnoud

Wetgeving webwinkels is complex (via Frankwatching)

Een interessante presentatie over de regels rond webwinkels en koop op afstand, door advocaat Ernst-Jan van de Pas van kantoor Dirkzwager:

Goed initiatief om dit op Slideshare te zetten. Alleen de volgende keer misschien zonder bolletjes 😉

Via Frankwatching.

Arnoud

Hoe zeg je: “Dit werk is in het publiek domein”?

Stel je vindt op zolder een doos met oude foto’s van je overgrootvader. Die foto’s behoren tot het publiek domein: er zit geen auteursrecht meer op, want de beste man is meer dan zeventig jaar geleden overleden. Die foto’s kun je dan inscannen en op internet zetten, zodat iedereen daar mooie dingen mee kan doen. Maar hoe geef je nu op een duidelijke manier aan dat die foto’s inderdaad publiek domein zijn?

Creative Commons is daarom het CC Zero project begonnen. Net zoals Creative Commons-licenties machines-leesbaar zijn, is de CC0 aanduiding dat ook.

CC legt uit:

The CC0 Assertion will provide a means by which any person may assert that there are no copyrights in a work, within a system that permits others to judge the reliability of the assertion, based on the Asserter’s identity and other information the Asserter may provide. The CC0 Assertion (United States) is intended to address copyright status under US law. The Assertion may not be appropriate for Works created in or whose copyright status is governed by the law of other jurisdictions.

Dat laatste heeft te maken met het oude systeem van auteursrecht in de VS. In Nederland valt een werk pas in het publiek domein als de auteur 70 jaar overleden is, of er nu een copyright-vermelding op het werk stond of niet. Of je als auteur afstand kunt doen van je auteursrechten is niet helemaal duidelijk.

Tot 1978 moest een werk in de VS op zijn minst van een copyright notice voorzien zijn om auteursrechtelijk beschermd te zijn. Wie dus een oude Amerikaanse film ontdekt waar die notice niet op staat, kan via de CC0 aanduiding bekendmaken dat dit werk in het publiek domein rust. Volgens jurist Lauren Vanpelt zou dit ook moeten gelden voor Mickey Mouse trouwens, omdat de eerste film geen juiste notice had. Disney is het daar mee oneens, maar wie de slag met ze aan wil gaan, heeft nu een handige manier om de eerste stap te zetten.

Via Creative Commons.

Arnoud

Het nut van een disclaimer

Software-licenties, met name open source licenties, hebben altijd uitgebreide en vergaande disclaimers. De OpenBSD open source licentie zegt bijvoorbeeld:

THE SOFTWARE IS PROVIDED “AS IS” AND THE AUTHOR DISCLAIMS ALL WARRANTIES WITH REGARD TO THIS SOFTWARE INCLUDING ALL IMPLIED WARRANTIES OF MERCHANTABILITY AND FITNESS. IN NO EVENT SHALL THE AUTHOR BE LIABLE FOR ANY SPECIAL, DIRECT, INDIRECT, OR CONSEQUENTIAL DAMAGES OR ANY DAMAGES WHATSOEVER RESULTING FROM LOSS OF USE, DATA OR PROFITS, WHETHER IN AN ACTION OF CONTRACT, NEGLIGENCE OR OTHER TORTIOUS ACTION, ARISING OUT OF OR IN CONNECTION WITH THE USE OR PERFORMANCE OF THIS SOFTWARE.

De basisregel uit het recht is dat je aansprakelijk gehouden kunt worden voor onrechtmatig gedrag, en ook voor beloftes die je niet nakomt. Als je dus claimt dat je software perfect werkt, en er blijkt een fout in te zitten, dan heb je een probleem. Vandaar dat iedereen roept dat de software niets kan en nergens geschikt voor is.

Zo’n disclaimer werkt echter niet altijd. Zo mag een bedrijf in relaties met consumenten niet zomaar elke aansprakelijkheid uitsluiten. Als ik een wasmachine koop, dan moet deze gewoon werken en de leverancier kan niet met een sticker “This washing machine is provided as-is” daar onderuit komen.

Waarom trouwens met hoofdletters? Omdat Amerikaans recht (de Uniform Commercial Code, artikel 2-316) eist dat je bepalingen over aansprakelijkheid “conspicuous” weergeeft. En wat dat is, staat weer in artikel 1-201(b)(10):

“Conspicuous”, with reference to a term, means so written, displayed, or presented that a reasonable person against which it is to operate ought to have noticed it. Whether a term is “conspicuous” or not is a decision for the court. Conspicuous terms include the following: (A) a heading in capitals equal to or greater in size than the surrounding text, or in contrasting type, font, or color to the surrounding text of the same or lesser size; and (B) language in the body of a record or display in larger type than the surrounding text, or in contrasting type, font, or color to the surrounding text of the same size, or set off from surrounding text of the same size by symbols or other marks that call attention to the language.

Het hoeft dus niet per se in hoofdletters, maar in een plat tekstbestand heb je weinig andere keus.

Arnoud

Vervalsen van digitaal bewijs

Een slimme lezer las mijn artikel over digitaal spoorzoeken en bedacht het volgende:

Een verzender verstuurd daadwerkelijk een bericht dat zo is vormgegeven dat het lijkt dat het vervalst is. Hiermee lokt hij bijvoorbeeld een levering, dienst of toezegging uit en probeert onder zijn eigen toezeggingen uit te komen door zijn bericht als onecht aan te merken.

Aangezien de ontvanger er belang bij kan hebben om een onecht bericht voor echt door te laten gaan, hebben beide partijen dus een motief om te “knoeien” met een emailbericht. Met andere woorden, welke conclusie moet een rechter trekken als je kunt aantonen dat een email niet in orde lijkt?

Elektronisch bewijs is in theorie triviaal te vervalsen, dat klopt. Er zijn het afgelopen jaar een paar zaken geweest waarbij b.v. MSN chatlogs gebruikt werden als bewijs, maar daarbij waren partijen het eens over de inhoud van de log. De discussie ging over hoe het gezegde moest worden geïnterpreteerd.

De rechter moet bij bewijs altijd afwegen wat de partijen zeggen over het bewijs, en dan concluderen wat hem het meest logisch voorkomt. De eerste vraag is dus altijd of de partijen het bewijs wel in twijfel trekken. Als beiden het eens zijn, of zelfs maar er niets over zeggen, dan mag de rechter niet zelfstandig nog eens gaan kijken of het bewijs technisch wel klopt.

De rechter hoeft dus geen verstand te hebben van techniek. Hij moet alleen maar kunnen inschatten welke deskundige het meest overtuigend overkomt. Degene die uitlegt dat er met bewijs geknoeid is, of degene die aantoont dat dit toch echt een legitiem bericht was?

De partijen zullen dus zelf moeten aantonen of het bewijs klopt. Alleen maar roepen dat het bewijs vervalst zou kunnen zijn, is niet genoeg. Je zult wel moeten aangeven waarom dat waarschijnlijker is dan dat het bericht echt is. Waarom zou een hacker nu net jouw draadloze netwerk uitkiezen om muziek mee te verspreiden, en dan ook nog eens jouw account gebruiken? Om die reden verloor Jammie Thomas haar rechtszaak. Plus natuurlijk het feit dat zij geen draadloos netwerk had. Oeps.

In het geval van de vraagsteller hebben we persoon A, die een bestelling plaatst bij B met daarin opzettelijk aangebrachte wijzigingen. B ziet deze niet en handelt de bestelling keurig af. Achteraf zou A dan kunnen claimen dat hij de bestelling niet geplaatst heeft. Maar waarom zou hij? Dan moet hij het bestelde natuurlijk teruggeven. Dat is hooguit leuk voor 13jarigen die een keer iemand willen pesten.

Ik zou me kunnen voorstellen dat persoon A iets beledigends over B wil publiceren, en dat doet vanaf zijn eigen account maar in een vaag cybercafé in Duitsland, met meer spelfouten dan normaal en met nog wat dingen die hij normaal niet doet. Hij kan dan achteraf claimen dat zijn account gehackt was, of dat iemand anders er in geslaagd is het bericht te plaatsen onder zogenaamd zijn naam. Dat zou hij kunnen winnen. Maar ik zou dan wel verwachten dat hij het bericht meteen weghaalt of laat halen. Gaat hij eerst verdedigen dat het bericht niet beledigend was, en daarna pas roepen dat hij gehackt was, dan zal dat niet geloofwaardig overkomen.

Het zal dus altijd afhangen van alle omstandigheden van de zaak.

Arnoud

Bezorging bij de buren van je koop op afstand

Dingen kopen via internet is hartstikke handig, maar het laten bezorgen blijft een probleem. Ik ben nooit thuis, maar gelukkig heb ik betrouwbare buren die de pakketjes dan voor mij aannemen. Maar wat nu als je dat niet wilt?

TNT Post zegt hierover:

Het merendeel van onze klanten vindt het prettig dat zendingen bij de buren wordt bezorgd. Hierdoor hoeft men de zending niet van het Postkantoor af te halen. Er is een mogelijkheid bezorging bij buren te voorkomen. U regelt dat met de afzender van het pakket. Die dient op het pakket de tekst “Alléén huisadres” te vermelden. Voor de verzender van een pakket is op het Postkantoor ook een sticker met deze tekst verkrijgbaar.
Sorry, geen link, want hun site is zo brak dat je die tekst alleen kunt vinden door te zoeken naar “pakket buren”.

Desondanks is het mij een tijd geleden gebeurd dat de postbode zo servicegericht was dat hij een pakket voor mijn buren met die tekst toch bij mij afgaf zonder dat ik iets hoefde te tekenen. Wat nu als ik dan staalhard had ontkend iets te hebben aangenomen?

Dan hadden mijn buren de verzender kunnen aanspreken. Verzending is immers voor risico van het bedrijf (art. 7:11 BW). Gezien die tekst had het pakket bij hen bezorgd moeten worden en niet bij eventuele buren. En zelfs als toch vast komt te staan dat het pakket bij mij bezorgd is, dan nog heeft de verzender het pakket niet bij de juiste ontvanger laten bezorgen, zodat de schade voor zijn risico is.

Verstandiger is dan ook om de bestelling aangetekend te laten versturen (“met handtekening retour”). Dan moet de ontvanger tekenen, en aangezien jouw buurman niet voor jou mag tekenen, heb je zo meer controle over waar het pakket terechtkomt. Iets lastiger ligt het bij een huisgenoot. Als een huisgenoot van jou het pakket aanneemt, dan mag de postbode veronderstellen dat die huisgenoot gemachtigd is om pakketjes in jouw naam aan te nemen, tenzij er “uitsluitend de geadresseerde mag tekenen” op het pakket staat (de duurste optie bij aangetekend versturen).

Er zijn trouwens ook bedrijven die alleen van maandag t/m donderdag tussen 10 en 4 bezorgen, geen tijdstip kunnen noemen, niet vooraf kunnen/willen bellen, niet bij de buren afgeven en hun distributiecentrum op een industrieterrein in Oost-Patagonië dan wel Twente gevestigd hebben waar je het alleen na afspraak en met een brief van je directeur op geschept bedrijfspapier kunt afhalen. Erg fijn als je dan als particulier iets geleverd wilt krijgen. Jammer genoeg is het vaak onmogelijk om bij een webwinkel vooraf uit te zoeken welk bezorgbedrijf men zal gebruiken.

Arnoud

Mag de werkgever privébestanden op een bedrijfspc doorzoeken?

Een lezer vroeg zich af:

Stel op een bedrijfspc staan bestanden die het privé-eigendom zijn van een medewerker. Nu wil de werkgever op die pc bepaalde werkgerelateerde documenten opvragen, maar hij weet niet precies waar die staan. Vanwege een arbeidsconflict wil de werknemer niet meewerken. Mag de werkgever nu de pc doorzoeken, of moet hij vanwege het risico van privacyschending toch de werknemer dit laten doen?

Ook op het werk heb je privacy. Een werkgever mag niet zomaar monitoren wat mensen doen op de bedrijfspc. Hij moet daar een reglement voor opstellen waarin staat wat er wanneer gemonitord wordt en voor welk doel. En zelfs met een reglement mag niet zomaar alles: er moet altijd een redelijke aanleiding zijn om te gaan monitoren. Een vermoeden van fraude of illegale activiteiten, maar ook disproportioneel veel dataverkeer kan zo’n aanleiding zijn.

Hier ligt het iets lastiger: de werkgever heeft een legitieme reden om op die pc te gaan zoeken, maar kan daarbij (bedoeld of onbedoeld) een blik werpen in privé-bestanden. Hij zou bijvoorbeeld een zoekopdracht kunnen geven voor alle documenten met een bepaalde tekst. Als die ook in een privé-document staat, krijgt hij vervolgens daar de inhoud van te zien. En bij bijvoorbeeld afbeeldingen laat Windows heel behulpzaam een thumbnail zien met de inhoud.

Als je het de werknemer niet kunt laten doen, dan wordt het lastig. Het beste zou zijn om dan een onafhankelijk iemand de doorzoeking te laten doen. Grote bedrijven hebben vaak een speciaal iemand, een vertrouwenspersoon of compliance officer wiens taak het is om toe te zien op de naleving van de ethische regels binnen een bedrijf. Bij een vermoeden van bedrijfsmatige fraude kun je dan als werknemer die persoon inschakelen. Deze zou dan ook in dit geval kunnen helpen.

Natuurlijk is het niet de bedoeling dat mensen privé-bestanden op een bedrijfspc zetten. Maar zolang die bestanden geen schade aanrichten, kan een werkgever daar weinig tegen doen. De grens is soms ook lastig te trekken. Ik doe een cursus voor mijn werk; is de uitwerking van een cursusopgave nu een werkgerelateerd document? En de routebeschrijving om bij die lokatie te komen? En de lijst met goeie restaurantjes in de buurt? En de e-mail naar een vriendin met een uitnodiging om dan samen te gaan eten omdat zij vlakbij de cursuslokatie woont?

Arnoud

Bittorrent: inbreuk op auteursrecht in groepsverband?

Tijdens een discussie op Tweakers over de werkwijze van BREIN in 2007 kwam een deelnemer met een slimme opmerking over Bittorrent.

Bij de meeste file sharing netwerken download je het bestand van één iemand. Zijn er meerdere aanbieders, dan moet je er eentje kiezen en maar hopen dat die de beste snelheid levert (en ook nog eens een kwalitatief goed bestand). Heb je het twee keer half gedownload, dan heb je twee halve bestanden waar je niet zo veel mee kunt.

Bittorrent zit slimmer in elkaar. Elk bestand wordt in delen opgehakt, en elk deel wordt afzonderlijk verstuurd. Zodra iemand een deel heeft, deelt hij dat deel ook weer met iedereen die op zoek is naar dat bestand. Dit bespaart natuurlijk nogal wat bandbreedte.

Niemand verspreidt dus een geheel werk via Bittorrent. Iedereen verspreidt deeltjes, en de ontvanger zet de deeltjes in de juiste volgorde. Wie is nu aan te spreken voor de inbreuk, als het werk nu zonder toestemming op Bittorrent terechtkwam?

In het burgerlijk recht bestaat sinds enige tijd de constructie van “onrechtmatige daad in groepsverband“. Deze wordt vooral gebruikt bij zaken als mishandeling en vernieling, waar het vaak lastig is om aan te tonen wie van de groep nu precies welke klap uitdeelde of de steen wierp waardoor de ruit stukging. De wet (art. 6:166 BW) zegt dan:

Indien één van tot een groep behorende personen onrechtmatig schade toebrengt en de kans op het aldus toebrengen van schade deze personen had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband, zijn zij hoofdelijk aansprakelijk indien deze gedragingen hun kunnen worden toegerekend.

De aanbieders van fragmenten van het werk kun je zien als een groep. Door hun gezamenlijk optreden is er schade ontstaan, namelijk een inbreuk op auteursrecht. En gebruikers van Bittorrent (moeten) weten dat als zij iets downloaden, het programma automatisch de fragmenten weer gaat aanbieden. Omdat verspreiden van zulk materiaal verboden is, hoor je het werk ook niet te downloaden via Bittorrent.

Degene die aangesproken wordt, hoeft dus niet degene te zijn die het werk voor het eerst op Bittorrent bracht (de “seeder”).

Waar ik nog over twijfel, is het eerste stuk van deze zin: er moet één iemand schade toegebracht hebben. Dat kun je dus lezen als “één persoon heeft het werk illegaal aangeboden”, en dan gaat dit artikel niet op voor Bittorrent. Als je er echter vanuit gaat dat zelfs maar een deel aanbieden al schade oplevert, dan is wel aan het artikel voldaan.

Roept u maar!

Arnoud